De tuin van de koning David
גן דוד המלך

Voor mijn vriend Gerard Swüste, van wie ik graag een psalm citeer.
Ik ben langere tijd met deze post over de bijbelse koning David bezig geweest, ik heb me echt in hem verdiept. Ik moet al die tijd al het gevoel gehad hebben dat hij een sleutelfiguur was, historisch en wereldwijd. Ook in deze tijd, in het huidige Israël – waarvan hij immers de ‘Vader des vaderlands’ is.
Dat beeld werd onlangs nog  bevestigd door een bericht in de krant, dat er in Jeruzalem een zg. bijbels themapark komt, 'De tuin van koning' geheten, dat voor de toeristen met een kabelbaan met de Olijfberg en Gethsemane verbonden wordt.
De door David zo liefdevol bezongen God  was ten diepste een 'God der Wrake', die hem opdracht gaf de de lokale bevolking uit te moorden, zo lezen we.
Dat zou wel eens een opmerkelijke historische paralel kunnen zijn met de huidige strijd in en rond Israël ... ‘God wil het!’

Om de toon te zetten, begin ik met een psalm van David:
Psalm 103 Van David

Ziel in mij, zeg: de LEVENDE is een zegen.
Uit de grond van mijn hart: zijn naam is heilig!
Ziel in mij, zeg: de LEVENDE is een zegen,
vergeet nooit wat hij voor je deed:
die alles wat ziek in je is, heelt,
die je leven bevrijdt uit het graf,
die je omkranst met goedheid en mededogen,
die je volop laat groeien in geluk,
zodat je weer jong en sterk wordt als een adelaar!
De LEVENDE doet wat rechtvaardig is
doet recht aan alle onderdrukten;
Mozes leerde hij zijn weg,
de kinderen van Israël wat hij vermag:
de LEVENDE leeft met je mee, is zorgzaam,
geduldig en een en al goedheid;
hij blijft je niet achtervolgen met verwijten,
draagt je niet eeuwig van alles na.
Hij is met ons bezig en laat zich niet leiden
door onze zonden, niet door onze fouten.
Zo hoog als de hemel staat boven de aarde,
zo ver reikt zijn goedheid voor hen die ontzag hebben;
zo ver als het oosten van het westen verwijderd is,
zo ver neemt hij afstand van onze misstappen.
Zoals een vader begaan is met zijn kinderen,
zo is de LEVENDE begaan met wie ontzag heeft voor hem.
Want hij weet waarvan we gemaakt zijn,
is er zich van bewust dat we stof zijn.
Een mensje - zijn dagen zijn als gras,
als bloemen in het veld; nu staan ze in bloei,
waait de wind, weg zijn ze
en de plek waar ze stonden, is hen helemaal vergeten.
Maar de goedheid van de LEVENDE
is altijd geweest en zal altijd zijn voor wie ontzag hebben;
zijn gerechtigheid voor de kinderen van de kinderen;
voor hen, die het verbond bewaren,
die zijn aanwijzingen in gedachten houden
en ernaar handelen.
De LEVENDE heeft zijn zetel geplaatst in de hemel,
hij heerst als een koning over alles.
Zeg: de LEVENDE is een zegen,
jullie die over hem verhalen,
- sterke mensen, die doen wat hij zegt -
die luisteren naar de roep van zijn woord!
Zeg: de LEVENDE is een zegen, jullie allemaal,
die hem dienen, doen wat hij goed vindt!
Zeg: de LEVENDE is een zegen, al wat hij deed,
op alle plaatsen van zijn rijk.
Ziel in mij, zeg: de LEVENDE is een zegen.

Gerard Swüste, Altijd hetzelfde lied

Rembrandt van Rijn, Bathseba met de brief van koning David, 1654
Louvre, Parijs

“Koning David was niet zo’n vreselijk lieve jongen geweest. Dus de duivel meende dat hij aanspraak kon maken op koning David als hij stierf.
Met deze woorden begint Maarten Houtman zijn sessie-toespraak De legende van koning David, in april 1984 in Eefde.

Die ‘strijd om de ziel’ van koning David plaatst ons terug in een tijd, waarin de wereld nog in dit soort, althans voor ons, archaïsche beelden beleefd werd. Maar het zijn wel beelden die diep in ons collectieve bewustzijn verankerd zijn – ook al heeft de Westerse filosofie de ziel dan inmiddels gediskwalificeerd als ‘the ghost in the machine’.

Rembrandt van Rijn, Saul en David, 1655 | Mauritshuis
Saul was de eerste koning van Israël. David, ‘een roodharige herdersjongen,
die zijn schapen in de buurt van Bethlehem weidde’, zijn opvolger.

En ik vroeg me af: welk beeld heb ik zelf ooit van Koning David meegekregen?
Nou, als een icoon,een cultfiguur. Was hij niet de held van het bijbelse slagveld, die talloze Filistijnen de dood in joeg? De stichter van Jeruzalem, de man die Israël op de kaart zette, de wegbereider van de tempel, en dan ook nog de ‘Grote psalmist’…

In onze westerse cultuur werd hij talloze malen vereeuwigd, van Michelangelo tot Rembrandt. Een ijzersterk ‘merk’, dat als een Oscar ten voeten uit op z’n sokkel staat. Oppassen geblazen met die David dus!

Michelangelo’s David, de slinger waarmee hij Goliath doodde over de schouder, de kogel in de hand.

Ik kreeg grote behoefte aan een kleine geheugensteun: wat stond er ook weer over koning David in de bijbel, hoe is het allemaal begonnen.
Om dat te weten te komen, zocht ik mijn toevlucht tot Het boek van alle boeken, de hervertelling van de bijbel van Roberto Calasso – die als geen ander in staat is de mythologische verhalen van de mensheid opnieuw tot leven te brengen. Zoals hij dat ook deed met de mythen van het oude India in zijn magistrale boek Ka – dat een lievelingsboek van Maarten Houtman was.
Hoewel het Oude Testament mij als kind van gereformeerde huize wel enigszins vertrouwd is, leest Het boek van alle boeken’ alsof je een onbekende wereld betreedt. En wat voor wereld…
Calasso noemt het bijbelboek 1 Koningen “een van de indrukwekkendste boeken die ooit zijn geschreven zijn.”

“In Jeruzalem had David een huis van cederhout, zoals Jahweh hem had beloofd: ‘Ik zal voor u een huis bouwen.’
David begreep er niets van: de koning had een huis maar zijn god niet, want de Ark stond nog steeds in een tent. Maar daar moest hij zich geen zorgen over maken. Dat verklaarde Jahweh meteen toen hij 's nachts aan de profeet Nathan verscheen: ‘Ik heb immers niet in een huis gewoond van de dag af dat ik de Israëlieten uit Egypte deed optrekken tot deze dag toe; maar ik ben in een tent, een tabernakel rondgetrokken.’
En daar had Jahweh zich nooit over beklaagd. In een tent of een cederhouten huis maakte niet uit. De echte kwestie was het moment.
Tijdens Davids koningschap was het moment voor een Huis van Jahweh nog niet aangebroken, maar het kwam al dichterbij. Dat zou de taak van een van Davids zoons zijn. Jahweh noemde geen naam, maar het was de eerste keer dat hij naar Salomo verwees.”
‘Google maps 3D reconstruction of the Holy Temple onto Jerusalem’s Temple Mount.’
“David was degene die de Tempel van Jahweh moest voorbereiden, maar niet bouwen, zoals Mozes het Beloofde Land moest wijzen maar het niet mocht binnengaan. Jarenlang verzamelde David materiaal in grote stenen, ‘spijkers voor de poortdeuren en verbindingsstukken’, cederhout en metaal, vooral brons, ‘in een onnoembare hoeveelheid’. David zei tegen iedereen: ‘Mijn zoon Salomo is nog jong en onervaren en het Huis dat voor Jahweh gebouwd moet worden moet men buitengewoon groot maken... Ik zal daarom voor hem een voorraad gereedmaken.’
Maar David wist heel goed dat dat niet de reden was waarom hij zich niet aan de bouw waagde. En op zekere dag bekende hij dat aan Salomo: Mijn zoon, ikzelf had het voornemen om voor de Naam van Jahweh mijn God een huis te bouwen. Maar het woord van Jahweh kwam tot mij: u hebt een grote hoeveelheid bloed vergoten en grote oorlogen gevoerd: u mag voor Mijn Naam geen huis bouwen, omdat u een grote hoeveelheid bloed op de aarde voor Mijn aangezicht vergoten hebt.’
David benadrukte niet dat hij al dat bloed uit naam en op bevel van Jahweh had vergoten. Hij zei alleen nog dat Jahweh hem de geboorte had aangekondigd van degene tot wie hij sprak en ook had gezegd dat hij een man van rust zou zijn.”
Jan Victors (1619–1676), De stervende David geeft Salomo advies.
Statens Museum for Kunst, Kopenhage
“In zijn laatste jaren hield David meer van studeren dan van oorlog voeren. Jahweh had gezegd dat hij op een sabbat zou sterven. Elke sabbat was David volledig verdiept in de Thora, omdat hij wist dat de doodsengel iemand die de Thora bestudeert niet kan treffen. Zijn aandacht was geboeid, vloeiend, constant.

Uit de tuin klonk een geluid. David keek op en zijn ogen werden overstelpt door een bonte schittering. De tuin stond in volle bloei.
Wat was dat geluid? Een lokroep? David stond van tafel op, nog steeds in gedachten, bewoog zich langzaam naar het venster. Hij keek recht voor zich terwijl hij de paar treden afdaalde die hem van de tuin scheidden. Hij stapte mis en viel, sloeg met zijn nek op de stenen.
Zijn levenloze lichaam bleef in de zon liggen, omdat het sabbat was en niemand het zou mogen aanraken. Maar al snel cirkelden vier adelaars om hem heen en zorgden met hun vleugels voor schaduw, als onder een zwarte tent.”

Op dit punt gekomen, vertelde Klaaske me over het boek van Yuval Noah Harari, ‘Sapiens; een kleine geschiedenis van de mensheid’. Daarin stelt Harari dat de mensheid met behulp van symbolen en mythen in staat was in steeds grotere verbanden te leven – allemaal dankzij het voor ons specifieke vermogen tot verbeelding.

En ik vroeg me toen af hoe het dan zat met de wereld die mij als kind overgeleverd is en die ik nu als beeld bij me draag: de verhalen van het Christendom en de Messias, en alles wat de Concilies daar nog bij bedacht hebben: de Drieëenheid, de Onbevlekte Ontvangenis, enzovoorts.

Je kunt dit eenvoudigweg ‘cultuurrelativisme’ noemen, maar bij mij was het een bijna lijfelijke schok om te ontdekken dat ik, ondanks al die levende verhalen van Maarten die ik door me heen had laten gaan – met hun diepgang en wijdse horizonten – nog zó vast blijk te zitten aan het referentiekader dat ik als kind meegekregen heb. Terwijl Maarten me er bij diverse gelegenheden op gewezen had: ‘Joh, jij zit nog steeds zo vastgeketend aan je afkomst…’ En dan dacht ik: heeft hij het over mij? Maar ik ben toch geëmancipeerd…


In de middag na zijn inleiding over De legende van koning David, gaat Maarten Houtman dieper in op dat moment van ‘afgeleid zijn’ van koning David:
“Ik wil nog een kleine aanvulling te geven op de legende van David. Dat er het moment is dat hij overweegt: ‘zal ik nou gaan slapen’ en dan naar buiten kijkt. Voor ieder mens geldt dat hij een paar momenten op de dag heeft dat hij onbeschermd is, dat hij eigenlijk én er zelf niet is én nog niet in de bescherming van het wezenlijke is – als hij slaapt is hij in die grote bescherming.”

Zelf ken ik dat gevoel van onbeschermd zijn, als ik ’s ochtends wakker wordt en me verloren voel in de wereld. Dan is er iets in mij wat probeert ‘in contact te te treden’. Ik ben altijd zielsdankbaar als dat tot stand komt en ik me weer veilig voel. Soms kan een ander je daarbij helpen.

PS
In de NRC van 25 januari j.l. stond een artikel Palestijnen maken plaats voor ‘de tuin van de koning’. Daarin wordt verteld dat er in Oost-Jerusalem een bijbels themapark wordt gebouwd met de naam ‘De tuin van de koning’. Om met voor toeristen gemakkelijker te maken daar te komen, wordt er een kabelbaan gebouwd naar de Olijfberg en Gethsemane. Opgravingen moeten er de Joodse claim op het land ondersteunen.
Plattegrond van de geplande kabelbaan naar Gethsemane (bron NRC)

Een kabelbaan naar Gethsemane… Over ontmythologisering gesproken.

(foto bovenaan: De tuin van Gethsemane).