Kunst uit Xinjiang

DOOR JONA LENDERING
OP AUGUSTUS 28, 2023 

Tijdvak: 250 na Chr. – 950 na Chr.

Afbeeldingen vergroten door te klikken


Ik heb wel vaker geschreven over de Zijderoute: de handelsweg door Centraal-Azië die de Mediterrane wereld, Mesopotamië en Iran verbindt met Xinjiangen China. De reiziger die vanaf het westen komt, trekt over de Pamir en bereikt Kashgar, waar zich vanuit India een tweede handelsweg bij de Zijderoute voegt. In Kashgar heeft de reiziger de keuze tussen een zuidelijke en een noordelijke route om de Taklamakanwoestijn heen richting Dunhuang, waar de hoofdweg naar China begint. Langs beide routes moet de reiziger van oase naar oase trekken. Enkele oases langs de noordrand staan bekend als die van de Turfan-laagte. Hier liggen de Kizil-grotten, beroemd om hun laatantieke wandschilderingen.

De vondsten uit Turfan

Ik wist dat Duitse onderzoekers hier ooit allerlei vondsten hadden gedaan: teksten in het Tochaars en Sogdisch, boeddhistische objecten, documentatie over het manicheïsme en het nestoriaanse christendom. Aan het begin van de twintigste eeuw zijn vanuit Berlijn, met steun van de keizer en de firma Krupp, namelijk vier expedities richting Turfan vertrokken. Die keerden terug met kisten vol archeologische vondsten. Ze waren niet de enige ontdekkingsreizigers, overigens. De Kizil-grotten zijn bijvoorbeeld ontdekt door Japanse archeologen. In dezelfde tijd keerde ook Aurel Stein naar Europa terug met kisten vol manuscripten.


 Wat ik niet wist, was dat het materiaal uit dit gebied tegenwoordig aanwezig is in het Humboldtforum in Berlijn. Dat is de nieuwste museale toevoeging aan het Museumeiland, ondergebracht in het herbouwde Stadtschloss. Dat vervangt het oude Palast der Republik (“Erichs Lampenladen”) en is overigens een door-en-door modern gebouw. Alleen aan de buitenkant heeft men het kasteel van de keurvorsten, koningen en keizers herbouwd. Het Humboldtforum biedt plaats aan de etnografische collecties: dat wat aan het Museumeiland nog ontbrak. Ik wilde er de precolumbiaanse en de boeddhistische kunst zien, en stond ineens in de Kizil-grotten. En ik was helemaal ontregeld.

Stendhal in Berlijn

Het gaat feitelijk om twee zalen. De ene toont vooral boeddhistische schilderingen, vaak van het leven van Boeddha, de andere toont allerlei soorten vondsten. Het meeste materiaal dateert vanaf de Late Oudheid, dus zeg maar na 250 na Chr. Anders geformuleerd, uit de eeuwen nadat de Han-dynastie ten onder was gegaan en voordat de Tang-dynastie het Chinese gezag in deze regio herstelde. In de Vroege Middeleeuwen namen de Oeigoeren de macht over. In alle perioden was de oase-samenleving pluriform van karakter: er is bewijs voor allerlei talen en godsdiensten.


De wandschilderingen uit de Kizil-grotten zijn adembenemend. Voor mijn hap-snap-kennis van dit deel van de oude wereld zijn ze de tussenschakel tussen enerzijds de boeddhistische vondsten uit Taxila en de Swatvallei in Pakistan en de regio rond het Oezbeekse Kara Tepe en Fayaz Tepe, en anderzijds de fenomenale wandschilderingen uit Samarkand. Ik stond echt sprakeloos en merkte dat ik kortademig werd. Kortom, iets dat leek op het Stendhalsyndroom. Ik had een complete lunch nodig om weer tot mijn positieven te komen. De afdeling precolumbiaanse kunst heb ik daarna eigenlijk nauwelijks meer in me kunnen opnemen.

Meer

Er zijn in Berlijn ooit meer museumvoorwerpen uit Xinjiang geweest, maar een deel is bij bombardementen in de Tweede Wereldoorlog vernietigd en een deel is meegenomen door het Rode Leger. Andere schilderingen zijn nog in situ aanwezig. Omdat het museum soms verwijst naar schilderingen die je niet ziet, is de toelichting soms wat onduidelijk, wat bijdroeg aan mijn gevoel van ontregeling.


Ik zit nu, enkele uren later, op mijn hotelkamer nog steeds een beetje bij te komen. Je weet dat iets er is, je weet dat het belangrijk is, maar het staat nét iets te ver van je af om het paraat te hebben. Onvoorbereid als je bent, word je gevloerd als je het dan ineens ziet. De schok is niet eens een aangename sensatie, maar ik had deze dag voor geen goud willen missen.

EINDE

De heks van de Adachi hei

De Yokai van Japan

Afbeeldingen vergroten door te klikken

Yokai is een overkoepelende term voor de bovennatuurlijke wezens van Japan. Ik vind ze eindeloos fascinerend en veel van wat ik op deze blog deel is yokai gerelateerd. In dit bericht zal ik een korte introductie geven tot enkele van de bekendste yokai.


Curious Ordinary

De heks van de Adachi hei

In Japan is er een volksverhaal over een kannibalistische heks die alleen op de Adachi-vlakte woonde. Een verhaal gaat over een boeddhistische monnik die ’s avonds laat in haar eenzame huisje aankwam en vroeg of hij daar kon schuilen. Eerst zei ze nee, maar hij kon haar eindelijk overtuigen om hem binnen te laten. Ze zaten en praatten tot laat in de nacht.


Uiteindelijk ging het vuur uit, dus de oude vrouw vertrok om meer hout te verzamelen en vertelde hem dat hij niet in de kamer aan de achterkant van het huis moest kijken. Eerst zat hij geduldig op haar te wachten, maar omdat ze zo lang weg was, begon hij nieuwsgierig en een beetje bang te worden over zijn vreemde omgeving. Omdat hij zichzelf niet kon helpen, ging hij in de verboden kamer gluren.


Tot zijn schrik zag hij stapels menselijke botten, en de muren en vloer bedekt met bloed. Hij verliet snel het huis en begon weg te rennen. Toen hij terugkeek, realiseerde hij zich dat de heks hem achtervolgde met een met bloed besmeurd mes. Gelukkig kon hij haar ontlopen en in veiligheid komen. Sommige versies van het verhaal waarschuwen dat de heks graag het bloed van ongeboren kinderen drinkt en dit feit wordt weerspiegeld in enkele van de vele ukiyo-e-prints geïnspireerd. door het eenzame huis van de heks van Adachigahara.





EINDE

Honderd gedaantes van de maan

1️⃣

One Hundred Aspects of the Moon, Wikipedia 

Deze serie van 100 prenten[1] werd tussen 1885 en 1892 uitgegeven door Akiyama Buemon. De onderwerpen zijn ontleend aan diverse bronnen in de Japanse en Chinese geschiedenis en literatuur, het Kabuki- en Noh-theater, en zelfs het hedendaagse Edo (het huidige Tokio), en worden alleen verbonden door de aanwezigheid van de maan in elke prent. De sfeer die gecreëerd werd aan de hand van de maanfase werd benut vanwege de poëtische en expressieve mogelijkheden. Dit was de meest succesvolle en nog steeds de beroemdste prentenserie van Yoshitoshi [NB Zie zijn biografie op pag.2️⃣]. Mensen stonden voor zonsopgang in de rij om elk nieuw ontwerp te kopen, maar de oplage was altijd uitverkocht.

De eerste vijftig prenten



De Gion Wijk – Gionmachi





Het dorp van de Shi-clan op een maanverlichte nacht Nine-Dragon Tattoo
Shikason tsukiyo – Shi Jin from the Water Margin, [2], met zijn Nine-Dragon Tattoo.

Maan op de berg Inaba

MaanlichtpatrouilleSaito Toshimitsu
Saitō Toshimitsu in de Slag bij Yamazaki.

Maan van pure sneeuw bij Asano RiverChikako, de kinderlijke dochter — Kojo Chikako
Chikako was de dochter van Zeniya Gohei, die ten onrechte gevangen zat.


Afkoelen bij Shijo


Bergmaan na regenTokimune
Soga Tokimune ziet een maanverlichte berg na regenval.

Mount Yoshino middernachtmaanIga geen tsubone
Scène van Iga no Tsubone, schoondochter van Kusunoki Masashige, die de geest van de hoveling Sasaki Kiyotaka op de berg Yoshino confronteert.

Ik luister naar het geluid van een doek die wordt geslagen / terwijl de maan sereen schijnt / en geloof dat er iemand anders is / die nog niet is gaan slapenTsunenobu
De scène toont een verhaal waarin de hoveling Minamoto no Tsunenobu naar de herfstmaan keek en een couplet componeerde op basis van de poëzie van de Tang-dynastie:

Maan boven de zee bij Daimotsu BayBenkei
Benkei, krijger monnik en dienaar van Minamoto no Yoshitsune,

De kreet van de vos
Konkai Hakuzōsu is de kitsune die zich voordeed als een boeddhistische priester.
De maan glinstert als heldere sneeuw,
en pruimenbloesems verschijnen als gereflecteerde sterren,
ah! De gouden spiegel van de maan gaat over de lucht,
terwijl de geur van de jade kamer de tuin vult

— Poëtisch vers van Sugawara no Michizane.

De maan glinstert als heldere sneeuw, en pruimenbloesems verschijnen als gereflecteerde sterren, ah! De gouden spiegel van de maan gaat over de lucht, terwijl de geur van de jade kamer de tuin vult — Poëtisch vers van Sugawara no Michizane.

De maan bij Ogurusu in Yamashiro, met Akechi Mitsuhide.


Een ketel op een maanverlichte nacht — Kobuna no Gengo en Shimaya Hanzo

De maan bij de Suzaku-poort: Hakuga Sanmi
Hakuga Sanmi (Minamoto no Hiromasa) speelt de yokobue buiten de Suzaku-poort.

Geloof in de halve maan – Yukimori
Halvemaanvormige decoratie van Yamanaka Yukimori’s kabuto (helm).

Itsukushima maan — een Muro courtisaneMuro no yujo
Een scène uit ‘The Tale of the Heike’ waarin Taira no Kiyomori een prostituee ontmoet die waka-gedichten componeert op een kleine boot tijdens zijn pelgrimstocht naar het Itsukushima-heiligdom.

Maan en rook Enchu no tsuki
Hedendaagse scène met een brandweerman in Tokio.

Chikubu eiland maanTsunemasa
Taira no Tsunemasa op Chikubu Island.

Het Yugao-hoofdstuk uit ‘The Tale of Genji’
De geest van Yugao (vernoemd naar de ochtendglorie wijnstok), een minnaar van prins Genji in ‘The Tale of Genji.’

Cassia-boom maan — Wu Gang, Tsuki no katsura
Gobetsu Scène van de Chinese taoïstische meester Wu Gang met zijn bijl. Voor het misbruiken van zijn macht was hij door de goden gestraft om voor altijd de cassiabomen op de maan te hakken, alleen om zichzelf onmiddellijk te laten regenereren.

Gravemarker maan
Sotoba no tsuki De beroemde dichteres en hofdame, Ono no Komachi, veel later in haar leven – nadat haar legendarische schoonheid was vervaagd – vol spijt voor keuzes uit het verleden.

Maan bij het Yamaki Mansion
Yamaki yakata no tsuki — Kagekado Kato Kagekado probeert Yamaki Kanetaka te doden met zijn helm als aas in de Slag bij Ishibashiyama.


Maan in de Rosse Buurt.
Maanverlichte nachten in Yoshiwara.


De maan door een afbrokkelend venster (1887).
De legendarische Indiaas-boeddhistische monnik Bodhidharma zou naar China zijn gereisd om Zen-leringen te brengen, en het was bekend dat hij jarenlang voor een muur had gemediteerd totdat zijn armen en benen atrofieerden en eraf vielen.


Kitayama maanToyohara no Muneaki
Toyohara no Muneaki, meester instrumentalist, blaast zijn shō om aan de wolven te ontsnappen.

Dageraadmaan van de Shinto-riten
Tsukioka Yoshitoshi rijdt op een wagen tijdens het Sannō Matsuri Festival.

De innerlijke visie van de maan — Te no Yubai
De blinde Te no Yubai vecht hard tegen het leger van de Mōri-clan.

Mount Otowa maan — Sakanoue no Tamuramaro
De geest van Sakanoue no Tamuramaro verschijnt bij de Kiyomizu-dera.

Takakura-maan (Takakura no tsuki),
De prent toont de samurai Hasebe no Nobutsura geknield onder een boom. Hij houdt de wacht terwijl prins Mochihito en een metgezel, vermomd in aristocratische reiskleding met hoeden (kasa), per boot ontkomen bij maanlicht.

De maan van de Melkweg – Ginga no tsuki
Scène met de door sterren gekruiste geliefden van het Qixi Festival in China en het Tanabata festival in Japan.

Een glimp van de maan — Kaimami no tsuki
Kahoyo Gozen, vrouw van Enya Takasada, in een scène uit Kanadehon Chūshingura.

Hoe hopeloos is het / het zou beter voor me zijn om onder de golven te zinken / misschien zou ik dan mijn man uit Moon Capital kunnen zien — Ariko
Een scène uit Genpei Jōsuiki toont Ariko, een heiligdommeisje in het Itsukushima-heiligdom, die verliefd wordt op Tokudaiji Sanesada en wanhoopt aan hun onvervulde liefde vanwege hun andere status.

Theater-district dageraad maan – Shibaimachi no Akatsuki

Aan de kust bij Kiyomi blokkeert zelfs de lucht de weg / de maan wordt geblokkeerd door de Miho dennenbossen
Takeda Shingen tijdens zijn invasie van de provincie Suruga.

Te midden van glinsterende witheid / tussen de maanschaduwen van de nacht / scheid ik de sneeuw en pluk pruimenbloesems – Kinto — Kinto Fujiwara no Kinto, beschouwd als een van de vooraanstaande dichters en kalligrafen van de Heian-periode, die hielp bij het samenstellen van officiële poëziebundels in zijn hoedanigheid van adviseur van de keizer, kiest een pruimenbloesem.

Ik wou dat ik meteen naar bed was gegaan /
maar nu is de nacht voorbij /
en zie ik de maan dalen

Akazome Emon was een ervaren dichter tijdens de late Heian-periode van de geschiedenis; deze scène toont een vers uit een van haar gedichten waarin ze ’s nachts tevergeefs op haar minnaar wachtte.

Inamura Landmaan maan bij het aanbreken van de dag
Inamuragasaki no akebono no tsuki
Nitta Yoshisada biedt een tachi aan de kami van de zee en bidt voor succes bij het doorbreken van Inamuragasaki en het binnenvallen van Kamakura.

Wazige nachtmaan — Kumasaka
Een scène uit het Noh-stuk Oborozukiyo toont de legendarische bandiet Kumasaka Chōhan.

Bon Festival maan

Maan van het hol van de vijand — Prins Ousu
Ousu no miko Prins Ousu (Yamato Takeru) vermomde zich als een meisje om de broers van de Kumaso-leider te vermoorden.

Huai rivier maan — Wu Zixu
De ontsnapping van de Chinese generaal Wu Zixu uit Chu op de rivier de Huai.

Zoals reflecties in de rijstverdelen / de gezichten van straatwandelaars in de duisternis / worden blootgesteld door het herfstmaanlicht — Hitotose

De maan en het roer van een bootTaira no Kiyotsune
Taira no Kiyotsune Taira no Kiyotsune speelt zijn fluit op het schip voor de strijd, klaar om te sterven.

Dame Gosechi
Gosechi no myobu. Een scène uit Jikkinshō toont Minamoto no Tsunenobu en anderen die tot tranen toe ontroerd zijn door het geluid van een koto gespeeld door een voormalige hofdame die de wereld heeft verlaten om in afzondering te leven in een vervallen huis.

____________________
[1]  Hier zijn het er vijftig geworden.

[2]  Water Margin (vereenvoudigd Chinees: 水浒传; traditioneel Chinees: 水滸傳; pinyin: Shuǐhǔ Zhuàn), ook wel Outlaws of the Marsh of All Men Are Brothers genoemd, is een Chinese roman uit de Ming-dynastie die een van de meest vooraanstaande klassieke Chinese romans is. Water Margin, toegeschreven aan Shi Nai’an, was een van de vroegste Chinese romans geschreven in de volkstaal Mandarijn Chinees.


[naar ☝️ ] 

Ga hieronder naar pagina 2 van ‘Honderd aspecten van de maan’ :

De paviljoens van Sonsbeek

Bovenaan:
Het Sonsbeek Paviljoen, een in neoclassicistische stijl vormgegeven paviljoen, in het laatste kwart van de 18de eeuw gebouwd als buitenhuis, vermoedelijk naar ontwerp van architect Roelof Roelofs Viervant op de toenmalige buitenplaats 'Sonsbeek'. Wikipedia

Form and Design

Met het gevoel van verwondering komt Realisatie. Realisatie wordt geboren uit het intuïtieve. Iets moet gewoon zo zijn, en het heeft een definitief bestaan, hoewel je het niet kunt zien. Je streeft omdat het bestaan je doet nadenken over wat je wilt uitdrukken. In deze drive om je uit te drukken, maak je een onderscheid tussen bestaan en aanwezigheid. Wanneer je iets aanwezigheid geeft, moet je de natuur raadplegen, en dat is waar Design begint. Ontwerp geeft de elementen hun vorm en brengt ze van hun bestaan in de geest naar hun tastbare aanwezigheid.
Ontwerp is een omstandige daad. In de architectuur kenmerkt het een harmonie van ruimtes die goed zijn voor een bepaalde activiteit.

Between SILENCE and Light,
Spirit In The Architecture Of Louis I Kahn.



De geest van de tempel
Het paviljoen van Aldo van Eyck


In de beeldentuin van het Kröller-Müller Museum is een kopie onthuld van het beroemde paviljoen dat architect Aldo van Eyck in 1966 voor het park Sonsbeek ontwierp.

Max van Rooy, NRC
Gepubliceerd op
31 maart 2006
In Japan is het menselijk leven een tijdelijke kwestie in een stroom van eeuwigdurend, geestelijk voortbestaan. Dat leren shintoïsme en boeddhisme. Ook de houding ten opzichte van historische monumenten, van de heilige schrijnen, tempels en pagodes wordt in dit land bepaald door het besef van tijdelijkheid. Men eerbiedigt de geest van de tempel, niet de gematerialiseerde verschijningsvorm. Zo wordt de beroemde Ise-schrijn elke twintig jaar geheel opnieuw geconstrueerd uit vers, ongeverfd cipressenhout op een plek vlak naast de vorige. In de vorm van een volmaakte kopie blijft de Ise-schrijn stammen uit het einde van de zevende eeuw. 

Het verhaal van de Ise-schrijn schoot mij te binnen toen ik hoorde over de reconstructie van het vermaarde, tijdelijke paviljoen dat Aldo van Eyck (1918-1999) in 1966 voor de beeldententoonstelling in het Arnhemse park Sonsbeek ontwierp. Veertig jaar later zou in de beeldentuin van het Kröller-Müller Museum een volmaakte kopie van verse, ongeverfde B2-betonblokken verrijzen.

Vorige week werd het relikwieëndoosje geopend, op een lichte cirkel achter in het bospark. Het is gevuld met andere beelden dan toen, maar verder is iedereen het erover eens: hier staat het paviljoen uit 1966. Met één uitzondering: het dak, dat is anders, maar wel anders in de geest van Aldo vanEyck.

Als iemand die geest door en door kent, dan is het zijn vrouw, de architecte Hannie van Eyck-van Roojen (1918). De twee trouwden in 1944 in Zürich, waar beiden bouwkunde studeerden aan de Eidgenossische Technische Hochschule. Van meet af aan heeft Van Eyck zijn vrouw bij zijn ontwerpactiviteiten betrokken. Vanaf 1983 tot aan zijn overlijden in 1999 hadden zij samen de leiding van het architectenbureau Aldo van Eyck en werden alle werken gezamenlijk gesigneerd. Het bureau, dat Hannie van Eyck voortzette met architect Abel Blom (1962) aan haar zijde, verwezenlijkte de reconstructie van het beeldenpaviljoen op de Hoge Veluwe.

Het compacte bouwwerk staat vrijwel aan het uiteinde van het museumpark en het eerste dat opvalt is de lichtheid van de steen. Bijna stralend wit zijn de B2-blokken, die in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw geliefd waren bij de Nederlandse voorhoede-architecten wegens hun eenvoud. Op foto’s uit 1966 zijn de stenen muren grijzig en vlekkerig, maar ik realiseer me dat ik vooral zwart-wit foto’s heb gezien die de beschaduwde interieurstraatjes inkeken. Op een van de schaarse kleurenfoto’s van het origineel heeft de steen gelukkig eenzelfde lichtheid. Alleen de uiteinden van de muren, die toen buiten de bescherming van het dak vielen, zijn hier en daar morsig donker geworden. Snelle vervuiling is een bekend euvel van B2-blokken.

Maar goed, de steen klopt – de blokken werden opnieuw voor de reconstructie gemaakt omdat het oorspronkelijke formaat niet meer te krijgen was. Daarentegen is het dak op het eerste gezicht een ruwe verstoring van de balans tussen origineel en reconstructie. Dit gaat echter minder zwaar wegen als we weten dat Aldo van Eyck eigenlijk nooit een dak op ‘zijn’ paviljoen heeft gewild. Een dak op de kleine stad, met de zes parallelle muren die onregelmatig worden onderbroken of in een halve cirkel naar buiten buigen waardoor intieme pleintjes ontstaan, was even tegennatuurlijk als een dak op de grote stad. Maar ja, het praktische zegevierde in 1966 en het werd een dun, schermachtig geheel, bestaande uit een nylon velum, gespannen over een frame van stalen buizen.

Nu het paviljoen zijn tijdelijkheid heeft verloren, draagt een veel robuustere staalconstructie een transparant dak van perspex golfplaat. Het buizenstaketsel is tevens goten-systeem voor de afvoer van het regenwater. Door de transparantie en omdat het niet direct op de muren is gemonteerd maar er ogenschijnlijk los boven zweeft, blijft het dak iets provisorisch houden. Het hoort eigenlijk niet bij wat het overdekt, als een afdak boven een archeologische opgraving. 

Stenige plek

Eigenlijk is dat beeld zo gek nog niet: een opgegraven historische stad, waarvan alleen de muren nog overeind staan. Van Eyck wilde in Sonsbeek nadrukkelijk ‘een stenige plek’ maken. Tien jaar eerder, in 1955, was de Hollandse aartsvader van de moderne architectuur Gerrit Rietveld hem voorgegaan met een beeldenpaviljoen op dezelfde plaats in het Arnhemse expositiepark. Met een paar grote, bijna zwevende muurvlakken had Rietveld een De Stijl waardige, streng geometrische compositie gemaakt. Heel open en ruimtelijk, het park kon er moeiteloos doorheen waaien. ‘De bomen kregen hun zin’, schreef Van Eyck in een liefdevolle typologie van Rietvelds creatie. En wij kunnen zijn woorden toetsen aan de werkelijkheid, want ook in reconstructie is het beeldenpaviljoen van Rietveld aan dat van Van Eyck voorafgegaan. Al in 1965 werd het herbouwd in Kröller-Müllers museumpark.

Toen Van Eyck in datzelfde jaar met ontwerpen begon, wilde hij de kwestie van het beschouwen van beelden in de open lucht op een andere manier bekijken. Hij vond het een hardnekkig misverstand dat ‘kunst meer te zeggen zou hebben (of zich vriendelijker zou uitdrukken) wanneer moeder natuur in de buurt is – hier in de gedaante van een Victoriaans park’.

De moderne kunst is autonoom en uitgesproken stedelijk van karakter, constateerde hij in een toelichting bij zijn paviljoen-ontwerp. ‘De landschappen die zij ontsluit zijn de landschappen van de geest. En zoals het gemoed, de droom en de stad, zijn deze kaleidoscopisch en labyrintisch. Daarom besloot ik dat het paviljoen iets van de beslotenheid, de dichtheid en de complexiteit van de stad moest bezitten – dat het in feite urbaan moest worden, in de zin dat mensen en kunstwerken elkaar ontmoeten, samendrommen en onvermijdelijk in botsing komen.’

Aan de hand van een zestigtal schetsen is te volgen hoe hij van een tamelijk afgesloten configuratie van drie verschillende plekken tot de uiteindelijke open plattegrond met de zes parallelle muren en de inwendige absis-achtige uitbouwen is gekomen. De fijngekleurde tekeningen zijn kunstwerkjes, die soms doen denken aan etnografische weefsels, maar ook aan de kleurminiaturen van Paul Klee. Etnografische kunst en het fijnzinnige werk van Klee waren twee van zijn talloze inspiratiebronnen.

Gedurende een jaar zocht Van Eyck met zijn schetsen naar de juiste compositie van de urbane oase in het bos, waar mens en beeld zich als gelijkwaardige bezoekers zouden gedragen. In tegenstelling tot het door en door luchtige en overzichtelijke paviljoen van Rietveld, moest zijn kleinood (250 vierkante meter) voortdurend voor verrassingen zorgen, opwindend zijn als een volle markt, transparant en besloten tegelijk. 

Delicaat onderzoek

Een van zijn medewerkers ten tijde van dit delicate onderzoek was Lucien Lafour. In een interview met Van Eycks biograaf Francis Strauven geeft Lafour een ontroerende karakteristiek van de werkwijze van zijn leermeester. ‘Hij was heel geconcentreerd met zijn ontwerp bezig en op een gegeven moment nam hij me mee naar zijn werkkamer, waar de muur vol hing met schetsen. ‘Ga zitten, ga zitten’, zei hij, ‘wat vind je ervan? Zeg me wat je het beste vindt.’ Toen moest ik mijn mening geven over al die plannen, al die schema’s die hij getekend had. Die waren prachtig. Ik keek, en keek, en ten slotte zei ik: ‘Aldo, ik zie niet welke beter is.’ Twee dagen later, toen Hannie ons riep voor de lunch op de overloop, die ongeveer twee meter breed is, kwam Aldo opeens aanzetten. ‘Lucien, ik heb het gevonden! Nu weet ik wat ik ga maken. Wacht, blijf staan! Jij bent het beeld!’ En toen gleed hij rakelings langs mij heen: ‘Pardon, beeld, mag ik even passeren?’ Ik begreep het niet, maar toen ik de schetsen zag, werd het me duidelijk. En zo heeft hij het gemaakt.’

De vijf evenwijdige straten die aan de structuur van het paviljoen ten grondslag liggen, zijn bijna tweeënhalve meter breed. Dat is niet veel, zoals Lafour merkte toen hij als beeld poseerde en Van Eyck er langs wilde. Het liet zien wat Van Eyck met zijn architectuur wilde bereiken: de wederkerigheid tussen mens en beeld. In 1966 had hij ook de inrichting van het paviljoen ontworpen en bij de beeldenopstelling in de reconstructie zijn dezelfde principes gevolgd. Sokkels zijn niet alleen voor beelden bestemd, maar op strategische plekken, vooral met langere zichtlijnen, ook voor mensen. Soms is een beeld uit zijn nis weggelopen om verderop met een ander beeld een praatje te maken. En zie, de mooie Grosse Figur uit 1958 van Joannis Avianidis (1922) posteert zich in een van de ingangen zodat niemand er meer door kan. Maar er zijn ook beelden die zich rustig aan de afspraak houden, bijvoorbeeld de vier die voor de buitenmuur staan. De sierlijke Twee Vogels (1954) van Carel Visser op een sokkel van dezelfde blokken als de muur, in een nis De verslagen overwinnaar (1957), een groot, krachtig beeld in kwetsbaar opgetrokken-schouders houding van Oswald Wenkebach (1895-1962), daarnaast ook weer op sokkels, Kop van negerin (Josefa) 1939 van Charlotte van Pallandt (1898-1997) en twee koppen (Vandaag en morgen, 1918) van Hildo Krop (1884-1970).

Binnen ontbreekt een logisch parcours. Alle vijf galerij-straten bieden onverwachte hoeken en doorzichten die tot dwalen aanzetten. De beelden zijn zo geplaatst dat je ze van verschillende zijden te zien krijgt. Heel mooi is dat het geval met de ere-vitrine, een cilinder die langs de middellijn in een muurvenster is geplaatst zodat hij aan beide kanten evenveel uitsteekt. In 1966 mocht La Muse endormie van Brancusi in dit transparante tabernakel liggen, nu is dat een intrigerende Vrouwenkop van Jules Vermeire (1885-1977) met aan de ene kant haar gelaatsmasker en aan de andere zijde van de muur het nagenoeg kogelronde, gepolijste achterhoofd.

Aldo van Eyck koesterde de gedachte dat de bezoekers in bijna fysieke confrontatie met de beelden zouden raken. Hij kon er zich kinderlijk op verheugen, schreef in de marge van zijn schetsen: ‘Bump! – Sorry. What’s this? Oh hello!’

Goed beschouwd is het Van Eyck-paviljoen een even opwindende als vroegtijdige illustratie van de opvatting van staatssecretaris Medy van der Laan dat je van het tentoonstellen van kunst een feestje moet maken.


Vergroten door te klikken




Rietveld Paviljoen weer open


Donderdag 14 oktober 2010 zal het Rietveld Paviljoen bij het Kröller-Müller Museum opnieuw worden geopend. Het paviljoen is in 2010 door architect Bertus Mulder gerestaureerd in opdracht van de Rijksgebouwendienst. 

Architectenweb , 12 oktober 2010, 12:41

Het Rietveld Paviljoen in de beeldentuin van het Kröller-Müller Museum in Otterlo was niet meer met regulier onderhoud op een goede en verantwoorde manier in stand te houden. Het paviljoen is gedemonteerd en op basis van de bouwtekeningen uit 1965 opnieuw opgebouwd. Hierbij is gebruik gemaakt van hedendaagse materialen met de uitstraling / textuur van de materialen die Rietveld oorspronkelijk heeft gebruikt. Waar mogelijk zijn bepaalde bouwmaterialen hergebruikt. Donderdag zal het paviljoen feestelijk in gebruik worden genomen. 

Om 16.00 zal Liz Kreijn, hoofd collectie en presentatie van het Kröller-Müller Museum een welkomstwoord uitspreken. In het verdere programma wordt aandacht besteed aan de aanleiding en de keuze voor de restauratie, de restauratie zelf en de betekenis van het Rietveld-paviljoen voor het Kröller-Müller Museum. Naast Liz Kreijn komen Bert van Bommel, coördinator adviseur Monumenten van de Rijksgebouwendienst en de restauratiearchitect Bertus Mulder aan het woord. 

Het nieuwe paviljoen is qua uiterlijk ontegenzeggelijk weer het vertrouwde wijd en zijd vermaarde Rietveld-paviljoen. Op enkele voor het oog nauwelijks zichtbare details zijn weloverwogen concessies aan het oorspronkelijke materiaalgebruik gedaan, om daarmee het paviljoen minder onderhoudsgevoelig te maken en een zekere mate van duurzaamheid mee te geven, voldoende om de eerstkomende decennia er volop van te kunnen genieten. 


Gerrit Rietveld ontwierp in 1955 het paviljoen voor de 3e internationale beeldententoonstelling in park Sonsbeek in Arnhem. Daarna is het afgebroken en in de jaren 60 gereconstrueerd bij het Kröller-Müller Museum als eerbetoon aan Rietveld. Bij de restauratie zijn de erven Rietveld betrokken. De restauratiearchitect is Bertus Mulder. 

Voorafgaand aan deze beslissing tot restauratie zijn meerdere onderzoeken uitgevoerd naar de architectuur, bouwtechniek, bouwhistorie, materiaalkunde en constructie van het paviljoen. Toenmalige Rijksbouwmeester Mels Crouwel sprak in samenspraak met de directie van het Kröller-Müller Museum uit over de te volgen aanpak voor de restauratie. Het paviljoen zal omzichtig worden gedemonteerd en, op basis van de bouwtekeningen uit 1965, opnieuw worden opgebouwd. Hierbij wordt gebruik gemaakt van hedendaagse materialen met de uitstraling/textuur van de materialen die Rietveld oorspronkelijk heeft gebruikt. Zoveel mogelijk zullen bestaande bouwmaterialen worden hergebruikt. Waar geen alternatief in hedendaagse materialen mogelijk is wordt een replica gemaakt van het origineel. 

Vergroten door te klikken

Het paviljoen staat niet geregistreerd als monument, maar wordt wel als zodanig beschouwd.

Sonsbeek



Louis Kahn en de kracht van de schaduw

Thomas Schielke

06 Jan 2025 ArchitectureColumns

Heeft schaduw de kracht om vorm te geven aan architectuur? Het toenemende aantal transparante gebouwen en LED-installaties versterkt de indruk dat licht de relevantie van schaduw heeft geëlimineerd. Maar om die vraag te beantwoorden, laten we terugkijken op een in Estland geboren lichtmeester wiens architectuur werd gevormd door schaduw: Louis Kahn.

Zoals Leonardo da Vinci al vaststelde, komen we vaak drie soorten schaduw tegen: eigen schaduw, schaduwwerking (of modellering) en slagschaduw. De eigen schaduw valt op het object zelf – zoals een uitkragend dak dat schaduw op de gevel werpt. Het tweede type heeft betrekking op licht-donkercontrasten die inherent zijn aan de vorm en uitsluitend afhangen van de lichtbron; denk bijvoorbeeld aan een bolvormig paviljoen dat, zelfs bij een bewolkte hemel, aan de onderzijde een donkerder gedeelte vertoont. Het derde type, de slagschaduw, kan ontstaan ​​wanneer een hoog gebouw schaduw op straat werpt doordat de omtrek van het gebouw wordt geprojecteerd..

Kahns archetypische vormen gaan terug op de Griekse architectuur, die hij in de jaren vijftig bestudeerde: “Griekse architectuur leerde me dat de kolom is waar het licht niet is, en de ruimte ertussen is waar het licht is. Het is een kwestie van geen licht, licht, geen licht, licht. Een kolom en een kolom brengen licht tussen hen. Om een kolom te maken die uit de muur groeit en die zijn eigen ritme maakt van geen licht, licht, geen licht, licht: dat is het wonder van de kunstenaar.”

Vergroten door te klikken


Licht was echter ook een centraal element in Kahns filosofie omdat hij het beschouwde als een “gever van alle aanwezigheden”: “Al het materiaal in de natuur, de bergen en de beken en de lucht en wij, zijn gemaakt van Licht dat is uitgegeven, en deze verfrommelde massa genaamd materiaal werpt een schaduw, en de schaduw behoort tot het Licht.” Voor hem is licht de maker van materiaal, en het doel van materiaal is om een schaduw te werpen.

En omdat Kahn geloofde dat de donkere schaduw een natuurlijk onderdeel van licht is, probeerde hij nooit een puur donkere ruimte te creëren voor een formeel effect. Voor hem verduidelijkte een glimp van licht het niveau van duisternis: “Een plan van een gebouw moet worden gelezen als een harmonie van ruimtes in licht. Zelfs een ruimte die bedoeld is om donker te zijn, zou net genoeg licht moeten hebben van een mysterieuze opening om ons te vertellen hoe donker het werkelijk is. Elke ruimte moet worden gedefinieerd door zijn structuur en het karakter van zijn natuurlijke licht.” Als gevolg hiervan is de lichtbron vaak verborgen achter lamellen of secundaire muren, waardoor de aandacht wordt gericht op het effect van het licht en niet op de oorsprong ervan

Vergroten door te klikken


De “mysterie” van schaduw was ook nauw verbonden met het oproepen van stilte en ontzag. Voor Kahn, hoewel duisternis de onzekerheid oproept van het niet kunnen zien, van potentiële gevaren, inspireert het ook diep mysterie. Het is in handen van de architect om stilte, geheimhouding of drama op te roepen met licht en schaduw – om een “schat van schaduwen”, een “heiligdom van kunst” te creëren.

Als je door de opeenvolging van openingen bij de portiek van het Salk Institute loopt, denk je dus aan de donkere stilte van een klooster. Donkere schaduwlijnen en gaten, van de nauwkeurig gedefinieerde mallen, bieden een fijne textuur op de massieve muren. De witte steen en de grijze betonnen muren presenteren een monotoon driedimensionaal canvas voor het spel van schaduwen. Schaduw wordt een essentieel element om het arrangement en de vorm van Kahn’s monolithische volumes te onthullen.

Vergroten door te klikken

Falk Instituut voor Biologische Studies, La Jolla, Californië, 1965


En hoewel Kahn veel gebouwen heeft gebouwd in gebieden die worden blootgesteld aan extreem zonlicht (zoals India en Pakistan), ontwierp hij zijn gebouwen niet om gebruikers tegen de zon te beschermen, maar eerder om de heiligheid van de schaduw te behouden. Hij geloofde niet in kunstmatige schaduw, zoals ‘brise-soleils’, legt Ingeborg Flagge uit, de voormalige directeur van het Duitse Architectuurmuseum, die de tentoonstelling The Secret of the Shadow samenstelde. In plaats daarvan gebruikte hij ramen en deuren in zijn dubbele muren om het licht naar het interieur te leiden. Zoals Kahn de grote open ramen en deuren van het Indian Institute of Management beschrijft: “De buitenkant behoort toe aan de zon, en aan de binnenkant wonen en werken mensen. Om bescherming tegen de zon te vermijden, heb ik het idee uitgevonden van een diepe intrados die de koele schaduw beschermt.”

Vergroten door te klikken

Indiaas Instituut voor Management, Ahmedabad, India (1997)
© Jeroen Verrecht


Kahn’s pad van ontwerpen met schaduw trok talloze volgelingen aan, zoals Tadao Ando met zijn Church of Light, Peter Zumthor met zijn Therme Vals en Axel Schultes met zijn Crematorium. Ze bevatten allemaal schaduw als een vormgever voor stille ruimtes. Dit perspectief vormt een aangenaam contrapunt voor de architectuur van vandaag, die streeft naar dynamische en heldere iconen.


EINDE


Meer Louis Kahn op ShakingLife