| recensie
Door Hans Achterhuis op 2 april 2026 | Filosofie Magazine
Volgens de Frans-Tunesische denker Mehdi Belhaj Kacem hebben we God zelf gemaakt en leidt techniek tot eindeloos veel kwaad.
Mag je een boek bespreken waarvan je twee hoofdstukken nauwelijks gelezen hebt? Kun je iets positiefs zeggen over een tekst waarmee je het radicaal oneens bent? Durf je een recensie aan van een boek waarvan je de naam van de auteur niet kende voordat je het in handen kreeg?
Mijn antwoord is driewerf ‘ja’. Om met het laatste ‘ja’ te beginnen, het verbaasde me dat ik van Mehdi Belhaj Kacem nog nooit had gehoord, terwijl ik de Franse filosofie toch redelijk denk te volgen. Dat deze Frans-Tunesische denker in Parijs als cultfilosoof gevierd wordt, was mij echter totaal ontgaan. Korte afstemming met Nederlandse collega’s maakte mij duidelijk dat hij in ons land inderdaad onbekend is. Omdat ik getroffen werd door de grootsheid van zijn filosofisch systeem en omdat ik de denkers waarop Kacem zich beroept – in de eerste plaats Heidegger – redelijk meen te kennen, durfde ik een recensie aan.
Tegelijkertijd moet ik erkennen dat ik, ondanks mijn intensieve lectuur, twee hoofdstukken nauwelijks kon volgen. Ze zijn gebaseerd op een filmverhaal en een literaire tekst die ik niet kende en die niet helder worden weergegeven. Toch blijven deze hoofdstukken intrigeren. De film is Total recall van Paul Verhoeven en in mijn jonge jaren als docent zou ik graag de film met studenten hebben bekeken en het commentaar van Kacem hebben bediscussieerd.
Mijn derde en nog resterende twijfel bij deze recensie was hoe je omgaat met een tekst waarmee je het radicaal oneens bent. Het grootse filosofische systeem dat Kacem optuigt loopt uit op het type speculaties over de toekomst dat we ook van de techbro’s uit Silicon Valley kennen, waarin verondersteld wordt dat techniek grenzeloze mogelijkheden geeft. Het techno-optimisme van Silicon Valley krijgt bij Kacem echter de vorm van een apocalyptisch ondergangsgeloof. Bij beide interpretaties van de ontwikkeling van techniek voel ik mij niet thuis, maar Kacems benadering geeft meer stof tot denken en dus ook tot gefundeerde tegenspraak dan het posthumanistische geloof dat ons tegenwoordig uit de Verenigde Staten toewaait.
Mensen en dieren
Wat maakt God, techniek en alwetendheid ondanks de bezwaren zo aantrekkelijk? Met behulp van de uitstekende inleiding van vertaler Pieter Lemmens waag ik enkele opmerkingen erover. In de eerste plaats gaat het om de durf om in onze tijd van filosofische interpretaties van bestaande teksten een nieuwe wijsgerige weg in te slaan. In Kacems complexe denksysteem draait het om de verschillende manieren waarop de natuur door mensen en dieren wordt toegeëigend. Belangrijk is het verschil daartussen. Beide zijnswijzen moeten zich het bestaande toe-eigenen om te overleven en dat gaat altijd gepaard met dood en lijden als een soort betaling daarvoor. De menselijke toe-eigening gaat echter verder dan die van dieren, omdat mensen zich met behulp van techniek ook de wetmatigheden van de natuur kunnen toe-eigenen. Maar naarmate de techniek meer mogelijkheden geeft, wordt ook de prijs die we ervoor betalen in de vorm van dood en lijden hoger. In de mogelijkheden van techniek schuilt ook het fenomeen van het kwaad. Voor Kacem, die niet aarzelt om het christelijke begrip ‘erfzonde’ te gebruiken, houdt kwaad in dat de techniek mensen in staat stelt om elkaar ook niet-noodzakelijk, buitensporig lijden toe te brengen.
| EINDE |
