Automania #2 Werkers van het eerste uur. Een familiesaga

Olaf Mooij, ‘Punk trabbie’, 2008
‘Autopia’, Museum De Domijnen, Sittard
 ‘Voor sommigen is het een utopie, voor anderen een nachtmerrie: een wereld vol auto’s.’

Overal op aarde, op alle continenten, in alle landen, schieten auto’s in lange stromen voorbij…
De nieuwe energiebanen van deze planeet – ons Autopia van eeuwig ruisende snelwegen…

Wie ontkomt er aan zo’n magie…

Toen ik op m’n 18e mijn rijbewijs haalde – ik kende Klaaske toen net – leek er een wereld van onbegrensde vrijheid en snelheid open te gaan….
Maar mijn vader zette al direct een domper op de feestvreugde: ik mocht alleen in zijn auto rijden onder zijn toezicht … en niet harder dan 80!

Nu ik zestig jaar later mijn rijbewijs – en dus mijn automobiliteit – kwijt ben, komen al die herinneringen weer boven…  


Waar waren we ook weer gebleven … het ging over auto’s… O ja, die tocht door de Krimpenerwaard.
Zeven jaar later, vertrok mijn vader – en wij erbij – weer bij die fabriek in Krimpen a/d IJssel.
In afwachting van onze verhuizing naar Nijmegen, woonde hij een jaar lang in een pension in de buurt van zijn nieuwe werk. Alleen in de weekenden was hij thuis.
Dat ‘thuis’ was voor ons drieën – mijn moeder, Meino en mij – een rijtjeshuis in het centrum van Krimpen. Alles stond dat jaar op losse schroeven, ook in ons huishouden, dat het vaderlijk toezicht miste –  ik had in de loop van de jaren aan den lijve ondervonden, dat zijn harde hand daar de ordenende factor was. Weliswaar tot op zekere hoogte gestuurd door mijn moeder: hij trad op als zij het niet meer aankon. Maar in die tijd had hij überhaupt geen aandacht voor de familiebesognes…

Moeder zat met deze onbekende situatie duidelijk in haar maag, met haar man ver weg en een opgroeiende zoon die ze eigenlijk niet aan kon. 
En dan waren er in de weekenden nog de dominees. Precies op de dagen dat mijn vader ook thuis was… Er was daar in Krimpen namelijk geen vaste predikant, er was dus een vacature. En de predikheren die van elders uitgenodigd werden, kwamen (om een of andere reden) bij ons dineren en logeren – ‘alsof het de Soete Suikerbol was’, zou mijn moeder zeggen.[1]

Voor mij kwam daar nog bij, dat in dat jaar een hond een hap uit mijn arm nam – achteraf heel begrijpelijk: die hond lag, bij bekenden van ons, in de tuin op wacht bij een wiegje – waar ik, sufferd, zo nodig mijn snufferd in moest steken. Ik hem had horen grommen… En ja, toen waren de poppen aan het dansen…

Met die hond is het slecht afgelopen. Er bestond kennelijk een regel, dat een hond die een mens aanvalt – een ‘valse hond’, zoals het dan heet – afgemaakt moest worden… Terwijl ik, na de eerste schrik, bij de dokter gehecht werd en een prik kreeg, moest het arme dier het later met z’n leven bekopen…
De familie van die hond was er kapot van, met name de kinderen – ik heb er nooit meer een poot aan de grond durven zetten…

Het interieur van ons huis aan de Driehuizerweg in Nijmegen.
[klik voor vergroting]

Na dat onfortuinlijke jaar verhuisden we dan eindelijk naar Nijmegen. Daar stond een comfortabele woning op ons te wachten aan de Driehuizerweg.
Dat waren voor mij de lange, lange jaren van mijn middelbare school… Totdat, na dat lange wachten, Klaaske daar als zonnetje aan het firmament verscheen…
Mijn moeder voelde zich in het Roomse zuiden niet thuis als rechtgeaard Calvinist – ze zag spoken in al die katholieke buren om ons heen… Maar ze sloot vriendschap met mevrouw Wilbers – het oude dametje naast ons – en haar kinderen. En ik, als twaalfjarige, weer met kleindochter Marie-Louise… 

Onder de groene hemel in de blauwe zon

Speelt het blikken harmonieorkest in een grote regenton

Daar trekt over de heuvels en door het grote bos

De lange stoet de bergen in van het circus Jeroen Bosch

En we praten en we zingen en we lachen allemaal

Want daar achter de hoge bergen ligt het land

Van Maas en Waal

In de begintijd reed mijn vader dagelijks met zijn Solex op en neer naar de fabriek, die langs het Maas-Waalkanaal lag – een afstand van  zo’n 10km. ’s Winters had hij een nauwsluitende leren kap om zijn hoofd, zodat het wel een voetbal leek. Ik proefde aan hem de moeite, de spanning, het afzien…

De eigenaar van de firma moest vroeg of laat – gezien de man, eerder laat dan vroeg – ontdekken dat een mededirecteur, die voor het werk door weer en wind op een Solex reed, geen reclame was voor de zaak. Dus kwam er een auto, een Opel Kadet. Meer kon er niet af.
Ik weet nog, ’s zondags naar de kerk  – het bekende ritueel  – stapten we er een keer in, hoewel die kerk op loopafstand lag. Ik vond het spannend, vooral de geur: een mengsel van leer, olie en metalen delen.

Toen ik In juni 2019 terugkwam van vakantie aan de Vierlingsbeek, stond ik onderweg in een file naast deze vrachtwagen met betonbuizen. ‘De Hamer’, hart voor beton, stond erop – de fabriek waar mijn vader jaren gewerkt had.
[klik voor vergroting]

Inmiddels had mijn vader aandelen in de zaak gekregen, alles leek daar dus goed te gaan  – maar toen kwam er een spaak in het wiel…
Door zijn voortvarende optreden als technisch-commercieel directeur, waren die paar aandelen van hem inmiddels zoveel in waarde gestegen, dat de eigenaar  – in naam ‘administratief directeur’  – probeerde terug te krabbelen. Maar dat pikte mijn vader niet…
Er kwam een arbitragezaak van  – volgens het boekje is dat dit:

‘Arbitrage is een alternatief voor een procedure bij de rechtspraak. Hierbij doen deskundigen uit een bepaalde branche (bijvoorbeeld bouwkundigen) een uitspraak over het conflict. Zij vormen de arbitragecommissie. De partijen die een conflict hebben, kunnen zelf deskundigen benoemen.’

En zo geschiedde.
Mijn vader wist de prominente AR-politicus en veelvuldig minister van financiën Prof. De Gaay Fortman voor zijn zaak te winnen – ‘Papa Gaay’, grapte Wim Kan, toen diens zoon Bas ook de politiek in ging. De Gaay moet voor vader  een enorme steun geweest zijn in dit hachelijke uur. Voorzitter van de commissie-van-drie werd Prof. W.C.L.van der Grinten  – ook niet de minste: rechtsgeleerde, KVP-politicus en staatssecretaris van E.Z..

Dat is wat je noemt een zware commissie… Én één ‘langs confessionele lijnen’ – het poldermodel ten voeten uit. 

Mijn vader won het.
Al met al een enorme prestatie voor deze afstammeling van kleyne luyden, zoon uit een kappersfamilie, die puur op persoonlijke titel – hij was een innemend man en harde werker, opgeleid als architect – deze overwinning mocht vieren. Wel heeft hij daarna nog jaren aan moeten kijken tegen de sacherijnige carnavalstronie van zijn mededirecteur – die lid was van de Nijmeegse ‘Raad van Elf’.
‘Winnen’ is hier dus een betrekkelijk begrip…

Maar die Opel Kadet werd opgevolgd door een Peugeot 404, dus de kou was uit de lucht:

Met de Peugeot 404 op vakantie in Frankrijk

Met deze auto gingen we met z’n vijven (er was ook een vriend van school bij) in Bretagne kamperen – met z’n drieën op die harde achterbank, dat was niet  bepaald comfortabel…
De opvolger daarvan – een Peugeot 504 – was pas een echt chique auto…
Toen mijn vader in 1977 overleed, vijf jaar na z’n pensionering, heeft die auto nog geruime tijd als ‘familie-auto’ dienst gedaan. Meino en ik vervoerden afwisselend mijn moeder – om daarna er zelf mee vandoor te gaan…


Bij zijn afscheid van de fabriek in 1972, kreeg mijn vader deze door de productiemedewerkers zelf vervaardigde zonnewijzer ten geschenke. Hier siert hij nog de tuin in Mook op, later deed mijn moeder hem cadeau aan verpleeghuis ‘De Veste’ in Naarden, nadat zij daar enige tijd verpleegd was.

____________________ 
[1] Naar het boek van de in die tijd populaire kinderboekenschrijver W.G. van der Hulst sr.


Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *