Van Gogh is voor mij altijd een magische naam geweest. Dat er bij ons in Krimpen een autobusdienst rondreed die ‘Autobusbedrijf Gebr. Van Gog’ heette – dat lijndiensten onderhield tussen Rotterdam en Gouda – vond ik maar een rare zaak: zo’n eerbiedwaardige naam voor een busbedrijf, dat kon er bij mij niet in, ik vond het gewoon ‘naamsmisbruik’ – maar wisten de broers Wim en Leen van Gog (zonder ‘h’!) veel, die heetten gewoon zo…
ALLE FOTO'S VERGROTEN DOOR TE KLIKKEN
(links)“Veel bussen van de Gebr. van Gog zijn bij het touringcar bedrijf Snel&co beland waar ze werden gebruikt voor groepsvervoer voor werknemers van Verolme.”
(rechts) 6 januari 2026. “Is dit geen pareltje van de familie van Gogh (tours)? Ik kwam deze foto tegen in mijn galerij. Ik plaats deze foto omdat ik in de 90'r jaren bij Hans & Piet van Gogh heel hun bussenpark bij hield met schoonmaken. Dit samen met nog een 6 tal collega's. Dit was een van hun bussen. Veel avond uurtjes daar doorgebracht om mijn bijverdienste er bij elkaar te sprokkelen. Het pand van 'Van Gogh Tours' staat er nog steeds maar zit nu V&V transport gevestigd. Wat gaat de tijd toch snel🫶🙏”
Van Gogh stond bij mij thuis huizenhoog in het vaandel geschreven. En na de recente tentoonstelling van Anselm Kiefer in het Van Gogh Museum, ben ik weer helemaal paraat. Ik kon het dan ook niet nalaten onderstaande afbeeldingen van zijn werk te verzamelen, die recent op de website van het museum verschenen:
“Caféterras bij nacht (Place du Forum)”Het schilderij Olijfbomen van de Vincent van Gogh werd geschilderd in 1889, terwijl Van Gogh verbleef in het gesticht Saint-Paul-de-Mausole in Saint-Rémy in de Provence, Zuid-Frankrijk.
Van Gogh schreef aan zijn broer Theo over de scène die hem inspireerde tot dit werk:
‘Gisteren, bij zonsondergang, bevond ik me op een stenige heide waar kleine, kronkelige eiken groeien, op de achtergrond een ruïne op de heuvel en korenvelden in het dal. Het was romantisch, het kon niet romantischer, à la Monticelli, de zon wierp haar felgele stralen over de struiken en de grond, een ware gouden regen. En alle lijnen waren prachtig, de hele scène had een charmante edelheid. Je zou er helemaal niet van opgekeken hebben als er plotseling ridders en jonkvrouwen waren verschenen, terugkerend van de jacht met valken, of als je de stem van een oude Provençaalse troubadour had gehoord. De velden leken paars, de verte blauw.’
Geschiedenis De laatste weken is diverse keren gesuggereerd dat Donald Trump geestelijk incapabel is. Onberekenbare leiders hebben in het verleden vaak voor geweld gezorgd – intern en extern.
Bart Funnekotter, NRC Gepubliceerd op 21 januari 2026 om 13:12
Twee ‘gekke koningen’ uit de geschiedenis: Lodewijk II van Beieren (links) en George III van Groot-Brittannië. FOTO’S FINE ART IMAGES/HERITAGE-IMAGES, GETTY IMAGES [vergroten door te klikken]
De ontvoering van een staatshoofd, het goedpraten van de gewelddadige dood van een demonstrant, de juridische stalking van de baas van de Centrale Bank en het bedreigen van een bondgenoot omdat je een deel van zijn grondgebied begeert: Donald Trump is het jaar 2026 ontremd begonnen.
Nobelprijswinnend econoom Paul Krugman noemde in zijn nieuwsbrief de Amerikaanse president daarom vorige week een „Mad King”, en commentator Martin Wolf van de FT en New York Times-columnist Maureen Dowd vergeleken Trump al eerder met een gekke koning – en dat was nog vóór diens kattenbelletje aan de Noorse premier Jonas Gahr Støre, waarin de president zich op dreigende toon beklaagde over het feit dat hij de Nobelprijs voor de Vrede was misgelopen.
Voor Amerikaanse psychiaters geldt de zogenoemde Goldwater rule – je mag geen diagnose stellen zonder iemand persoonlijk te hebben onderzocht – maar Democratische politici zijn aan deze regel niet gebonden. De afgelopen dagen concludeerden meerdereafgevaardigden en senatoren dat Trump geestelijk niet in orde is en dat het kabinet een beroep moet doen op het 25ste amendement van de Grondwet. Deze bepaling voorziet in de mogelijkheid de president uit zijn ambt te zetten als hij niet langer in staat is het uit te voeren.
Dat Amerikanen grijpen naar een vergelijking met een gekke koning is niet vreemd. Theodore Roosevelt (regeerperiode 1901-1909) was zich goed bewust van de enorme macht die hij had. Hij schreef: „De president van de Verenigde Staten neemt een positie in van bijzonder belang. In de hele wereld is er geen heerser, zeker geen heerser die werkt onder vrije instituties, wiens macht te vergelijken is met die van hem. Alleen een despotische koning heeft meer macht.”
En het was nota bene uit een conflict met zo’n despotische koning dat in 1776 de Verenigde Staten werden geboren. George III van Groot-Brittannië was bovendien psychisch ziek. De oorzaak daarvan was niet de stofwisselingsziekte porifyrie, zoals bijvoorbeeld in de film The Madness of King George (1994) werd beweerd. Volgens biograaf Andrew Roberts leed George aan een bipolaire stoornis, waarbij periodes van depressie en manie elkaar afwisselden.
De koning wist van deze episodes dat hij op het punt stond af te dalen in een beangstigende wereld waarin hij geen controle meer had over zijn gedachten. Dat hij behandeld werd alsof hij gek was, noemt Roberts „monsterlijk”. Zijn zoon en belangrijke politici vochten tijdens George’ slechte periodes om de macht, wat zorgde voor instabiel beleid.
Nero vertoonde ernstig gestoord gedrag
Een blik op de geschiedenis leert dat dit vaker gebeurde wanneer er een mentaal wankel persoon aan het hoofd van een staat voor een machtsvacuüm zorgde. Het is daarbij wel van belang in de gaten te houden wie er opschreef dat een koning gek was. Zo’n auteur had vaak een appeltje te schillen met de vermeende patiënt. In het Oude Testament staat bijvoorbeeld dat de Babylonische koning Nebukadnezar II leed aan de verschijnselen van boantropie, een aandoening waarbij de patiënt denkt dat hij een rund is. Nebukadnezar stond er bij de Joden echter bijzonder slecht op omdat hij in 587 v.Chr. de tempel van Jeruzalem vernietigde en het Joodse volk in ballingschap voerde. Als straf voor zijn opschepperij hierover liet Jaweh hem zeven jaar lang leven als een dier – aldus het Boek Daniël.
De Romeinse keizers van het Julio-Claudische huis zijn er in de geschiedschrijving ook niet goed van afgekomen. Tiberius (r. 14-37) en Caligula (r. 37-41) waren, aldus de bronnen, pervers en paranoïde, maar vooral Nero (r. 54-68) vertoonde volgens historici als Tacitus, Cassius Dio en Suetonius ernstig gestoord gedrag. Hij vermoordde onder meer kritische senatoren, zijn moeder en twee echtgenotes. In zijn biografie tracht John Drinkwater uit de antieke beschrijvingen te destilleren wat er nu écht mis was met Nero, met daarbij alle slagen om de arm dat zoiets 2.000 jaar later erg moeilijk is. Hij komt tot de conclusie dat de keizer niet ‘gekker’ was dan zijn tijdgenoten, maar wel persoonlijk zeer onzeker en als het moest politiek meedogenloos.
De koning dacht dat hij van glas was
Dichter bij het heden zijn de contemporaine beschrijvingen van ‘gekke koningen’ betrouwbaarder. Karel VI van Frankrijk (r. 1380-1422) beleefde in dertig jaar in totaal 44 psychotische episodes. Zijn wanen zorgden er onder meer voor dat hij zijn eigen mannen gewapend te lijf ging en zich maandenlang niet waste. Ook was er een periode waarin hij dacht dat hij van glas was. Volgens paus Pius II liet de koning toen ijzeren staven in zijn kleding bevestigen, zodat hij niet zou breken.
Karels ziekte maakte Frankrijk op een cruciaal moment in de Honderdjarige Oorlog tegen Engeland stuurloos. Verschillende facties aan het hof vochten om de macht, wat uitmondde in een burgeroorlog en een aantal desastreuze nederlagen tegen de Engelsen. Karel overleed in 1422, hetzelfde jaar dat in Engeland Hendrik VI aan de macht kwam. Toevallig (of juist niet, want ze waren aan elkaar verwant) was het nu de Engelse koning die mentale kwalen ontwikkelde. Hij vertoonde al een tijdje zorgwekkende symptomen toen hij op zijn 31ste in een ernstige crisis belandde. Volgens de kronieken zorgde „een plotselinge en onfortuinlijke schrik” ervoor dat hij anderhalf jaar lang „noch het gevoel noch het verstand had om de regering te leiden, en noch arts noch medicijn kon die zwakte genezen”.
Hendrik kwam uiteindelijk weer bij zinnen, maar kende hierna nog meerdere episodes waarin hij in totale lethargie verdween, stemmen hoorde en tijdens een veldslag lachend en zingend onder een boom ging zitten. Er is daarom wel geconcludeerd dat hij schizofreen was. Net zoals in Frankrijk leidde het onvermogen van de koning om te regeren tot een burgeroorlog, de zogenoemde Rozenoorlogen. Hendrik overleed uiteindelijk op 49-jarige leeftijd onder verdachte omstandigheden in de Tower van Londen.
Christiaan VII van Denemarken mompelde vaak in zichzelf.FOTO IMAGESELECT HERITAGE/F1ONLIN [vergroten door te klikken]
Koning George III moest drie eeuwen later zijn periodes van waanzin niet met de dood bekopen en er brak in Groot-Brittannië geen burgeroorlog uit, maar er was dus wel sprake van ernstige interne politieke onrust en een revolutie in Amerika. Zijn tijdgenoot Christiaan VII van Denemarken (r. 1766-1808) zorgde in zijn koninkrijk ook voor problemen. Lijfarts Johann Friedrich Struensee – die vanwege zijn band met de vorst de facto optrad als regent – noteerde dat Christiaan in zichzelf mompelde, tics in zijn gezicht had en ongecontroleerde bewegingen maakte. Zijn kwaal is achteraf wel gediagnosticeerd als schizofrenie, terwijl andere wetenschappers een ernstig geval van het syndroom van Tourette vermoedden. In ieder geval zorgden ook in Denemarken de mentale problemen van de koning voor een richtingenstrijd aan het hof.
Koning Lodewijk II van Beieren – bouwer van het ‘sprookjeskasteel’ Neuschwanstein – was misschien wel de eerste vorst die een officiële diagnose kreeg. Hij werd in 1886 door de psychiater Bernhard von Gudden onderzocht omdat hij al jaren verontrustend gedrag vertoonde (dwangstoornissen, auditieve en visuele hallucinaties, urenlange scheldpartijen). Zijn arts concludeerde dat hij „in vergaande mate zielsgestoord” was en bovendien „paranoïde”. De koning werd uit zijn ambt gezet en opgevolgd door zijn broer Otto I, die zijn werk aan een regent moest overlaten omdat ook hij met ernstige mentale problemen te kampen had. Lodewijk zelf werd later in 1886 dood aangetroffen in een meer, samen met zijn psychiater. Of het een ongeval, moord of zelfmoord betrof is nooit met zekerheid vastgesteld.
Handboek van de psychiatrie
Van de mannen hierboven werd door hun tijdgenoten al geconstateerd dat er iets niet goed met ze was. Andere leiders – denk aan Dzjengis Khan en Vlad Dracula (en Stalin en Hitler) – werden door hun tegenstanders en slachtoffers gezien als kwaadaardig, maar niet per se als ‘gek’, terwijl ze anno 2026 hoog zouden scoren op een aantal categorieën in de DSM-5, het handboek van de psychiatrie.
In tijden van door God gegeven koningschap, zat het establishment met het probleem dat de heerser formeel niet uit zijn functie kon worden gezet. Een mad king zorgde daardoor voor instabiele en vaak gewelddadige situaties waarin hovelingen de macht naar zich toe probeerden te trekken. Dat probleem bestaat in een democratie niet, net zomin als het gevaar dat erfelijke heersers van generatie op generatie mentale kwetsbaarheden doorgeven.
En toch zitten de Verenigde Staten nu met een leider opgescheept die volgens zijn critici niet goed bij zijn hoofd is. In vroeger tijden leidde de heerschappij van zo’n gekke koning vaak tot geweld – intern en extern. Het is afwachten wat de (nabije) toekomst in petto heeft.
“If the splendour of a thousand suns were to blaze out together in the sky, that might resemble the glory of that Mahâtman.” Bhagavad Gita: Hoofdstuk 11, Vers 12.
Het onmetelijke – uit ‘De breuk’ van Maarten Houtman.
Hieronder een fragment uit de autobiografische roman ‘De breuk’ van Maarten Houtman, hoofdstuk ‘Het onmetelijke’. Het troepentransportschip waarmee Maarten terug naar Holland vaart, komt vlak na de schemer in een zandstorm terecht. Gewapend met een oliepak en een stofbril, neemt hij aan dek het schouwspel in ’t oog.
Een torenhoge rode stofstorm boven de oceaan, wanneer een cycloon Onslow in Australië nadert.
“Ik vergeet alles en kijk er zó intens naar, dat ik meegevoerd word door het geweld van de zandrivieren die zich in de einder verliezen. Alle ballast is van me afgenomen. Schoongeschuurd heb ik het kleine schip met zijn mierenbedrijvigheid verlaten en ben ik onderweg naar wat nog komen moet, maar dat ik al vermoed. Ongeremd door overwegingen en menselijke berekeningen zuigt de verte me op, steeds sneller, totdat ik door een open plek de sterren op me af zie komen, eerst wit en ver, dan steeds dichterbij in allerlei kleuren van zacht tot verblindend fel. Ik moet nu terug zijn in de oorsprong en kan opnieuw gevormd worden, zonder al de aangroeisels die me tot nu toe verstikt hebben en waar de mensen zo trots op zijn. Daaraan te sterven lijkt weldadig.” Maarten Houtman, De breuk | Het onmetelijk.
Afbeelding bovenaan: ’Stervende reuzenster blijkt niet alleen en dat zegt iets over onze toekomst’ Wetenschappers aan de KU Leuven hebben voor het eerst hard bewijs gevonden voor het bestaan van 'begeleiders' rond een stervende superster. Rond zulke oude sterren draaien soms andere sterren of planeten, die elkaar onderling kunnen beïnvloeden. Door het gedrag van die begeleiders te begrijpen, kunnen we beter voorspellen hoe ook onze eigen zon zich verder zal ontwikkelen. De onderzoekers gebruikten de ALMA-telescoop in Chili, een netwerk van 66 radiotelescopen dat bijzonder geschikt is om gas- en stofstructuren in detail in beeld te brengen. Scientias.nl
‘The Burning of the Houses of Lords and Commons’ (1834) van J.M.W. Turner. Bron Cleveland Museum of Art [vergroten door te klikken]
In Tate Britain in Londen is onlangs de dubbeltentoonstelling over het werk van J.M.W. Turner en John Constablegeopend, onmiskenbaar de twee belangrijkste Engelse landschapsschilders van de romantiek. Maar ook twee kemphanen die elkaar niet konden uitstaan.
Dit artikel is geschreven door Rutger Pontzen schrijft voor de Volkskrant over beeldende kunst. Gepubliceerd op 2 januari 2026, 05:01
Misschien had dit stuk achterstevoren geschreven moeten worden, conform het idee dat je de tentoonstelling Turner & Constable, nu in de Londense Tate Britain, het best van achteren naar voren kunt bekijken. Het is sowieso een tip. Stiefel aan het begin van de expositie langs de portretten van de twee belangrijkste Engelse landschapsschilders – o, wat lijken ze op elkaar! – naar de laatste zaal, en keer om.
Wandel dan terug en vraag u af: tot wanneer blijft Constable de lieflijke Constable zoals we die kennen, en tot welk schilderij is Turner de woeste Turner op wie iedereen zo tuk is? Wat blijkt: het onderscheidende imago dat beide kunstenaars altijd hadden, is maar de helft van het verhaal.
De nukkige en de brave
Wat dat imago inhield? Dat J.M.W. Turner (1775-1851), roepnaam William, de onaangepaste, experimentele en nukkige schilder van de twee was. Met zijn semi-abstracte zeegezichten waarop altijd wel een boot ontploft, een desastreus onweer uitbreekt, de zon achter mistflarden van roze en gele wolken schuilgaat en een Venetiaanse gondel dreigt te zinken.
En John Constable (1776-1837)? Ach, de brave hendrik. De wat suffe, saaie, maar kundige documentalist van het plattelandsleven. De Engelse equivalent van de Nederlander Jacob van Ruisdael. Met zijn oog voor hardwerkende boeren, trekpaarden, platbodems, met riet bedekte stallen, stille poelen en wuivende eiken.
John Constable (1776-1837). Bron National Portrait Gallery London [vergroten door te klikken]
Het is mooi dat in Londen deze clichématige vooroordelen niet uit de weg worden gegaan, vanaf de tweede helft van de expositie althans; om precies te zijn – spoiler alert! – zaal zes. Daar ontrolt zich het grote verschil tussen beiden en vinden ze hun karakteristieke stijl en onderscheidende thematiek. Daar wordt duidelijk dat de term uit de ondertitel van de expositie – ‘rivalen’ – inderdaad klopt.
Tot grote hoogte
Dat is de invalshoek die er in de Tate is gekozen: deze twee grootheden konden het niet met elkaar vinden, boksten tegen elkaar op en lieten elkaar in hun onderlinge vijandigheid tot grote hoogte stijgen. Precies zoals Picasso en Matisse dat hebben gedaan, Michelangelo en Da Vinci, Manet en Degas, zoals in de catalogus wordt gememoreerd.
Turner kwam voor velen altijd met 10-0 als winnaar uit de tweestrijd, omdat hij het experiment aandurfde, zijn tijd ver vooruit was en de latere abstracte kunst al in zijn werk had voorvoeld. Daarbij voldeed zijn karakter het meest aan het beeld van de egocentrische, weerbarstige avant-gardekunstenaar zoals wij dat in de 20ste eeuw zijn gaan omarmen.
J.M.W. Turner (1775-1851). Bron Tate Britain [vergroten door te klikken]
Met dank aan Mr. Turner, de fantastische film van Mike Leigh, waarin de schilder wordt neergezet als de onaangepaste excentriekeling, revolutionair, einzelgänger en hork – hoewel uiteindelijk ook sympathiek. Niet voor niets draagt het 20-pondbiljet van de Bank of England het zelfportret van Turner en is de belangrijkste prijs voor hedendaagse kunst in het Britse koninkrijk naar hem vernoemd.
Trouw aan de Stour
Wellicht dat Turner boven Constable werd verkozen omdat ze, hoewel maar met één jaar verschil geboren, in een andere omgeving zijn opgegroeid. De jongste, Constable, op het platteland in een gezin van de gegoede, ietwat angstvallige burgerij. Met ouders die hem voorhielden dat hij met zijn artistieke talent weinig zou verdienen, in tegenstelling tot met het familiebedrijf: de niet onverdienstelijke graanhandel waarin zijn vader rijk was geworden.
Constable, de meer ingetogen schilder, zou pas op latere leeftijd naar Londen verhuizen om er lid te worden, net als Turner eerder deed, van de Royal Academy. Maar hij zou zijn geboortegrond aan de Stour, een rivier tussen Essex en Suffolk, door melancholie en heimwee altijd in zijn landschappen trouw blijven. Zijn oeuvre is toch een grote liefdesverklaring aan de Engelse bossen, riviertjes en korenvelden. Met als letterlijke hoogtepunten Hadleigh Castle en de kerktorens van Dedham en Salisbury.
‘Dedham Vale’ (1828) van John Constable. Bron Antonia Reeve [vergroten door te klikken]
Altijd is er wel ergens een hooiende agrariër te bekennen, een varende schipper, zogende moeder, rustende schaapsherder of bedrijvige sluiswachter met wie je je kunt identificeren. Vooral door de kalme ambachtelijkheid waarmee zij zich voegen naar het landschap alsof ze zelf boom, struik, boot of wolk zijn.
Het is een idyllische voorstelling van de relatie tussen mens en natuur die meer zegt over het redelijk rimpelloze bestaan van Constable, dan over het weerbarstige leven op het platteland. (Het daagde de Engelse kunstenaar Peter Kennard ertoe uit in 1980 om, als commentaar, in een kopie van een van Constables landschappen drie kruisraketten te plakken: Haywain with Cruise Missiles. Het kon in de tijd van herbewapening wel wat realistischer, vond hij.)
Stadsjongen met Cockney accent
Hoe anders was het jeugdige leven van Turner, de kapperszoon in het levendige en destijds volkse Covent Garden? Zijn vader leerde hem zijn eerste tekeningen, hangend in de etalage, te verkopen. De stadsjongen met zijn Cockney accent, streetwise en niet op zijn mondje gevallen, was een talent en werd al op jonge leeftijd toegelaten tot de prestigieuze Royal Academy.
In tegenstelling tot Constable reisde Turner veel naar en door het buitenland. In zijn talloze schetsboekjes wemelt het van vergezichten en luchten in Noord-Frankrijk, België, Duitsland en Italië. Met name het sprookjesachtige Venetië moet hem bekoord hebben, gezien de grote hoeveelheid schilderijen die de ochtendmist over de Canal Grande laten zien.
Of je het karakterologisch kunt verklaren, is moeilijk te zeggen, maar de woelige, stadse, concurrerende inborst van Turner komt wel overeen met het werk dat hij afleverde. In de latere schilderijen is alles in beweging. Kleuren knallen je tegemoet: een zonsondergang in vijftig tinten geel; een stoomboot in een tornado van sneeuw; een allesverzengende vuurzee die niet alleen de Houses of Parliament maar ook het schilderij in vlam lijkt te zetten.
Dat hij met spuug schilderde, zowel poetsdoeken en zijn vingers gebruikte als penselen en kwasten, en aquarelpapier onderdompelde in kleurbaden is meer dan een loze overdrijving. Over zijn aquarellen gesproken: de losse, soepele manier van schilderen zette hem, eerder dan in zijn olieverfdoeken, op het spoor dat kleur en verf kunnen verworden tot licht en atmosfeer. Onstoffelijk. Constable beschouwde de werkwijze van Turner als een aanslag op zijn werk: ‘[Turner] was here and fired a gun.’
Onderdompelen in een fantasielandschap
Tot zover de onderlinge, rivaliserende verschillen. De Tate-expositie wil benadrukken dat Turner de gepassioneerde sfeerschilder is en Constable de anekdotische dingenschilder. Dat Constable altijd de Engelsman is gebleven, terwijl Turner zich het warme, Zuid-Europese licht toe-eigende.
Van een afstandje gezien vertegenwoordigen de twee kemphanen beide zijden van dezelfde penny: het verlangen om ondergedompeld te worden in vervoering, in een fantasielandschap. Beiden verbeeldden een wereld die voornamelijk in hun geest bestond; de ‘bacchantische roes waarin geen lid niet dronken is’, zoals Hegel de vrije, artistieke geest van de romantiek beschreef.
De wedstrijd om de titel ‘grootste romanticus van het Engelse landschap’ mag in Londen de rode draad zijn, het verbloemt hoe algemeen dit romantische gevoel destijds was. En hoezeer de Engelsen een doorleefde liefde hadden (en nog immer hebben) voor weidse weidevelden, heuvels, kliffen, geschoren heggetjes en ‘gardening’ – heel anders dan de Fransen met hun langs de meetlat ontworpen tuinen (denk aan Versailles) en de Duitsers met hun mythische wouden.
De Engelse tuin
Niet alleen was er al een eeuw voor Turner en Constable een notoire traditie in het landschapsschilderen (met Richard Wilson, Thomas Gainsborough en William Hodges), denk ook aan de geënsceneerde tuinaanleg van Capability Brown, de Piet Oudolf van de 18de eeuw.
Brown was de uitvinder van de ‘Engelse tuin’: lieflijk en glooiend, maar ook grillig en beweeglijk; vol kronkelige riviertjes en onverwachte doorkijkjes waarin hier een tempeltje was te zien, daar een ruïne en verderop een waterval. Een schilderachtig decor dat artificieel was aangelegd, maar ruraal en verwilderd oogde.
Het verlangen ernaar werd overigens, zeker in de 19de eeuw, nog eens extra gevoed door de industrialisatie die in de Engelse steden ongekend smerige gevolgen had, met zijn smog, armoede, drukte en lawaai. Daar komt bij dat door de Franse oorlogsdreiging en blokkade in het Kanaal (met dank aan Napoleon) de Engelsen zich bewuster werden van de landschappelijke geneugten en landbouwproducten om te overleven.
TURNER EN DE SLAVERNIJ
Was Turner tegen slavernij of niet? In 1840 schilderde hij, als aanklacht tegen de slavenhandel, het doek Slavenhandelaren gooien de doden en stervenden overboord – Tyfoon in aantocht. Aanleiding was een soortgelijke gebeurtenis 1781 met het slavenschip Zong. Maar in zijn recent verschenen boek Turner and the Slave Trade betoogt Sam Smiles juist dat Turner eerder investeerde in een Jamaicaans landgoed waar slavenarbeiders werkten, en werk verkocht aan verzamelaars die bij de slavenhandel betrokken waren.
De patriottische, herderlijke romantiek is dus zeker de bakermat geweest voor zowel Constable als Turner, met de natuur als een overweldigende, sublieme kracht. De manier waarop Turner Hannibal over de Alpen schilderde, in een onbarmhartige storm, komt overeen met de heroïsche manier waarop Constable de kathedraal van Salisbury uitbeeldde onder een woeste wolkenlucht met regenboog.
Wat de tijdgenoten bindt
Voor wie in Londen op en neer door de zalen wandelt wordt het steeds duidelijker wat deze tijdgenoten bindt. Want vergis je niet: er zit iets vasthoudend traditioneels in beiden. Ook bij Turner. In al het coloristische geweld duikt er altijd wel ergens een romeinse zuil op, een tempelfront, een havengezicht met een scène uit de Ilias – alsof hij Capability Brown in olieverf heeft willen uitbeelden.
‘Rainstorm over the Sea’ (ca. 1824 -1828) van John Constable.Bron Photo Royal Academy of Art. Foto: John Hammond. [vergroten door te klikken]
En laten we wel wezen: de wand vol gedetailleerde wolkenstudies die Constable schilderde, laat een kien oog zien voor de onstuimigheid van het weer, waar Gerrit Hiemstra zijn vingers bij zou aflikken. Beekjes verworden tot woelige rivieren, rustieke boomkruinen tot ruisende bimi’s. De toon is menigmaal apocalyptisch; het gebruik van paletmes ronduit zwierig.
Zeker op het einde van zijn leven ontwikkelde Constable een robuustere, klodderige manier van verven, waar tegenover het waterige veegwerk van Turner verbleekt. Dus die tweestrijd waarin Turner met 10-0 won van Constable? Maak daar maar een gelijkspel van.