God als technisch hoogstandje

Robotbaby van het bedrijf Babyclon, ontwikkeld voor educatieve doeleinden. Barcelona, 2022© Olivia Arthur / Magnum Photos / ANP
Ga onderaan naar pag. 2 , voor het voorwoord van de vertaler, dr. P.C. Lemmens.
Dichters & Denkers
God als technisch hoogstandje
Door technologie kan de mens alle kennis die hij door de eeuwen heen verzamelde buiten zichzelf bewaren. Wat wij altijd God hebben genoemd, is volgens de filosoof Mehdi Belhaj Kacem niets anders dan dit alwetende geheugen.
Tom Grosfeld
15 april 2026 – verschenen in De Groene, nr. 16

De ideeën die de Frans-Tunesische filosoof en schrijver Mehdi Belhaj Kacem (1973) uitwerkt in zijn essay God, techniek en alwetendheid laten je wekenlang verpletterd achter. De meest provocerende gedachte: wat we altijd God noemden is in wezen niets anders dan de technologie. Kacem is in Nederland amper bekend (dit is de eerste vertaling van zijn werk), maar wordt in Frankrijk al jaren gezien als een enfant terrible, punk- en cultfilosoof en groot denker, stelt filosoof Pieter Lemmens in de inleiding. Na bijna dertig jaar schrijven verscheen in 2020 zijn magnum opus Système du pléonectique, waarin hij zijn groots opgezette filosofische systeem ontvouwt. Ook dit essay, gebaseerd op een lezing die hij in 2016 hield, vertrekt vanuit bovenstaande gedachte.

Kacem opent zijn essay met een bespreking van de ‘traumatische structuur’ van het menselijke geheugen. Daarmee doelt hij op het gegeven dat de mens zijn geheugen (alle kennis die hij door de eeuwen heen verzamelde) heeft geëxternaliseerd, buiten zichzelf bewaart. Dit steeds totaler wordende, bijna alwetende technologische geheugen, ontstaan door talloze uitvindingen zoals het schrift, inkt, papier, de boekdrukkunst en de computer, is in alle opzichten superieur aan het biologische en dus beperkte individuele geheugen van de mens.

De exponentieel toenemende wanverhouding die ontstaat tussen beide geheugens valt de mens zwaar, als een trauma dat elke dag groter wordt. Dit trauma ligt volgens Kacem aan de basis van het lijden van de mens en specifiek de toename van steeds ernstigere geheugenstoornissen zoals dyslexie, autisme, schizofrenie, psychose, neurose en depressie. Wat deze pathologieën gemeen hebben, schrijft hij, is dat ze proberen een teveel aan geheugen te ‘reguleren’ door het te sluiten, zoals een obsessief persoon bijvoorbeeld doet door zich uitsluitend te concentreren op één onderdeel van zijn geheugen, en iemand die in waanzin verkeert zich juist laat meevoeren door alle mogelijke denksporen en kan ervaren dat hij in staat is tot een exacte, totale en profetische voorspelling van de gehele toekomst, of juist paranoïde wordt en alles ‘weet’ wat andere geheugens achter zijn rug om weten. Kacem laat zien dat ons geheugen niet zo natuurlijk en vanzelfsprekend is als we denken. Het is gemaakt, technisch en daarmee ook precair en potentieel ontwrichtend.

Het vermogen van de mens om zijn lijden onnodig en buitensporig te vergroten, waarvan bovenstaande pathologieën voorbeelden zijn, noemt Kacem het Kwaad. Omdat de mens in zijn diepste kern een technologisch wezen is, dat wil bij Kacem zeggen een wezen dat in staat is tot technologische virtuositeit (en zich zo’n beetje de hele natuur en de wetmatigheden achter het zijn kan toe-eigenen), is het Kwaad gegeven met de zijnswijze van de mens. Dat is, oneerbiedig samengevat in één zinnetje, waar het pleonectisch systeem (afgeleid van de Oud-Griekse uitdrukking pleon echein, ‘meer hebben’, in de zin van hebzucht) van Kacem op neerkomt: de menselijke technologische virtuositeit waardoor we ons materieel en cognitief oneindig veel meer konden toe-eigenen dan zelfs de intelligentste dieren zich ooit kunnen voorstellen.

Permanente technologische innovatie is in die zin geen specifiek kenmerk van onze tijd, zoals sommige (techniek)filosofen beweren, maar al zo’n dertig- tot veertigduizend jaar aan de gang. Wat wel typerend is voor ons tijdvak, of althans voor het ‘techno-wetenschappelijke tijdperk van de pleonectiek’, is dat de mogelijkheden tot toe-eigening werkelijk onbeperkt worden. De mens neemt vandaag de dag op terminale wijze de gehele aardse gemeenschap over.

Maar niet alleen laat de ‘beloning’ van deze permanente innovatie, die een intensiteit en snelheid heeft bereikt die nooit is geëvenaard, nog altijd op zich wachten, schrijft Kacem, ze leidt ook onherroepelijk tot de exponentiële toename van buitensporig lijden – van de pest en cholera tot schizofrenie en autisme, van oorlog en marteling tot dakloosheid en armoede – dat voor ons nooit heeft bestaan. Toe-eigening gaat dus onherroepelijk gepaard met onteigening. Hoe meer herinneringen we ons toe-eigenen, hoe kwetsbaarder we worden. De externalisering en archivering van kennis die door techniek mogelijk is gemaakt is als een pharmakon, zowel gif als medicijn, zowel verrijkend als verwoestend.

En dan wordt het nu tijd om God erbij te halen. Wat is het idee van God? Volgens Kacem een volledig geheugen, een totale communicatie van alle informatie en kennis van wat is, geweest is en zal zijn, zonder beperkingen. Het idee van God wil een oplossing bieden voor de eindigheid van het menselijk geheugen. Vandaar zijn hypothese: wat als datgene wat we altijd God hebben genoemd de technologie zelf is?

Laat er geen misverstand over bestaan, schrijft Kacem, ‘ik formuleer hier niet de gangbare “prometheïsche” hypothese dat de mens, bedwelmd door zijn technologische macht, zichzelf uiteindelijk “voor God houdt”. Mijn stelling is veel radicaler. Ik stel dat datgene wat we altijd en overal, waar dan ook, in welke formulering dan ook, “God” hebben genoemd, niets anders is dan de technologie of preciezer gezegd: de technowetenschap. God kan om volledig aantoonbare redenen niets anders zijn, wat gelovigen, fideïsten en fundamentalisten van welke strekking er ook van vinden.’

Volgens Kacem kunnen alle predicaten die we altijd hebben toegeschreven ‘aan die ongrijpbare entiteit die we God noemen’, in ieder geval in theorie worden toegepast op de Technologie: een totaal geheugen, alwetendheid, almacht en, waarom niet, onsterfelijkheid en eeuwigheid. Zo’n onsterfelijke, eeuwige machine behoort niet alleen tot de orde van het mogelijke, maar zelfs tot die van het aannemelijke, schrijft hij. ‘De materialisering van dit totale geheugen ligt vandaag de dag binnen handbereik.’

God, het project van de mensheid, is met andere woorden bezig zichzelf te verwerkelijken. Hij wordt steen voor steen gebouwd, als de totaliteit van alle technische geheugens, en wij zijn allemaal zijn arbeiders. Leuke voetnoot: alleen al het idee van God zou, naast zo veel andere dingen, nooit in ons opgekomen zijn als we niet het dier van techno-mnemonische (technieken die het geheugen externaliseren en uitbreiden, zoals het schrift, computers, internet) virtuositeit waren, schrijft Kacem. ‘De intuïtie van God hebben we volledig te danken aan het technologische wonder dat ons lang geleden overkwam.’

Kacem richt zijn vizier in de tweede helft van zijn essay op het transhumanisme, de stroming die de koppeling tussen technowetenschap en God het dichtst benadert. Natuurlijk zeggen de transhumanisten van Silicon Valley (en inmiddels de meer mainstream programmeurs die aan een soort goddelijke kunstmatige intelligentie bouwen, zeg ik erbij) niet openlijk dat ze van plan zijn om God te maken, schrijft Kacem. ‘Een wetenschapper uit Silicon Valley die letterlijk zou zeggen wat hun ideologie in onzichtbare inkt zegt, namelijk God = technologie, zou waarschijnlijk zijn carrière in gevaar brengen.’

Toch is dat de transhumanistische hypothese: wij topwetenschappers kunnen God creëren, een superintelligentie, een supergeheugen, een entiteit die onsterfelijk en eeuwig is, almachtig en alwetend. Om dit gedachtegoed verder te detailleren voert Kacem de twintigste-eeuwse pater-filosoof Teilhard de Chardin op, de eigenlijke (niet erkende) grondlegger van het (zogenaamd atheïstische) transhumanisme. Deze denker interpreteerde het darwinisme, de geschiedenis van de evolutie van de soorten, als zeer lange voorbereiding op het ontstaan van de mens, die op zijn beurt weer uitsluitend op aarde zou zijn om (een technologische) God voor te bereiden.

Kacem sluit niet uit dat het de transhumanisten op een dag zal lukken, er zijn wel gekkere dingen gebeurd. En de mens blijft nu eenmaal een technologisch dier, in staat tot het volbrengen van wonderen. Dat zou wel betekenen dat we afkoersen op een wereld zonder mens. De eeuwigheid, onsterfelijkheid en eindigheid waar transhumanisten zo in geloven hebben enkel betrekking op de machine. Voor ons bestaat er geen dingmatige eeuwigheid. Toch blijven we innoveren en ernaar toewerken. We kunnen niet anders.

Net wanneer Kacem zich wel heel nadrukkelijk lijkt te voegen bij de traditie van het apocalyptisch ondergangsdenken dat zo kenmerkend is voor Silicon Valley, maakt hij, behoorlijk subtiel, duidelijk dat hij geen transhumanist in vermomming is, maar de mensheid juist probeert te behoeden voor dit toekomstscenario (en nee, niet door méér techniek of méér AI). Of misschien wil hij ons er alleen op attenderen. Ook goed. Alleen vraagt hij zich af: hopen we werkelijk dat we de macht van Silicon Valley kunnen beperken door aan ethiek te doen? ‘Daarmee zouden we de mensheid vragen niet langer na te streven wat ze altijd al boven alles heeft nagestreefd. Het is de ontologische machinerie van de pleonectiek.’ We weten niet hoe we deze manier van zijn kunnen beteugelen, onderbreken. We weten niet beter of de technologie is het instrumentarium voor onze hyper-toe-eigening. Dat is waarom alles soms zo onvermijdelijk voelt, waarom het fatalisme geneigd is de overhand te nemen. Dit is wie we zijn als mens. De machine draait op volle toeren.

Meer A.I. op ShakingLife