Italiaanse schilderkunst in Museum MORE: Francesca kan zo in een horrorfilm

RECENSIE
Beeldende kunst

Het museum voor modern realisme in Gorssel toont Italiaanse schilderkunst uit het midden van de vorige eeuw: lichter en kleurrijker dan het Nederlandse realisme, maar ook met een ongemakkelijke zweem van fascisme.

Gijsbert van der Wal
4 maart 2026
vanuit Gorssel

Afbeeldingen vergroten door te klikken

Het is lekker druk in Museum MORE, en je begrijpt wel waarom. Het particuliere museum, gevestigd in een groot en licht nieuw gebouw in Gorssel bij Zutphen, begon ruim tien jaar geleden als een officieuze opvolger van het in de kredietcrisis gesneuvelde Scheringa Museum voor Realisme. In die tien jaar is het uitgegroeid tot een museum voor moderne figuratieve kunst in brede zin, van het interbellumrealisme van Jan Mankes, Pyke Koch en Carel Willink tot de recente tekeningen op groot formaat van Marijn Akkermans, Jans Muskee en Raquel Maulwurf, de wiebelige keramiekstillevens van Koos Buster en een flinke verzameling zelfportretten, met uiteenlopende hedendaagse kunstenaars als Levi van Veluw, Matthijs Röling, Rineke Dijkstra en Anton Valens. Op de begane grond is een leuke keuze uit die vaste collectie gepresenteerd – thematisch, niet chronologisch, zodat duidelijk blijkt dat de figuratieve kunst van de afgelopen eeuw één samenhangend verhaal van leesbare beelden is, één grote weergave van de zichtbare wereld. Zo liefdevol en zorgvuldig als hier wordt het eigen bezit van een museum niet vaak geëxposeerd.

De zalen op de eerste verdieping zijn bestemd voor tijdelijke tentoonstellingen en om de zoveel jaar biedt MORE daar een internationale context bij de Nederlandse kunst beneden. Eerder waren er tentoonstellingen te zien over Brits en Europees realisme uit de jaren twintig en dertig, naïef realisme wereldwijd en figuratieve kunst uit het vroegere Tsjecho-Slowakije. Nu wordt er in Magico! een overzicht geboden van de Italiaanse realistische schilderkunst uit de eerste helft van de twintigste eeuw, met een beetje uitloop naar de jaren vijftig en zestig.

De aankleding is ijssalon-achtig, met wanden en banieren in zachte kleuren en kleurbanen. Op de bordjes staat af en toe een bekende naam: Gino Severini’s gitaarspelende Pulcinella uit Museum Boijmans Van Beuningen is present en van Giorgio de Chirico hangt er een landschap met de voor hem typerende combinatie van naïef perspectief en verfijnde schaduwen. Maar verder is Magico! een tentoonstelling als een eerste ontmoeting, want de meeste getoonde Italianen zijn in ons land onbekend. Toch doet hun stijl van schilderen regelmatig vertrouwd aan. De eenvoudige stillevens in verstofte kleuren van Edita Broglio doen aan die van onze Wim Schuhmacher denken, Gregorio Sciltians portretten zijn verwant aan die van Carel Willink en Antonio Donghi had met zijn illustratief geschilderde ouderwetse speelgoedwereld een Italiaanse achterneef van Hermanus Berserik kunnen zijn.

Ongemakkelijke, kille verhevenheid

Waardoor onderscheiden de Italiaanse realisten zich van hun Nederlandse tijd- en soortgenoten? Soms natuurlijk door het zuidelijke licht: zie de harde schaduwen bij De Chirico, en zie ook Ada in de tuin (1927) van Stanis Dessy. Het model staat in de schaduw, maar in die schaduw worden nog weer diepere schaduwen getekend door het felle zonlicht daarbuiten, en datzelfde zonlicht reflecteert in haar ogen. Verder lijkt het Italiaanse interbellumrealisme wat uitgesprokener van kleur dan het Nederlandse. Een stilleventje als dat in Vrouw voor de spiegel (1927) van Cagnaccio di San Pietro, met vuurrode make-upspullen op een knalblauw tafeltje, zul je bij Mankes, Schuhmacher of Hynckes niet tegenkomen.

Op een ander verschil is moeilijker de vinger te leggen: de zweem van fascisme, waar een aantal van de Italiaanse realisten niet onwelwillend tegenover stond. Misschien zie je het alleen omdat je het weet. Er wordt niet met vlaggen gezwaaid en er zijn geen uniformen of portretten van Mussolini te zien, maar er spreekt een ongemakkelijke, kille verhevenheid uit de neo-classicistische decors, de verbeten, strak belijnde koppen, de visionaire blikken, de smetteloze schildertrant.

Carlo Levi: Francesca (1927).
BEELD FONDAZIONE CARLO LEVI / PICTORIGHT

Francesca (1927) van Carlo Levi zit in rustig strijklicht te poseren op een stoeltje op een tapijt met veel blauwen en roden; haar rode vest oogt lekker warm tegen een wat gedempter rode achterwand die ook al warm is – maar met haar valse poppenblik en haar helmachtige kapsel (met strakke middenscheiding) wint ze geheid iedere auditie voor een hoofdrol in een horrorfilm. Een door Mario Reviglione geportretteerde theoloog, helemaal in het zwart en met een strenge blik onder de zwarte hoed, is ook op een filmische manier griezelig.



Hoogst curieus is Sciltians Bacchus in de herberg (1936) uit het museum voor moderne kunst in Rome. Vier jonge mannen aan een gedekte tafel worden verrast door de halfnaakte Bacchus, god van wijn en dronkenschap. De compositie met evenwichtig verdeeld geel, rood, groen en blauw, het theatrale licht, de blikken en houdingen en de stillevens op en om de tafel doen allemaal aan Caravaggio denken – en toch blijkt uit bijvoorbeeld de kleding en de kapsels meteen dat we in de jaren dertig van de twintigste eeuw zijn. Het desolate stadsgezicht achter Bacchus heeft Sciltian van De Chirico geleend. Uiteindelijk is het een tamelijk lelijk, geforceerd schilderij. Make Italy great again. Maar je blijft toch een tijd staan kijken, want boeiend is het wel. En daarin is het representatief voor Magico! Er zullen weinig bezoekers wildenthousiast over het Italiaanse realisme naar buiten lopen, maar het is een welkome, leerzame tentoonstelling die je in geen enkel ander Nederlands museum te zien krijgt.


Carlo Levi, detail ‘Lucania ‘61’, 1961 – uit ‘Christus kwam niet verder dan Eboli
Christus kwam niet verder dan Eboli (1945) – Carlo Levi’s autobiografie.

In het zuiden van Italië ligt een onherbergzaam gebied, waarvan de inwoners zich in barre omstandigheden door het leven moeten zien te slaan. In 1935 werd arts, auteur en schilder Carlo Levi (1902-1975) naar het Siberië van Italië verbannen wegens antifascistische activiteiten. Hij genoot er een beperkte bewegingsvrijheid, maar werd vanwege zijn beroep door de notabelen als een der hunnen gezien. De gewone dorpelingen hoopten vooral dat Levi hun medische zorg zou kunnen bieden.
Cristo si è fermato a Eboli is een Italiaanse dramafilm uit 1979, gebaseerd op de roman van Carlo Levi.
Eboli ligt bij Amalfi (rode stip), westelijk Tricarico en Matera (Musei nazionale).

Geheel bovenaan:  
Rechter drieluik van ‘ Lucania ‘61’.

EINDE

En er zullen tekenen zijn aan zon, maan en sterren…

“And there will be signs in the sun, in the moon, and in the stars; and on the earth distress of nations, with perplexity, the sea and the waves roaring; men’s hearts failing them from fear and the expectation of those things which are coming on the earth, for the powers of the heavens will be shaken. Then they will see the Son of Man coming in a cloud with power and great glory.”
Lucas 21’ 25-27

Afbeeldingen vergroten door te klikken.

In afwachting van onze Tai-chi les om tien uur, stak ik vanochtend mijn hoofd om de hoek van de deur, om te peilen wat buiten de stand van zaken was – en zag dit: een glimp van de volle maan aan de horizon, geflankeerd door het schijnsel van de opkomende zon op de gebouwen waarachter ze ondergaat.
Intussen was ik net bezig met een post over de ‘De sacrale kunst van Toledo’, Spanje.
Gisteren was het daar op mijn blog nog over ‘Rijksmuseum: herontdekt schilderij is een echte Rembrandt’ gegaan, een bericht overgenomen uit NRC, over waarheid en leugen rond het ‘Rembrandt Research Project’, met betoverende beelden van diens Het visioen van Zacharias in de tempel (1633).

Kortom: kunst alom, binnen en buiten, in een wereld die om schoonheid schreeuwt
Nou, van die Tai-chi is niks gekomen…
Onderweg namen we de bus naar de Landmarkt, om het leven op afstand te kunnen overpeinzen…
Bovenaan:  Vincent Van Gogh, De sterrennacht, juni 1889. 

EINDE

De sacrale kunst van Toledo

Mezquita del Cristo de la Luz

Afbeeldingen vergroten door te klikken.

De Hermitage of Kerk van Cristo de la Luz, voorheen de Bab al-Mardum Moskee (Arabisch: مسجد باب المردوم‎). Van de tien moskeeën die ooit in de stad bestonden, is dit de best bewaarde. In de islamitische tijd was het een kleine gebedsruimte, verbonden aan een stadspoort (Bab al-Mardum), die werd gebruikt door nieuwkomers in Toledo of door mensen die zich voorbereidden op hun vertrek. Het werd gebouwd in het jaar 999, de tijd van glorie van het kalifaat van Córdoba, zoals vermeld in de epigrafische strook op de ingangsgevel. 

Sinagoga del Tránsito

De Sinagoga del Tránsito,  ook bekend als de ‘Synagoge van Samuel ha-Levi of Halevi’. Voormalige Joodse gemeente en synagoge, gelegen aan de Calle Samuel Levi, in de historische oude stad Toledo. Status: Synagoge (1357–1391), Kerk ( ca.  1492 – 19e eeuw), Joods museum (sinds 1910).
Ontworpen door meestermetselaar Don Meir (Mayr) Abdeil, werd het gebouwd in 1357 in de Mudéjar- of Moorse stijl als een bijgebouw van het paleis van Samuel HaLevi , schatmeester van koning Peter van Castilië.
De synagoge bevindt zich in de voormalige Joodse wijk van de stad tussen het klooster van San Juan de los Reyes en de synagoge van Santa María la Blanca . Het is een van de drie bewaard gebleven synagogen die door Joden zijn gebouwd onder het bewind van het christelijke koninkrijk Castilië.
Het gebouw werd na de verdrijving van de Joden uit Spanje in 1492 omgebouwd tot een katholieke kerk. Het werd kortstondig gebruikt als militaire kazerne tijdens de Napoleontische oorlogen in het begin van de 19e eeuw. In 1910 werd het een Sefardisch Joods museum , dat tegenwoordig formeel bekendstaat als het Sefardisch Museum.

El Greco’s ‘Vista de Toledo’

Het multiculturele Toledo is ook de stad, waar  Johannes van het Kruis in het klooster van de Karmelieten in een cel werd opgesloten en negen maanden werd vastgehouden, vanwege zijn steun aan de hervormingen van Theresia van Ávila. 

El Greco’s ‘La Adoración de los Pastores

Tegen het einde van de 16e eeuw arriveerde een vreemde, afstandelijke figuur in het Spaanse stadje Toledo, gelegen op een heuvel. Zijn afkomst was onduidelijk en zijn naam – Domenikos Theotokopoulos – was zo moeilijk uit te spreken dat hij simpelweg El Greco (De Griek) werd genoemd. Hij beweerde geboren te zijn op Kreta, pochte dat hij een leerling van Titian was geweest en, zoals een Spanjaard uit Toledo optekende, "liet hij duidelijk merken dat niets ter wereld superieur was aan zijn kunst." De vreemdeling had zeker niet alleen de ontwerpen van Titian in zijn penseel, maar ook alle geheimen van Tintoretto's theatrale vuurwerk en Correggio's dramatische belichting. Al snel streden zelfs de trotse kerken van Toledo om zijn werken. Op vorstelijke wijze nam de Griek zijn intrek in de koninklijke suite van het paleis van de markies de Villena, veranderde deze in een museum van zijn eigen werken en maakte er zijn atelier en woning van.

Voor El Greco was Toledo een ideale stad. De Heilige Theresia en de Heilige Johannes van het Kruis waren medeburgers, en hun visioenen maakten het wonderbaarlijke tot een alledaagse gebeurtenis. In zo'n tijd kon Toledo El Greco's innerlijke visie gemakkelijk begrijpen, die de grenzen van perspectief en proportie oversteeg om zijn eigen verheven, vlam-achtige dimensies van schoonheid en kracht te creëren.

Pas in zijn latere jaren nam het fortuin van de luxeminnende El Greco af en werden zijn vorstelijke appartementen armoedig en somber. Maar in augustus 1612, toen El Greco 71 jaar oud was, zette hij zich in voor een laatste grote onderneming: het torenhoge altaarstuk van 3,5 meter, ‘De Aanbidding der Herders’, geschilderd om zijn eigen graf in de kerk van Santo Domingo el Antiguo te versieren. In het schilderij wordt het Christuskind een stralende parel, die de drie aanbiddende herders en Sint-Jozef in zijn blauwe tuniek en gele mantel, met een bovenaardse gloed verlicht. Boven de scène, die als een machtig Gloria in Excelsis naar de hemel reikt, staat de figuur van Maria. Het ovale gezicht, de spitse kin en de neergeslagen ogen zijn de gelaatstrekken van Dona Jeronima de las Cuevas, de vrouw met wie El Greco mogelijk nooit getrouwd is, maar die hem zijn enige zoon schonk.
Vijf jaar na El Greco's dood op 73-jarige leeftijd, werd zijn lichaam van Santo Domingo naar een andere kerk overgebracht, waarna elk spoor ervan verloren ging. Na verloop van tijd keerde de heersende smaak zich tegen El Greco. ‘De Aanbidding’ in Santo Domingo raakte door eeuwenlange verwaarlozing zo vervuild, dat weinig kunsthistorici het opmerkten of reproduceerden.

Vorig jaar verkocht de kerk, die moeite had om de reparaties te financieren, het schilderij aan het Prado in Madrid voor 55.000 dollar. De experts van het Prado hadden negen maanden nodig om het te reinigen en te restaureren. Tegenwoordig hangt ‘De Aanbidding’ op een ereplaats in een van de recent geopende zalen van het Prado, nog steeds stralend en vol pracht en praal, zoals El Greco het oorspronkelijk met zijn penselen heeft aangebracht, en wederom het blijvende bewijs van zijn grootse kunst, zoals de onbekende kunstenaar uit Toledo het oorspronkelijk voor ogen had.”
EL GRECO'S LAATSTE GLORIA, TIME, 17 DECEMBER 1956



Salvador Dali’s ‘Cristo de San Juan de la Cruz’


Het wereldberoemde schilderij van Dalí heet Christus van Johannes van het Kruis, omdat een tekening van de middeleeuwse mysticus hem inspireerde.
Als hervormer van de eeuwenoude kloosterorde van de Karmel[1] had Johannes van het Kruis (1542-1591) het soms hard te verduren. Tegenstanders van zijn hervormingen sloten hem maandenlang op in een kerker. Op een nacht had hij tijdens het gebed een mystieke ervaring. Wat hij zag, raakte hem diep. Hij zag het kruis van bovenaf, vanuit het standpunt van God de Vader.

___________________
[1] Orde van Broeders van Onze-Lieve-Vrouw van de Berg Karmel (OCarm), is een van de oudste katholieke bedelordes, ontstaan in de 13e eeuw op de berg Karmel in het Heilige Land.

EINDE

Rijksmuseum: herontdekt schilderij is een echte Rembrandt

Rembrandt
Het Rijksmuseum Amsterdam presenteerde maandagochtend een nieuwe Rembrandt: Het visioen van Zacharias in de tempel (1633). Het schilderij was eerder afgeschreven als een Rembrandt, en 65 jaar lang niet in het openbaar getoond.

Merlijn Schoonenboom
2 maart 2026

Drie keer eerder werd het schilderij afgeschreven, 65 jaar lang is het niet meer in het openbaar te zien geweest, maar nu weet het Rijksmuseum in Amsterdam het zeker: Het visioen van Zacharias in de tempel (1633) „is een echte Rembrandt”. Maandagochtend presenteerde het museum op een persconferentie het schilderij als ontdekking van twee eigen onderzoekers.

Het schilderij, eigendom van een particulier die anoniem wil blijven, zal vanaf deze week als langdurig bruikleen in het Rijksmuseum komen te hangen. Het schilderij werd in 1898 ook al in het museum getoond, op de eerste overzichtstentoonstelling van Rembrandt ter gelegenheid van de inauguratie van koningin Wilhelmina. In 1960 werd het de eerste keer afgeschreven als zijnde een Rembrandt, en nadat het in 1961 was verkocht, was het niet meer door experts onderzocht.

Een paar dagen voor de persconferentie staat Het visioen van Zacharias in de tempel op een schildersezel in het restauratieatelier van het Rijksmuseum. Relatief klein is het, 60 bij 50 centimeter, olieverf op hout, met een tafereel uit de Bijbel, waarin Zacharias van de aartsengel Gabriël te horen krijgt dat hij en zijn vrouw ondanks hun hoge leeftijd een zoon krijgen, de latere Johannes de Doper. De twee onderzoekers, conservator en Rembrandt-kenner Jonathan Bikker en Petria Noble, hoofd van het restauratieatelier, staan ernaast, en laten via een powerpoint hun bewijzen zien dat de schilder de 27-jarige Rembrandt van Rijn moet zijn geweest.

In 2023 kreeg het museum een foto toegestuurd van de zoon van de koper uit 1961, met het verzoek het werk te onderzoeken. „Zijn vraag was niet, is dit van Rembrandt? Maar: is dit van Salomon Koning of Jan Lievens”, zegt Bikker. Het schilderij werd in 1961 wél gekocht als een Rembrandt, maar in de belangrijke catalogi sinds die tijd ontbrak het. In 1960 bestempelde een Duitse Rembrandt-deskundige het als een ‘Jan Lievens’, in 1969 schreef een andere onderzoeker het ook af, en het Rembrandt Research Project, tussen 1968 en 2014 dé Rembrandt-autoriteit, deed dat ook.

Vroeger alleen zwart-witfoto’s of slechte reproducties

Maar Bikker vermoedt dat die eerdere onderzoekers het echte schilderij nooit hebben gezien, en alleen „zwart-witfoto’s of slechte reproducties” hadden om te beoordelen. Dat is nu anders, zegt hij: het Rijksmuseum had niet alleen de beschikking over het schilderij zelf, maar ook over hogeresolutiefoto’s, scanners en andere apparatuur waarmee ook De Nachtwacht de afgelopen jaren is onderzocht en gerestaureerd.

Het tweejarige onderzoek begon bij het materiaal: het hout van het paneel stamt volgens Bikker en Noble uit de periode waarin Rembrandt werkte, de verf is dezelfde als die hij in andere schilderijen gebruikte, en vergelijkingen met een ander, bijna identiek schilderij in een museum in het Duitse Schwerin laten zien dat dit het origineel moet zijn en die in Schwerin de kopie. Natuurlijk, zegt Bikker, alleen op basis van de informatie van het materiaal had het schilderij ook door een leerling of medewerker van Rembrandt geschilderd kunnen zijn, maar dat geldt volgens hem niet voor de „verfopbouw”, die „typisch is voor Rembrandt”, voor de handtekening die aanwijsbaar op de natte verf is aangebracht, en vooral: voor de stijl.

Petria Noble loopt naar het doek en wijst op een geschilderde plooi in het altaarkleed, die op de powerpointpresentatie op de laptop ernaast is uitvergroot: „Hier komt de onderliggende schets tevoorschijn, het is typisch voor Rembrandt om dat open te laten.” Bikker wijst op de kleine stipjes lichte verf die de stoffen en het wierookvat uitlichten; op de ogen van Zacharias die slechts puntjes zijn, maar voldoende om de emotie van ongeloof op het gezicht van Zacharias op te roepen. Ook loven de onderzoekers de compositie, die volgens hen „het spannendste moment van het verhaal” uitbeeldt: het moment dat Zacharias het nieuws te horen krijgt. Rechtsboven doet een lichtbron de engel vermoeden, maar je ziet hem niet – anders dan op andere, buitenlandse uitbeeldingen van dit thema; Rembrandt was de eerste in de Nederlanden die dit verhaal koos. „Ontroerend” noemt museumdirecteur Taco Dibbits de voorstelling in het persbericht.

Afbeeldingen vergroten door te klikken

‘Oordeel van Rijks niet zomaar een mening’

Maar kan het Rijksmuseum wel zo zeker zijn? Ja, zeggen Bikkers en Noble. De onderzoekers verwijzen naar twee kleine portretten die het museum in 2023 ook als herontdekte Rembrandts presenteerde: Jan Willemsz. van der Pluym en zijn echtgenote Jaapgen Caerlsdr. Volgens hen laten die portretjes en het nieuwe schilderij zien dat er nog steeds Rembrandts uit particuliere collecties kunnen opduiken. Maar de discussie die na de presentatie van ‘Jan en Jaapgen’ onder kunsthistorici over deze toeschrijving werd gevoerd, laat óók zien dat dergelijke recente herontdekkingen vaak omstreden zijn. Niet alleen de wetenschappelijke maar zeker ook de commerciële belangen zijn enorm: de naam Rembrandt voegt vele miljoenen aan de waarde toe. 

Bikker sluit niet uit dat er nu ook discussie ontstaat, maar benadrukt wel dat het oordeel van het Rijksmuseum niet zomaar een mening is. Het is weliswaar geen „museumbeleid” om nu als een soort nieuw Rembrandt Research Project stempels van echtheid uit te gaan delen, zegt hij, maar „persoonlijk vind ik dat wij de enigen zijn met de kennis, de expertise en de apparatuur in huis”. Een commercieel belang heeft het museum daarbij niet, zegt hij: „Wij doen dit puur uit interesse. En om dichter bij Rembrandt te komen.”

De ontdekking – of eigenlijk: herontdekking – bevestigt volgens Bikker en Noble dat de jonge Rembrandt anders moet worden gezien dan kunsthistorici lang deden. Lang werd gezegd dat de schilder in zijn jonge jaren „fijn en netjes” schilderde, en dat hij pas op latere leeftijd grover, schetsmatiger en met minder kleuren ging werken. Maar dat klopt niet, zegt Bikker. Een ander Rembrandt-schilderij uit datzelfde jaar 1633, dat in het Getty Museum in Los Angeles onder de titel Daniel and Cyrus before the Idol Bel hangt, heeft dezelfde stijl. Al maakte Rembrandt toen nog vooral naam als portretschilder, het zijn taferelen die de schilder volgens Bikker ook op jonge leeftijd al het liefst maakte.

EINDE

De oorlogen in het Midden-Oosten snap je alleen als je apocalyptisch geloof snapt

Foto boven: De Tempelberg in Jeruzalem, eerder deze maand. FOTO AMMAR AWAD
Het is tijd om de religieuze narratieven in het Midden-Oosten veel serieuzer te nemen, betogen Beatrice de Graaf en Stefan Paas. Welkom in het universum van de apocalyptische geopolitiek.
Gepubliceerd op 27 juni 2025 
Je weet dat je in een ander universum bent aangekomen als je Tucker Carlson als de stem van de rede gaat zien. Precies dat gebeurde vorige week in het podcastgesprek van Carlson met de Texaanse senator Ted Cruz. Cruz verdedigde vol vuur het besluit om Iran te bombarderen, want „de Bijbel zegt dat wie Israël steunt gezegend zal worden en wie Israël niet steunt, wordt vervloekt”. Carlson, ook een christen, veegde vervolgens de vloer met Cruz’ misleide bijbeluitleg aan.


Welkom in het universum van de apocalyptisch geïnspireerde geopolitiek. In alle verslagen en berichten over de oorlog in het Midden-Oosten wordt te weinig aandacht besteed aan de doorwerking van eindtijdvoorstellingen in de escalatie.
Waarom dat is? Misschien wel omdat het conflict zó complex is, zo gelaagd en diepgeworteld, dat het heel verleidelijk is om het dan maar plat te slaan. Het zijn de kolonisatoren versus de onderdrukten. Het is Iran tegen Amerika. Het gaat om macht. Om geld. Om olie. Of, altijd goed in situaties waar religie en ideologie een rol spelen: ze zijn gek geworden.

Als coping-mechanismes voor commentatoren en lezers in tijden van onzekerheid mag dit werken. Als geopolitieke leidraad niet. De seculiere knip tussen ‘geloof en politiek’ is een misvatting die in het overgrote deel van de wereld niet opgaat. Al helemaal niet in het Midden-Oosten.
Kortom, het is tijd om de religieuze narratieven in de oorlog in het Midden-Oosten serieus te nemen: religie geeft met behulp van verhalen, boeken, rituelen, handelingen, preken en gezangen vorm en richting aan ontwikkelingen die al gaande zijn. Vooral verhalen over de Eindtijd, over de laatste strijd die op handen zou zijn, en die de Apocalyps, (de onthulling) zou inluiden, doen het goed als het gaat om het verder mobiliseren van mensen die al boos, bang, arm, onderdrukt zijn.


‘Verlost’ Palestijns volk

En laat dat nu net gaande zijn in Israël, in het bijzonder rondom de Tempelberg. Toen Israëlische politiemensen in mei 2021 Palestijnse gelovigen verhinderden om in de Al-Aqsamoskee te gaan bidden, brak er een opstand uit. Hamas verklaarde dat de Palestijnen niet zouden rusten voordat ze het heiligdom hadden veroverd op de Joden. Want ‘alleen dan zal het Palestijnse volk verlost zijn’. Ook na de aanval van Hamas op Israël, op 7 oktober 2023, verklaarde de Palestijnse leider Haniyeh met Koranteksten dat de Eindtijd in vervulling zou gaan, en dat Palestijnen zich bij de strijd moesten voegen en als martelaren naar de hemel zouden gaan.
Omgekeerd hadden Israëlische ministers zoals Itamar ben Gvir en Bezalel Smotrich niet nagelaten te eisen dat het joodse volk „Judea en Samaria” weer in handen zou krijgen, de oudtestamentische benaming voor de Westbank, en dat de Palestijnen sowieso voorgoed en helemaal van de Tempelberg verdreven zouden moeten worden. Sterker nog, het was tijd, Eindtijd, om de ‘Derde Tempel’ te bouwen: de tempel die na verwoesting van de eerste, oorspronkelijke door de Babyloniërs, en van de tweede door de Romeinen, zou herrijzen als teken van de naderende komst van de Messias. De plaats waar dat moest gebeuren: bij de Klaagmuur, precies op de plek van de Al-Aqsamoskee, wat volgens moslims juist het derde heiligdom van de Islam is, omdat de profeet Mohammed daar ten hemel zou zijn gevaren (Mi’raj).
En om de opeenstapeling van territoriale eindtijdverwachtingen af te maken: de Al Aqsamoskee is ook voor veel sjiieten (Hamas is soennitisch) de plaats waar de Twaalfde Imam mogelijk zal terugkeren om recht en vrede te herstellen en het begin van de eeuwigheid (en het einde der tijden dus ook) in te luiden. Voor Iran is Israël bovendien de ‘kleine Satan’ en zijn moslims wereldwijd geroepen om hun ‘ticket to heaven’ via de strijd tegen Israël te winnen, en zo het einde van de ‘occultatie’ (de verhulling) van die Twaalfde Imam te bespoedigen.

Verkeersplein van goden

Maar nu zijn we er nog niet. Als een waar apocalyptisch verkeersplein van goden, maar dan zonder vangrails of stoplichten, is Jeruzalem, en in het bijzonder de Tempelberg, ook het projectiescherm voor christelijke zionisten. Voor veel Amerikaanse (en in mindere mate Europese) christenen zoals Ted Cruz gaat de leer van het ‘dispensationalisme’, ofwel de bedelingenleer op. Die houdt in dat de eindtijd zich zal voltrekken volgens een dienstregeling. De Messias zal terugkomen op de wolken, maar dan moet eerst het volk Israël in zijn oorspronkelijke land, en dus ook met zijn tempel, hersteld worden. Ook moet er volgens die leer nog een massabekering van joden volgen, maar dan breekt ook het rijk van recht en vrede aan.
De tragiek is dat op dit verkeersplein elke religieuze stroming put uit gedeelde tradities, maar dat elk zijn eigen eindtijds-route rijdt, op ramkoers met de andere. Allemaal verwachten ze een eindstrijd en één god die wint, die van henzelf.
Wanneer nu buitenstaanders gaan roepen dat één verhaal wel heel bijzonder slecht is, en tot genocide leidt, dan maakt dat de aanhangers van dat verhaal niet milder. Ze zullen harder gaan razen. Sterker nog, ze raken er alleen maar nog meer van overtuigd dat die ander bezig is hun verhaal, en henzelf, uit te roeien. De ander is een trawant van de Antichrist, een onwetende collaborateur van Gog en Magog (de apocalyptische monsters uit het Bijbelboek Ezechiël). Vijftigduizend doden is een sterk argument daarvoor. Net zo goed als dat meer Israëli’s dan vóór 7 oktober van mening zijn dat Hamas nooit zal stoppen met de terreur.
Noch het roepen van ‘genocide’ richting Israel (hoe terecht ook), noch het vergoelijken van Hamas als een antikoloniale verzetsbeweging, laat staan de Trumpiaanse Gaza Resort-illusies, doen recht aan deze grondgebonden religieuze verlangens. Het laat ook zien dat Israël en de Palestijnen hier niet zelfstandig uit kunnen komen. Daarom is het tijd om eerst goed te begrijpen hoe diep veel deelnemers aan het conflict in zo’n eschatologische mindset zitten. Daarna, maar pas echt daarna, is het tijd om de massaradicalisering te bevriezen en een andere, meer inclusieve route naar recht en vrede te vinden.
Het haalt weinig uit als we hier aan de zijlijn schreeuwen en radicaal partij voor één van beide kiezen. Daarentegen moeten EU en VS, samen met de landen in de regio, artikel 194 van de VN eindelijk serieus nemen, waarin onder meer staat dat Palestijnse vluchtelingen recht hebben op terugkeer. Wat hielp in het verleden in situaties van ideologische massaradicalisering waren grootschalige vredesconferenties in de regio, mét internationale troepenmachten die vrede afdwongen en handhaafden. Niet omdat de we eschatologie niet serieus nemen, maar omdat we het juist zo serieus nemen, dat we ook erkennen dat er met al die rondrazende profeten in afwachting van die Eindtijd maar beter wat extra verkeersborden en regelaars kunnen worden neergezet.
Een versie van dit artikel verscheen ook in NRC van 28 juni 2025.

Beatrice de Graaf is faculteitshoogleraar en historicus (Universiteit Utrecht) en columnist van NRC.
Stefan Paas is hoogleraar missiologie en publieke theologie (Vrije Universiteit en Theologische Universiteit Utrecht). Ze maakten samen over dit onderwerp een aflevering van De Ongelooflijke Podcast.




EIGEN AANVULLING 26 februari 2026
na de dood Ayatollah Ali Khamenei
 https://www.nrc.nl/nieuws/2026/02/28/

“In zijn woordkeuze leek Trump deze religieuze kiezers te willen behagen. Zo noemde hij het regime in Teheran ‘ketters’ (‘wicked’). En zijn ‘ministerie van Oorlog’, zoals defensieminister Pete Hegseth het Pentagon aanduidt, doopte de operatie zaterdagochtend ‘Epic Fury’. Net als de door de Israëlische gekozen operatienaam ‘Brullende Leeuw’ een naam met een zekere Oudtestamentische connotatie.”

Department of War 🇺🇸's avatar'
____________________

https://www.nrc.nl/nieuws/2026/02/28/

“De Pentagon-baas hangt een christen-nationalistische stroming binnen de Amerikaanse gereformeerde kerk aan, die verlangend uitkijkt naar de wederkomst van Christus in Jeruzalem. Om dit soort christen-zionistische eindtijdprofetieën te bespoedigen wordt in verschillende kerkgemeenschappen in de VS al jaren gepleit voor oorlog met Iran omdat dat een existentiële bedreiging voor Israël zou vormen.”



Meer Midden Oosten op ShakingLife.nl

EINDE

‘Cantico Espiritual’ van Johannes van het Kruis

✏️ NOTITIE bij Het komt vanzelf…, toespraak maart 2026
”Een van de hoofdzaken is dat wij moeten begrijpen dat we, wat we ook willen bereiken in ons leven – en dan doel ik speciaal op geestelijk terrein – dat wij alleen maar iets kunnen bereiken als we onze situatie waarin we zijn, én onszelf zoals we zijn, volledig accepteren.
Nu, wat is één van de meest opvallende dingen? Dat is dat je op aarde bent, dat je geboren bent, dat je dus een vorm hebt, dat je een lichaam hebt. Je bent dus niet in de hemel.
En het is ook niet de bedoeling dat je in de hemel bent, je bent op aarde. Je bent hier. In de situatie waarin je bent, met het lichaam dat je hebt, met de gebreken die je hebt, de mogelijkheden die je hebt. Met de fantasieën die je hebt, met de onzinnigheden die je hebt. Zo ben je, dat is jouw vertrekpunt, en geen ander.”
Maarten Houtman, Het komt vanzelf…,

‘Op de drempel van de eeuwigheid’

In mei 2020 bracht ik, gestrand op weg naar een verre bestemming, een onverwacht bezoek aan het Kröller Müller Museum.
Ik was bij de ingang van de Hoge Veluwe al gewaarschuwd dat bezoek aan het museum nog steeds aan het corona regime onderhevig was: ‘Uitsluitend op afspraak…’
Maar vertrouwend op mijn goede gesternte, mijn museumkaart en mijn zeventien Tropen(museum)jaren als suppoost, wist ik toch binnen te geraken. En eenmaal binnen, had ik alleen maar belangstelling voor Van Gogh…
Al gauw liep ik de vertrouwde zalen binnen – waar nu overal bordjes hingen met ‘Maximaal vier personen’ . Nauwelijks was ik, binnen het quotum, een zaal binnengelopen, of ik zag onderstaand schilderij hangen.
Er voer een kleine schok door me heen…

Vincent van Gogh, “Treurende oude man”, 1890,
ook bekend als“Op de drempel van de eeuwigheid”).
Kröller-Müller Museum, 80x64cm

Ongelofelijk! Ik was dit werk pas nog online tegengekomen – weliswaar in een totaal onverwacht verband, dat me sterk geïntrigeerd had. Maar waar was dat?

Toen ik aan het eind van de dag thuiskwam, bladerde ik gelijk door mijn browser geschiedenis. En toen had ik het al gauw gevonden:

In zijn toespraak Het komt vanzelf…, (Tao-zen sessie december 1993) vertelt Maarten Houtman over een boek, “geschreven door een vrouw die groot is geworden volgens de mystiek van Johannes van het Kruis en die zichzelf alleen maar als totaliteit ervaart. Maar ze kan wel niks meer doen…”
En hij tekende hierbij het volgende aan:

“Ik vraag me af waarom we toch altijd ergens anders willen zijn, want het is een fantastisch lichaam wat we hebben, fantastisch! Daar zijn we nog lang niet op uitgestudeerd, nog helemaal niet. Dat is zo ongelooflijk, dat lichaam, daar kunnen we nog zovéél van leren… Waarom moeten we eraan zitten veranderen? Waarom moet het nou etherisch worden?”

Toen ik daarna ‘Johannes van het Kruis’ gegoogeld had, vond ik een lemma over zijn werk ‘Donkere nacht van de ziel’. En dáár stond een afbeelding van dat schilderij van Van Gogh bovenaan.

De cirkel was rond en mijn nieuwsgierigheid gewekt, ik ging gelijk aan het werk.

‘Cantico Espiritual’ van Johannes van het Kruis

Francisco de Zurbarán, Juan de la Cruz, 1656.
St. Johannes van het Kruis 1541-1592), Spaans karmeliet, mysticus en hervormer van de Karmelietenorde, staat bekend als een van de belangrijkste dichters in de Spaanse literatuur en dichtte ‘Cantico Espiritual’. Wat betreft de symboliek van de afbeelding: de witte mantel en donkerbruine tuniek zijn typisch voor de Ongeschoeide Karmelieten, terwijl het kruisbeeld en de schedel verwijzen naar zijn status als contemplatief.

Eerst een fragment uit ‘La noche oscura del alma’ van Johannes van het Kruis:

In een nacht, aardedonker,
in brand geraakt en radeloos van liefde,
– en hoe had ik geluk! –
ging ik eruit en niemand
die ’t merkte – want mijn huis lag reeds te slapen.
Johannes van het kruis, Donkere nacht van de ziel (eerste couplet).

Verder zoekend op het web, vond ik dat zijn ‘Hooglied’ recent op muziek gezet is door Amancio Prada als Cantico Espiritual (de cd is te bestellen bij Carmelitana, Burgstraat 46, 9000 Gent, of is te leen bij de bibliotheek). Zo klinkt het:

Het ‘Cantico’, op muziek gezet door Amancio Prada.

Op onderstaande video zie je Amancio Prada tijdens een tv optreden:

De complete tekst van het Geestelijk Hooglied van Johannes van het Kruis, een dialoog tussen de Bruid en de Bruidegom, kun je hier nalezen.


PS
Toen ik daar in het Kröller Müller Museum rondliep, ving ik zo nu en dan de gekwelde blik van een suppoost op – en zag weer eens dat zo’n bestaan ook een ‘donkere nacht van de ziel’ is…
Gelukkig maar dat de rondom aanwezige kunst hen afleiding biedt.

25 februari 2026, Hein Zeillemaker
(Eerder verschenen op mijn eigen blog.)


‘Van dood naar leven’
Toegift over het leven van Johannes van het Kruis


Sint Johannes van het Kruis, priester; medehervormer van de heilige Teresa van Avila van de Karmelietenorde; mysticus
Feestdag: 13 december


“Johannes is een heilige omdat zijn leven een heroïsche poging was om zijn naam "van het Kruis" waar te maken. De dwaasheid van het kruis kwam in de loop der tijd volledig tot uiting. "Wie Mij wil volgen, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen" (Marcus 8:34b) is het verhaal van Johannes' leven. Het Paasmysterie – van dood naar leven – kenmerkt Johannes sterk als hervormer, mysticus-dichter en theoloog-priester.

Johannes werd in 1567 op 25-jarige leeftijd tot Karmelietenpriester gewijd. Hij ontmoette Teresa van Avila en legde, net als zij, de geloften af ​​aan de oorspronkelijke Regel van de Karmelieten. Als partner van Teresa en op eigen kracht zette Johannes zich in voor de hervorming en ondervond hij de prijs daarvan: toenemende tegenstand, misverstanden, vervolging en gevangenschap. Hij leerde het kruis op een indringende manier kennen – hij ervoer het sterven van Jezus – terwijl hij maandenlang in zijn donkere, vochtige, smalle cel zat, alleen met zijn God.

En toch, de paradox! In dit sterven van gevangenschap kwam Johannes tot leven en schreef hij gedichten. In de duisternis van de kerker kwam Johannes' geest tot het Licht. Er zijn veel mystici, veel dichters; Johannes is uniek als mystiek-dichter, die in zijn gevangeniskruis de extase van de mystieke vereniging met God uitdrukt in het Geestelijk Lied.

Maar zoals pijn tot extase leidt, zo beleefde Johannes zijn Beklimming van de Karmelberg, zoals hij die in zijn meesterwerk in proza ​​noemde. Als mens-christen-karmeliet ervoer hij deze zuiverende beklimming in zichzelf; als geestelijk leider voelde hij het ook bij anderen; Als psycholoog-theoloog beschreef en analyseerde hij het in zijn proza. Zijn prozawerken blinken uit in het benadrukken van de prijs van het discipelschap, de weg naar eenwording met God: strenge discipline, zelfverloochening, zuivering. Johannes onderstreept op unieke en krachtige wijze de paradox van het evangelie: het kruis leidt tot opstanding, pijn tot extase, duisternis tot licht, zelfverloochening tot bezetenheid, zelfverloochening tot eenwording met God. Als je je leven wilt redden, moet je het verliezen. Johannes is werkelijk "van het kruis". Hij stierf op 49-jarige leeftijd – een kort, maar rijk leven.”
St. John of the Cross, uit het Facebook van de Filipijnse missie (!)
El Greco’s ‘Gezicht op Toledo’ toont de priorij waar Johannes gevangen werd gehouden, net onder het oude alcázar (fort) en hoog op de oevers van de Taag, op steile kliffen.
Meer Van Gogh op ShakingLife.nl

EINDE

‘Alles wat verwijst naar Palestijnse identiteit of geschiedenis wordt uitgewist in Israël’

INTERVIEW
Areej Sabbagh-Khoury | socioloog

Veel Palestijnen zijn Israëlisch staatsburger. Hun positie wordt steeds meer ondermijnd. „Er worden tientallen wetten aangenomen die afbreuk doen aan hun rechten.”


Sjoerd de Jong

Gepubliceerd op

Eenmaal terug in Israël wil Areej Sabbagh-Khoury graag verder met haar interviews met Palestijnen in het land over hun strijd tegen de apartheid die ze er ervaren, ondanks hun formele status als staatsburgers. Voor een academisch boek dat Decolonizing Palestine moet gaan heten. „Ik wil de politieke ervaringen van Palestijnen in Israël onder woorden brengen aan de hand van hun getuigenissen. Dat heeft op die manier nog niemand gedaan en het zou een goed vervolg zijn op mijn eerste boek.”

Tot die tijd verblijft Sabbagh-Khoury nog in Nederland als fellow van het Netherlands Institute for Advanced Studies (NIAS) in Amsterdam, waar de Palestijnse socioloog – die Israëlisch burger is – op dinsdag 3 maart de jaarlijkse Wertheim-lezing van de Universiteit van Amsterdam geeft over haar onderzoek naar de positie van Palestijnen in Israël.

Sabbagh-Khoury (1979), verbonden aan de Hebrew University in Jeruzalem en aan de University of California in Berkeley, maakte naam met Colonizing Palestine: the Zionist Left and the Making of the Palestinian Nakba (Stanford University Press, 2023), een gedetailleerde studie van vroege contacten tussen kolonisten en inwoners van enkele Palestijnse dorpen. Ze laat zien dat die naast elkaar leefden en contacten onderhielden, maar dat tegelijk landaankoop en verdrijving al op gang kwamen. De Nakba (‘catastrofe’) van 1948 was geen harde breuk door het uitbreken van oorlog, aldus het boek, maar de culminatie van een lang proces van onteigening, segregatie en etnische zuivering. Origineel is dat ze de rol belicht van het socialistisch zionisme in dat historische proces, dat vaak wordt toegeschreven aan zionistisch rechts. 

Er worden tientallen wetten aangenomen die afbreuk doen aan hun rechten, op allerlei terreinen

Naast haar studie van het zionisme onderzoekt ze de positie van Palestijnen binnen Israël, ongeveer twee miljoen mensen die vaak worden vergeten in de Gaza-protesten of bij de versnelde annexatie van de Westelijke Jordaanoever. Dit zijn Palestijnen die bij het uitroepen van de staat Israël in het land verbleven of kort daarop naar het gebied al dan niet heimelijk terugkeerden. Ook voor haar persoonlijk had het weinig gescheeld. Sabbagh-Khoury werd geboren in Mi’ilya, een Palestijns dorp waarvan de inwoners werden verdreven maar na interventie van de paus alsnog mochten terugkeren – het is een Grieks-katholiek dorp.

De Palestijnen in Israël zijn grotendeels Israëlische burgers, formeel met alle bijbehorende rechten (niet de inwoners van Oost-Jeruzalem, ingelijfd na de oorlog van 1967, die alleen ‘ingezetenen’ zijn). Officieel worden ze aangeduid als ‘Arabische Israëliërs’. „De naam Palestijn is officieel taboe, die identiteit moet worden uitgewist. Zo wordt een gekoloniseerd volk door de staat gereduceerd tot een minderheid, losgekoppeld van hun historicsche band met het land. ”

Ondanks die formele gelijkheid voor de wet wordt de rechtspositie van de Palestijnen in Israël volgens Sabbagh-Khoury in de praktijk al jaren – en steeds heviger – ondermijnd. „Er worden tientallen wetten aangenomen die afbreuk doen aan hun rechten, op allerlei terreinen. Een symbolisch hoogtepunt was natuurlijk de Wet op de natiestaat van 2018, die Israël omschrijft als ‘thuisland van het Joodse volk’. Die wet heeft het afbrokkelen van democratische rechten van Palestijnen in Israël gelegitimeerd, en ook de confiscatie van hun eigendommen. Een bekende Israëlische historicus heeft al eens openlijk gezegd dat [de eerste Israëlische premier] Ben-Gurion in 1948 een fout heeft gemaakt door ze niet allemaal te verdrijven.”

Naast wetgeving is er de praktijk. „Scholen van Palestijnen in Israël krijgen veel minder geld, de voorzieningen zijn overal slechter, in sommige wijken heerst wetteloosheid omdat de politie zich er gewoon niet laat zien. Er is geen ordehandhaving. Dan krijg je gang violence, met alle gebruikelijke methoden: afpersing, beschermingsgeld moeten betalen. De laatste tien jaar zijn daar meer dan 1.440 Palestijnen bij omgekomen, de laatste drie jaar alleen al 720, om precies te zijn. 80 procent van de doden die in Israël in 2025 vielen door misdaad zijn Palestijnen, die maar ongeveer 20 procent van de bevolking zijn. De staat laat het begaan.”

Sabbagh-Khoury ziet de „oorlog tegen Palestijnen” nu ook in Israël zelf woeden. „Alles wat naar Palestijnse identiteit of geschiedenis verwijst moet worden uitgewist. Ik noem het socio-politicide, het systematisch ontmantelen van de mogelijkheden van een gemeenschap om als een coherente politieke entiteit te bestaan. Dat gebeurt door marginalisatie, onteigening, criminalisering en onderdrukking van kennis. Je zag het op andere manieren in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever, maar het geweld slaat nu ook naar binnen, in Israël zelf. Dat is confronterend voor linkse Israëli’s die zich medeplichtig maakten aan de oorlog in Gaza door hun mond te houden. Zij hebben nu een probleem, het geweld komt in hun omgeving. Ik hoop dus dat ze hun privileges opgeven en samen met Palestijnen in verzet komen tegen de apartheid waaronder die leven.”

De massamoord van 7 oktober was een waterscheiding

Dat het Palestijnse leiderschap tot op het bot verdeeld is, maakt het nog erger. „De massamoord van 7 oktober was een waterscheiding”, zegt Sabbagh-Khoury. „Voor Palestijnen in Israël was die een schok. We zijn eraan gewend geraakt slachtoffers te zijn. Nu waren we opeens daders. Ik noem het een bloedbad, of de aanval nu gericht was tegen kolonisten of niet. Dit was in strijd met het internationaal recht. Natuurlijk heb je binnen elke bevrijdingsbeweging uiteenlopende visies, maar dit was een rode lijn. Dat vind ik als Palestijn die strijdt voor bevrijding vanuit een moreel standpunt, en als feminist.”

Wat kunnen Palestijnen dan doen? „Blijven bestaan. Er zijn en blijven, hoe moeilijk dat ook is. Hun morele rechten als inheemse bewoners van van het land articuleren, om niet weggedrukt te worden.”

Dat noemt ze in een artikel voor het tijdschrift Sociological Theory de paradox van „vestigingskoloniaal burgerschap”. Een inheemse bevolking die is opgenomen in de natiestaat van een kolonisator heeft enerzijds burgerrechten, maar krijgt anderzijds te maken met de dreiging van onderdrukking, marginalisatie of zelfs verdrijving. Het is óók de paradox van Israël dat tegelijk een Joodse én democratische staat wil zijn. Kan beide tegelijk? Sabbagh-Khoury: „Voor Palestijnen in Israël is het nu democratie voor de Joodse Israëli’s en een Joodse staat voor de Palestijnen.”

Na haar verblijf in Nederland keert ze terug naar Israël, waar haar gezin woont, al ligt ze daar geregeld onder vuur om haar publicaties en engagement. „Mensen vinden dat ik een risico neem, maar ik wil daar zijn en mijn rol spelen als Palestijnse academicus en intellectueel. Al is de toekomst ongewis, ja.”

De Wertheim-lezing van Areej Sabbagh-Khoury vindt plaats op dinsdag 3 maart om 17.30-19.00 in de Lutherse kerk te Amsterdam. Toegang vrij.
Aanmelden via nias.knaw.nl.


Meer Midden Oosten op ShakingLife.nl

Shaken op muziek, zitten in stilte

Elke lente als ik daar mijn studio ‘Pied à terre’ verliet, zag ik vlak om de hoek deze Japanse Kersenbloesem in bloei staan – van een schoonheid en volheid, die mij als  grotestadskind telkens sprakeloos maakte...
En dan wil ik haar fotograferen, en opnieuw ... om dit allermooiste moment vastleggen – vóórdat ze, haar hoogtepunt voorbij, haar bloemblaadjes afstaat aan de wind...
En ik vroeg me af, is dat in mijn leven ook het geval, dat ik míjn hoogtepunten wil fixeren, aleer de bloei en de kracht uit mij verdwenen zijn...
En wat doe ik dan met de rest van mijn leven, met de nabloei? Of misschien – dat is natuurlijk wat ik in stilte hoop – ben ik wel een laatbloeier...
En wat doe ik vervolgens met wat daarna komt, als de glans eraf is... Laat ik het verder ongezien – misschien houd ik het wel voor gezien.
Of zal ik wellicht – een mens wil tenslotte getroost worden – van binnen gaan bloeien?
Je binnenwereld verkennen, dat is waar het in Tao-zen over gaat, voordat het te laat is – maar is het eigenlijk ooit  te laat? 
Het gaat haar meer om de kleine, dan om de grote beweging – en daar waar de beweging in stilte overgaat...
Toch is Tao-zen bepaald geen oudedagstherapie, het gaat haar meer om de nuance, om de volheid van het leven. Net als bij de bloeiende boom aan het J.H. van Heekpad hierboven – die om niets haar schoonheid afstaat...
Maar voor romantiek hoef je bij Tao-zen niet te zijn, het kent geen zendo's, geen dojo's, geen buigen en knielen, geen wierook, geen bewierookte Meesters…Eerbied, ja dat kent ze wel. 
Shaken op muziek, zitten in stilte – het lijken twee uitersten die elkaar bijten... 
Maar je kunt die stilte ook in je bewegingen brengen en in het zitten meedansen met het universum… Je zou het ‘shakingzen’ kunnen noemen.
Mijn voormalige Shake studio ‘Pied à terre’ | Foto bovenaan: De bloeiende Japanse Kersenboom om de hoek van de Jisperveldstraat.
Welkom bij shakingzen!
Met Jeltje Musch heb ik regelmatig Sufi muziek uitgewisseld, ze gaf me deze video door van het Al Mar'Ashi Ensemble – geweldige muziek om op te shaken…
Al Mar’Ashi Ensemble

EINDE

Techno aan het einde der tijden in het zintuiglijke en apocalyptische ‘Sirât’

RECENSIE

Arthouse
In ‘Sirât’ zoekt een vader zijn dochter die is vertrokken met een ravekaravaan in de Marokkaanse woestijn. Het is een film die met niets is te vergelijken: zowel spannend als spiritueel, zowel apocalyptisch als bevrijdend.

Dana linssen
Gepubliceerd op17 februari 2026

De gebutste en gehavende rave-nomaden in ‘Sirât’. “Ik hou van ze, omdat ze met hun wonden leven”, zegt regisseur Oliver Laxe.

Arthouse

Sirât.Regie: Oliver Laxe. Met: Sergi López, Bruno Núñez Arjona, Jade Oukid, Stefania Gadda, Tonin Janvier, Richard ‘Bigui’ Bellamy. Lengte: 115 minuten.  

Beoordeling: 5 van de 5.

●●●●●

Echte ravers hoef je het niet uit te leggen. Dance is trance. Of zoals mediatheoreticus McKenzie Wark schreef in haar boek Raving (2023): misschien eerder ‘re-associëren’ dan dissociëren. Dat ’terug in verbinding komen’ ligt dicht bij de tradities in het soefisme, de ‘spirituele islam’ waar regisseur Oliver Laxe (1982) zich mee verwant voelt. De bekende soefistische werveldans is bijvoorbeeld een vorm van actieve meditatie. En als je naar de ravers in Laxes nieuwe film Sirât kijkt dan zie je dat: geen escapisme, maar een andersoortige, transcendente zoektocht. De titel verwijst dan ook naar de brug die volgens de islam over de hel leidt, en die iedereen op de dag des oordeels moet oversteken om het paradijs te bereiken.

Na de mysterieuze pyromanenfilm Fire Will Come is Sirât verreweg de vreemdste en meest onthutsende film die Laxe gemaakt heeft. Die er sowieso is gemaakt. De zoektocht van een vader en een zoontje naar hun dochter en zus die is vertrokken met een rave-karavaan in de Marokkaanse woestijn is spiritueel en apocalyptisch, gruwelijk en bevrijdend tegelijk. De film roept met beeld en geluid emoties op die met geen woorden te beschrijven zijn. Vorig jaar bij zijn wereldpremière in Cannes werd hij bekroond met de Juryprijs en nu is Sirât genomineerd voor een Oscar voor beste internationale film en voor beste geluid.

Dat laatste ligt bij een film die zich afspeelt in de technoscene voor de hand. Je moet die drang om te dansen wel voelen als je in je bioscoopstoel zit. En dat gebeurt. Dit is zintuiglijke, intuïtieve cinema op z’n best. De filmmuziek van de Franse avantgarde technoproducer Kangding Ray (David Lettelier) pulseert en resoneert met de rotsen als klankkast. De muziek is gemixt met zandstormen en de huilende wind. De zoektocht van vader Luis wordt gaandeweg een queeste in zichzelf. Naarmate hij dieper met de ravers de woestijn in trekt, verandert zijn reis ook in een vlucht, voor de gevaren van het gebied. De (deels nog steeds bezette) Westelijke Sahara is sinds de dekolonisatie in de jaren zeventig geplaveid met landmijnen en een giftige zandbak vol (illegale) fosfaatmijnen.

De ‘techno aan het einde der tijden’ van Sirât doet sterk denken aan de Japanse cultfilm Eli, Eli, lema, sabachthani (2005) (‘Mijn God, waarom heeft U mij verlaten’, de laatste woorden van Christus aan het kruis) waarin de wereld is overvallen door een wanhoopspandemie. Een noisegitarist denkt dat hij op de juiste frequentie die wereld weer in z’n voegen kan laten vibreren. Films als Sirât doen dat ook. Het is een film die aan de dood raakt, in het ravijn staart, maar ook een ontsnappingsroute biedt dwars door de scheuren in de werkelijkheid.

Israëlische de facto annexatie van de Westelijke Jordaanoever vraagt om acute ingreep

COMMENTAAR

Israël-Palestina

Gepubliceerd op4

Dit is het dagelijkse commentaar van NRC. Het bevat meningen, interpretaties en keuzes. Ze worden geschreven door een groep redacteuren, geselecteerd door de hoofdredacteur. In de commentaren laat NRC zien waar het voor staat. Commentaren bieden de lezer een handvat, een invalshoek, het is ‘eerste hulp’ bij het nieuws van de dag.  

Met drie tamelijk technische kabinetsmaatregelen heeft Israël de afgelopen weken grote stappen gezet op weg naar annexatie van de bezette Westelijke Jordaanoever. Eerst was daar het besluit dat Israël in Palestijnse dorpen en steden voortaan het beheer verzorgt van gemeentelijke diensten en taken. Daarbij kwam de aankondiging dat het kadaster voortaan openbaar is, waardoor Israëlische kolonisten rechtstreeks Palestijnse landeigenaren kunnen benaderen om hun grond over te kopen.

Afgelopen zondag besloot het Israëlische kabinet tot een derde administratieve maatregel. Palestijnen in Gebied C, het door Israël beheerde gebied van de Westelijke Jordaanoever, moeten eigendomspapieren van hun land kunnen overleggen. Kunnen ze dat niet, dan verklaart Israël hun grond tot staatseigendom – ook als hun familie er al generaties woont.

Vergeleken met de openlijke geweldpleging door kolonisten, de verjaging van herdersgemeenschappen en de massale kap van Palestijnse olijfbomen  stelt het drietal besluiten op het oog niet veel voor. Dat is schijn: met deze maatregelen sluit Israël langzaamaan het net rond de Palestijnen in bezet gebied. Ze passen bij de agenda van het extreemrechtse Israëlische kabinet om de Westelijke Jordaanoever helemaal Israëlisch te maken, liefst zonder al te veel Palestijnen erop. Wie er ondanks alle intimidatie toch blijft wonen, dient het hoofd te buigen voor Israël.

De administratieve maatregelen stuitten op terechte weerstand van Europese en Arabische landen. Samen luiden de besluiten het einde in van de in de jaren negentig nog zo hoopvol onthaalde Oslo-akkoorden. Die waren bedoeld om de Palestijnen geleidelijk aan meer zelfbestuur te geven, waarna ze uiteindelijk een eigen staat zouden krijgen.

Het omgekeerde is gebeurd: de Palestijnen kregen minder en minder zeggenschap, mochten zich op steeds kleinere stukjes land bewegen, en een eigen staat is volledig uit beeld geraakt. Op dat laatste feit is de Israëlische regering buitengewoon trots. Voor premier Benjamin Netanyahu en zijn collega’s is het verhinderen van een Palestijnse staat het hoogste doel.

In VN-resolutie 2803, gebaseerd op het twintigpuntenplan voor Gaza van de Amerikaanse president Donald Trump, is sprake van een „geloofwaardig pad” naar een Palestijnse staat. Even was er de verwachting dat Trump zou ingrijpen toen Netanyahu vorige week in Washington op bezoek was.g

Nu van Trump weinig te verwachten valt, is het aan de Europese Unie om meer te doen dan slechts haar veroordeling uit te spreken 

Maar de Amerikaanse president speelt een semantisch spel: hij zegt geregeld dat Netanyahu heus niets met de Westelijke Jordaanoever van plan is, en dat het daarom niet nodig is om hem tot de orde te roepen. Intussen zijn er in een jaar tijd 86 nieuwe buitenposten bij illegale Israëlische nederzettingen gesticht en zetten hordes losgeslagen kolonisten Palestijnse dorpen in brand. „Een handjevol kinderen”, noemdeNetanyahu hen bagatelliserend.

Nu er van Trump op dit vlak weinig te verwachten valt, is het aan de Europese Unie om meer te doen dan slechts haar veroordeling uit te spreken. Israël kan steviger tot de orde geroepen worden, bijvoorbeeld met sancties, of het intrekken van handelsvoordeeltjes. Terwijl Europa toekeek, heeft Israël een levensvatbare Palestijnse staat allang onmogelijk gemaakt. Nog langer aan de zijlijn staan betekent dat het Palestijnse volk, na de vernietiging van Gaza, straks ook niet meer op de Westelijke Jordaanoever terecht kan.

Bovenaan:  De grensovergang Rafah tussen de Gazastrook en Egypte. 
De grensovergang is cruciaal voor zowel burgers als humanitaire hulp.
Sinds mei 2024 is de overgang grotendeels gesloten geweest, met slechts beperkte heropeningen voor specifiek vervoer.
In januari en februari 2026 is de grensovergang gedeeltelijk heropend voor voetgangers onder toezicht van een inspectiemechanisme.

LAATSTE NIEUWS
18 februari 2026 om 9:00
Coalitie van 85 VN-lidstaten veroordeelt uitbreidende Israëlische kolonisatie van Westelijke Jordaanoever
Palestijnse mannen op het puin van een door Israël gesloopte Palestijnse woning in Shuqba, ten westen van Ramallah (9 februari 2026).)
 FOTO ZAIN JAAFAR/AFP


Meer Midden Oosten op ShakingLife.nl