Vrede als hobby

ESSAY
Van Auschwitz naar Gaza Op zoek naar de lijn tussen de Holocaust en de genocide in Gaza, is Arnon Grunberg in Israël en de VS. „Het Joodse slachtofferschap van na de Holocaust heeft geleidelijk aan, met name vanaf de jaren negentig ziekelijke vormen aangenomen.”

Arnon Grunberg
Gepubliceerd op
6 februari 2026
Over dit artikel
Dit is het vierde en laatste deel van een maandelijkse serie waarin schrijver Arnon Grunberg plaatsen bezoekt die een historische betekenis hebben voor de aanloop naar de genocide in Gaza.

Zie ook onderaan.

Café Yafa in Jaffa, iets ten zuiden van Tel Aviv, is deze zonnige maandagochtend in januari vrijwel leeg. Ooit was Jaffa een voornamelijk Arabische stad. Volgens een Palestijnse socioloog is op het puin van Jaffa de nieuwe staat Israël gebouwd.

Ik wacht hier op Israel Frey, hij is een chassied, dat wil zeggen een ultraorthodoxe Jood, en tot voort kort was hij ook een journalist. Frey is verscheidene keren met de Israëlische politie in aanraking gekomen na beschuldigingen van opruiing. Zo had hij op X laten weten dat een Palestijn die Israëlische soldaten doodt geen terrorist is. In 2025 schreef hij op X, nadat een aantal Israëlische soldaten door een bermbom in Gaza om het leven was gekomen, dat de wereld een betere plaats is zonder hen. Vanwege dit bericht bracht hij een tijdje door in de gevangenis.

Frey is eind dertig, hij draagt een wit overhemd, eronder bungelen de tsietsiet, de draden die aan vier punten van het gebedskleed hangen dat vrome Joden van het mannelijk geslacht onder hun kleding dragen. Zijn blik zou je spottend kunnen noemen, of misschien ook licht extatisch. Omdat Frey geen Engels spreekt en mijn Hebreeuws rudimentair is, maken we gebruik van een tolk. We gaan op het terras zitten, het weer staat dat net toe

Ik zeg: „Ik wilde met je praten omdat de combinatie van orthodox jodendom en links activisme uitzonderlijk is.”

Frey antwoordt: „Ik beschouw mezelf niet als links, ik geloof dat ik me in het centrum bevind. Gelijkheid en rechtvaardigheid voor iedereen die in dit land leeft, is niet een radicaal idee, maar hier vindt men dat heel merkwaardig.” Dan kijkt hij op en vraagt: „Gaat jouw artikel over mij of ben ik gewoon een instrument om dingen beter te begrijpen?”

„Je zit hier tegenover me als persoon”, zeg ik.

„Ik ben liever een instrument”, antwoordt Frey, en hij kijkt me ironisch aan. „Jullie in het westen hebben geleerd het individu op een troon te zetten. Maar waar ik vandaan kom, is het individu niet belangrijk. Wij werken naar ideeën toe.”

„Goed dan,” zeg ik, „ik ben de westerling, jij bent de ander. Je hebt vanwege je berichten op sociale media in de gevangenis gezeten, je hebt je baan verloren, je hebt misschien nog meer dan dat verloren, was het het waard?”

Weer die blik.

„Een goede interviewer,” antwoordt Frey, „begint niet met het stellen van moeilijke vragen, hij begint met het stellen van hele simpele vragen en dan plotseling, zonder dat de geïnterviewde het merkt, komen de moeilijke vragen, maar om je vraag te beantwoorden: ik heb geen spijt. En verder: ideeën over rechtvaardigheid kunnen overwinnen onder moeilijke omstandigheden, ook in tijden van het huidige fascistische regime.”

„Je neemt het woord fascisme in de mond”, zeg ik. „Deze Israëlische regering wordt gesteund door religieus-Joodse partijen en religieuze kiezers. Hoe kon in de buik van de Joodse religie het fascisme groeien?”

„Vriend Arnon”, antwoordt Frey en hij leunt achterover. Even moet ik denken aan mijn jeugd toen ik elke woensdag- en zondagavond naar de synagoge in de Amsterdamse Lekstraat werd gestuurd, naar een zogenoemde misjnaschool, waar ik en mijn klasgenoten onder leiding van een rabbijn discussieerden over Joodse wetten. „Vanuit het niet-individuele perspectief bestaan er geen vergissingen”, gaat Frey verder. „Deze plek is gefundeerd op Joodse raciale superioriteit en aanvankelijk ging het om betrekkelijk vriendelijke superioriteit in een poging de onderdrukking subtiel te laten verlopen. De nieuwe Jood, de Israëli, was een geseculariseerde, nationalistische Jood. Maar om de Joodse superioriteit demografisch te ondersteunen waren meer mensen nodig, Joden die niet uit Europa kwamen, maar uit Irak, Jemen, Marokko, de zogenoemde Mizrachim. Zij moesten ook nieuwe Joden worden. En toen ging er iets mis. Te veel groepen in de Joodse, Israëlische samenleving kregen niet wat hun beloofd was. Ze zouden deel uitmaken van de meerderheid, ze zouden genieten van welvaart, maar ze bleken toch weer de minderheid te zijn en de welvaart viel tegen. Dat gold niet alleen voor de Mizrachim, maar ook voor de inmiddels behoorlijk talrijke chassidim. Zij sloegen hun handen ineen om de macht over te nemen van de oude elites die het land hebben opgebouwd. En zij jagen de oorspronkelijke elites angst aan, want hun superioriteitsgevoel is religieuze, recht-voor-je-raap superioriteit. Niet meer de liberale, Europese superioriteit die voor subtiel kan doorgaan.”

Uitverkoren

Frey stelt voor elders op het terras te gaan zitten, omdat hij meent dat we worden afgeluisterd.

Aan de andere kant het terras vraag ik: „Denk je dat de Joodse superioriteit begon met het zionisme?”

„Luister,” zegt Frey, „dat je in een sjtetl [dorp of stadje waar veel orthodoxe Joden wonen] in de negentiende eeuw in Oost-Europa zegt: ‘wij zijn speciaal, wij zijn uitverkoren’, dat is begrijpelijk. Je moet de onderdrukking voor jezelf en voor je kinderen verklaren. Maar als je vervolgens een natiestaat wordt met echte macht en je doet alsof je nog in de negentiende eeuw zit in een sjtetl – dan wordt het een probleem. Dat is het verschil tussen de folklore van het overleven en flirten met het nazisme.”

„Heeft het zionisme dan gefaald?”

„Wij zijn mensen die met ideeën spelen. Wij willen geloven dat we in de goedheid geloven. Of in iets anders. Maar in de kapitalistische werkelijkheid van macht en geld zijn wij niets dan stof langs de kant van de weg. Gefaald? Het zionisme heeft de meest natuurlijke vooruitgang geboekt die maar mogelijk is. Het heeft zich breed gemaakt, het is groot geworden, heeft zwakkeren overwoekerd. De vroege zionisten leefden in een tijd dat je nog nationale ideeën kon verkopen en tegelijkertijd kon geloven dat je progressief was. De vroege zionisten hoopten op beschaafde, geseculariseerde, Europese superioriteit. En ze kregen Ben-Gvir [minister van Nationale Veiligheid van de extremistische religieus-zionistische partij Otsma Jehudit]. They fucked up.”

Ik heb het gevoel een ochtend met een mysticus te hebben doorgebracht, eentje van het provocerende, ironische soort, maar toch

Daarna vertelt Frey nog dat hij inderdaad nog meer kwijt is dan zijn baan. Zijn vrouw is hij kwijt en eigenlijk ook zijn kinderen. Uit angst voor geweld van extremistische, nationalistische Israëliërs heeft hij geen vaste verblijfplaats. Hij vertelt dit zonder zelfmedelijden of zelfverheerlijking. Er zijn immers geen vergissingen.

Als ik mijn opschrijfboekje opberg en weer opkijk is Frey al verdwenen. Ik heb het gevoel een ochtend met een mysticus te hebben doorgebracht, eentje van het provocerende, ironische soort, maar toch. Op mijn appjes met vervolgvragen komt geen antwoord meer.

Monsters

De volgende dag regent het in Tel Aviv zo hard dat de straten blank staan. Ik reis naar Jeruzalem waar het nog harder regent en waar in de oude stad de straten rivieren zijn geworden. Ik tolereer de regen om Amos Goldberg te ontmoeten, historicus, hoogleraar Holocaust-geschiedenis aan de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem. Van hem wil ik weten hoe we kunnen ontsnappen aan de mythes en de ketenen van de negentiende eeuw.

Hij nodigt me uit voor een late lunch in het betrekkelijk troosteloze café van de universiteit. Goldberg is een frêle man van begin zestig met zachte stem die zich kleedt alsof het zijn grootste wens is om niet op te vallen.

„Zijn wij, zijn de Joden slaven van het verleden?”, vraag ik als ik mijn salade op heb.

Goldberg antwoordt: „Als je het hebt over slaven van het verleden, heb je het over slachtofferschap. Het Joodse slachtofferschap van na de Holocaust heeft geleidelijk aan, met name vanaf de jaren negentig ziekelijke vormen aangenomen. Maar wij zijn niet alleen slachtoffers. Wij Israëliërs begrepen hoe het slachtofferschap getransformeerd kan worden tot moreel en politiek gereedschap dat ons in staat stelde bijna alle politieke doelen te bereiken. Zelfs als die erg gewelddadig zijn, zelfs als die genocidaal zijn.

„Dat de zionistische kolonisten hier aanvankelijk vluchtelingen waren die antisemitisme en de Holocaust ontvluchtten, maakt de onderneming niet per se goedaardig”, zegt Goldberg. „In de Palestijns-Israëlische context kunt je niet over het ene, de Holocaust, spreken zonder over het andere, de Nakba, te spreken. Anders loop je het risico een monster te worden.”

„Dan zijn er veel monsters onder ons”, zeg ik. „Er zijn mensen die vinden dat de Holocaust en de Nakba niet met elkaar in verband mogen worden gebracht. Dat zijn vaak ook mensen die vragen: waarom krijgt Gaza zoveel meer aandacht dan Soedan?”

„De Holocaust voorzag niet alleen de Joden en de Duitsers van identiteit, maar eigenlijk het hele Westen en tot op zekere hoogte de wereld. Mijn goede vriend en collega Alon Confino, die helaas niet meer leeft, betoogde dat de Holocaust de Franse Revolutie als de centrale gebeurtenis van deze tijd verving. ‘Vrijheid, gelijkheid, broederschap’ werd ‘Nooit meer Auschwitz’.”

„Ik begrijp het”, zeg ik. „De belofte van broederschap werd de gecultiveerde herinnering aan een trauma.”

Goldberg knikt en hij gaat met zachte stem verder: „De internationale rechtsorde is niet stukgelopen op Soedan maar op Gaza. De kinderen van de Verlichting werden de kinderen van Auschwitz. Maar als Auschwitz ook niet meer betekent wat het betekende kun je je afvragen, wie zijn de kinderen van het Westen dan nog?”

Het eigen gevoelde slachtofferschap moet altijd begrensd worden door het slachtofferschap van de anderAmos Goldberg historicus

„Mag ik een banale vraag stellen?”, vraag ik, om dan te vragen: „Zijn er oplossingen?”

„Ik zit niet in de business van concrete oplossingen”, antwoordt Goldberg. „Ik doe aan ideeën, analyses, begrip. Maar ik kan je dit zeggen, ik heb geen hoop maar ik voel de verplichting te spreken en te handelen. En dit: het eigen gevoelde slachtofferschap moet altijd begrensd worden door het slachtofferschap van de ander, zeker als de ander het slachtoffer is van jouw misdaden.”

Ik lach. „De grens van mijn vrijheid is niet langer de vrijheid van de ander, maar mijn slachtofferschap grenst aan dat van de ander. In die tijd leven we.”

„Ik moet college geven”, zegt Goldberg en hij begeleidt me naar de uitgang. De regen is overgegaan in hagel, uitzonderlijk in Jeruzalem. Ik heb het nooit zo koud gehad als deze dinsdag.

De ‘vredesbusiness’

De kinderen van de Verlichting werden de kinderen van Auschwitz, de hoop van vrijheid, gelijkheid en broederschap werd de belofte dat iedereen zich kon vastgrijpen aan zijn eigen trauma. 

Het lijkt me goed te spreken met iemand voor wie hoop lange tijd iets uiterst concreets was, iemand die naar eigen zeggen in de „vredesbusiness” zat. Eind jaren negentig en begin jaren nul adviseerde Robert Malley, een Amerikaanse diplomaat, president Bill Clinton tijdens de vredesonderhandelingen tussen de Israëlische premier Ehud Barak en de Palestijnse leider Yasser Arafat. Barack Obama huurde hem later weer in alsadviseur over IS, en Joe Biden als Iran-adviseur. In 2023 startte de FBI een onderzoek naar Malley, omdat hij slordig zou zijn omgegaan met vertrouwelijke informatie en zich omringd zou hebben met Iraniërs die de Amerikaanse buitenlandse politiek wilden beïnvloeden. Hij verloor zijn toegang tot vertrouwelijke en staatsgeheime informatie. Tegenwoordig doceert hij aan Yale.

Malley zit in een chic café van de universiteit – we zijn inmiddels in Amerika, ooit een stralende stad op de heuvel in de woorden van Ronald Reagan. Het land waarvan ik, misschien tegen beter weten in, burger wil worden. Malley draagt een coltrui en praat met een gemak dat de diplomaat verraadt die hij ooit is geweest.

„Waren de Oslo-akkoorden [in 1993 en 1995 sloten Israël en de Palestijnen overeenkomsten die tot vrede hadden moeten leiden] echt een moment van hoop?”, vraag ik.

„Over Oslo is al genoeg gezegd”, zegt Malley. „Het was een pleister, en een halve pleister. Wij, het Amerikaanse team, beschouwden het Israëlisch-Palestijnse conflict als een conflict over gebied, over onroerend goed zou je kunnen zeggen. Wij onderschatten de emoties. Het waren de laatste zes maanden van het presidentschap van Clinton toen hij Barak en Arafat naar Camp David liet komen. Ik had misschien tegen Clinton moeten zeggen: ‘Dit gaat niet in twee weken lukken’. Of hij naar me had geluisterd, waag ik te betwijfelen. Hij wilde erg graag.”

De volgende anekdote staat niet in het boek van Malley, hij zegt volgens mij veel over Clinton. Toen de vredesbesprekingen mislukten, belde Clinton Arafat en zei: „Ik ben een mislukking en jij hebt van mij een mislukking gemaakt.”

Trumps plan is feitelijk een variant op de economische vredeRobert Malley Amerikaanse diplomaat

„Toch nog even naar Trump en zijn vredesplan voor Gaza”, zeg ik. „Misschien ondanks alles iets van hoop?”

„Tijdens het eerste presidentschap van Trump werd ik benaderd door [diens schoonzoon] Jared Kushner, ik was natuurlijk gevleid. Hij begreep niet dat de Palestijnen niet akkoord wilden gaan met meer welvaart als ze daarvoor alleen maar hun droom van een eigen staat moesten opgeven. Trumps plan is feitelijk een variant op de economische vrede. De Gazanen worden vazallen van Israël in ruil voor welvaart, ze worden volledig gedepolitiseerd – en dat gaat niet gebeuren. Maar misschien heb ik ongelijk en is dit de toekomst, misschien zegt Trump tegen de inwoners van Groenland, zoveel zijn het er niet: ‘Jullie krijgen straks allemaal een half miljoen dollar per persoon en dan kiezen jullie voor Amerika’.”

„Goed,” zeg ik, „geen hoop. Daar kun jij niets aan doen.”

„Israël heeft de oorlog gewonnen”, antwoordt Malley. Ja, Israël is nog nooit zo’n paria geweest en nog nooit was er zoveel sympathie voor de Palestijnse zaak, maar er is geen bank waar de Palestijnen die sympathie kunnen verzilveren. En Israël vindt vrede een groter risico dan oorlog, omdat Israël denkt toch nooit geaccepteerd te zullen worden. Als je denkt dat de tegenpartij elk moment een aanval kan uitvoeren, lijkt het voeren van oorlog minder bedreigend omdat je dan tenminste zelf het initiatief hebt. Daarnaast is de twee-statenoplossing gebaseerd op de grenzen van 1967 ook een Westerse uitvinding.

„En wat vindt Amerika van Israëls never ending war? Amerika, het enige land waarvan wordt gezegd dat het echt invloed kan uitoefenen op Israël.”

Malley glimlacht. „Vrede tussen Israël en Palestina was nooit een wezenlijk Amerikaans belang, het was nooit een wezenlijk belang van welk land dan ook. Het was een hobby van sommige Amerikaanse presidenten en politici. In mijn boek zegt iemand over de voormalige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken John Kerry: ‘Geef die man een Nobelprijs voor de Vrede voor zijn inspanningen, dan hoeft hij wat minder heen en weer te vliegen’.”

„Als vrede een hobby is, dan wordt het nooit wat met die vrede. Wimbledon kan je ook niet winnen als je tennissen als hobby beschouwt”, zeg ik. 

„Waar gaat je artikel eigenlijk over?”, vraagt Malley plotseling.

Ik aarzel. „Over Auschwitz en Gaza”, zeg ik. Terwijl ik die woorden uitspreek denk ik aan de titel van het boek dat Malley met de adviseur van Arafat, Hussein Agha, scheef over het mislukte vredesproces:  Tomorrow is Yesterday. Precies dat is wat weemoed is, dat morgen gisteren is.

Swingers party

In de trein naar New York kijk ik in mijn agenda wat ik de komende dagen zal gaan doen. Naar een groep chassidim gaan die het chassidisme willen vernieuwen door middel van drugsgebruik en swingers parties? De geschiedenis komt me voor als een grote swingers party.

Ik denk aan Israel Frey die zei dat we met al onze ideeën stof langs de kant van de weg zijn. En aan Amos Goldberg die sprak over het risico een monster te worden.

Voor de swingers party begint, zal een chassied van het vooruitstrevende soort in een koosjer restaurant in Brooklyn tegen me zeggen: „Waarvoor hebben we Israël nodig? Waarvoor hebben we Europa nodig? Waarvoor hebben we Amerika nodig? We hebben New York.”

En in de krant zal ik lezen dat de nogal conservatieve New York Times-columnist Tom Friedman ICE-agenten met Hamas-strijders vergelijkt. De wreedheid van de staat, zelfs de Amerikaanse, en de wreedheid van de terroristische bewegingen, die altijd ook weer door sommigen als bevrijdingsbewegingen worden gezien, ontlopen elkaar niet veel. Dat zelfs een behoudende columnist als Friedman agenten van de Amerikaanse federale overheid met Hamas-strijders vergelijkt, geeft de omvang van de wanhoop aan, niet alleen geografisch.

De noodtoestand is de normale toestand. En morgen is gisteren. Vooruitgang? Hoe word je geen monster?

Het stof langs de kant van de weg waait op en dwarrelt weer neer.


Lees de oorafgaande artikelen in NRC:

3. De catastrofe in Gaza begon met afgewezen mannen in Wenen
2. Wachten op de bevrijding
1. Arnon Grunberg wil weten hoe na Auschwitz de genocide in Gaza kon gebeuren

Voorzitter Rode Kruis: ‘Wat we in Gaza hebben gezien, overschrijdt alle wettelijke, ethische, morele en humane normen’

Derk Walters vanuit Maastricht
Gepubliceerd op 6 februari 2026

 INTERVIEW
Mirjana Spoljaric Egger | voorzitter Rode Kruis

Nu zelfs hulpverleners in conflictgebieden soms doelgericht worden gedood, heeft de uitholling van het internationaal humanitair recht alle grenzen overschreden, zegt Mirjana Spoljaric Egger, voorzitter van het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC). „Als je de basisregels wegneemt, is het nergens meer veilig.”
Halverwege het gesprek is Mirjana Spoljaric Egger zichtbaar geëmotioneerd. De voorzitter van het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC) heeft zojuist in meer abstracte termen over het internationaal humanitair recht verteld, maar nu gaat het over haar vijftien collega’s in Gaza die Israël met ambulance en al onder het zand begroef. En dan is de schending van dat recht ineens heel concreet.  

„Het was moeilijk om naar de foto’s van die gebeurtenis te kijken. Meer dan moeilijk, ik kon er niet naar kijken, ik ben er kapot van. Misschien ook omdat ik mijn collega’s daar tijdens de vijandelijkheden aan het werk heb gezien. Dit is iets wat nooit had mogen gebeuren.”

Het is, kortom, „niet de beste tijd” om voorzitter van het Rode Kruis te zijn, verzucht Spoljaric Egger. In Maastricht, waar ze eind januari een eredoctoraat in ontvangst nam, zet de Kroatisch-Zwitserse voormalige diplomaat uiteen wat er vanuit het perspectief van een humanitaire instelling allemaal de verkeerde kant op gaat in de wereld.

„Er zijn twee keer zo veel conflicten als vijftien jaar geleden, en ze zijn vaker grensoverschrijdend, tussen landen met zeer krachtige legers. Nieuwe technologieën, met name AI, versterken de vernietigende kracht van wapens, vooral voor burgers. Er zijn enorm veel meer onredelijke, agressievere aanvallen op de bevolking. Opzettelijke aanvallen op hele gezondheidszorgstelsels om de bevolking te verdrijven. En totale vernietiging van hele gebieden, zoals Gaza.”

Naleving internationaal recht is in verval
Het internationaal humanitair recht „staat op knappen”, concludeerde de Academie voor internationaal humanitair recht en mensenrechten in Genève deze week. Het onderzoekscentrum wijst onder meer op zeker honderdduizend gedode burgers in zowel 2024 als 2025, plus het straffeloos plegen van verkrachtingen en martelingen.

CV Mirjana Spoljaric Egger

1972 Geboren in Kroatië. Verhuisde op jonge leeftijd naar Zwitserland
2000 Ging werken voor het Zwitserse ministerie van Buitenlandse Zaken, onder meer in Bern, New York en Caïro

2010 Adviseur bij UNRWA, de VN-organisatie voor Palestijnse vluchtelingen, in Amman

2012 VN-ambassadeur namens Zwitserland

2018 Hoge ambtenaar bij de VN

2022 Voorzitter van het Internationaal Comité van het Rode Kruis

Gaza, zegt Spoljaric Egger, leverde misschien wel het meest tastbare bewijs voor de afkalving van het internationaal recht. „Ik heb Gaza twee keer bezocht in twaalf maanden tijd. De vijandelijkheden hielden nooit op. Er was geen minuut dat je geen schoten hoorde. Dat je lichaam de beschietingen niet voelde.”

De tweede keer dat ze er was, herkende ze de plek waar ze een jaar eerder was niet meer. „Ik kon me niet meer oriënteren. De eerste keer werden individuele gebouwen aangevallen. Elke wijk werd getroffen, maar niet volledig verwoest. Toen ik terugkwam, was er niets meer over.”

Zelfs als hulpverleners van het Rode Kruis groen licht krijgen, lopen ze nog het risico onder vuur te komen te liggen


Hoe oordeelt u daarover, vanuit het perspectief van het internationaal humanitair recht?
„Wat we in Gaza hebben gezien, overschrijdt alle wettelijke, ethische, morele en humane normen. We kunnen geen oorlogvoering accepteren die tot deze situatie leidt.”

Wat vindt u van de argumenten die Israël aandraagt, bijvoorbeeld het recht op zelfverdediging?
„Dat is geen excuus om de wet te overtreden. Je hebt dezelfde situatie in je nationale rechtsstelsel. Wanneer iemand een familielid van je vermoordt, geeft dat jou niet het recht om zijn familieleden te doden. Zo werkt het gewoon niet. Het is precies hetzelfde principe.”



Kunt u een voorbeeld noemen van een principe dat niet langer nageleefd wordt?
„Neem het recht op veilige doorgang. Wanneer mensen onder vuur komen te liggen, bemiddelen wij om hun een veilige aftocht te bieden. Maar in het huidige conflict is het niet langer mogelijk om te vertrouwen op een veilige doorgang. Zelfs als hulpverleners van het Rode Kruis groen licht krijgen, lopen ze nog het risico onder vuur te komen te liggen. Dit is een nieuwe situatie, die helaas niet beperkt is tot Gaza. Het gebeurt ook in Soedan, in Myanmar.”

Conferentie over menselijkheid in de oorlog

In september 2024 lanceerde het Internationaal Comité van het Rode Kruis een initiatief met Brazilië, China, Frankrijk, Jordanië, Kazachstan en Zuid-Afrika om politieke betrokkenheid bij het internationaal humanitair recht te stimuleren. Eind dit jaar is Jordanië gastheer van een conferentie over menselijkheid in de oorlog. Inmiddels hebben 99 landen zich bij het initiatief aangesloten.

Spoljaric Egger: „We proberen politiek momentum te genereren rond het idee dat als we de uitholling van het internationaal humanitair recht niet stoppen, we onze eigen bevolking onveilig maken. Je kunt zeggen dat Soedan ver weg is en dat dit nooit invloed op je zal hebben. Maar drones worden tegenwoordig bestuurd door mensen die zich duizenden kilometers verderop bevinden. Dus als we met iemand onderhandelen over bijvoorbeeld veilige doorgang, kunnen we er niet zeker van zijn dat die doorgang veilig is. Want degene die de trekker overhaalt, zit honderden kilometers verderop. En degene die ons groen licht geeft, heeft geen controle over die andere persoon.”

Het ICRC – een losstaande zusterorganisatie van het Nederlandse Rode Kruis – afficheert zichzelf als neutraal. Vanwege die neutraliteit kan bijvoorbeeld ook China voor zo’n conferentie benaderd worden; zolang dat land zich opstelt vóór het internationaal humanitair recht, is het welkom. Over het beleid van de Chinese regering heeft het Rode Kruis verder geen mening.

Die opstelling komt de organisatie ook op kritiek te staan. Als je in een conflict geen kant kiest, faciliteer je dan niet de agressor? Zo kreeg de organisatie bijvoorbeeld kritiek dat ze Rusland hielp door steun te verlenen tijdens het deporteren van Oekraïners.

Neutrale statements van het Rode Kruis vallen niet altijd goed. Onlangs uitte de organisatie kritiek op Russische én Oekraïense aanvallen op de energie-infrastructuur, omdat die miljoenen mensen in de kou laten zitten. Hierop beschuldigde de Oekraïense minister Andri Sybiha (Buitenlandse Zaken) de organisatie van „foute morele gelijkwaardigheid”: het Rode Kruis zou een agressor en een land dat zichzelf verdedigt op één lijn stellen.

Andere hulporganisaties kijken anders naar dit soort kwesties. Zo scheidden enkele Franse artsen zich, uit onvrede met die verregaande neutraliteit, in 1971 van het Rode Kruis af en richtten Artsen zonder Grenzen op. In tegenstelling tot het Rode Kruis schroomt die organisatie niet om kant te kiezen tegen agressors.

‘Het Rode Kruis is een gemakkelijk doelwit’
Spoljaric Egger is kritiek wel gewend: „Israël gaf ons de schuld omdat we de gijzelaars niet bezochten. Hamas gaf ons de schuld omdat we geen humanitaire hulp brachten. De Oekraïners geven ons de schuld omdat we geen oorlogsgevangenen bezoeken. Het Rode Kruis is al honderdzestig jaar altijd op het slagveld aanwezig. Het is een gemakkelijk doelwit.”

Wat zegt u tegen de critici?
„Wij zijn een onafhankelijke, neutrale en onpartijdige internationale organisatie. We zouden ons werk nooit kunnen doen als we partij zouden kiezen.”

Het Rode Kruis is afhankelijk van toegang tot slachtoffers. U moet dus met overheden praten. Stelt u in die gesprekken ook het humanitaire recht aan de orde?
„Ja, maar in stilte. Niet omdat we lafaards zijn, maar omdat we geloven dat dat de beste manier is om zo veel mogelijk mensen te helpen. Mijn collega’s over de hele wereld stellen elke dag uitgebreid allerlei kwesties aan de orde en werken soms in uiterst ingewikkelde omstandigheden, met als doel om mensen te beschermen. Kijk maar eens naar de foto’s van de vrijlating van Israëlische gijzelaars door Hamas. Je ziet onze ongewapende collega’s, omringd door duizenden gewapende strijders. En toch vertellen ze iedereen hoe ze zich moeten gedragen om ervoor te zorgen dat degenen die bescherming nodig hebben, met respect worden behandeld.”

Ik bespeur een groeiende trend om de vijand te ontmenselijken


Kunt u verklaren waarom hulpverleners kennelijk niet langer onschendbaar zijn?
„Ik bespeur een groeiende trend om de vijand te ontmenselijken. Dit is naar mijn mening een van de gevaarlijkste ontwikkelingen in de recente oorlogsvoering. Wat we vandaag horen, ook in debatten in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, heb ik nooit gehoord toen ik twintig jaar geleden mijn diplomatieke carrière begon, en ik ben verbaasd dat delegaties in de zaal blijven, niet reageren, geen verontwaardiging tonen. Wanneer een officiële vertegenwoordiger van een land de bevolking van een ander land openlijk ontmenselijkt, moet de internationale gemeenschap reageren. Als je mensen er vrijuit over laat praten, is het een kwestie van tijd voordat mijn collega’s die ontmenselijking in de praktijk gebracht zien worden op de slagvelden.”

De val van het Westen is onvermijdelijk

Profiel: Ibn Khaldun

Aan de cycli van macht valt niet te ontsnappen, toonde de Arabische geleerde Ibn Khaldun (1332-1406) in zijn Muqaddima. Zijn indrukwekkende intellectuele nalatenschap is in deze tijd van grote transformatie weer hoogst actueel.   

Lotfi El Hamidi, beeld Joost Krijnen

“De fundamenten van de westerse hegemonie staan op instorten. De breuk met de naoorlogse liberale orde is aanstaande en onomkeerbaar. Hoe de wereld zonder gezamenlijke regels eruit zal zien moet nog blijken, maar de rivaliteit tussen meerdere grootmachten tekent zich af. De Verenigde Staten hebben niet meer de economische en morele basis en aantrekkingskracht om het idee van een universele orde te vertegenwoordigen. Het onvoorspelbare en destructieve gedrag van de machthebbers in Washington maakt dat steeds minder landen nog geloven in een duurzame relatie met de Amerikanen. De meeste landen moeten nu nadenken hoe zij zich gaan verhouden tot de sterksten der aarde. De uitdaging is hoe een nieuwe internationale orde te creëren mét de idealen en principes die na de oorlog in ieder geval de westerse wereld stabiliteit, voorspoed en vrijheid hebben gebracht.”   

Wie deze woorden leest zou misschien denken dat die rechtstreeks komen uit de memorabele en veelbesproken toespraak van de Canadese premier Mark Carney tijdens het World Economic Forum in Davos. Doe er een vleugje Thucydides bij, de Griekse historicus die Carney aanhaalde om de huidige machtsstrijd te typeren (‘de sterken kunnen doen wat ze willen en de zwakken moeten lijden wat ze kunnen’), en bovenstaande tekst had een bondige samenvatting van zijn rede kunnen zijn.

Het is toeval (althans, laten we daarvan uitgaan), maar de woorden zijn van de Portugese ex-politicus en schrijver Bruno Maçães. In zijn essaybundel Exit from Our Age of Disorder, gepubliceerd in november 2025, nam Maçães al afscheid van de liberale orde voordat de premier van Canada zijn conclusies trok. Dat deed de Portugees niet aan de hand van Thucydides maar via de inzichten van een andere illustere historicus: Ibn Khaldun (1332-1406). Maçães schreef in opdracht van het in 2025 opgerichte Ibn Khaldun Institute in Washington, dat zich buigt over hedendaagse vraagstukken aan de hand van de intellectuele nalatenschap van de Arabische historicus.

Sommige historici beschouwen zijn werk als tijdloos, andere geschiedkundigen zijn juist beducht om daar eeuwigheidswaarde aan toe te kennen. Anachronismen liggen vaak op de loer, maar dat zegt wellicht meer over degenen die hem aanhalen dan over Ibn Khaldun zelf. Maar dat zijn denken nog altijd van meerwaarde blijkt in het begrijpen van het verleden én de wereld van vandaag staat buiten kijf.

Ibn Khaldun was in ieder geval geen kroniekschrijver met toevallig goede pr. In wetenschappelijke kring behoort hij tot een van de belangrijkste Arabische denkers uit de (late) Middeleeuwen. Zijn bekendste werk, de Muqaddima, de inleiding van zijn historiografische overzichtswerk Kitab al-’ibar (‘Het boek der voorbeelden’), wordt op westerse universiteiten kritisch gelezen en behandeld. Vooral zijn theorieën over de opkomst en ondergang van beschavingen spreken tot de verbeelding. Wanneer staten of dynastieën verrijzen of vallen is zijn naam dan ook nooit ver weg. In de Arabische wereld wordt hij al op de lagere school onderwezen; in de Maghreb is zijn status onder het ‘gewone volk’ vergelijkbaar met die van Hugo de Groot in Nederland, zoals Midden-Oosten-kenner Abdou Bouzerda opmerkte. Tijdens de Arabische Lente, toen meerdere regimes na decennia alleenheerschappij omver werden geworpen of op omvallen stonden, werd het werk van Ibn Khaldun door Arabische analisten veelvuldig besproken.

Niet voor niets begon historicus Albert Hourani zijn magnum opus A History of the Arab Peoples (1991) met een uitgebreide proloog gewijd aan het leven van Ibn Khaldun. Hourani zag in hem de belichaming van het culturele continuüm van de Arabische wereld. Ibn Khalduns verre voorouders zouden hun oorsprong hebben in de Hadramaut, een gebied in het huidige Jemen. Met de veroveringstocht van de Arabieren na de dood van de profeet Mohammed in de zevende eeuw belandde Ibn Khalduns stam uiteindelijk in het zuiden van Spanje. In Sevilla vormden leden van de stam eeuwenlang een soort aristocratische klasse. Na de christelijke herovering van de stad halverwege de dertiende eeuw zochten zij hun toevlucht in Noord-Afrika. Ibn Khalduns overgrootvader en grootvader leverden in Tunis als hoge ambtenaren hun diensten aan de regerende dynastie van de Hafsiden, zoals andere leden van de voormalige Andalusische elite hoge posities bekleedden bij rivaliserende hoven in Marokko en Algerije.

Hij werd in 1332 in Tunis geboren, Abu Zayd Abd ar-Rahman ibn Muhammad ibn Khaldun, en leek enigszins voorbestemd om een geleerde te worden, na intensief onderricht in religie, jurisprudentie, de Arabische taal en geschiedenis. Tegelijkertijd lonkte een politieke carrière in de voetsporen van zijn voorouders, al was dat een onzekere, om niet te zeggen riskante loopbaan. Hoge functionarissen konden in de snel veranderende machtsverhoudingen van de ene op de andere dag in ongenade raken.

Ibn Khaldun leefde in een tijd van grote omwenteling. De oude wereld zoals hij die van zijn leermeesters onderwezen kreeg desintegreerde waar hij bij stond. Het roemruchte Arabisch-islamitische rijk was allang een schim van zichzelf geworden, niet meer dan een oude en vermoeide beschaving in verval. Wie de kaart van de Arabische wereld in de veertiende eeuw erbij pakt kijkt naar een soort Game of Thrones, zoals historicus Robert Irwin het noemde. In Noord-Afrika streden rivaliserende rijken tegen elkaar, terwijl in Andalusië de kruisridders in hun Reconquista alleen nog de enclave Granada niet in handen hadden. De christelijke mogendheden begonnen zich zelfs te mengen in de machtsstrijd tussen Noord-Afrikaanse vorsten. In het Midden-Oosten ging het er nog slechter aan toe, nadat het Abbasidische Kalifaat ter ziele was gegaan en de Mongolen de Levant waren binnengevallen. En alsof het allemaal niet erger kon werd de regio halverwege de veertiende eeuw geteisterd door de Zwarte Dood. Ibn Khaldun verloor onder anderen zijn ouders en leermeesters.

De geschiedenis was hiermee voor Ibn Khaldun niet alleen een ver verleden of vergane glorie, maar een levendige ontwikkeling waar hij getuige van was. Om grip te krijgen op die veranderende wereld voldeed de islamitische geschiedschrijving niet. In zijn Muqaddima (letterlijk ‘Inleiding’) ontleedt hij de tekortkomingen van zijn voorgangers, veelal inwisselbare kroniekschrijvers. Zo was het traditionele gebruik van de isnad, een overleveringsketen waar ook de hadith (de overleveringen van de uitspraken van de profeet Mohammed) op gebaseerd is, volgens Ibn Khaldun niet voldoende om het verleden waarachtig te reconstrueren. Historici leunden te veel op de autoriteit en betrouwbaarheid van een enkele bron, schreven niet zelden ten faveure van de heersende macht en maakten geen onderscheid tussen feit en fictie. Geschiedenisverhalen die deels afgeleid waren van 1001 nacht of die aantoonbare feitelijke onjuistheden bevatten verwees Ibn Khaldun dan ook naar het rijk der fabelen. Wat overigens niet betekende dat hij een agnost was – Ibn Khaldun was naast wetenschapper ook een strenggelovige mysticus. Het één hoefde het ander niet uit te sluiten.

Zijn baanbrekendste inzicht was het uitgangspunt dat het menselijk samenleven onderworpen is aan algemene principes die de mens zelf tot stand heeft gebracht. Mensen zijn volgens Ibn Khaldun in essentie sociale en politieke wezens die hun relaties vormgeven via onderlinge afspraken, verdragen en instituties. De ontwikkeling van een maatschappij volgt de ‘logica’ binnen dat sociale kader. Het is dit theoretische raamwerk waar Ibn Khaldun eeuwen later het predicaat ‘de eerste socioloog’ aan te danken heeft, als voorloper van Europese filosofen als Giambattista Vico en Auguste Comte die op soortgelijke wijze de cultuurgeschiedenis begonnen te analyseren.

‘Het verleden lijkt meer op de toekomst dan een waterdruppel op een andere lijkt’, luidde zijn lijfspreuk. Ibn Khaldun meende in de geschiedenis patronen te ontwaren. Een dynastie had niet het eeuwige leven – dat op zichzelf was geen originele vaststelling, al in de Klassieke Oudheid dacht men in opkomst en ondergang van heersers en rijken. Maar Ibn Khaldun wilde weten hoe zo’n werdegang van dynastieën zich voordoet. Met zijn studie naar de Arabische en Berberse vorstendommen probeerde hij het cyclische proces in kaart te brengen.

Centraal in Ibn Khalduns theorie staat de zogeheten ‘asabiyya, vrij vertaald groepssolidariteit of sociale cohesie. Om de meedogenloze omstandigheden van het woestijnleven te trotseren was die solidariteit in stamverband een noodzakelijke voorwaarde. Maar Ibn Khaldun zag in ‘asabiyya ook een potentiële drijfkracht voor de opkomst van een nieuwe dynastie. Zodra een stam uit het achterland zich weet te verenigen en overtuigd raakt van een heilige missie, vormt het een macht die zich niet laat stoppen. De steden zijn vervolgens overgeleverd aan deze horde, die uiteindelijk de heerschappij overneemt van de zittende macht. Totdat ook deze plaatsvervangende dynastie ‘gecorrumpeerd’ raakt door het sedentaire leven. Van de groepscohesie blijft na verloop van tijd (volgens Ibn Khaldun na drie, hooguit vier generaties) weinig over. Dan is het een kwestie van tijd voordat een nieuwe dynastie zich aandient om de macht te grijpen.

Opvallend (en in zekere zin actueel) in zijn theorie is de tegenstelling tussen stad en platteland. Voor een stedeling pur sang was Ibn Khaldun opvallend streng over het stadse leven. De cultuur in de stad is verfijnd, er is welvaart en luxe. Maar dat maakt de stedeling in zijn ogen juist zo decadent, spiritueel zwak en fysiek weerloos. De stad was volgens Ibn Khaldun ook een ongezonde omgeving, een brandhaard van besmettelijke ziektes, een aanname die ongetwijfeld werd ingegeven door zijn traumatische ervaring met de pest. De stad, met al zijn bibliotheken, gebedshuizen, scholen en infrastructuur, is weliswaar het hoogtepunt van de beschaving, maar paradoxaal genoeg ook het begin van het verval.

Voor het leven in het achterland reserveerde Ibn Khaldun andere kwalificaties. Volgens hem stond de nomade (en in mindere mate de boer) dichter bij de wereld zoals die ooit door God geschapen was. De nomade leidde een hard maar deugdzaam leven, had genoeg aan weinig en was alleen afhankelijk van zijn clan of stam. In zijn natuurlijke habitat was hij heer en meester, buitenstaanders konden zich niet handhaven in het onherbergzame gebied. Buiten de stad kon de nomadische stam zich vrijspelen van de cyclus waar elke beschaving uiteindelijk aan ten onderging. De nobele wilde avant la lettre.

De laatste generatie is losgeweekt van het oorspronkelijke nomadenbestaan en kan in haar teloorgang alleen nog maar de schijn ophouden. Zoals Ibn Khaldun schreef in zijn Muqaddima: ‘Ze proberen anderen te imponeren met hun emblemen, hun kleding, hun paardrijkunst en hun talent om met wapens om te gaan, maar de meesten van hen zijn nog weerlozer dan vrouwen die op hun rug liggen.’ (Dat een samenleving in verval ‘verwijfd’ zou zijn keert wel vaker terug in Arabische teksten. Toen de Nasridische koning Mohammed XII, ook wel ‘Boabdil de Ongelukkige’, na de val van Granada in 1492 een laatste keer omkeek naar zijn verloren rijk en snikte, zou zijn moeder hem hebben toegebeten: ‘Huil als een vrouw voor wat je niet kon verdedigen als een man.’)

Ibn Khalduns inzichten waren overigens niet louter gestoeld op theoretische kennis en denkwerk. Gedurende zijn leven werkte hij voor verschillende Maghrebijnse machthebbers als politiek adviseur, diplomaat of vizier. Loyaliteit was ondergeschikt aan zijn zucht naar ambitie en succes. Hij verruilde de ene heerser met gemak voor de rivaal als het hem uitkwam. Zijn machiavelliaanse wijze van politiek bedrijven maakte hem allerminst populair, wel berucht. Ibn Khaldun was betrokken bij vele politieke intriges en coups, waardoor hij constant op de vlucht sloeg en moest vrezen voor zijn leven.

In 1374 verliet Ibn Khaldun de slangenkuil en verbleef vier jaar in Qal’at ibn Salaama, een burcht in het onherbergzame achterland van het huidige Algerije. Daar, tussen de ruïnes, begon hij in betrekkelijke isolatie aan zijn omvangrijke Kitab al-’ibar.Vervolgens trok hij met zijn familie alsnog naar Tunis, waar hij in een meer wetenschappelijke omgeving zijn werk wilde voortzetten. In 1382 begon hij een nieuw avontuur door naar Egypte te verhuizen, waar hij tot aan zijn dood in 1406 zou werken als opperrechter.

Een opmerkelijk intermezzo in zijn laatste levensjaren vond in 1401 plaats, toen Ibn Khaldun als delegatielid namens de Mamlukse sultan van Egypte naar Syrië afreisde om de beruchte Turks-Mongoolse krijgsheer Timoer Lenk (1336-1405) te ontmoeten. Ibn Khaldun verbleef een aantal weken in het legerkamp dat de despoot opsloeg net buiten de stadsmuren van Damascus. De Mamlukse machthebbers hoopten via ‘hun’ intellectueel op diplomatieke wijze de Mongoolse leider te overreden af te zien van de plundercampagne in de Levant. Ibn Khaldun had ongetwijfeld andere motieven en verhield zich tot Timoer Lenk als Goethe tot Napoleon eeuwen later. Deze ‘gesel Gods’ was namelijk in zijn ogen wellicht ook de redding van het tanende islamitische rijk, vanwege de sterke ‘asabiyya die hij met zijn nomadische horde tentoonspreidde in zijn allesverwoestende veroveringstocht. In de dialectiek van Ibn Khaldun kon destructie immers ook het begin zijn van een nieuwe fase. (Ondanks de wekenlange logeerpartij en loftuitingen over en weer, kon Ibn Khaldun de Mongoolse plundering van Damascus niet voorkomen.)

Na de dood van Ibn Khaldun leek de interesse in zijn nalatenschap ook verdwenen, althans in de Arabische wereld. In Spanje werd zijn werk in de zestiende eeuw samen met duizenden Arabische manuscripten verbrand tijdens de Spaanse inquisitie, een poging om alle islamitische sporen op het Iberische schiereiland te wissen. In het oostelijk deel van de islamitische wereld was er nog wel enige belangstelling. De Turkse vertaling van de Muqaddima werd in het Ottomaanse Rijk vanaf de zeventiende eeuw gretig gelezen door geleerden en ambtenaren. Deels vanuit noodzaak; de Ottomanen gebruikten Ibn Khalduns werk als een soort handleiding om de cyclus als het ware te ‘kraken’, of in ieder geval de fase van verval te ‘vertragen’.

De herwaardering (of ‘herontdekking’) van Ibn Khaldun vond ironisch genoeg niet plaats in de islamitische wereld maar in het Westen. In Europa werd zijn naam vanaf de achttiende eeuw door oriëntalisten steeds vaker genoemd, met fragmenten uit zijn bekendste werk, de Muqaddima. Het duurde tot de negentiende eeuw voordat hij serieus werd vertaald, niet geheel toevallig op het moment dat de Fransen bezig waren met het koloniseren van Algerije. De Ierse oriëntalist en filoloog William McGuckin de Slane (1801-1878), die voor het Franse leger in Noord-Afrika als vertaler werkte, had als taak om kennis over het gebied te ontsluiten. Met zijn vertaling van Ibn Khalduns werk halverwege de negentiende eeuw, dat in het Frans de titel Histoire des Berbères kreeg, werd het de belangrijkste bron voor de Fransen over de Arabische en Berberse geschiedenis van Noord-Afrika.

Hiermee begon ‘the strange afterlife’ van Ibn Khalduns erfenis, zoals een van de hoofdstukken van Robert Irwins biografie over de Maghrebijnse historicus luidt. Voor de Fransen werd de Muqaddima een soort antropologische handleiding in dienst van de koloniale onderneming in de Maghreb. De Franse verovering van Marokko aan het begin van de twintigste eeuw verliep dan ook voortvarend door de kennis van de stammenstructuur en de verhouding tussen de sultan en het achterland. (Marokko, overigens, dat sinds de zeventiende eeuw geregeerd wordt door de Alawitische dynastie ‒ niet te verwarren met de Levantijnse alawieten – en daarmee de khalduniaanse cyclus lijkt te hebben gebroken. Volgens historicus Stephen Cory, gespecialiseerd in de vroegmoderne periode van het Midden-Oosten en Noord-Afrika, wisten de Alawieten hun macht een religieuze legitimiteit te geven die eeuwenlang voor een fragiele maar duurzame ‘asabiyya zorgde. De Marokkaanse monarch leunt nog op altijd op de claim een rechtstreekse afstammeling te zijn van de profeet Mohammed.)

De Britse historicus Arnold Toynbee (1889-1975), die Ibn Khaldun in de Engelstalige wereld populariseerde, kwam superlatieven tekort toen hij de Muqaddima omschreef als ‘the greatest work of its kind that has ever yet been created by any mind in any time or place’. De historicus van de grote greep toonde zich schatplichtig aan Ibn Khaldun, niet in de laatste plaats om zijn eigen status te vergroten. Zijn meerdelige A Study of History, over de opkomst en ondergang van beschavingen, borduurde deels voort op het khalduniaanse model van machtscycli. Met het grootste verschil dat Toynbees studie vrijwel nergens meer serieus wordt genomen, terwijl Ibn Khalduns werk nog fier overeind staat.

Dat is op zichzelf een indrukwekkende prestatie, daar waar Ibn Khaldun een man van zijn tijd en omgeving was en zijn Muqadimma geen comparatieve studie is. Wat hem nog altijd zo bruikbaar maakt is misschien wel zijn vindingrijkheid, heldere taal en multidisciplinaire aanpak. Voor de één een antropoloog, voor de ander een socioloog, voor weer een ander een geschiedfilosoof en soms zelfs een proto-marxistische econoom: allemaal anachronistische labels, maar het toont wel het ontzag dat Ibn Khaldun nog altijd geniet onder hedendaagse wetenschappers. Zijn denken geeft nog altijd aanknopingspunten voor het begrijpen van ontwikkelingen van vandaag.

‘We leven in de echte wereld, die wordt geregeerd door kracht, die wordt geregeerd door macht. Dat zijn de ijzeren wetten van de wereld sinds het begin der tijden’, aldus plaatsvervangend stafchef van het Witte Huis Stephen Miller. Dat de VS met alle machtsvertoon zich misschien juist in het herfsttij bevinden is net zo’n ‘ijzeren wet’ van de wereldgeschiedenis, aldus Bruno Maçães in Exit from Our Age of Disorder. Nu de liberale waarden, hoe hypocriet die ook decennialang door westerse landen werden nageleefd, geen rol van betekenis meer spelen in de wereld van de Pax Americana, blijft inderdaad kracht over. Destructieve kracht welteverstaan.

Het is volgens Maçães hopeloos om te proberen de oude orde te redden. Die heeft zijn beste tijd gehad. De val van het Westen is onvermijdelijk, gelooft Maçães in navolging van Ibn Khaldun. Aan de geschiedenis valt niet te ontsnappen. Maar dat hoeft volgens hem ook niet. Vanuit de huidige ruïnes kan een nieuwe orde geschapen worden zonder te vervallen in chaos. Het Westen zal in deze overgangsfase pragmatisch moeten zijn en de resterende invloed dat het nog heeft moeten inzetten om een gelijkwaardige relatie op te bouwen met wat de Canadese premier Carney in Davos ‘middelgrote landen’ noemde. De liberale waarden zijn nog altijd te verkiezen boven de illiberale orde zoals de Russen of Chinezen die graag in de wereld willen zien, aldus Maçães.

Ibn Khaldun geloofde dat zijn wereld tot een einde liep. Maar hij geloofde ook in een wereld die opnieuw kon beginnen.

Anouar Brahem, ‘After the last sky’

Acht jaar na Blue Maqams keert Anouar Brahem terug met een aangrijpend project, getiteld naar een versregel van dichter Mahmoud Darwish, die vraagt:

“Waar zouden de vogels moeten vliegen, na de laatste hemel?”

Elegante kamermuziekstukken voor oed, cello, piano en bas behandelen op subtiele wijze de metafysische vraag en de brede resonanties ervan in een onrustige tijd.

Terwijl hij put uit de traditionele modi van Arabische muziek, heeft Brahem ook consequent geprobeerd om contact te maken met de wijde wereld en vond hij inspiratie in vele bronnen uit verschillende culturen. Bassist Dave Holland en pianist Django Bates maken opnieuw deel uit van het internationale kwartet van de Tunesische oed-meester, nu vergezeld door celliste Anja Lechner.

Brahems verstandhouding met Holland – voor het eerst gevestigd op het Thimar-album van 1998 – is inmiddels legendarisch. “Daves spel geeft me vleugels”, heeft Anouar gezegd, een observatie die herhaaldelijk op de plaat terugkomt.

Django Bates’ piano, een belangrijke ondersteunende kracht door het hele album heen, draagt ​​bij aan wervelende solo’s.
Het album markeert de eerste keer dat Anouar een cellist in zijn groepsmuziek heeft opgenomen.
Anja Lechner, een leidende stem in de opname, is al lang bekend met Brahems composities en heeft ze in haar eigen recitals opgenomen. De cello krijgt hier de eerste en laatste statements.

After the Last Sky” werd in mei 2024 opgenomen in Lugano’s Auditorio Stelio Molo RSI en geproduceerd door Manfred Eicher. – ECM Records

Bovenaan: Dhafer Youssef – Birds Requiem (2013)
Dhafer Youssef, die net als Anouar Brahem uit Tunesië komt, beschouwt zichzelf niet als jazzmuzikant. Toch bieden jazzmuzikanten hem de ruimte en vrijheid die hij nodig heeft om te floreren, en in hun gezelschap voelt hij zich meer op zijn gemak. Hoewel hij voortdurend inspiratie put uit de spiritualiteit van het Midden-Oosten en de soefitraditie, beschouwt Dhafer Youssef zichzelf evenmin als religieus. Het vogelthema dat door het hele album loopt, suggereert echter niet alleen fysieke hoogte, maar ook spirituele verheffing.

Synagoge ontsproten aan een droom

De aanleiding van mijn droom moet dit artikel geweest zijn, dat ik de dag ervoor in NRC had gelezen:
Voor familieleden van de Israëlische gijzelaars is de strijd niet voorbij, want Netanyahu zit er nog.

Vooraf

Zelf had ik in de nacht van de overval op Israël  van 17 oktober 2023, een gewelddadige droom gehad,ik voelde me er daardoor op een heel speciale, diepe manier mee verbonden.
Maar toen daarna de extreme Israëlische reactie kwam, was ik dáár geheel door in beslag genomen. Ik heb over dat hele gebeuren toen diverse kritische publicaties uit NRC overgenomen
Het hierboven gelinkte artikel was voor mij voor het eerst dat ik daarna weer met open vizier over Israël las, over het geweld toen in die kibboets, hoe mensen zich verborgen, meegenomen werden en wat hun verdere lot was. Dit tegen de achtergrond van een groeiende verzet tegen Netanyahu, ook in de familieverbanden van de gegijzelden.

De droom

Ik droomde dat ik me in Israël bevond, in een kibboets, waar we gemeenschappelijke kennissen bleken te hebben. Daar ging het gesprek over, ook al leek het voor mij nogal ver weg.
Op een gegeven moment werd er iets aan mij opgemerkt, ik ontdekte toen dat ik een rotte banaan in m’n broekzak had… Ik haalde h’m eruit, om in een afvalbak kwijt te kunnen. Maar dat werd mij niet toegestaan, ook niet toen ik een vat met sinaasappelschillen zag staan. Ik raakte geïrriteerd en dat gevoel verspreidde zich over alle aanwezigen. Ik begon terwijl ik daar rondliep tegen voorwerpen aan te trappen – die bij nader inzien een weliswaar duidelijke, maar mij niet vertrouwde vorm hadden, als uit een andere cultuur. Ik herinner me een soort ijzeren lantarens.

Toen meende ik voor een bijzondere ruimte staan, bij nader inzien een gewijde ruimte, waarin ik biddende mensen zag en waar rollen naar beneden hingen. Het leek me een synagoge te zijn, met een oeroude, heilige uitstraling, waar ik geheel door gebiologeerd was. Alle verzet was nu uit me verdwenen. Ik voelde me overweldigd door en verbonden met dat Heilige der Heiligen – met de oeroude Joodse traditie die op mij afstraalde.

Met een gevoel van groot ontzag werd ik wakker.

Wegstervende muziek van Anouar Brahem[1]

‘Barzakh’ is binnen de islam de term die gebruikt wordt voor de periode tussen iemands dood, en de wederopstanding op de Dag des oordeels en het verblijf in het ‘akhirah’ (het hiernamaals) daarna. Het wordt gezien als een soort slaaptoestand.

____________________
[1] Zijn laatste album, ‘ After the last sky’, vind je hier.

Zwanger geworden na een bezoek aan deze Poolse hotelketen? Dan betalen zij het doopfeest

REPORTAGE

Demografie
Polen heeft een van de laagste geboortecijfers van Europa. Extra kinderbijslag en belastingvoordeel heeft daar geen verandering in gebracht. Een hoogleraar psychologie ziet diepgaande veranderingen in de Poolse samenleving die het kindertal laten dalen. 

Onder zijn imposante witte walrussnor verschijnt een glimlach als Wladyslaw Grochowski (73) zijn toekomstplannen voor Polen uitstippelt. „Mijn bedrijf heeft geld voor zo’n honderdduizend extra kinderen”, zegt de directeur van hotel- en vastgoedketen Arche op zijn kantoor in Warschau.

Het klinkt als een grap, maar ondernemer Grochowski is bloedserieus. Hij wil ervoor zorgen dat er meer kinderen in Polen geboren worden. De geboortecijfers in Polen behoren namelijk tot de laagste in de wereld. „Dit probleem bestaat al vijftien jaar, maar het lukt onze regeringen niet om het op te lossen”, zegt Grochowski. „Terwijl in de nabije toekomst bedrijven geen personeel zullen kunnen vinden en de mensheid wereldwijd ook uitsterft.”

Dus neemt Grochowski zelf het heft in handen. Via zijn hotelketen en vastgoedbedrijf, met in totaal 23 hotels in Polen, wil hij het geboortecijfer opkrikken. Hoe kan hij dat beter doen dan zijn hotelgasten belonen als ze een romantische avond in een van zijn hotelkamers beleven? Indien het hotelbezoek leidt tot een zwangerschap, krijgen zij een gratis (doop)feest voor tien personen. Daarvoor hoeven ze na de geboorte van hun kind alleen een rekening te overleggen die bewijst dat ze negen maanden eerder in het hotel verbleven.

„Er waren voorstellen om een feest voor vijftig personen te vergoeden, maar dat halen we financieel niet”, zegt Grochowski. „We hebben berekend dat een doopfeest voor tien personen ongeveer 1.000 zloty (240 euro) kost en we budget hebben om op deze manier een feest te organiseren voor honderdduizend kinderen.” Het bedrijf heeft 100 miljoen zloty (zo’n 24 miljoen euro) gereserveerd voor de actie. Ook krijgen de 2.500 medewerkers van zijn bedrijf eenmalig 10.000 zloty (2.400 euro) per geboren kind en organiseert zijn bedrijf partner- en kinderprogramma’s tijdens conferenties. „Zodat het gezin bij elkaar blijft en mensen niet met anderen het in bed duiken.”

Prognose: krimp met tien miljoen mensen

Natuurlijk is het een marketingstunt, erkent hotelbaas Grochowski, maar de ernst van het probleem is evident. Het geboortecijfer daalt al meer dan tien jaar en daar lijkt geen kentering in te komen. In 2023 kwam in Polen gemiddeld 1,2 kind per vrouw ter wereld, de verwachting is het dit jaar verder daalt naar 1,03. Dat is een stuk lager dan het EU-gemiddelde van 1,38 kind per vrouw in 2023, terwijl een cijfer van 2,1 nodig is om het aantal inwoners stabiel te houden.

Volgens de laatste prognoses van de regering zou de Poolse bevolking binnen vijftig jaar met tien miljoen mensen kunnen krimpen – van ruim 37 miljoen nu naar zo’n 28 miljoen in 2080 – en rond de eeuwwisseling zelfs zou kunnen halveren. Dat is een veel hardere daling dan verwacht.

Die cijfers staan in schril contrast met de urgentie waarmee de Poolse politiek de afgelopen jaren de vruchtbaarheidscrisis probeerde aan te pakken. Zo introduceerden de regeringen onder leiding van het nationaal-conservatieve PiS (2015-2023) een maandelijkse kinderbijslag van 500 zloty (zo’n 125 euro) per kind, die later werd verhoogd tot 800 zloty (zo’n 190 euro) en krijgen ouders met twee of meer kinderen binnenkort een forse belastingverlaging.

De maatregelen lijken weinig effect te sorteren. Economen en demografen vrezen dat Polen snel te maken krijgt met een onbetaalbare gezondheidszorg en een onhoudbaar pensioenstelsel. Ook de ambitie om de omvang van het Poolse leger te verdubbelen tot vierhonderdduizend militairen kan in de nabije toekomst onhaalbaar blijken. Hoewel het economisch succesvolle Polen steeds meer migranten – vooral Oekraïners – toelaat op de arbeidsmarkt, blijft migratie als oplossing voor bepaalde problemen in het land een politiek gevoelig onderwerp. De afgelopen jaren is het migratiedebat zo verhardt dat zelfs linkse partijen zich distantiëren van het onderwerp. 

Wat ligt er ten grondslag aan het dalende geboortecijfer in Polen, waar het economisch nog nooit zo goed is gegaan? En waarom voorspelt recent onderzoek dat de helft van de Poolse Gen-Z-generatie helemaal geen kinderen wil? 

Financiële cadeautjes voor ouders

Demografen in Polen wijzen naar oorzaken van de demografiecrisis die ook in veel andere landen voorkomen. In Polen is onder jonge mensen sprake van economische onzekerheid, gebrek aan betaalbare huisvesting, onvoldoende ondersteuning voor vrouwen in de gezondheidszorg en een verslechterde geestelijke gezondheid. In combinatie met een veranderde maatschappij waarin carrière en individuele vrijheid boven het gezinsleven staan, zorgt dat voor een lager geboortecijfer.

Sinds de coronapandemie en de oorlog in buurland Oekraïne zakte het geboortecijfer verder

Specifieker heeft de restrictieve abortuswetgeving in Polen, ingevoerd door PiS in 2021, geleid tot toenemend wantrouwen tegenover zorgverleners onder vrouwen – verschillende vrouwen stierven tijdens hun zwangerschap omdat dokters niet wilden overgaan tot een abortus. Ook stopte PiS de staatsfinanciering voor ivf-behandelingen. Sinds de coronapandemie en de oorlog in buurland Oekraïne zakte het geboortecijfer nog verder.

Bovendien krijgen vrouwen steeds later kinderen. In 1990 was de gemiddelde leeftijd waarop een vrouw haar eerste kind kreeg 22,7 jaar, dat is in 2024 gestegen naar 29,1 jaar. Ook vergrijst de Poolse bevolking steeds sneller. In 2024 was ongeveer een kwart van de bevolking pensioengerechtigd (60 jaar voor vrouwen, 65 jaar voor mannen), terwijl dat in 1990 slechts een achtste was.

Hoewel er niet één specifieke reden is die het lage geboortecijfer verklaart, blijkt wel dat financiële stimuleringsmaatregelen geen trendbreuk teweegbrengen. De kinderbijslag, waar de regering in 2016 mee begon, had slechts een tijdelijk effect. In de eerste jaren na de invoering steeg het geboortecijfer licht, om vanaf 2021 recorddieptes te bereiken.

Ook in Hongarije, dat zich opwerpt als een frontstaat in de strijd om meer geboortes, blijken financiële prikkels het geboortecijfer niet structureel te veranderen. Terwijl zo’n 5 procent van het bbp van het land besteed wordt aan geboortepolitiek – meer dan de Verenigde Staten uitgeven aan defensie. Zo krijgen Hongaarse grootouders verlof, betalen ouders een lagere hypotheekrente en zijn moeders van minimaal drie kinderen voor de rest van hun leven vrijgesteld van inkomstenbelasting.

Na de introductie van deze geboortepolitiek, zo’n vijftien jaar geleden, steeg het geboortecijfer van 1,25 tot 1,61 in 2021, maar daarna daalde het en belandde Hongarije in de Europese middenmoot. Critici zeggen dat de kosten de resultaten niet rechtvaardigen, terwijl voorstanders stellen dat elk extra geboren kind (volgens hun berekeningen tweehonderdduizend meer dan zonder de stimuleringsmaatregelen) winst is. Mogelijke redenen voor het dalende geboortecijfer zijn de stijgende prijzen, het gebrek aan betaalbare woningen en de slechte staat van de gezondheidszorg en het onderwijs in het EU-land.

Als een vrouw zegt dat ze niet meer wil schoonmaken en de man gefrustreerd raakt, dan hebben we een probleemDominika Maison hoogleraar psychologie

Vrouwen zijn veranderd, mannen niet

Tot zover de discussie onder de demografen. Hoogleraar psychologie Dominika Maison van de Universiteit van Warschau baarde vorig jaar opzien toen zij op basis van een enquête concludeerde dat de helft van de Gen-Z-generatie (mensen geboren tussen 1995 en 2012) in Polen helemaal geen kinderen wil. Ze doet al jarenlang onderzoek naar de Poolse demografie en stelt dat we moeten kijken naar de veranderingen onder moeders, vrouwen en de media.

„De meest genoemde oorzaken voor de lage cijfers zijn altijd materieel, zoals slechte huisvesting en instabiele werkgelegenheid”, zegt Maison – die een goed woordje Nederlands spreekt dankzij haar promotie-onderzoek in Tilburg – in een café in Warschau. „Maar als we degenen die geen kinderen hebben vragen waarom ze kinderloos zijn, noemen ze vooral het gebrek aan een geschikte partner.”

Volgens Maison is er in Polen sprake van een diepere sociale crisis. „We hebben te maken met een single-samenleving”, zegt Maison. Uit onderzoek blijkt dat het aantal echtscheidingen jaar op jaar stijgt, dat meer dan de helft van de 25 tot 34-jarigen nog bij hun ouders woont en het aantal singles toeneemt. Ongeveer een derde van de bevolking beschouwt zichzelf als single, onder de stedelingen is dat de helft.

„Natuurlijk zijn sommigen bewust single, maar uit onderzoek blijkt ook dat vrouwen in Polen veranderd zijn – ze werken meer, zijn onafhankelijk en accepteren de traditionele genderrollen niet meer. Terwijl de Poolse man geen gelijke tred houdt met die veranderingen”, zegt Maison. „Als een vrouw zegt dat ze niet meer wil schoonmaken en koken en de man gefrustreerd raakt omdat zij niet meer wil voldoen aan het stereotype beeld, dan hebben we een probleem.”

Ook zijn de Poolse moeders veranderd. Waar een vrouw van begin twintig zonder kinderen jaren geleden nog bestempeld werd als een ‘oude vrijster’, zeggen de Polen nu tegen hun dochters dat ze vooral niet te snel moeten beginnen met kinderen, blijkt uit onderzoek van Maison. „Dochters horen hun hele tiener- en twintigerleven van hun moeders dat er niets erger is dan zwangerschap op jonge leeftijd, dat je vooral moet wachten omdat je je hele leven nog voor je hebt”, zegt Maison. „Vervolgens worden de dochters dertig en verwachten moeders opeens een kleinkind. Terwijl de dochters sterk geïnternaliseerde negatieve emoties hebben over het ouderschap.”

Ze ziet nog meer ontwikkelingen die funest zijn voor het geboortecijfer. „De maatschappij is individualistischer geworden en een kind wordt gezien als een obstakel. Als er al een kind komt, dan moet de opvoeding perfect zijn met privéscholen, extra taal-, muziek- en sportlessen. En dat kost geld”, zegt Maison. „Bovendien lezen we in de media alleen maar artikelen over de lasten van het ouderschap en zelden over gelukkige grote gezinnen en familiewaarden.”

Hotelier Grochowski deelt de analyse van psycholoog Maison. „Geld lost het probleem niet op. Mensen zijn te veel gericht op consumeren en te weinig op onderlinge relaties”, zegt Grochowski. „Ze zouden minder moeten nemen en meer moeten nadenken over wat ze aan de maatschappij kunnen geven.”

Toch werkt zijn actie ook als een beloning. „Mensen vinden het nou eenmaal leuk om iets te krijgen”, verzucht Grochowski. Zijn actie sorteert al effect: het aantal boekingen in de hotelkamers is gestegen – in juni verwacht hij de eerste doopfeesten – evenals het aantal zwangerschappen onder zijn medewerkers.” Eén medewerker, die NRC probeerde te bellen tijdens het interview, bleek onderweg naar het ziekenhuis voor haar bevalling. Grochowski: „Ach, wat prachtig.”

Maison is minder optimistisch. „Je kunt wetten veranderen om te proberen het geboortecijfer op te krikken, maar een maatschappelijke mentaliteit veranderen is lastiger. Dat kost tijd.” Of het geboortecijfer ooit weer boven de 2,1 komt?
Hoogleraar Maison betwijfelt het – kijkend naar de geschiedenis – zegt ze lachend maar met een serieuze ondertoon: „Als dit zo doorgaat, zal het Poolse volk niet de eerste beschaving zijn die uitsterft.”

Metamorfosen…

…volgens Ovidius

De Metamorfosen (Metamorphoseon libri) is een vijftien delen omvattend Latijns dichtwerk, bestaand uit ongeveer 12.000 regels, van de Romeinse dichter Publius Ovidius Naso (5 n. Chr.) Het is een narratief epos dat genres overstijgt.
(Wikipedia)

De metamorfosen van Escher

Bovenaan: M.C. Escher,'Metamorfose I', mei 1937. 
’Tessellatie’ of regelmatige vlakverdeling – het herhalen van gelijkvormige figuren om een vlak te vullen zonder gaten of overlappingen – was voor Esscher ‘de rijkste bron van inspiratie die ik ooit heb aangeboord’. Hij werd daarbij geïnspireerd door de mozaïeken in het Alhambra in Spanje en paste de wiskundige principes toe in zijn werk.
M.C. Escher, ‘Zon en Maan’, 1948 COLLECTIE GEMEENTEMUSEUM DEN HAAG

‘Metamorfosen’ in het Rijksmuseum
Tentoonstelling 6 februari t/m 25 mei 2026


‘Alles verandert continu, maar niets verdwijnt helemaal’ dat is de boodschap die Ovidius opschreef in zijn Metamorfosen. In het gedicht worden goden dieren, veranderen nimfen in bomen, verstenen mensen en worden stenen mensen. Veel verhalen gaan over de omgang van goden en stervelingen. Liefde speelt een grote rol, lang niet altijd met wederzijdse instemming. Geweld en bedrog komen bovendien geregeld om de hoek kijken.

De tentoonstelling belicht de verbeelding van verschillende iconische fabels, zoals de schepping van de kosmos en de wereld uit de vormeloze chaos, het verhaal van de weefster Arachne die door de jaloerse godin Minerva in een spin wordt getransformeerd om eeuwig haar webben te weven of de affaires van Jupiter, de oppergod, die zich keer op keer moest vermommen om zijn jaloerse echtgenote Juno én zijn slachtoffers om de tuin te leiden. Zo vinden we hem als stier, zwaan, gehuld in een nevel of als een regen van goud.
(tekst Rijksmuseum)

”Passie, verlangen, lust, jaloezie, list en bedrog. Het Rijksmuseum neemt je mee naar een van de grootste en belangrijkste inspiratiebronnen voor kunstenaars: de Metamorfosen van de dichter Ovidius.”

Vroege kopie van Leonardo da Vinci’s verloren gegane werk “Leda en de Zwaan”.
Het toont de Griekse mythe waarin Zeus, in de gedaante van een zwaan, Leda verleidt.  De mythe vertelt dat oppergod Zeus verliefd werd op de getrouwde Leda, koningin van Sparta. Nadat Zeus haar in de vorm van een zwaan had benaderd, legde Leda twee eieren. Uit deze eieren kwamen vier kinderen voort, waaronder de tweeling Castor en Pollux. Een naakte Leda staat naast haar zwaan, die met zijn vleugel haar heupen omsluit, terwijl hun kinderen aan hun voeten spelen, met een nog niet uitgekomen ei achter het vreemde, maar lachende stel.

Metamorfosen brengt ruim 80 internationale topstukken samen uit musea en collecties van over de hele wereld. Van Titiaan, Correggio en Caravaggio tot Rodin, Brancusi, Magritte en Bourgeois. Te zien zijn schilderijen, beeldhouwwerken, edelsmeedkunst en keramiek, maar ook hedendaagse fotografie en videokunst. De tentoonstelling is een bijzondere samenwerking met Galleria Borghese in Rome.”


‘Metamorfosen’ van Ellen Deckwitz

De nieuwe poëzie bundel van Ellen Deckwitz: ‘Metamorfosen’ – het Poëziegeschenk 2026 – doet het bij ons op tafel prima, het communiceert met ons op een Meta niveau…


Ellen Deckwitz, ‘ Eerste metamorfose’

Metamorfose bij Maarten

“… maar dat aapje daar op de rug van zijn moeder, die was nog in datgene wat we niet weten kunnen. En had van daaruit een geweldige vrijheid.
Maar nu komt nog het belangrijkste.
Op een dag vond die moeder dat het nu genoeg was. En die pakte het aapje resoluut beet en schoof het van haar rug af. Want het aapje wou natuurlijk heel gauw terug om er te blijven.
Toen had een ongelooflijke metamorfose plaats. Dat vrolijke, gelukkige aapje, werd opeens een angstig dier. Hij had zijn kameraadjes uitgedaagd, dat was nu helemaal afgelopen. Hij moest nu zich waarmaken in de wereld van de vorm, van alles wat er is.
En het was een ongelooflijke omslag. Hij was eerst uit de baarmoeder van zijn moeder gekomen. Maar op dat moment kwam hij uit de geestelijke baarmoeder, in de wereld waar alles verdedigd moet worden. Waar je moet blijven leven. Waar je een territorium hebt. Waar je bezit hebt. Waar je kennis hebt.
Al was dat dan allemaal alleen maar voor een klein aapje. Maar zo is het voor ons ook…”
Maarten Houtman, Juist in het meest onbelangrijke is het geheim verborgen.

Franse econoom wil allerrijksten zwaarder belasten, ook in Nederland: ‘Miljardairs danken hun rijkdom niet alleen aan zichzelf’

INTERVIEW
Frankrijk De allerrijksten betalen relatief de minste belasting. Fiscaal ‘loodgieter’ Gabriel Zucman, econoom uit de school van Piketty, wil het gat dichten. Maandag spreekt hij in de Tweede Kamer. „De explosieve groei van de rijkdom van miljardairs is een van de belangrijkste trends in de wereldeconomie.”
NRC, Peter Vermaas vanuit Parijs. Gepubliceerd op 30 januari 2026
Econoom Gabriel Zucman na afloop van een hoorzitting over het belasten van de allerrijksten in het Franse parlement, 1 oktober 2025.


Alleen in Frankrijk gaan mensen de straat op om de naam van een econoom te scanderen. „Wij willen Zucman”, stond er afgelopen najaar op plakkaten en spandoeken tijdens demonstraties in Parijs. En: „Belast de rijken, Zucman-taks nu!”
Zucman, dat is Gabriel Zucman, 39 jaar oud, econoom uit de school van Thomas Piketty en, net als zijn leermeester, gespecialiseerd in vermogensongelijkheid. Hij is hoogleraar aan de Paris School of Economics – ja, in het Engels – en aan UC Berkeley in de Verenigde Staten. De belasting die hij heeft voorgesteld, in Frankrijk nu dus algemeen bekend als de Taxe Zucman, heeft als doel de allerrijksten te laten meebetalen aan de staatsuitgaven teneinde het hoge Franse begrotingstekort iets terug te dringen.
De demonstraties waar burgers ‘zijn’ belasting eisten hadden natuurlijk niets met zijn persoon te maken, zegt hij glimlachend in zijn spartaans ingerichte kantoor in Parijs. Dat zijn nu in het Nederlands vertaalde pamflet ”Miljardairs betalen geen inkomstenbelasting en daar gaan we een einde aan maken” (Atlas Contact) in Frankrijk een bestseller werd, is niet meer dan „een uiting van de grote roep om meer fiscale gerechtigheid die al langer onder de bevolking leeft”, zegt hij.
Vooral door aandelenconstructies met holdings, betalen de meeste miljardairs weinig tot geen inkomstenbelasting, liet Zucman in zijn onderzoek zien. Niet alleen in Frankrijk, maar in veel meer landen. Ook in Nederland. Daarom spreekt hij maandag in Den Haag met de vaste Kamercommissie voor Financiën. Wat hij wil: een heffing van 2 procent op het deel van het vermogen dat boven 100 miljoen euro ligt.

Die heffing, aanvankelijk door hem uitgedacht voor het Braziliaanse G20-voorzitterschap in 2024, was inzet van hoogoplopende discussie bij de onderhandelingen over de nieuwe Franse begroting de laatste maanden. Op zoek naar een meerderheid, ging de centrumrechtse premier Sébastien Lecornu langs bij de sociaaldemocratische Parti Socialiste (PS). Die had vooral één eis: de Zucman-taks. Voor president Macron ging deze ingreep te ver. Pas deze week, vele maanden later, kreeg Lecornu zijn begroting voor 2026 er doorheen. Om de PS alsnog te paaien komen er iets hogere belastingen voor bedrijven en iets hogere uitkeringen.
Frankrijk gaat door een „crisis in de overheidsfinanciën”, zegt de stereconoom. Sinds de jaren zeventig is geen regering erin geslaagd een sluitende begroting te presenteren. „We zitten nu op 5 procent tekort, en het lukt maar niet dat naar beneden te krijgen”, zegt Zucman. „Tegelijk hebben we in Frankrijk belastingen die op het hoogste niveau liggen sinds de Tweede Wereldoorlog.”
En dat terwijl, zo blijkt uit zijn cijfers, de vermogens van miljardairs flink toenemen. „Dat leidt tot een explosieve cocktail waarin een grote democratische roep ontstaat om meer gerechtigheid. Ik zie het als mijn taak om te leren van de geschiedenis en van internationale ervaringen met het belasten van vermogen, om tot werkende oplossingen te komen.” Plombier de la justice sociale, noemen Franse media hem: hij ziet zichzelf als een loodgieter die fiscale lekken dicht om tot meer sociale rechtvaardigheid te komen.

CV
Gabriel Zucman (1986) is econoom. Hij doceert en doet onderzoek naar economische ongelijkheid aan UC Berkeley in Californië en aan de Paris School of Economics. Hij is directeur van het EU Tax Observatory, dat zoekt naar nieuwe modellen van belastingheffing wereldwijd, en een van de drijvende krachten achter het World Inequality Lab. Dat verzamelt wereldwijd data over vermogens. In 2015 brak hij internationaal door met het boek The Hidden Wealth of Nations: The Scourge of Tax Havens. Zucman heeft de Franse en de Amerikaanse nationaliteit.


Zijn voorstel, zegt hij, gaat uit van het „eenvoudige principe dat extreme rijkdom onvermijdelijk verplichtingen met zich meebrengt voor de nationale solidariteit”. De drempel van 100 miljoen euro vermogen is niet willekeurig. Vanaf dat punt, laat hij zien, worden belastingstelsels in de meeste landen regressief: terwijl je inkomen of vermogen toeneemt, ga je relatief juist minder belasting betalen.

U wilt die extra belasting op vermogen, niet op inkomen. Waarom?
„Voor extreem rijke mensen is het makkelijk hun inkomen te manipuleren en zo belastingen te ontwijken. Neem het beroemde voorbeeld van Jeff Bezos van Amazon. Hij is een van de rijkste mannen ter wereld. Maar hij heeft een aantal jaren geen dollar inkomstenbelasting betaald. Sterker nog, hij gaf een jaar zo weinig inkomen op dat hij in aanmerking kwam voor een vorm van kinderbijslag – en die heeft hij nog gekregen ook. Vermogen manipuleren is veel moeilijker, dus om dit gelijk te trekken moet je naar een percentage van het vermogen kijken.”
In veel landen bestaat toch vermogensbelasting?
„Die werkt in geen enkel Europees land echt goed. Er zijn voor de allerrijksten altijd heel veel uitzonderingen. Dat zie je ook bij de discussie over box 3 in Nederland.”


U noemt box 3 in het Nederlandse voorwoord bij uw boek een „mislukte poging de rijken te belasten”. De Hoge Raad haalde een streep door box 3 omdat deze manier vermogens te belasten in strijd was met het eigendomsrecht uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het non-discriminatiebeginsel. Kan uw taks daar niet ook op stuklopen?
„Nee. Mijn voorstel is heel anders. Ik heb het niet over belasting op een hypothetisch rendement, maar op een werkelijk bestaand vermogen. Deze heffing zou slechts van toepassing zijn op de allerrijksten die nu minder dan 2 procent van hun vermogen aan inkomstenbelasting betalen. Ze moeten dus het verschil bijbetalen.”

Hoe kan het eigenlijk dat die miljardairs, zoals u zegt, nauwelijks belasting op inkomen betalen en sowieso een lagere belastingdruk dan gemiddeld hebben?
„Omdat ze zichzelf vaak geen salaris geven en dus geen inkomen hebben dat ze kunnen opgeven bij de belastingdienst. Maar het vermogen dat ze hebben is echt. Je kunt ermee lenen, je kunt er spullen mee kopen. Elon Musk had geen liquide middelen en kon een paar jaar terug toch voor vele miljarden Twitter overnemen. Of mensen hun vermogen nou in holdings zetten of op andere manieren belasting ontwijken, de allerrijksten betalen relatief de minste belasting. Daarmee is de belastingrevolutie die begin twintigste eeuw met de invoering van inkomstenbelastingen begon niet voltooid. Ik stel niets anders voor dan die revolutie nu wel af te maken. Als blijkt dat het geen zin heeft om de allerrijksten inkomstenbelasting op te leggen, dan moeten we maatwerk leveren en een belasting verzinnen die aangepast is aan die grote vermogens.”

Waarom nu?
„De bedragen waar het om gaat zijn enorm geworden. Dat is een van de belangrijkste trends in de ontwikkeling van de wereldeconomie van de afgelopen dertig jaar, met een versnelling sinds zo’n vijftien jaar: de explosieve groei van de rijkdom van miljardairs.”

En nog iets extremer in Frankrijk, schrijft u.
„In 1996 waren de vijfhonderd rijkste Franse huishoudens goed voor 6 procent van het bruto binnenlands product. Dat is nu 42 procent. Het vermogen groeide bij die mensen jaarlijks gemiddeld met zo’n 10 procent. Als we die mensen niet belasten, dan ontnemen we onszelf belangrijke inkomsten die weer nodig zijn om de samenleving aantrekkelijk te houden.”

Hoewel miljardairs weinig belasting betalen, groeit hun invloed op het publieke debat en de democratie


In Frankrijk zijn miljardairs de laatste jaren steeds zichtbaarder geworden. Terwijl in Parijs op de gekste plekken nieuwe boutiques van luxemerken openen, drukken de eigenaren van die merken ook op andere manieren hun stempel op de stad. Ze beginnen in prestigieuze panden hun eigen kunstmusea en tasten diep in de buidel om het Emily in Paris-beeld van de stad te bestendigen – bijvoorbeeld door de renovatie van de Notre-Dame te financieren. Hele straten zijn in handen van miljardairs, een beetje topindustrieel heeft tegenwoordig ook een krant of tv-station tot zijn beschikking.

Een demonstrant met een bord dat pleit voor de „Taxe Zucman” in Parijs in oktober 2025.


Tien jaar heeft Zucman in de VS gewoond, waar hij doceerde aan de universiteit van Berkeley. Hij hielp, met Emmanuel Saez, tevens een Franse econoom, de belastingparagraaf te schrijven van de programma’s van Democratische kandidaten als Bernie Sanders en Elizabeth Warren.

„Wat me het meest opviel toen ik terugkeerde in Frankrijk was de enorme greep die miljardairs op het medialandschap en daarmee op de politiek hebben gekregen”, zegt hij. „Het doel van een aantal van hen is het beheersen van de publieke opinie. En ondanks strikte regels, lukt hen dat steeds beter. Dus hoewel ze weinig belasting betalen, groeit hun invloed op het publieke debat en daarmee op de democratie.”
Niet zo vreemd, vindt hij, als je bedenkt dat die allerrijksten omgerekend 42 procent van het bbp waard zijn. „Dat wil zeggen dat ze met hun geld bijna de helft kunnen kopen van alles wat Frankrijk in een jaar produceert. Of concreter: dat hun bedrijven met bijna iedereen zakendoen. Daarmee hebben ze ook een enorme invloed op markten en alles wat zich in de Franse economie voordoet.”


Toen Macron president wilde worden, liet hij zich ontvallen dat jonge Fransen de ambitie moeten hebben „miljardair te worden”. Veel mensen vielen over hem heen. Is grote rijkdom nastreven iets on-Frans?
„Ik heb geen enkel probleem met miljardairs. Maar rijkdom vergaren is altijd ten dele te danken aan het collectief. Niemand wordt in zijn eentje miljardair, dat ben je ook dankzij de voorzieningen die de samenleving je biedt. Dat er een cultureel verschil zou zijn tussen Frankrijk en Angelsaksische landen kun je volgens mij niet stellen. De VS en het VK hadden, anders dan mensen denken, halverwege de twintigste eeuw juist progressievere belastingen voor hoge inkomens dan ooit in Frankijk of elders in continentaal Europa bestaan hebben.”

‘Mensen die psychotherapie krijgen knappen er meestal niet van op’

INTERVIEW
Ellen de Bruin, NRC. 22 januari 2026



Flip Jan van Oenen | therapeut 

Psychotherapie werkt vaker niet dan wel. Beperk daarom maar het aantal sessies, zegt Flip Jan van Oenen. „Iemand kan even met je meelopen en daarna zul je het zelf moeten doen.”

In Nederland is 1 op de 20 volwassenen in behandeling bij de geestelijke gezondheidszorg en 1 op de 10 jongeren doet een beroep op jeugdhulp. Bijna de helft van de Nederlanders heeft ooit een psychische aandoening gehad, ruim een kwart van de Nederlanders het afgelopen jaar – meestal een angst- of stemmingsstoornis. En psychotherapie werkt veel vaker niet dan wel.

Je hoort dat niet vaak; het gangbare idee is dat psychotherapie werkt, en hard nodig is. Maar juist dat idee ondermijnt de eigen vaardigheden om met psychische problemen om te leren gaan. Dat schreef therapeut Flip Jan van Oenen (69), inmiddels drie jaar gepensioneerd, al in zijn boek Het misverstand psychotherapie (2019). In zijn nieuwe boek Verdragen (2025) pleit hij voor een radicale herziening van de geestelijke gezondheidszorg (ggz), waarbij iedereen zeven sessies psychotherapie vergoed krijgt per twee jaar, zonder de garantie dat die helpen. Hij baseert zich op wetenschappelijk onderzoek en op vijfendertig jaar ervaring in de ggz. Geef mensen geen valse hoop, schrijft hij, maar moedig ze aan hoop te houden, actief te blijven en hun smart te delen tot hun klachten minder worden of te verdragen zijn. Ze zullen wel moeten; therapie en pillen helpen meestal toch niet.

„Pakweg 60 procent van de mensen is na psychotherapie niet opgeknapt”, vertelt Van Oenen thuis op zijn woonark in het centrum van Amsterdam. „En van de 40 procent die wel is opgeknapt, was dat bij 15 procent in diezelfde periode zonder therapie ook gebeurd. Ongeveer 25 procent van de mensen ervaart dus maar meerwaarde van de therapie.” Die laten bij minimaal de helft van hun klachten een verbetering zien op vragenlijsten, dus ze zijn ook absoluut niet altijd helemaal genezen.

„Als je dat bedenkt”, gaat hij er nog maar eens voor zitten, „in combinatie met het feit dat er tussen de 200 en 1.000 onderzochte therapiesoorten bestaan, die het allemaal niet beter doen dan de andere, dan moeten we volgens mij concluderen dat we een plafond bereikt hebben.” Dat moeten mensen weten, vindt hij. „Mensen denken nu: als ik maar in therapie kom, gaat het daarna beter. Dat ondermijnt de eigen veerkracht, blijkt uit onderzoek: mensen op een wachtlijst gaan minder vooruit dan mensen die niet op een wachtlijst staan. Dus moeten we mensen vertellen dat het effect van therapie beperkt is en dat ze hun problemen zélf aankunnen.”

U bent zelf therapeut. Hoe heeft uw denken hierover zich ontwikkeld?

„Ik ben begonnen als basisarts, als dienstweigeraar, en later opgeleid tot gezins- en relatietherapeut. Van daaruit ben ik in 1985 bij de crisisdienst begonnen, eerst heel klein, met vier mensen in een keldertje. Dat heb ik tot 2015 gedaan. De laatste zeven jaar heb ik me met vechtscheidings­problematiek beziggehouden.

„In het begin had ik het idee: alles kan en moet beter. Veel dingen schieten niet op, met cliënten. In de crisisdienst kom je heel veel mensen tegen die bij therapeuten lopen en dan toch in crisis raken. Dus daar kreeg ik al de indruk dat therapieën niet allemaal zo vlekkeloos verlopen als vaak gezegd wordt.”

Wat houdt dat in, ‘in crisis raken’?

„Als huisartsen en collega-hulpverleners niet weten wat ze ermee aan moeten als iemand heftig ontremd is, manisch, psychotisch, of suïcidaal of ernstig depressief, dan mogen ze naar ons – voormalig ons – verwijzen voor acute hulp, om de situatie weer hanteerbaar te krijgen. Dat gaf me een interessant inkijkje in allerlei geledingen van de ggz. Zelfs gerenommeerde behandelaars konden behoorlijk met hun handen in het haar zitten. Ook onze eigen kortetermijn­behandeling lukte deels wel, deels niet. Dan ga je al denken: is dit het nou?

„En er kwamen steeds nieuwe soorten behandelingen langs, waarvan je dan denkt: dat moet ik ook kunnen, dan zou ik een betere therapeut zijn. Veel therapeuten hoppen: ze zijn een tijd enthousiast over een methode, merken dan dat veel mensen er toch niet echt mee geholpen zijn, en gaan dan weer nieuwe methoden volgen.”

Hopte u zelf ook?

„Ja, zeker. In 2008 werd ik nog één keer heel enthousiast over een methode uit Amerika, feedback informed treatment. Daarbij vraag je aan het begin van de sessie expliciet hoe het met de cliënt gaat, en aan het eind hoe het gesprek ging, en dat breng je samen in een grafiek in kaart. Vanuit het idee dat de samenwerkingsrelatie tussen therapeut en cliënt de belangrijkste voorspeller is voor succes. Ik deed een training in Chicago, ik mocht de hele crisisdienst erin gaan trainen, en ik dacht: dan wil ik ook onderzoeken of het wérkt. Uiteindelijk ben ik daarop gepromoveerd.

„Maar het onthutsende was dat mensen in de controlegroep, zonder feedbackvragen aan het begin en eind, het na zes weken beter bleken te doen dan de groep bij de interventie mét feedback. Na twaalf weken was er geen verschil meer. Ik dacht: deze methode had nog iets kunnen toevoegen. En dat gebeurde dus niet.

„Voor dat onderzoek begon ik ook alle wetenschappelijke literatuur te bestuderen. Dat deed ik daarvoor niet. Mijn ervaring is dat therapeuten hoogstens lezen: deze methode is evidence based, hij werkt, meer hoef je niet te weten. Maar zo kwam ik erachter dat psychotherapie weinig effect heeft, al vijftig jaar niet verbeterd is, en dat veel methoden hetzelfde beperkte effect hebben. Dus die twijfel die je als therapeut altijd voelt – ik ben niet goed genoeg, ik moet meer cursussen volgen, niet iedereen wordt beter en dat ligt aan mij… – dat klopt niet. Het is gewoon onvermijdelijk gezien de stand van zaken. Toen ben ik die boeken gaan schrijven.”

Er is weinig onderzoek naar het natuurlijk beloop van stoornissen. Zomaar iemand volgen die niet behandeld wordt, gebeurt niet

Hoe reageerden collega’s?

„Het is een lastige boodschap. Het vraagt veel van therapeuten om deze kennis een plek te geven en toch met hart en ziel te blijven werken. Deels waren mensen bozig: je haalt het vak onderuit. Maar ik heb echt naar eer en geweten geprobeerd recht te doen aan wat volgens mij de conclusies uit de literatuur zijn. Deels waren ze opgelucht. Zowel therapeuten als cliënten, die natuurlijk ook vaak merken dat therapie niet werkt, zeiden: hèhè, het ligt niet aan mij, therapie is beperkt.”

U schrijft dat psychische problemen vaak vanzelf overgaan.

„Ja. Er is weinig onderzoek naar het natuurlijk beloop van stoornissen. Zomaar iemand volgen die niet behandeld wordt, gebeurt niet. Ik heb geprobeerd op basis van controlegroepen en bevolkingsonderzoeken te kijken hoe het met mensen gaat die niet behandeld worden. Er zijn sterke aanwijzingen dat bij de meesten na een periode de problematiek verdwijnt, of overgaat in een fase waarin iemand er beter mee kan omgaan.

„Dat is zwaar. Psychisch leed is geen aanstellerij, het is heel akelig. Maar je kunt er in de meeste gevallen op eigen kracht doorheen komen.”

FOTO MERLIJN DOOMERNIK

Ook zonder medicijnen?

„Het effect van praten en pillen, antidepressiva, is grofweg hetzelfde. Als pillen een steuntje in de rug geven, doe dat vooral, maar je zult het uiteindelijk zelf moeten doen. Voor de ernstige psychiatrische aandoeningen, zoals bipolaire stoornis en psychose, geldt dat pillen op de korte termijn rust in de tent kunnen brengen. Tegelijkertijd wijst ervaring uit: bijna iedereen die psychotisch is, stopt ermee zodra het beter gaat. En door lithium kunnen mensen met bipolaire stoornis stabieler zijn. Maar ook daar geldt helaas: die pillen nemen de stoornis niet weg, ze maken hem hanteerbaarder. Ook deze mensen zullen toch moeten verdragen.”

Therapie verhelpt misschien niet alle klachten, maar mensen zijn meestal wel tevreden over hun therapeut en de behandeling.

„Ja, therapeuten zijn ook vaak heel kundige, aardige mensen. Ze kunnen goed luisteren. Wanneer luistert nou eens iemand een aantal keer een uur lang zonder oordeel naar je? Dat is een fantastische ervaring. Die geeft een goede therapeut jou. Los daarvan kan therapie ook een soort cursus geestelijke zelfverrijking zijn. Dat het dan na die therapie niet beter gaat… mensen koppelen dat los van elkaar, denk ik.”

Is dat alles wat een therapeut doet?

„Wat de werkzame bestanddelen van psychotherapie zijn, is eigenlijk niet bekend. Zelf denk ik dat een therapeut vooral helpt de copingmechanismen van de cliënt te stimuleren, en dat zijn in mijn visie klagen, veranderen en verdragen. Klagen is maar heel kort prettig, veranderen lukt haast nooit. Dus we zijn aangewezen op verdragen, en de therapeut helpt daarbij. Door zelf niet ontredderd te raken door wat iemand vertelt, en door diegene te stimuleren hoop te houden, smart te delen en in beweging te blijven, dus dingen te blijven doen. Die laatste zijn de drie ‘verdraagmechanismen’ die ons naar mijn idee ten dienste staan.

„Daarbij moet een therapeut duidelijk zijn dat hij maar een bescheiden bijdrage levert. Dat kan het beste door geen lange therapie aan te bieden, of steeds door te verwijzen, want dat suggereert dat meer therapie beter is, terwijl daar geen aanwijzing voor is. Iemand kan even met je meelopen en daarna zul je het zelf moeten doen.”

Ik denk dat diagnoses in de ggz vaak vrij waardeloos zijn

Mensen zijn tegenwoordig ook vaak blij als ze een diagnose krijgen en weten wat er precies aan de hand is.

„Ik denk dat diagnoses in de ggz vaak vrij waardeloos zijn, want iedere behandeling die een beetje effectief is, wordt op alle diagnoses losgelaten. En diagnoses overlappen elkaar enorm. Er staan er nu zo’n 560 in het psychiatrisch handboek DSM-5 en die classificatie geeft geen enkel houvast voor de behandeling. En ook geen verklaring voor wat iemand mankeert. Dat beschreef Trudy Dehue zo mooi in haar boek De depressie-epidemie: dat we diagnoses als verklaring zijn gaan zien, je bent somber omdát je een depressie hebt. Dat slaat nergens op.

„Tegelijkertijd denk ik dat het voor individuele personen wel waarde kan hebben om te bedenken: er zijn groepen mensen die ook ongeveer ditzelfde conglomeraat van verschijnselen hebben, en daar gaat het over het algemeen ongeveer zo mee. Als dat je houvast geeft, kan ik me voorstellen dat dat fijn is. Maar in wezen is het ernstig dat we niet accepteren dat het een tijdje niet zo goed met iemand gaat en dat dat een naam moet hebben.”

U stelt een grote verandering van de ggz voor, waarna iedereen elke twee jaar zeven sessies psychotherapie vergoed krijgt, en dat is dan alles. Hoe gaan we dat bereiken?

„Dat is de hamvraag. Het is heel moeilijk, want geen enkele groep heeft er op korte termijn belang bij. Cliënten willen geholpen worden. Voor therapeuten is deze boodschap heel ontwrichtend, én het is hun werk en inkomen. Hetzelfde voor grote ggz-instellingen: als Arkin zegt dat ze iets niet kunnen bieden, ziet Parnassia een gat in de markt. Politici hebben er ook geen belang bij: met ‘wen maar aan je problemen’ word je niet verkozen.

„Ik denk dat de grote ggz-instellingen de belangrijkste rol moeten hebben. Die zouden bij wijze van spreken op de gevel moeten zetten: hierbinnen gaat het meestal over, daarbuiten ook. Individuele therapeuten zijn redelijk realistisch, denk ik. Die zeggen wel: ik heb geen toverstaf, we gaan samen kijken wat er kan. Maar het gaat juist om de stap daarvóór: moet je er wel naartoe?

„Huisartsen zouden kunnen zeggen: misschien is hier geen oplossing voor. Wel vind ik de praktijk­ondersteuner-ggz bij de huisarts een geweldige functie. Zo zou de hele ggz eruit moeten zien: laagdrempelig, paar gesprekken, iemand die je weer op gang helpt. Zoals de fysiotherapeut. Die omslag is gelukt: ooit ging je naar de fysiotherapeut om beter te worden, en dat duurde soms heel lang. Nu ga je een paar keer en dan kun je weer even verder. Zo’n omslag moet ook bij psychotherapie gebeuren.”

Voor iedereen, met ongeacht welke psychische problemen?

„Ja. Er is natuurlijk een groep mensen die heel kwetsbaar is en het zelf niet goed redt. Die kun je ondersteuning en bescherming bieden. In de vorm van opnames bijvoorbeeld, en activiteiten, een sociale werkplaats, ze helpen uit bed te komen. Maar dat onderscheid ik van therapie, van zeggen: u gaat herstellen.”

Wie zijn dat dan, die het ‘niet redden’?

„Ik denk vooral aan mensen met een psychotische kwetsbaarheid, en ernstige chronisch depressieve mensen. Maar het is belangrijk te benadrukken dat het echt een kleine groep is. De meerderheid zal zelf uit bed moeten komen.”

Een kleine groep mensen heeft ontzettende pech en zal een heel moeilijk leven houden

Maar de grens tussen ernstig en minder ernstig psychisch leed is heel moeilijk te bepalen, schrijft u zelf.

„Dat klopt. Daar heb ik ook geen oplossing voor. Kijk, als de zorg eenmaal veel terughoudender is, als het gelukt is om die verwachtingsomslag te maken, dan zal er dus een groep overblijven die ondanks allerlei beschermingspogingen een marginaal bestaan blijft leiden, en mensen die buiten overlast veroorzaken. Het klinkt harteloos, maar ik denk dat je dat moet verdragen. Als je zegt: we kunnen niet accepteren dat die niet behandeld worden, dan doe je alsof je iets te bieden hebt wat je niet te bieden hebt. Een kleine groep mensen heeft ontzettende pech en zal een heel moeilijk leven houden. Zowel op individueel niveau als op maatschappelijk niveau zullen we dus dingen moeten verdragen die niet maakbaar zijn. Maar het overgrote deel van de mensen redt zich; daar moet je ook op kunnen vertrouwen.”

U schrijft ook dat we suïcide moeten accepteren.

„Dat is een beetje een stokpaardje van me. De gedachte dat therapeuten mensen van suïcide kunnen weerhouden is ongefundeerd. De halve ggz wordt gegijzeld door de angst dat iemand zich suïcideert en dat er dan een klacht komt en dat het jouw schuld is. Deels is dat gewoon menselijk schuldgevoel: had ik iets anders kunnen doen? Maar er wordt ook eindeloos gevraagd: heb je het protocol wel gevolgd, is alles wel volgens de regels gegaan? Terwijl ik niet zou weten hoe je moet onderbouwen dat er enige relatie is tussen wat de therapeut doet en of iemand wel of niet blijft leven. Daarom moet je dat loslaten. Die vreselijke last gaat er dan ook een beetje af. Naasten en therapeuten voelen zich dodelijk schuldig, over het algemeen. Maar je kunt niet iemand behouden voor het leven die dat niet wil.”

Bent u niet bang dat als die maatschappelijke omslag lukt, de mensen die het kunnen betalen naar alternatieve kwakzalvers rennen voor therapie?

Flip Jan van Oenen: Verdragen. Over de hulp helpt-mythe. Uitgeverij Boom, 292 blz. € 29,25

„Ja, dat zal wel. Of naar therapeuten die de wetenschappelijke literatuur terzijde schuiven. Maar dat vind ik geen reden om te blijven doen wat we doen. En het akelige is natuurlijk dat het deels om geld gaat. Zodra dingen niet meer vergoed worden, gaan mensen er veel minder gebruik van maken. Ik wil het economische aspect niet te veel vooropstellen, maar wat zijn de keuzes? Je kunt als samenleving zeggen: het is een schande dat een heleboel mensen nog niet behandeld worden, we gaan koste wat kost zorgen dat het enorme ggz-aanbod waar mensen om vragen er komt. Maar dat is gewoon niet haalbaar. We hebben nu al gigantische tekorten van middelen en mensen.

„En je kunt niet tegen mensen zeggen: als we het geld hadden voor meer therapie zou het beter met u gaan. Dat is een verschrikkelijke boodschap die bovendien niet klopt. Dan is het zuiverder om te zeggen: we hebben de middelen niet, maar het is niet zo dat we u iets onthouden; de kans is groot dat therapie u niet beter maakt en dat u slechter af bent wanneer u het vertrouwen verliest dat u het zélf kunt. Dat vind ik als maatschappij een veel logischer stellingname.”

‘Schilderijen van een tentoonstelling’

Persoonsvervoering bij Van Gogh

Van Gogh is voor mij altijd een magische naam geweest. Dat er bij ons in Krimpen een autobusdienst rondreed die ‘Autobusbedrijf Gebr. Van Gog’ heette – dat lijndiensten onderhield tussen Rotterdam en Gouda – vond ik maar een rare zaak: zo’n eerbiedwaardige naam voor een busbedrijf, dat kon er bij mij niet in, ik vond het gewoon ‘naamsmisbruik’ – maar wisten de broers Wim en Leen van Gog (zonder ‘h’!) veel, die heetten gewoon zo…

ALLE FOTO'S VERGROTEN DOOR TE KLIKKEN
(links)“Veel bussen van de Gebr. van Gog zijn bij het touringcar bedrijf Snel&co beland waar ze werden gebruikt voor groepsvervoer voor werknemers van Verolme.”

(rechts) 6 januari 2026. “Is dit geen pareltje van de familie van Gogh (tours)? Ik kwam deze foto tegen in mijn galerij. Ik plaats deze foto omdat ik in de 90'r jaren bij Hans & Piet van Gogh heel hun bussenpark bij hield met schoonmaken. Dit samen met nog een 6 tal collega's. Dit was een van hun bussen. Veel avond uurtjes daar doorgebracht om mijn bijverdienste er bij elkaar te sprokkelen. Het pand van 'Van Gogh Tours' staat er nog steeds maar zit nu V&V transport gevestigd. Wat gaat de tijd toch snel🫶🙏”


Van Gogh stond bij mij thuis huizenhoog in het vaandel geschreven. En na de recente tentoonstelling van Anselm Kiefer in het Van Gogh Museum, ben ik weer helemaal paraat.
Ik kon het dan ook niet nalaten onderstaande afbeeldingen van zijn werk te verzamelen, die recent op de website van het museum verschenen:

Van Gogh wrote to his brother Theo about the scene that inspired this work:
‘Yesterday, at sunset, I was on a stony heath where very small, twisted oaks grow, in the background a ruin on the hill, and wheatfields in the valley. It was romantic, it couldn’t be more so, à la Monticelli, the sun was pouring its very yellow rays over the bushes and the ground, absolutely a shower of gold. And all the lines were beautiful, the whole scene had a charming nobility. You wouldn’t have been at all surprised to see knights and ladies suddenly appear, returning from hunting with hawks, or to hear the voice of an old Provençal troubadour. The fields seemed purple, the distances blue.’