De filosoof Byung-Chul Han is lui en ‘leeft achteruit’ om te ontsnappen aan collectief narcisme

Vergroten door te klikken

Ons leven in het laatkapitalisme is dood en collectief narcistisch, stelt de Koreaans-Duitse filosoof Byung-Chul Han. Bepaald geen vrolijke boodschap. Maar er ís een betere wereld mogelijk: wees lui, vier de Ander, leef achteruit.
Marian Donner
2 april 2025 – verschenen in De Groene nr. 14

Daar staat hij dan: de laatmoderne mens. Vervreemd, ontheemd en uitgeput. Het kampvuur is gedoofd, de perenboom omgehakt, er is geen plek meer om samen te komen, om verbinding te vinden. De laatmoderne mens vindt nergens nog een thuis. Gevangen in het blauwe licht van zijn beeldscherm is hij vervallen tot een knooppunt in een netwerk van commerciële relaties. Was de wereld ooit een theater, een stage,tegenwoordig is het een markt waar ‘elke intimiteit uitgestald, verkocht en geconsumeerd moet worden’. De laatmoderne mens speelt niet meer, hij kan niet meer luisteren, niet meer liefhebben, zijn ego draait rondjes om zichzelf. Dus daar staat hij dan: ‘onder een blote hemel in een landschap waarin niets onveranderd was gebleven behalve de wolken, en in het middelpunt, in een krachtveld van verwoestende stromen en explosies, het nietige, broze mensenlichaam’. 

Die laatste zin is van Walter Benjamin, maar dit is hoe de Koreaans-Duitse filosoof Byung-Chul Han vaak naar andere denkers verwijst: hij verweeft hun woorden met zijn eigen woorden, de bronvermelding staat ergens in een voetnoot achterin, en zo vloeit de tekst voort, in een stream of consciousness vol citaten, aforismen, metaforen, herhalingen en oneliners – ‘Wij leven in een hel van het gelijke.’ De woorden werken als een soort bezwering, de lezer raakt in een roes, voelt zich bij vlagen zelfs opgetild. Zelden werd zijn wanhoop, dat enorme verlangen naar iets beters en mooiers, indringender beschreven dan hier.

Han bedrijft filosofie als kunst, zo meent hij zelf. In een interview uit 2021 met ArtReview legt hij uit dat zijn boeken daarom ook steeds dunner worden. Elke zin is als het ware een microkosmos van het boek, en elk boek een microkosmos van het oeuvre. Uiteindelijk zullen zijn boeken waarschijnlijk helemaal verdwijnen, dan zijn ze opgelost in de lucht en ‘kan iedereen ze inademen’. Waarom zou je immers een boek van duizend pagina’s schrijven als je de wereld ook kunt verlichten met een paar zinnen? Duizend pagina’s wegen niet op tegen een enkele haiku, aldus Han in het interview: ‘De eerste sneeuw – zelfs de narcisbladeren buigen.’

Wie is deze man die misschien wel de populairste, nog levende filosoof ter wereld genoemd kan worden? Hij is in elk geval de best verkopende. Han werd in 1959 geboren in Seoul, Zuid-Korea, de exacte datum houdt hij geheim. Na een studie metallurgie vertrok hij op zijn 22ste naar Duitsland om daar filosofie te studeren, hetgeen hij niet aan zijn ouders vertelde omdat ze hem anders nooit hadden laten gaan. Je zou kunnen zeggen dat zijn afkeer van transparantie en openheid toen al tot uitdrukking kwam. Dat Duitsland zijn ‘spirituele huis’ was, zoals Han het zelf noemt, wist hij toen hij op zijn zestiende voor het eerst Bach hoorde. Zijn Duitse medestudenten herinneren zich hem als een enthousiaste, praatgrage jongen die onophoudelijk vragen stelde. En dat was het biografisch gezien wel zo’n beetje. Veel meer is er niet bekend.

Han geeft zelden interviews, houdt geen lezingen of webinars en reist nauwelijks. Het liefst werkt hij in zijn tuin of speelt hij piano. Als hij een dag niet pianospeelt, wordt hij ziek. Hij heeft een smartphone, maar als iemand belt neemt hij niet op. Hij gebruikt het ding vooral voor een app waarmee hij planten classificeert. Volgens eigen zeggen is hij extreem lui en schrijft hij slechts drie zinnen per dag. Dat doet hij ’s nachts. Dan vangt hij de ideeën op die in de lucht hangen en kopieert hij de woorden. Die woorden zijn volgens Han slimmer dan hij: ‘Ik ben een idioot.’ Hij is katholiek. Sinds een aantal jaar huist de Franse filosofe Simone Weil in hem: Han gelooft dat hij haar reïncarnatie is.

Dit is ongeveer het enige dat Han over zichzelf vertelt in de paar interviews die hij gaf en ook in zijn boeken zal de lezer verder niets vinden. Het is misschien wel het opvallendste aan zijn werk: de complete afwezigheid van een ‘ik’. Nooit haalt Han een herinnering op, nooit vertelt hij een anekdote. Waar de hedendaagse cultuur gedomineerd wordt door persoonlijke verhalen, liefst echt gebeurd, liefst zo dicht mogelijk op de eigen huid, vlakt Han zichzelf juist weg. Maar dit is dan ook een van de symptomen van het laatkapitalisme dat hij in al zijn boeken zo vurig bestrijdt.

Het huidige tijdsgewricht wordt gekenmerkt door ‘een excessieve relatie tot het zelf’, schrijft Han. Al dat ge-ik, al dat denken over het zelf, over hoe het te positioneren, etaleren, verbeteren, verkopen, om het zo de wereld in te manifesteren: de laatmoderne mens heeft zich naar binnen gekeerd. Er is sprake van een collectief narcisme. De Ander verdwijnt steeds meer naar de achtergrond.

In het interview met ArtReview zegt Han dat hij deze verdwijning van de Ander als de kern van zijn werk beschouwt. Daarmee bedoelt hij niet de ander in wie je je kunt herkennen, iemand die bijvoorbeeld schrijft vanuit de eigen ervaring, over de eigen gevoelens, om lezers zo de geruststellende gedachte mee te geven dat we diep vanbinnen allemaal hetzelfde zijn (waarmee de wereld nog meer vervalt tot ‘een hel van het gelijke’), maar de Ander met een hoofdletter: een massieve entiteit die tegenover je staat en juist in zijn vreemdheid ontzag afdwingt. Want alleen in diens aanwezigheid wordt de eendimensionaliteit doorbroken, om even met Marcuse te spreken, en openen zich nieuwe werelden.

Zo vrolijk en licht als Byung-Chul Hans leven uit de spaarzame informatie naar voren komt, zo deprimerend en zwaar is zijn werk. Laat varen al die hoop. Of zoals de Zuid-Koreaanse rapper RM van de immens populaire boyband BTS ooit zei toen hij in een interview De terugkeer van Eros aanraadde: ‘Je zou weleens diep gefrustreerd kunnen raken, omdat het boek suggereert dat de liefde die we momenteel ervaren, helemaal geen liefde is.’

Ondanks zijn zelfverklaarde luiheid en die drie zinnen per dag schreef Han inmiddels 31 boeken. Soms publiceert hij er meerdere per jaar. Het is haast onmogelijk om die enorme productiviteit bij te houden, maar dat hoeft gelukkig ook niet, want een paar uitzonderingen daargelaten lijken alle boeken op elkaar. Steeds weer haalt Han dezelfde denkers aan: Benjamin, Foucault, Heidegger. Steeds weer gebruikt hij dezelfde zinnen en dezelfde perenboom waaronder ooit een gezamenlijk verhaal werd gezongen. Wat verschilt is alleen de invalshoek: of Han het leven onder laatkapitalisme fileert vanuit bijvoorbeeld de liefde, digitalisering, het verdwijnen van verhalen, van rituelen of de drang tot transparantie. Zijn oeuvre is als een bouwwerk, een huis van woorden, waarbij elk boek als het ware een andere kamer vult. Het geeft de lezer houvast, een vaste positie, of om in de terminologie van Han te blijven: een thuis in ruimte en tijd, van waaruit de wereld plotseling overzichtelijk lijkt, ja, begrijpelijk zelfs.

De buitensporige agressie vermengd met zelfmedelijden van types als Elon Musk of Donald Trump – de lezer van Han begrijpt onmiddellijk dat wat we hier aanschouwen ‘een fatale accumulatie van ego-libido is’. Deze mannen zijn bezweken onder hun eigen narcisme. Of neem het interview met Frans Timmermans dat een tijdje geleden in de Volkskrant stond, toen de nietsvermoedende lezer halverwege verrast werd met een extreem intieme ontboezeming over seksueel misbruik. Daarna kabbelde het interview rustig weer door. Het misbruik werd geen nieuws, het haalde niet de kop.

Zo normaal is het delen van trauma’s kennelijk al geworden: dit is inderdaad de wereld als markt ‘waar elke intimiteit uitgestald, verkocht en geconsumeerd moet worden’. Al die hyperpersoonlijke verhalen over pijn en verdriet die de huidige cultuur domineren, de boeken, documentaires en Instagram-posts over rouw en verlies: soms lijkt het of er steeds extremere verhalen nodig zijn om de hedendaagse mens nog iets te laten voelen. Alsof hij door de continue claim op zijn empathie en inlevingsvermogen emotioneel langzaam aan het afsterven is.

Het is niet alleen dat het leven onder laatkapitalisme zijn plezier en uitbundigheid verloren heeft, schrijft Han. Het is veel erger: wij leven in een necropolis. Er heeft zich een rigor mortis over het bestaan uitgespreid, een zwaarte en stijfheid. Omdat we tegenwoordig niets zo vrezen als de dood, aldus Han in een omkering waar hij zo dol op is – de overdaad aan gevoelens leidt tot een gevoelsarmoede; wie onder de huidige transparantiedwang alles kan zien, ziet niets meer. En een leven waaruit de dood verbannen is, is een ondood leven.

Tegenwoordig is de dood geen Ander meer, geen monolitische, angstaanjagende aanwezigheid in het licht waarvan het leven harder straalt. In plaats daarvan wordt ze weg geproduceerd. Verstopt achter gesloten deuren en in verzorgingstehuizen, of een handje geholpen met middel X of een capsule in de Zwitserse bossen, de Sarco genaamd, waar je jezelf voor negentien euro kunt vergassen. De dood wordt op afstand gehouden door zo ‘schoon’ en gezond mogelijk te leven.

En de vraag is niet meer wat een goed leven is, maar hoe we het zo lang mogelijk, in optimale toestand, kunnen rekken. Het toont de leegte waarin we ons bevinden, schrijft Han: ‘De hysterie rond gezondheid en optimalisering is alleen mogelijk in een naakte, van zin verstoken wereld.’ Want een leven onderworpen aan de dictaten van gezondheid, prestatie en optimalisatie is een overleven. Hoeveel luxe dat leven ook bevat – crèmes van duizend euro, wellnesscenters met zuurstofcabines – het mist glans, soevereiniteit en intensiteit. Het creëert een ondood leven, een dood-in-leven: ‘Prestatie zombies, fitness zombies, Botox zombies’. De huidige gezondheidsmanie, aldus Han, ‘is de biopolitieke manifestatie van het kapitaal zelf’.

We denken misschien dat we vrij zijn om onze eigen keuzes te maken, houden onszelf voor dat dit is wat we zelf willen, al die avocado’s, supplementen en ijsbaden, maar onder de schijn van vitaliteit voeden we een systeem van eindeloze productie, prestatie, groei en een ‘willekeurige, kankerachtige woekering’.

Het is het grote verschil met de heersende regimes van weleer, schrijft Han. Onder laatkapitalisme komt de onderdrukking niet meer van buitenaf, van regulering en allerhande ge- en verboden, maar van binnenuit: ‘Wij exploiteren onszelf vrijwillig en hartstochtelijk, in de overtuiging dat we onszelf op die manier verwerkelijken.’ Er is geen concrete tegenstander meer, niemand die direct onze vrijheid inperkt, geen onderdrukker om je tegen te verzetten. Wij kiezen zelf voor dit ondode leven. Opgezweept door de continue oproep om meer en beter te presteren, is de uitgebuite werknemer getransformeerd in de vrije ondernemer die zichzelf exploiteert.

Han citeert Kafka: ‘Het dier ontneemt zijn meester de zweep en geselt zichzelf om zo meester te worden.’ Tegenwoordig zijn wij meester en slaaf ineen. De klassenstrijd heeft plaatsgemaakt voor een interne strijd tegen onszelf. Geweld keert zich niet meer naar buiten, tegen onderdrukkende structuren, maar naar binnen. Vandaar dat de cijfers van depressie, burn-out, automutulatie en zelfdoding almaar groeien. En dat zal voorlopig ook niet veranderen, aldus Han, aangezien het huidige systeem steunt op de eenzame, geïsoleerde ondernemer van het zelf: ‘Je kunt geen revolutionaire massa vormen uit depressieve, ontwortelde individuen.’

Vergroten door te klikken


Han staat in de traditie van de Frankfurter Schule. Net als de filosofen uit deze school – onder meer Benjamin, Adorno en Marcuse – richt hij zich voornamelijk op (pop)cultuur om de heersende ideologie te analyseren die ons heeft gevormd, ons denken en voelen stuurt, en die we zo vanzelfsprekend zijn gaan vinden als de vis die het water niet meer ziet waarin hij zwemt. Tegelijkertijd echter is Han bij uitstek een denker van en voor deze tijd. Hij mag dan niet vanuit een ik schrijven, op veel andere vlakken valt hij wel degelijk vaak samen met hetgeen hij bekritiseert.

Zo hekelt hij bijvoorbeeld het verdwijnen van verhalen in deze tijd, er is alleen nog een eindeloze stroom informatie die ons overspoelt, maar zelf draagt hij in hoge mate bij aan die stroom: als zijn boeken iets ontberen is het wel een verhaal. Han schrijft voornamelijk in catchy oneliners die het zo goed doen in allerhande columns, TED Talks en TikTok-filmpjes. Citaten uit zijn werk zijn makkelijk te delen, de algoritmen hebben een voorkeur voor hem, online genereert hij talloze hartjes en likes: juist het door hem zo verfoeide internet heeft hem groot gemaakt.

Cynisch gezien zou je zelfs kunnen stellen dat zijn hoge productie, gecombineerd met alle herhaling, van elk laatste boek het intellectuele equivalent maakt van de iPhone-zoveel die de vorige editie vervangt.

En echt nieuw is het allemaal ook niet. Zie de Frankfurter Schule – maar ook de talloze boeken, artikelen en persoonlijke essays die inmiddels verschijnen over de prestatiesamenleving, zelfoptimalisatie die tot zelfexploitatie leidt, de heersende gezondheidscultus, de havermelkelite, depressies die voortkomen uit een gebrek aan connecties, het asociale van sociale media, of hoe het voelt om een laatmoderne mens te zijn: vervreemd, ontheemd en uitgeput. Meestal is kapitalismekritiek daarbij niet ver weg. De meeste mensen weten het immers allemaal al. Veel van de analyses van Han zijn allang doorgedrongen tot het grote publiek, mede dankzij al die columns, TED Talks en TikTok-filmpjes. Tegenwoordig is iedereen een cultuurcriticus. Alleen is Han echt heel veel beter dan de rest.

Het verschil zit hem niet alleen in de diepte van zijn analyses of de tomeloze energie, lees: levenslust, van zijn stijl. Het is dat de gemiddelde cultuurkritiek doorgaans zo gretig terugvalt op ouderwetse ge- en verboden. Zet je telefoon of router eens uit. Lees een boek. Maak een praatje met een vreemde. Luister naar een ander. Luister naar de zee (dit is overigens de ultieme gladstrijking van de Ander, maar dat terzijde). Kijk om je heen, verwonder je.

Het is de doelgerichtheid, dat denken in individuele oplossingen, dat zo naadloos aansluit bij de laatkapitalistische ideologie. Het is het optimisme ervan. Als er geen rituelen meer zijn, maken we toch gewoon onze eigen rituelen? Dan branden we een kaarsje in een tent die als gesubsidieerd kunstproject tijdelijk ergens is neergezet, of planten we een boom voor onze dode vader. Uiteindelijk draait alles om aandacht, toch?, en aandacht is liefde, en op die manier is op zondag de krant lezen of met een bord eten op schoot Studio Sport kijken heus ook wel een soort ritueel. En als we grote verhalen missen, in de politiek bijvoorbeeld, dan neemt elke willekeurige partij gewoon een heidag, stelt wat focusgroepen in, huurt nog een bevriende copywriter in, en komt er wel wat: Yes we can!

Als vissen die het water niet meer zien, bieden veel hedendaagse cultuurcritici geen oplossingen, maar verergeren ze juist het probleem. Want zo simpel is het allemaal niet, laat Han zien. Een ritueel onderga je niet in je eentje, of met een groepje gelijkgestemden, maar overstijgt juist de individuele ervaring en het eigen ego: het verbindt je aan grond (de voorouders), hemel (de goden) en elkaar (de gemeenschap). Een verhaal kan niet zomaar worden bedacht.

Of zoals Han zegt: ‘Een verhaal dat de wereld verandert, dat de wereld opent, wordt niet willekeurig door een individuele persoon in de wereld gebracht.’ Laat staan door een denktank. Een verhaal is de uitdrukking van de stemming van een tijd, er zijn talloze verschillende krachten en spelers nodig om het te vertellen, en al helemaal om het te veranderen. Het enige wat je als individu daarom kunt doen is een vonkje inbrengen dat samen met talloze andere vonkjes op een dag hopelijk een vuur ontbrandt.

Dus wat als je zo’n vonkje wil zijn?

Een ding is in elk geval zeker: tegenover de kapitalistische doodsdrift kán alleen maar de levensdrift staan. En die levensdrift, schrijft Han in Vita contemplativa, borrelt op in de inactiviteit. Niets doen vormt het tegenwicht. Niet per se op persoonlijk niveau, Han geeft de lezer geen opdrachten of lifehacks, maar beschrijft in plaats daarvan de achilleshiel van het laatkapitalistische systeem.

Al is dit wel waarom hij zelf leeft zoals hij doet. Zijn luiheid, het tuinieren en pianospelen, de idioot uithangen: Han kan het doen omdat hij er dankzij zijn succes het geld voor heeft, maar in een interview met El País stelt hij ook dat hij deze benadering van het leven als een politieke daad beschouwt. De wereld heeft een verkeerde afslag genomen, zegt hij in het interview, en daarom beweegt hij zich nu in de tegenovergestelde richting. ‘Achteruit leven’, noemt hij het.

Het is de alomtegenwoordige nadruk op productie, prestatie en groei, die kankerachtige woekering, die ons continu aanzet tot handelen, en ons daarmee heeft gereduceerd tot ‘gebruiks- en werkvee’. We razen zo hard door dat er een ademloosheid is ontstaan: ‘De mens stikt zowat in wat hij zelf aan het doen is.’ Wat volgens Han daarom nodig is, is stilstand. Een overgang van handelen naar zijn. Want pas in de inactiviteit worden we de grond waarop we staan gewaar en de ruimte waarin we ons bevinden. Pas dan schakelt het leven ‘over op zijn contemplatieve modus en pendelt terug naar zijn geheime zijnsgrond’.

Ter ondersteuning voert Han in Vita contemplativa een hele reeks filosofen aan. Guy Debord, Adorno, Nietzsche, de late Heidegger, Thomas van Aquino, allemaal zeiden ze hetzelfde: een bestaan dat overdacht kan worden, aanschouwt en beschouwt, het vita contemplativa dus, is het ‘doel van heel het menselijk leven’.

De sabbat is ook nooit een rustdag na de scheppingsdaad geweest waarop God zogezegd op adem komt, stelt Han. Nee, die rust vormt de essentie, is de kern van de schepping. Daarom is de rust, de inactiviteit, ook goddelijk: ‘Als we rust ondergeschikt maken aan werk, negeren we het goddelijke’. Hij haalt weer een haiku aan: ‘Rustig zitten, niets doen/ de lente komt/ en het gras groeit vanzelf.’

Pas als de doelmatige nadruk op functionaliteit en nuttigheid verdwijnt wordt overleven leven. Pas dan ‘vibreert het leven zichzelf’. Komt het ego los van zichzelf, wordt het weer ontvankelijk voor zijn omgeving, kan het de Ander horen en zien. Want in de inactiviteit bestaat geen vastbesloten zelf. De mens legt zijn naam af, hij wordt niemand en geeft zich over aan dat wat gebeurt. Of zoals Han Roland Barthes citeert: ‘Dat zou de echte luiheid zijn: zo ver komen dat je, op bepaalde ogenblikken, geen “ik” meer hoeft te zeggen.’ Alleen dan behoort het leven zichzelf toe en wordt het weer speels en feestelijk.

De inactiviteit heeft haar eigen logica, haar eigen taal, haar eigen tijd, haar eigen architectuur, haar eigen pracht, ja haar eigen magie. ‘Zij is geen zwakte, geen gebrek, maar een intensiteit, die in onze op activiteit en prestaties gerichte maatschappij niet meer wordt waargenomen en geen erkenning vindt.’ Maar dit is waar het ware geluk in schuilt: in het doel- en nutteloze, ‘het bewust omslachtige, het onproductieve, het nemen van omwegen, het buitensporige, het overbodige, de fraaie vormen en gestes die geen nut hebben en nergens toe dienen’. Vrijheid van doel en nut is de essentie van inactiviteit en de basisformule voor geluk. Het is de zin van het leven. Inactiviteit geeft het bestaan feestelijkheid en glans.

Tegen die eeuwige dwang om te presteren, te produceren en te consumeren, moet volgens Han dan ook een politiek van inactiviteit worden gezet. Een politiek die werkelijk vrije tijd kan genereren. En daarin staat, als het aan Han ligt, het feest centraal.

Het is een onderwerp dat in bijna al zijn boeken terugkomt, soms als terzijde, soms uitgebreid, maar het feest, zou je kunnen zeggen, is het hartstochtelijk kloppende hart van al zijn werk. En dat behandelt hij nergens zo uitgebreid als in het onlangs in vertaling verschenen Over het verdwijnen van rituelen.

Of misschien moeten we Feest schrijven, want net als met de Ander bedoelt Han zeker niet de kleine, middelmatige variant ervan. Niet het feest dat is uitgehold door commercie, met vip-ruimtes en flessen Moët en iedereen die in het wit gaat dus, maar het Feest als ‘een jubelende bevestiging van het menselijk bestaan’, zoals de Duitse (katholieke) filosoof Josef Pieper het beschreef.

Het feest brengt de tijd tot stilstand: ‘tijd als opeenvolging van vergankelijke, vluchtige momenten wordt opgeheven’. De profane alledaagsheid maakt plaats voor exces en extravagantie, men laat de controle varen en danst met wildvreemden tot het ochtendgloren. ‘Een overvloeien van het leven’, noemt Han het. Er is geen extern doel waar de feestganger zich aan onderwerpt, het collectieve narcisme verdwijnt. Het feest verzamelt en verenigt, het bindt ons aan grond, aan de voorouders die ook al zo feestten, aan hemel en elkaar: ‘Het feest sticht een gemeenschap onder mensen en met de goden. Het laat mensen deelhebben aan het goddelijke.’

Han verafschuwt de leegte en onttovering van deze tijd, hij lijkt terug te willen keren naar het kampvuur, de perenboom, de overdadige oogstfeesten. ‘Zou u zichzelf classificeren als een romanticus?’ vraagt de interviewer van ArtReview op een gegeven moment aan Han, zo groot vindt hij het verlangen naar magie en mysterie dat in al zijn werk doorklinkt. Maar voor Han, zo legt hij uit, is alles wat bestaat magisch en mysterieus: ‘De aarde is magisch en iedereen die iets anders beweert is blind.’

Het is daarom niet genoeg om voorzichtiger met de aarde als hulpbron om te gaan: ‘We hebben een compleet andere relatie met de aarde nodig. We moeten haar haar magie, haar waardigheid teruggeven. We moeten het vermogen tot inactiviteit herontdekken, het vermogen om niet te handelen.’ Wat Han zoekt is een hernieuwd evenwicht waarbij de mens niet meer zijn omgeving en zichzelf domineert, maar opnieuw een ‘thuis’ vindt.

Dat thuis zijn we verloren, laat Han in elk boek zien. De laatmoderne mens heeft geen vaste grond meer onder zijn voeten, tijd glijdt als los zand langs zijn vingers, het leven is vluchtig geworden, voelt willekeurig en toevallig, Han spreekt van een ‘contigentiestorm’. En zonder bindende en verbindende verhalen die antwoord geven op het waarom en waartoe van ons bestaan neemt die contingentie almaar toe.

Maar de wereld wordt niet zomaar weer heel. De golven informatie zullen ons via onze apparaten blijven overspoelen, globalisering is niet meer terug te draaien naar het lokale of de meent, God blijft dood: contingentie is here to stay. We zullen ons daarom, meent ondergetekende, op een nieuwe manier moeten zien te verhouden tot ruimte en tijd. Niet terugverlangen naar hoe het ooit was, met dat kampvuur en de perenboom, maar nieuwe relaties aangaan. Want Han mag contingentie, het idee dat alles ook heel anders had kunnen zijn, dan als een existentiële bedreiging zien, zelf wordt ondergetekende daar eigenlijk heel gelukkig van.

Zo’n leuk weetje over een liaan in Zuid-Amerika die het uiterlijk van naburige planten kopieert (en geen mens die begrijpt hoe hij dat doet): het is pure informatie, maar vormt wel degelijk de aanzet tot een verhaal. Bomen die via ondergrondse schimmelsporen aan elkaar verbonden zijn, het universum draait waarschijnlijk rondjes, onder de piramiden van Gizeh zijn onlangs meterslange constructies gevonden, op TikTok staat een filmpje van iemand die muziek maakt voor giraffes, kraaien en olifanten, ze komen allemaal naar hem toe, aaien hem, bewegen heen en weer, het is duidelijk: deze dieren dansen.

Contingentie gooit de boel open, en vormt bovendien een noodzakelijke inspiratiebron voor verzet. Als kapitalisme immers ergens op teert is het wel het idee dat het niet anders kan, dat dit nu eenmaal het beste systeem van alle slechte is, capitalist realism, Tina (there is no alternative). Maar het hoeft niet zo te zijn. We hoeven niet zo te leven. Het is hetzelfde gevoel dat ook de boeken van Han, met al hun informatieoverload, je als lezer geven. Er is een betere wereld mogelijk. En die zou wel degelijk zo kunnen zijn als Han hem in de laatste alinea van Vita contemplativa schetst: ‘In het komende rijk van de vrede zijn mens en natuur met elkaar verzoend. De mens is niet meer dan een medeburger in een republiek van levenden, waartoe ook planten, dieren, stenen, wolken en sterren behoren.’ Dan behoudt elk wezen op deze aarde zijn waarde. Dan vieren we feest, zingen en dansen we, en zijn we werkelijk vrij.

Meer A.I. op ShakingLife

God als technisch hoogstandje

Robotbaby van het bedrijf Babyclon, ontwikkeld voor educatieve doeleinden. Barcelona, 2022© Olivia Arthur / Magnum Photos / ANP
Ga onderaan naar pag. 2 , voor het voorwoord van de vertaler, dr. P.C. Lemmens.
Dichters & Denkers
God als technisch hoogstandje
Door technologie kan de mens alle kennis die hij door de eeuwen heen verzamelde buiten zichzelf bewaren. Wat wij altijd God hebben genoemd, is volgens de filosoof Mehdi Belhaj Kacem niets anders dan dit alwetende geheugen.
Tom Grosfeld
15 april 2026 – verschenen in De Groene, nr. 16

De ideeën die de Frans-Tunesische filosoof en schrijver Mehdi Belhaj Kacem (1973) uitwerkt in zijn essay God, techniek en alwetendheid laten je wekenlang verpletterd achter. De meest provocerende gedachte: wat we altijd God noemden is in wezen niets anders dan de technologie. Kacem is in Nederland amper bekend (dit is de eerste vertaling van zijn werk), maar wordt in Frankrijk al jaren gezien als een enfant terrible, punk- en cultfilosoof en groot denker, stelt filosoof Pieter Lemmens in de inleiding. Na bijna dertig jaar schrijven verscheen in 2020 zijn magnum opus Système du pléonectique, waarin hij zijn groots opgezette filosofische systeem ontvouwt. Ook dit essay, gebaseerd op een lezing die hij in 2016 hield, vertrekt vanuit bovenstaande gedachte.

Kacem opent zijn essay met een bespreking van de ‘traumatische structuur’ van het menselijke geheugen. Daarmee doelt hij op het gegeven dat de mens zijn geheugen (alle kennis die hij door de eeuwen heen verzamelde) heeft geëxternaliseerd, buiten zichzelf bewaart. Dit steeds totaler wordende, bijna alwetende technologische geheugen, ontstaan door talloze uitvindingen zoals het schrift, inkt, papier, de boekdrukkunst en de computer, is in alle opzichten superieur aan het biologische en dus beperkte individuele geheugen van de mens.

De exponentieel toenemende wanverhouding die ontstaat tussen beide geheugens valt de mens zwaar, als een trauma dat elke dag groter wordt. Dit trauma ligt volgens Kacem aan de basis van het lijden van de mens en specifiek de toename van steeds ernstigere geheugenstoornissen zoals dyslexie, autisme, schizofrenie, psychose, neurose en depressie. Wat deze pathologieën gemeen hebben, schrijft hij, is dat ze proberen een teveel aan geheugen te ‘reguleren’ door het te sluiten, zoals een obsessief persoon bijvoorbeeld doet door zich uitsluitend te concentreren op één onderdeel van zijn geheugen, en iemand die in waanzin verkeert zich juist laat meevoeren door alle mogelijke denksporen en kan ervaren dat hij in staat is tot een exacte, totale en profetische voorspelling van de gehele toekomst, of juist paranoïde wordt en alles ‘weet’ wat andere geheugens achter zijn rug om weten. Kacem laat zien dat ons geheugen niet zo natuurlijk en vanzelfsprekend is als we denken. Het is gemaakt, technisch en daarmee ook precair en potentieel ontwrichtend.

Het vermogen van de mens om zijn lijden onnodig en buitensporig te vergroten, waarvan bovenstaande pathologieën voorbeelden zijn, noemt Kacem het Kwaad. Omdat de mens in zijn diepste kern een technologisch wezen is, dat wil bij Kacem zeggen een wezen dat in staat is tot technologische virtuositeit (en zich zo’n beetje de hele natuur en de wetmatigheden achter het zijn kan toe-eigenen), is het Kwaad gegeven met de zijnswijze van de mens. Dat is, oneerbiedig samengevat in één zinnetje, waar het pleonectisch systeem (afgeleid van de Oud-Griekse uitdrukking pleon echein, ‘meer hebben’, in de zin van hebzucht) van Kacem op neerkomt: de menselijke technologische virtuositeit waardoor we ons materieel en cognitief oneindig veel meer konden toe-eigenen dan zelfs de intelligentste dieren zich ooit kunnen voorstellen.

Permanente technologische innovatie is in die zin geen specifiek kenmerk van onze tijd, zoals sommige (techniek)filosofen beweren, maar al zo’n dertig- tot veertigduizend jaar aan de gang. Wat wel typerend is voor ons tijdvak, of althans voor het ‘techno-wetenschappelijke tijdperk van de pleonectiek’, is dat de mogelijkheden tot toe-eigening werkelijk onbeperkt worden. De mens neemt vandaag de dag op terminale wijze de gehele aardse gemeenschap over.

Maar niet alleen laat de ‘beloning’ van deze permanente innovatie, die een intensiteit en snelheid heeft bereikt die nooit is geëvenaard, nog altijd op zich wachten, schrijft Kacem, ze leidt ook onherroepelijk tot de exponentiële toename van buitensporig lijden – van de pest en cholera tot schizofrenie en autisme, van oorlog en marteling tot dakloosheid en armoede – dat voor ons nooit heeft bestaan. Toe-eigening gaat dus onherroepelijk gepaard met onteigening. Hoe meer herinneringen we ons toe-eigenen, hoe kwetsbaarder we worden. De externalisering en archivering van kennis die door techniek mogelijk is gemaakt is als een pharmakon, zowel gif als medicijn, zowel verrijkend als verwoestend.

En dan wordt het nu tijd om God erbij te halen. Wat is het idee van God? Volgens Kacem een volledig geheugen, een totale communicatie van alle informatie en kennis van wat is, geweest is en zal zijn, zonder beperkingen. Het idee van God wil een oplossing bieden voor de eindigheid van het menselijk geheugen. Vandaar zijn hypothese: wat als datgene wat we altijd God hebben genoemd de technologie zelf is?

Laat er geen misverstand over bestaan, schrijft Kacem, ‘ik formuleer hier niet de gangbare “prometheïsche” hypothese dat de mens, bedwelmd door zijn technologische macht, zichzelf uiteindelijk “voor God houdt”. Mijn stelling is veel radicaler. Ik stel dat datgene wat we altijd en overal, waar dan ook, in welke formulering dan ook, “God” hebben genoemd, niets anders is dan de technologie of preciezer gezegd: de technowetenschap. God kan om volledig aantoonbare redenen niets anders zijn, wat gelovigen, fideïsten en fundamentalisten van welke strekking er ook van vinden.’

Volgens Kacem kunnen alle predicaten die we altijd hebben toegeschreven ‘aan die ongrijpbare entiteit die we God noemen’, in ieder geval in theorie worden toegepast op de Technologie: een totaal geheugen, alwetendheid, almacht en, waarom niet, onsterfelijkheid en eeuwigheid. Zo’n onsterfelijke, eeuwige machine behoort niet alleen tot de orde van het mogelijke, maar zelfs tot die van het aannemelijke, schrijft hij. ‘De materialisering van dit totale geheugen ligt vandaag de dag binnen handbereik.’

God, het project van de mensheid, is met andere woorden bezig zichzelf te verwerkelijken. Hij wordt steen voor steen gebouwd, als de totaliteit van alle technische geheugens, en wij zijn allemaal zijn arbeiders. Leuke voetnoot: alleen al het idee van God zou, naast zo veel andere dingen, nooit in ons opgekomen zijn als we niet het dier van techno-mnemonische (technieken die het geheugen externaliseren en uitbreiden, zoals het schrift, computers, internet) virtuositeit waren, schrijft Kacem. ‘De intuïtie van God hebben we volledig te danken aan het technologische wonder dat ons lang geleden overkwam.’

Kacem richt zijn vizier in de tweede helft van zijn essay op het transhumanisme, de stroming die de koppeling tussen technowetenschap en God het dichtst benadert. Natuurlijk zeggen de transhumanisten van Silicon Valley (en inmiddels de meer mainstream programmeurs die aan een soort goddelijke kunstmatige intelligentie bouwen, zeg ik erbij) niet openlijk dat ze van plan zijn om God te maken, schrijft Kacem. ‘Een wetenschapper uit Silicon Valley die letterlijk zou zeggen wat hun ideologie in onzichtbare inkt zegt, namelijk God = technologie, zou waarschijnlijk zijn carrière in gevaar brengen.’

Toch is dat de transhumanistische hypothese: wij topwetenschappers kunnen God creëren, een superintelligentie, een supergeheugen, een entiteit die onsterfelijk en eeuwig is, almachtig en alwetend. Om dit gedachtegoed verder te detailleren voert Kacem de twintigste-eeuwse pater-filosoof Teilhard de Chardin op, de eigenlijke (niet erkende) grondlegger van het (zogenaamd atheïstische) transhumanisme. Deze denker interpreteerde het darwinisme, de geschiedenis van de evolutie van de soorten, als zeer lange voorbereiding op het ontstaan van de mens, die op zijn beurt weer uitsluitend op aarde zou zijn om (een technologische) God voor te bereiden.

Kacem sluit niet uit dat het de transhumanisten op een dag zal lukken, er zijn wel gekkere dingen gebeurd. En de mens blijft nu eenmaal een technologisch dier, in staat tot het volbrengen van wonderen. Dat zou wel betekenen dat we afkoersen op een wereld zonder mens. De eeuwigheid, onsterfelijkheid en eindigheid waar transhumanisten zo in geloven hebben enkel betrekking op de machine. Voor ons bestaat er geen dingmatige eeuwigheid. Toch blijven we innoveren en ernaar toewerken. We kunnen niet anders.

Net wanneer Kacem zich wel heel nadrukkelijk lijkt te voegen bij de traditie van het apocalyptisch ondergangsdenken dat zo kenmerkend is voor Silicon Valley, maakt hij, behoorlijk subtiel, duidelijk dat hij geen transhumanist in vermomming is, maar de mensheid juist probeert te behoeden voor dit toekomstscenario (en nee, niet door méér techniek of méér AI). Of misschien wil hij ons er alleen op attenderen. Ook goed. Alleen vraagt hij zich af: hopen we werkelijk dat we de macht van Silicon Valley kunnen beperken door aan ethiek te doen? ‘Daarmee zouden we de mensheid vragen niet langer na te streven wat ze altijd al boven alles heeft nagestreefd. Het is de ontologische machinerie van de pleonectiek.’ We weten niet hoe we deze manier van zijn kunnen beteugelen, onderbreken. We weten niet beter of de technologie is het instrumentarium voor onze hyper-toe-eigening. Dat is waarom alles soms zo onvermijdelijk voelt, waarom het fatalisme geneigd is de overhand te nemen. Dit is wie we zijn als mens. De machine draait op volle toeren.

Meer A.I. op ShakingLife

De val van het Westen is onvermijdelijk

Profiel: Ibn Khaldun

Aan de cycli van macht valt niet te ontsnappen, toonde de Arabische geleerde Ibn Khaldun (1332-1406) in zijn Muqaddima. Zijn indrukwekkende intellectuele nalatenschap is in deze tijd van grote transformatie weer hoogst actueel.   

Lotfi El Hamidi, beeld Joost Krijnen

“De fundamenten van de westerse hegemonie staan op instorten. De breuk met de naoorlogse liberale orde is aanstaande en onomkeerbaar. Hoe de wereld zonder gezamenlijke regels eruit zal zien moet nog blijken, maar de rivaliteit tussen meerdere grootmachten tekent zich af. De Verenigde Staten hebben niet meer de economische en morele basis en aantrekkingskracht om het idee van een universele orde te vertegenwoordigen. Het onvoorspelbare en destructieve gedrag van de machthebbers in Washington maakt dat steeds minder landen nog geloven in een duurzame relatie met de Amerikanen. De meeste landen moeten nu nadenken hoe zij zich gaan verhouden tot de sterksten der aarde. De uitdaging is hoe een nieuwe internationale orde te creëren mét de idealen en principes die na de oorlog in ieder geval de westerse wereld stabiliteit, voorspoed en vrijheid hebben gebracht.”   

Wie deze woorden leest zou misschien denken dat die rechtstreeks komen uit de memorabele en veelbesproken toespraak van de Canadese premier Mark Carney tijdens het World Economic Forum in Davos. Doe er een vleugje Thucydides bij, de Griekse historicus die Carney aanhaalde om de huidige machtsstrijd te typeren (‘de sterken kunnen doen wat ze willen en de zwakken moeten lijden wat ze kunnen’), en bovenstaande tekst had een bondige samenvatting van zijn rede kunnen zijn.

Het is toeval (althans, laten we daarvan uitgaan), maar de woorden zijn van de Portugese ex-politicus en schrijver Bruno Maçães. In zijn essaybundel Exit from Our Age of Disorder, gepubliceerd in november 2025, nam Maçães al afscheid van de liberale orde voordat de premier van Canada zijn conclusies trok. Dat deed de Portugees niet aan de hand van Thucydides maar via de inzichten van een andere illustere historicus: Ibn Khaldun (1332-1406). Maçães schreef in opdracht van het in 2025 opgerichte Ibn Khaldun Institute in Washington, dat zich buigt over hedendaagse vraagstukken aan de hand van de intellectuele nalatenschap van de Arabische historicus.

Sommige historici beschouwen zijn werk als tijdloos, andere geschiedkundigen zijn juist beducht om daar eeuwigheidswaarde aan toe te kennen. Anachronismen liggen vaak op de loer, maar dat zegt wellicht meer over degenen die hem aanhalen dan over Ibn Khaldun zelf. Maar dat zijn denken nog altijd van meerwaarde blijkt in het begrijpen van het verleden én de wereld van vandaag staat buiten kijf.

Ibn Khaldun was in ieder geval geen kroniekschrijver met toevallig goede pr. In wetenschappelijke kring behoort hij tot een van de belangrijkste Arabische denkers uit de (late) Middeleeuwen. Zijn bekendste werk, de Muqaddima, de inleiding van zijn historiografische overzichtswerk Kitab al-’ibar (‘Het boek der voorbeelden’), wordt op westerse universiteiten kritisch gelezen en behandeld. Vooral zijn theorieën over de opkomst en ondergang van beschavingen spreken tot de verbeelding. Wanneer staten of dynastieën verrijzen of vallen is zijn naam dan ook nooit ver weg. In de Arabische wereld wordt hij al op de lagere school onderwezen; in de Maghreb is zijn status onder het ‘gewone volk’ vergelijkbaar met die van Hugo de Groot in Nederland, zoals Midden-Oosten-kenner Abdou Bouzerda opmerkte. Tijdens de Arabische Lente, toen meerdere regimes na decennia alleenheerschappij omver werden geworpen of op omvallen stonden, werd het werk van Ibn Khaldun door Arabische analisten veelvuldig besproken.

Niet voor niets begon historicus Albert Hourani zijn magnum opus A History of the Arab Peoples (1991) met een uitgebreide proloog gewijd aan het leven van Ibn Khaldun. Hourani zag in hem de belichaming van het culturele continuüm van de Arabische wereld. Ibn Khalduns verre voorouders zouden hun oorsprong hebben in de Hadramaut, een gebied in het huidige Jemen. Met de veroveringstocht van de Arabieren na de dood van de profeet Mohammed in de zevende eeuw belandde Ibn Khalduns stam uiteindelijk in het zuiden van Spanje. In Sevilla vormden leden van de stam eeuwenlang een soort aristocratische klasse. Na de christelijke herovering van de stad halverwege de dertiende eeuw zochten zij hun toevlucht in Noord-Afrika. Ibn Khalduns overgrootvader en grootvader leverden in Tunis als hoge ambtenaren hun diensten aan de regerende dynastie van de Hafsiden, zoals andere leden van de voormalige Andalusische elite hoge posities bekleedden bij rivaliserende hoven in Marokko en Algerije.

Hij werd in 1332 in Tunis geboren, Abu Zayd Abd ar-Rahman ibn Muhammad ibn Khaldun, en leek enigszins voorbestemd om een geleerde te worden, na intensief onderricht in religie, jurisprudentie, de Arabische taal en geschiedenis. Tegelijkertijd lonkte een politieke carrière in de voetsporen van zijn voorouders, al was dat een onzekere, om niet te zeggen riskante loopbaan. Hoge functionarissen konden in de snel veranderende machtsverhoudingen van de ene op de andere dag in ongenade raken.

Ibn Khaldun leefde in een tijd van grote omwenteling. De oude wereld zoals hij die van zijn leermeesters onderwezen kreeg desintegreerde waar hij bij stond. Het roemruchte Arabisch-islamitische rijk was allang een schim van zichzelf geworden, niet meer dan een oude en vermoeide beschaving in verval. Wie de kaart van de Arabische wereld in de veertiende eeuw erbij pakt kijkt naar een soort Game of Thrones, zoals historicus Robert Irwin het noemde. In Noord-Afrika streden rivaliserende rijken tegen elkaar, terwijl in Andalusië de kruisridders in hun Reconquista alleen nog de enclave Granada niet in handen hadden. De christelijke mogendheden begonnen zich zelfs te mengen in de machtsstrijd tussen Noord-Afrikaanse vorsten. In het Midden-Oosten ging het er nog slechter aan toe, nadat het Abbasidische Kalifaat ter ziele was gegaan en de Mongolen de Levant waren binnengevallen. En alsof het allemaal niet erger kon werd de regio halverwege de veertiende eeuw geteisterd door de Zwarte Dood. Ibn Khaldun verloor onder anderen zijn ouders en leermeesters.

De geschiedenis was hiermee voor Ibn Khaldun niet alleen een ver verleden of vergane glorie, maar een levendige ontwikkeling waar hij getuige van was. Om grip te krijgen op die veranderende wereld voldeed de islamitische geschiedschrijving niet. In zijn Muqaddima (letterlijk ‘Inleiding’) ontleedt hij de tekortkomingen van zijn voorgangers, veelal inwisselbare kroniekschrijvers. Zo was het traditionele gebruik van de isnad, een overleveringsketen waar ook de hadith (de overleveringen van de uitspraken van de profeet Mohammed) op gebaseerd is, volgens Ibn Khaldun niet voldoende om het verleden waarachtig te reconstrueren. Historici leunden te veel op de autoriteit en betrouwbaarheid van een enkele bron, schreven niet zelden ten faveure van de heersende macht en maakten geen onderscheid tussen feit en fictie. Geschiedenisverhalen die deels afgeleid waren van 1001 nacht of die aantoonbare feitelijke onjuistheden bevatten verwees Ibn Khaldun dan ook naar het rijk der fabelen. Wat overigens niet betekende dat hij een agnost was – Ibn Khaldun was naast wetenschapper ook een strenggelovige mysticus. Het één hoefde het ander niet uit te sluiten.

Zijn baanbrekendste inzicht was het uitgangspunt dat het menselijk samenleven onderworpen is aan algemene principes die de mens zelf tot stand heeft gebracht. Mensen zijn volgens Ibn Khaldun in essentie sociale en politieke wezens die hun relaties vormgeven via onderlinge afspraken, verdragen en instituties. De ontwikkeling van een maatschappij volgt de ‘logica’ binnen dat sociale kader. Het is dit theoretische raamwerk waar Ibn Khaldun eeuwen later het predicaat ‘de eerste socioloog’ aan te danken heeft, als voorloper van Europese filosofen als Giambattista Vico en Auguste Comte die op soortgelijke wijze de cultuurgeschiedenis begonnen te analyseren.

‘Het verleden lijkt meer op de toekomst dan een waterdruppel op een andere lijkt’, luidde zijn lijfspreuk. Ibn Khaldun meende in de geschiedenis patronen te ontwaren. Een dynastie had niet het eeuwige leven – dat op zichzelf was geen originele vaststelling, al in de Klassieke Oudheid dacht men in opkomst en ondergang van heersers en rijken. Maar Ibn Khaldun wilde weten hoe zo’n werdegang van dynastieën zich voordoet. Met zijn studie naar de Arabische en Berberse vorstendommen probeerde hij het cyclische proces in kaart te brengen.

Centraal in Ibn Khalduns theorie staat de zogeheten ‘asabiyya, vrij vertaald groepssolidariteit of sociale cohesie. Om de meedogenloze omstandigheden van het woestijnleven te trotseren was die solidariteit in stamverband een noodzakelijke voorwaarde. Maar Ibn Khaldun zag in ‘asabiyya ook een potentiële drijfkracht voor de opkomst van een nieuwe dynastie. Zodra een stam uit het achterland zich weet te verenigen en overtuigd raakt van een heilige missie, vormt het een macht die zich niet laat stoppen. De steden zijn vervolgens overgeleverd aan deze horde, die uiteindelijk de heerschappij overneemt van de zittende macht. Totdat ook deze plaatsvervangende dynastie ‘gecorrumpeerd’ raakt door het sedentaire leven. Van de groepscohesie blijft na verloop van tijd (volgens Ibn Khaldun na drie, hooguit vier generaties) weinig over. Dan is het een kwestie van tijd voordat een nieuwe dynastie zich aandient om de macht te grijpen.

Opvallend (en in zekere zin actueel) in zijn theorie is de tegenstelling tussen stad en platteland. Voor een stedeling pur sang was Ibn Khaldun opvallend streng over het stadse leven. De cultuur in de stad is verfijnd, er is welvaart en luxe. Maar dat maakt de stedeling in zijn ogen juist zo decadent, spiritueel zwak en fysiek weerloos. De stad was volgens Ibn Khaldun ook een ongezonde omgeving, een brandhaard van besmettelijke ziektes, een aanname die ongetwijfeld werd ingegeven door zijn traumatische ervaring met de pest. De stad, met al zijn bibliotheken, gebedshuizen, scholen en infrastructuur, is weliswaar het hoogtepunt van de beschaving, maar paradoxaal genoeg ook het begin van het verval.

Voor het leven in het achterland reserveerde Ibn Khaldun andere kwalificaties. Volgens hem stond de nomade (en in mindere mate de boer) dichter bij de wereld zoals die ooit door God geschapen was. De nomade leidde een hard maar deugdzaam leven, had genoeg aan weinig en was alleen afhankelijk van zijn clan of stam. In zijn natuurlijke habitat was hij heer en meester, buitenstaanders konden zich niet handhaven in het onherbergzame gebied. Buiten de stad kon de nomadische stam zich vrijspelen van de cyclus waar elke beschaving uiteindelijk aan ten onderging. De nobele wilde avant la lettre.

De laatste generatie is losgeweekt van het oorspronkelijke nomadenbestaan en kan in haar teloorgang alleen nog maar de schijn ophouden. Zoals Ibn Khaldun schreef in zijn Muqaddima: ‘Ze proberen anderen te imponeren met hun emblemen, hun kleding, hun paardrijkunst en hun talent om met wapens om te gaan, maar de meesten van hen zijn nog weerlozer dan vrouwen die op hun rug liggen.’ (Dat een samenleving in verval ‘verwijfd’ zou zijn keert wel vaker terug in Arabische teksten. Toen de Nasridische koning Mohammed XII, ook wel ‘Boabdil de Ongelukkige’, na de val van Granada in 1492 een laatste keer omkeek naar zijn verloren rijk en snikte, zou zijn moeder hem hebben toegebeten: ‘Huil als een vrouw voor wat je niet kon verdedigen als een man.’)

Ibn Khalduns inzichten waren overigens niet louter gestoeld op theoretische kennis en denkwerk. Gedurende zijn leven werkte hij voor verschillende Maghrebijnse machthebbers als politiek adviseur, diplomaat of vizier. Loyaliteit was ondergeschikt aan zijn zucht naar ambitie en succes. Hij verruilde de ene heerser met gemak voor de rivaal als het hem uitkwam. Zijn machiavelliaanse wijze van politiek bedrijven maakte hem allerminst populair, wel berucht. Ibn Khaldun was betrokken bij vele politieke intriges en coups, waardoor hij constant op de vlucht sloeg en moest vrezen voor zijn leven.

In 1374 verliet Ibn Khaldun de slangenkuil en verbleef vier jaar in Qal’at ibn Salaama, een burcht in het onherbergzame achterland van het huidige Algerije. Daar, tussen de ruïnes, begon hij in betrekkelijke isolatie aan zijn omvangrijke Kitab al-’ibar.Vervolgens trok hij met zijn familie alsnog naar Tunis, waar hij in een meer wetenschappelijke omgeving zijn werk wilde voortzetten. In 1382 begon hij een nieuw avontuur door naar Egypte te verhuizen, waar hij tot aan zijn dood in 1406 zou werken als opperrechter.

Een opmerkelijk intermezzo in zijn laatste levensjaren vond in 1401 plaats, toen Ibn Khaldun als delegatielid namens de Mamlukse sultan van Egypte naar Syrië afreisde om de beruchte Turks-Mongoolse krijgsheer Timoer Lenk (1336-1405) te ontmoeten. Ibn Khaldun verbleef een aantal weken in het legerkamp dat de despoot opsloeg net buiten de stadsmuren van Damascus. De Mamlukse machthebbers hoopten via ‘hun’ intellectueel op diplomatieke wijze de Mongoolse leider te overreden af te zien van de plundercampagne in de Levant. Ibn Khaldun had ongetwijfeld andere motieven en verhield zich tot Timoer Lenk als Goethe tot Napoleon eeuwen later. Deze ‘gesel Gods’ was namelijk in zijn ogen wellicht ook de redding van het tanende islamitische rijk, vanwege de sterke ‘asabiyya die hij met zijn nomadische horde tentoonspreidde in zijn allesverwoestende veroveringstocht. In de dialectiek van Ibn Khaldun kon destructie immers ook het begin zijn van een nieuwe fase. (Ondanks de wekenlange logeerpartij en loftuitingen over en weer, kon Ibn Khaldun de Mongoolse plundering van Damascus niet voorkomen.)

Na de dood van Ibn Khaldun leek de interesse in zijn nalatenschap ook verdwenen, althans in de Arabische wereld. In Spanje werd zijn werk in de zestiende eeuw samen met duizenden Arabische manuscripten verbrand tijdens de Spaanse inquisitie, een poging om alle islamitische sporen op het Iberische schiereiland te wissen. In het oostelijk deel van de islamitische wereld was er nog wel enige belangstelling. De Turkse vertaling van de Muqaddima werd in het Ottomaanse Rijk vanaf de zeventiende eeuw gretig gelezen door geleerden en ambtenaren. Deels vanuit noodzaak; de Ottomanen gebruikten Ibn Khalduns werk als een soort handleiding om de cyclus als het ware te ‘kraken’, of in ieder geval de fase van verval te ‘vertragen’.

De herwaardering (of ‘herontdekking’) van Ibn Khaldun vond ironisch genoeg niet plaats in de islamitische wereld maar in het Westen. In Europa werd zijn naam vanaf de achttiende eeuw door oriëntalisten steeds vaker genoemd, met fragmenten uit zijn bekendste werk, de Muqaddima. Het duurde tot de negentiende eeuw voordat hij serieus werd vertaald, niet geheel toevallig op het moment dat de Fransen bezig waren met het koloniseren van Algerije. De Ierse oriëntalist en filoloog William McGuckin de Slane (1801-1878), die voor het Franse leger in Noord-Afrika als vertaler werkte, had als taak om kennis over het gebied te ontsluiten. Met zijn vertaling van Ibn Khalduns werk halverwege de negentiende eeuw, dat in het Frans de titel Histoire des Berbères kreeg, werd het de belangrijkste bron voor de Fransen over de Arabische en Berberse geschiedenis van Noord-Afrika.

Hiermee begon ‘the strange afterlife’ van Ibn Khalduns erfenis, zoals een van de hoofdstukken van Robert Irwins biografie over de Maghrebijnse historicus luidt. Voor de Fransen werd de Muqaddima een soort antropologische handleiding in dienst van de koloniale onderneming in de Maghreb. De Franse verovering van Marokko aan het begin van de twintigste eeuw verliep dan ook voortvarend door de kennis van de stammenstructuur en de verhouding tussen de sultan en het achterland. (Marokko, overigens, dat sinds de zeventiende eeuw geregeerd wordt door de Alawitische dynastie ‒ niet te verwarren met de Levantijnse alawieten – en daarmee de khalduniaanse cyclus lijkt te hebben gebroken. Volgens historicus Stephen Cory, gespecialiseerd in de vroegmoderne periode van het Midden-Oosten en Noord-Afrika, wisten de Alawieten hun macht een religieuze legitimiteit te geven die eeuwenlang voor een fragiele maar duurzame ‘asabiyya zorgde. De Marokkaanse monarch leunt nog op altijd op de claim een rechtstreekse afstammeling te zijn van de profeet Mohammed.)

De Britse historicus Arnold Toynbee (1889-1975), die Ibn Khaldun in de Engelstalige wereld populariseerde, kwam superlatieven tekort toen hij de Muqaddima omschreef als ‘the greatest work of its kind that has ever yet been created by any mind in any time or place’. De historicus van de grote greep toonde zich schatplichtig aan Ibn Khaldun, niet in de laatste plaats om zijn eigen status te vergroten. Zijn meerdelige A Study of History, over de opkomst en ondergang van beschavingen, borduurde deels voort op het khalduniaanse model van machtscycli. Met het grootste verschil dat Toynbees studie vrijwel nergens meer serieus wordt genomen, terwijl Ibn Khalduns werk nog fier overeind staat.

Dat is op zichzelf een indrukwekkende prestatie, daar waar Ibn Khaldun een man van zijn tijd en omgeving was en zijn Muqadimma geen comparatieve studie is. Wat hem nog altijd zo bruikbaar maakt is misschien wel zijn vindingrijkheid, heldere taal en multidisciplinaire aanpak. Voor de één een antropoloog, voor de ander een socioloog, voor weer een ander een geschiedfilosoof en soms zelfs een proto-marxistische econoom: allemaal anachronistische labels, maar het toont wel het ontzag dat Ibn Khaldun nog altijd geniet onder hedendaagse wetenschappers. Zijn denken geeft nog altijd aanknopingspunten voor het begrijpen van ontwikkelingen van vandaag.

‘We leven in de echte wereld, die wordt geregeerd door kracht, die wordt geregeerd door macht. Dat zijn de ijzeren wetten van de wereld sinds het begin der tijden’, aldus plaatsvervangend stafchef van het Witte Huis Stephen Miller. Dat de VS met alle machtsvertoon zich misschien juist in het herfsttij bevinden is net zo’n ‘ijzeren wet’ van de wereldgeschiedenis, aldus Bruno Maçães in Exit from Our Age of Disorder. Nu de liberale waarden, hoe hypocriet die ook decennialang door westerse landen werden nageleefd, geen rol van betekenis meer spelen in de wereld van de Pax Americana, blijft inderdaad kracht over. Destructieve kracht welteverstaan.

Het is volgens Maçães hopeloos om te proberen de oude orde te redden. Die heeft zijn beste tijd gehad. De val van het Westen is onvermijdelijk, gelooft Maçães in navolging van Ibn Khaldun. Aan de geschiedenis valt niet te ontsnappen. Maar dat hoeft volgens hem ook niet. Vanuit de huidige ruïnes kan een nieuwe orde geschapen worden zonder te vervallen in chaos. Het Westen zal in deze overgangsfase pragmatisch moeten zijn en de resterende invloed dat het nog heeft moeten inzetten om een gelijkwaardige relatie op te bouwen met wat de Canadese premier Carney in Davos ‘middelgrote landen’ noemde. De liberale waarden zijn nog altijd te verkiezen boven de illiberale orde zoals de Russen of Chinezen die graag in de wereld willen zien, aldus Maçães.

Ibn Khaldun geloofde dat zijn wereld tot een einde liep. Maar hij geloofde ook in een wereld die opnieuw kon beginnen.



Meer Midden Oosten op ShakingLife.nl

‘Gruwelijke ketterij en monsterlijke daden’

 
Petrus Johannes Arendzen, Portret van Spinoza, 1856 – 1885 (bewerking door De Groene Amsterdammer)
© Rijksmuseum Amsterdam
Uit‘De Groene Amsterdammer’, met eigen foto’s.

De religiekritiek van Spinoza

Baruch de Spinoza had zo zijn kritiek op het jodendom. Vanwege zijn ‘gruwelijke ketterijen’ werd hij verbannen uit de Portugees-joodse gemeenschap in Amsterdam. Maar maakte de Verlichtingsfilosoof zich ook schuldig aan antisemitisme?

Steven Nadler

De Groene Amsterdammer, 19 december 2025

Door de eeuwen heen is Bento (Baruch) de Spinoza voor veel mensen van alles geweest: rationalist, mysticus, romanticus, atheïst, pantheïst, liberaal, socialist, totalitair denker, libertariër en zelfs zionist. Spinoza fungeert daarmee als een soort rorschachtest: mensen herkennen in hem vooral wat zij zelf willen of nodig hebben om te zien.

Waar Spinoza echter nooit van is beschuldigd, is dat hij mild of vriendelijk was tegenover het jodendom – en daar is een reden voor. In zijn Theologisch-politiek traktaat, dat bij verschijnen in 1670 veel opschudding veroorzaakte, komt het jodendom er bepaald niet gunstig vanaf. Sommigen hebben gesuggereerd dat Spinoza’s vijandigheid tegenover het jodendom is te verklaren uit zijn aanhoudende wrok jegens de Amsterdamse Portugees-joodse gemeenschap. Daaruit werd hij in 1656, op 23-jarige leeftijd, verbannen. Vanwege zijn ‘gruwelijke ketterijen’ en ‘monsterlijke daden’ kreeg Spinoza een ‘herem’ opgelegd – een uitzonderlijk zware vorm van banvloek voor die tijd.

Spinoza’s negatieve kijk op het jodendom was waarschijnlijk eerder een oorzaak dan een gevolg van zijn verbanning. Er zijn sterke aanwijzingen dat hij halverwege de jaren 1650 zijn geloof en zijn betrokkenheid bij het jodendom grotendeels had verloren. Maar was hij daarmee een antisemiet? Of, misschien belangrijker: is zijn filosofie in wezen antisemitisch?

Antisemitisme, dat wijdverbreid is en opnieuw toeneemt, blijkt steeds lastiger scherp te definiëren. Het duikt op aan zowel de rechter- als de linkerzijde van het politieke spectrum. Vaak wordt het verward met antizionisme, of zelfs met kritiek op het beleid en optreden van Israël. Tegelijkertijd is het ook waar dat veel antisemieten zich verschuilen achter het etiket van antizionisme. 

In plaats van mee te doen aan de discussie over de precieze betekenis van antisemitisme of antijudaïsme, hanteer ik een eenvoudige definitie. Die is afkomstig van de speciale gezant van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken voor het monitoren en bestrijden van antisemitisme en van het Holocaust Memorial Museum in de Verenigde Staten: ‘discriminatie, vooroordelen of haat jegens joden’. Wat antijudaïsme betreft maken wetenschappers terecht onderscheid met antisemitisme. Antijudaïsme kan worden omschreven als vooroordelen tegen of haat jegens de joodse religie. De filosoof Leo Strauss suggereerde bijvoorbeeld dat Spinoza mogelijk het jodendom verwierp, maar niet het joodse volk.

Hein ziet een duif op het hoofd van Spinoza…
Foto Emilie van de Raa.

De vraag is hier niet of Spinoza’s uitspraken over joden en het jodendom antisemitisme kunnen aanwakkeren of gebruikt kunnen worden om een campagne tegen het jodendom te legitimeren. Dat kunnen ze natuurlijk, al hebben antisemieten daarvoor zeker geen zeventiende-eeuwse filosoof nodig. De kernvraag is eerder of Spinoza’s filosofie zelf voortkomt uit een specifieke vijandigheid tegenover joden en hun religie, die als antisemitisme kan worden bestempeld.

Veel mensen zijn van mening dat Spinoza inderdaad als een antisemitische denker kan worden beschouwd, sommigen gaan zelfs zo ver hem een ‘zelfhatende jood’ te noemen. Zo schreef de filosoof Hermann Cohen in een essay uit 1915 over Spinoza’s ‘openlijke haat tegen zijn eigen volk’ en zijn ‘wraakzuchtige haat jegens de joden’.

Het valt niet te ontkennen dat Spinoza in zijn Traktaat harde en soms minachtende uitspraken doet over het joodse volk en het jodendom. Zo geeft hij een sterk reductionistische beschrijving van de Hebreeuwse bijbel en van de waarde die daaraan wordt toegekend. Volgens hem is de Schrift niets meer dan een alledaags, historisch vastgelegd document: een literair werk zoals vele andere. Hij noemt het bovendien ‘gebrekkig, verminkt en inconsistent’. Spinoza stelt dat de bijbel een samenstelling is van uiteenlopende bronnen en door de geschiedenis heen is aangetast door haar overlevering en bewaring. Het is, in zijn ogen, een wirwar van teksten van verschillende auteurs, uit verschillende perioden en geschreven voor verschillende doelgroepen.

Deze afwaardering van de joodse Schrift gaat gepaard met een afwijzing van de joodse wet en van de hedendaagse relevantie daarvan. Volgens Spinoza kan het enige werkelijk goddelijke gebod worden samengevat in één zin: ‘Heb uw naaste lief als uzelf.’ Dit puur morele voorschrift van gerechtigheid en naastenliefde is universeel geldig, ongeacht tijd, plaats of omstandigheden. Alle andere geboden in de Thora beschouwt hij als restanten van ceremoniële gebruiken en sektarische rituelen. Deze bijgelovige regels en praktijken hebben volgens hem hun raison d’être verloren en dragen niets bij aan ware gelukzaligheid.

Spinoza geeft ook een nuchtere, naturalistische verklaring voor Gods vermeende ‘uitverkiezing’ van het joodse volk. Hij benadrukt dat het ‘kinderachtig’ is om je geluk te baseren op het idee dat je unieke of bijzondere eigenschappen hebt. In het geval van de joden zou dat neerkomen op het geloof dat zij door God boven alle andere volkeren zijn uitverkoren. Volgens Spinoza waren de oude Hebreeën echter op geen enkele manier superieur aan andere volken, niet in wijsheid, niet in karakter en niet in hun nabijheid tot God. In theologisch, moreel of metafysisch opzicht bestaat er voor hem dan ook geen betekenisvolle zin waarin de joden een uitverkoren volk zouden zijn.

Tot slot wijzen sommige wetenschappers op wat zij zien als Spinoza’s supersessionisme. Volgens dit theologische idee heeft het christendom het jodendom vervangen als de ware religie van God: de christelijke profeten en het Nieuwe Testament zouden de Hebreeuwse profeten en hun geschriften hebben vervangen. Spinoza stelt daarbij dat Jezus, anders dan de andere profeten, een filosoof was, en beschikte over werkelijk inzicht. Mozes zou, door rekening te houden met de zinnelijke neigingen van zijn volk, vooral aardse en materiële beloningen hebben beloofd in ruil voor gehoorzaamheid aan de wet. Jezus daarentegen bood een hoger soort beloning: gemoedsrust en ware gelukzaligheid. Zoals Spinoza het formuleert: ‘Christus belooft een geestelijke beloning, niet – zoals Mozes – een lichamelijke.’

…hij draait zich om en ziet Emilie, tegen de achtergrond van de Zwanenburgwal.
Foto Hein Zeillemaker.

Wie het Theologisch-politiek traktaat leest, zal zonder moeite nog veel meer denigrerende opmerkingen over joden en het jodendom vinden. De indruk kan ontstaan dat Spinoza een vijandige houding had tegenover het jodendom en het joodse volk als collectief. Toch is het verstandig om terughoudend te zijn met het label ‘antisemitisme.’ Allereerst is er geen duidelijke reden om aan te nemen dat Spinoza’s afwijzing van het jodendom als religie zich ook richtte op de joden als volk. Net zomin impliceert zijn kritiek op het katholicisme of het calvinisme automatisch vijandigheid jegens katholieken of calvinisten. Wat Spinoza in zijn Traktaat naar voren brengt, is geen haat tegen een volk, maar een fundamentele kritiek op het geheel van gezaghebbende leerstellingen en voorschriften dat het jodendom vormt.

Een echte antisemiet haat niet alleen het jodendom of ‘het joodse volk’ als abstracte categorie, maar ook joden als individuen – en wel om wie ze zijn: omdat ze joden zijn. Zo’n houding veronderstelt dat er iets essentieels en onveranderlijks in joden zou zitten dat deze vijandigheid zou rechtvaardigen. Maar binnen Spinoza’s filosofisch systeem is voor dit soort essentialisme geen plaats. Alle mensen staan op hetzelfde metafysische en morele niveau. Geen enkele groep is – louter omdat zij die groep is – van nature beter of slechter dan een andere. Zoals Spinoza benadrukt: ‘Iedereen, joden zowel als niet-joden, is altijd hetzelfde geweest.’

Spinoza’s opvattingen over de joodse religie moeten daarom eerder worden begrepen als ingegeven door politieke overwegingen dan door haat, vooroordelen of persoonlijke wrok. Volgens Spinoza vormt de grootste bedreiging voor de burgerlijke vrede en het welzijn van een staat de verdeeldheid die wordt veroorzaakt door sektarische religies. Het bestaan van machtige religieuze instituties achtte hij gevaarlijk voor elke samenleving. Georganiseerde religies verdelen burgers en zetten hen tegen elkaar op – christenen tegen joden, protestanten tegen katholieken, protestanten tegen andere protestanten, en zelfs joden tegen joden – en, nog belangrijker, ook tegen de staat zelf. Zodra er naast de wereldlijke soeverein andere bronnen van gezag bestaan, raakt de loyaliteit van burgers verdeeld. Een samenleving waarin vroomheid wordt afgezet tegen burgerschap of patriottisme loopt dan ook een groot risico op interne conflicten. Zoals de Engelse filosoof Thomas Hobbes het kernachtig verwoordde: ‘Niemand kan twee heren dienen.’ Of, in de elegantere woorden van Abraham Lincoln: ‘Een huis dat tegen zichzelf verdeeld is, kan niet standhouden.’

In de politieke sfeer moeten volgens Spinoza vooral bijgelovige overtuigingen worden bestreden: ideeën over de goddelijke oorsprong van de bijbel, over wonderen, en dergelijke. In dat opzicht doet het christendom het in zijn ogen echter niet beter dan het jodendom, en misschien zelfs slechter. Zo merkt Spinoza ergens op dat wat christenen onderscheidt van andere mensen niet hun geloof of hun naastenliefde is, maar het feit dat ‘zij hun overtuigingen simpelweg baseren op wonderen, oftewel op onwetendheid’. Daarmee, zo stelt hij, ‘veranderen zij hun geloof in bijgeloof.’ Over de christelijke leer van de incarnatie schrijft hij aan een vriend: ‘Ik begrijp niet wat ze bedoelen (…) Ze klinken voor mij niet minder absurd dan iemand die zou zeggen dat een cirkel de aard van een vierkant heeft aangenomen.’

Hoewel in het Traktaat het grootste deel van de kritiek op het jodendom is gericht, komt dat deels doordat dit de traditie was waarin Spinoza was opgegroeid. Juist daar kon hij het makkelijkst de problematische kanten van sektarische religie blootleggen. Daarnaast moest Spinoza voorzichtig te werk gaan. In een boek dat was bedoeld voor een christelijk publiek, dat hij wilde overtuigen van het belang van vrijheid en tolerantie, kon hij de christelijke leer niet aan dezelfde scherpe en openlijke kritiek onderwerpen als het jodendom.

Het is onterecht om Spinoza, zoals sommigen doen, van een dubbele moraal te beschuldigen. Hij keert zich net zo sterk tegen het bijgeloof en de politieke dreiging van het katholicisme en de dominante stroming binnen de Nederlands Hervormde Kerk als tegen het jodendom. Spinoza verzet zich tegen sektarisme in het algemeen en tegen alle grote, georganiseerde religies van zijn tijd, die hij beschouwt als vormen van georganiseerd bijgeloof. Het klopt dat zijn kritiek op het jodendom deels andere accenten heeft dan zijn kritiek op andere religies. Zijn uitspraak dat het jodendom ‘verwijfd’ zou zijn, is daarbij bijzonder scherp – en bovendien expliciet vrouwonvriendelijk. Maar daaruit volgt niet dat Spinoza het jodendom afwijst omdat het jodendom is, in tegenstelling tot het christendom of een ander geloof.

Vertaling: Menno Grootveld

Steven Nadler is een Amerikaanse filosoof en Spinoza kenner. In 2009 publiceerde hij de biografie Spinoza: a life

Met dank aan ‘De Groene Amsterdammer’>, met eigen foto’/sub>  

Spinozamonument, bronzen beeld van de 17e-eeuwse filosoof Baruch Spinoza, gemaakt door Nicolas Dings. Het monument bevindt zich aan de Zwanenburgwal, nabij de geboorteplaats van Spinoza.
Op de sokkel staat de inscriptie: HET DOEL VAN DE STAAT IS DE VRIJHEID