Het Louvre toont de verbluffend virtuoze gravures van ‘mooie Martin’ Schongauer, die meer invloed had dan tot nu toe werd gedacht

Expositie Parijs
Het Louvre toont een zeldzaam volledig overzicht van schilderijen en prenten van de laatmiddeleeuwse Franse kunstenaar Martin Schongauer, en illustreert hoe kunstenaars na hem door zijn werk beïnvloed werden.
Met dank aan NRC
Bram de Klerck
Gepubliceerd op 24 april 2026

Hans Burgkmair, Portret van Martin Schongauer (1483).


AFBEELDINGEN VERGROTEN DOOR TE KLIKKEN Rechtsboven.

‘Mooie Martin’ was een veelgebruikte bijnaam van de schilder en graveur Martin Schongauer (ca. 1445-1491). Zou de kunstenaar inderdaad gezegend zijn geweest met een bijzonder aantrekkelijk voorkomen? Of was het een associatie die opkwam bij zijn achternaam? Zeker is dat zijn jongere collega en bewonderaar Albrecht Dürer een pentekening bezat met een voorstelling van Christus waarboven hij schreef dat „hübschMartin” die had gemaakt in 1469. Dürer heeft Schongauer waarschijnlijk nooit ontmoet en zal dus vooral hebben gedoeld op de bekoorlijke kwaliteit van diens werk.

De laatmiddeleeuwse kunstenaar Schongauer, die werkte in het grensgebied van Frankrijk en Duitsland, is nooit vergeten. Maar veel van zijn werk is later wel in de schaduw komen te staan van dat van Dürer en andere schilders en prentenmakers van de renaissance. Een tentoonstelling in het Louvre stelt Schongauer nu centraal in een prachtig overzicht van zestig gravures, plus enkele pentekeningen en een handvol paneelschilderijen van zijn hand. Daarnaast wordt, met nog eens veertig prenten, schilderijen en toegepaste kunst van latere makers, aandacht besteed aan de voorbeeldfunctie van zijn werk.

Elegantie en detail in prent en paneel

”Zoals dit filmpje op de website van het Louvre fraai illustreert” – zie onder.

Martin Schongauer, geboren omstreeks 1445 in Colmar, zo’n zeventig kilometer ten zuiden van Straatsburg, bracht het grootste deel van zijn carrière door in de huidige Noord-Franse regio Elzas. Zijn opleiding als kunstenaar kreeg hij er in het atelier van zijn vader, die edelsmid was. Die achtergrond verklaart meteen zijn uitstekende beheersing van het graveren in koperplaten, een techniek die ook werd toegepast voor het decoreren van metalen sieraden en andere voorwerpen. Schongauer was daarmee een pionier op het gebied van de prentkunst, die in zijn tijd nog in de kinderschoenen stond. Hij hanteerde de burijn, gereedschap om mee te graveren, opvallend vrij. Zoals dit filmpje [zie boven] op de website van het Louvre fraai illustreert, levert deze techniek in de afdruk bijna tekenachtige effecten op.

Maar Schongauers uitbeeldingen van kelken, monstransen en andere kerkelijke voorwerpen verraden inzicht in de manier waarop dergelijke werken werden gemaakt. Een gravure met een voorstelling van een wierookvat (1470-1475) toont bijvoorbeeld het delicaat vormgegeven, opengewerkte object, compleet met sierlijke gotische traceringen, gedetailleerde bloemmotieven en figuurtjes van engelen. Die doen tegelijkertijd dienst als bevestigingspunten van de kettingen waaraan zo’n vat gevuld met smeulende wierook heen en weer wordt geschommeld.

Rembrandt kijkt naar Schöngauer
Journal of Historians of Netherlandish Art.

De expositie toont ongeveer de helft van Schongauers prenten. Ze getuigen van een verbluffende virtuositeit en van een detaillering die ook van de kijker concentratie vereist – of het nu een grote voorstelling betreft van de Kruisdraging van Christus(1470-1475), een landschap met veel figuren of een ornamentaal blad met bloemranken waarin je pas na twee keer kijken de vogels ontwaart, zoals een agressieve steenuil die een mus verslindt.

Van Schongauers zes nu nog bekende schilderijen toont de expositie er vijf, waaronder het topwerk Madonna van de rozenhaag, een twee meter hoog altaarstuk op paneel uit 1473. Maria zit op een bankje met het naakte Christuskind in haar armen, recht onder de kroon van de Koningin der Hemelen die twee engelen boven haar hoofd houden. De ernst van de thematiek wordt gerelativeerd door de liefdevolle omhelzing van moeder en kind, en door een vlechtwerk van kleurige bloemen met vogeltjes op de achtergrond. Toch dragen ook die elementen, volgens middeleeuwse interpretaties, bij aan de serieuze boodschap: de aanwezigheid van witte lelies duidt op Maria’s maagdelijkheid, de rode rozen symboliseren het bloed van het kruisoffer, een distelvink verwijst naar de doornen in de kroon van de lijdende Christus.

Internationale navolging en invloed

De eerste van de twee expositieruimtes in de Mezzanine Napoléon van het Louvre toont alleen werk van Schongauer zelf en zou daarmee al een mooie afgeronde expositie geweest zijn. Maar nog verrassender is de tweede zaal, die aandacht besteedt aan de manier waarop kunstenaars tot ver buiten de Elzas Schongauers werk als voorbeeld namen. Vooral zijn prenten, relatief goedkoop te maken en gemakkelijk te verspreiden, kregen al snel navolging tot in de verste hoeken van Europa. Schongauers composities en motieven beïnvloedden befaamde kunstenaars, onder wie Dürer in zijn prenten en misschien zelfs Michelangelo in een schilderijtje (niet in de expositie). Maar nog verrassender is de receptie in soms heel andere media. Zo voorzag een anonieme meester in Limoges in 1520-1530 twintig koperen plaatjes van kleurige emailschilderingen met voorstellingen die direct zijn geïnspireerd op Schongauers prentenserie met scènes van het lijden van Christus.

Van groter formaat maar heel wat bescheidener kwaliteit is een paneel van ongeveer een meter hoog met de Verzoeking van de heilige Antonius (1480-1495) door de 15de-eeuwse Spaanse schilder Martin Bernat [zie beneden].De houterige voorstelling toont de heilige die, tijdens zijn eenzame verblijf in de wildernis, wordt aangevallen door demonen. Die zijn fantasievol weergegeven met grijnzende koppen, hele of halve dierenlijven en vleermuisvleugels: een vereenvoudigde maar onmiskenbare kopie naar Schongauers magistrale gravure van hetzelfde thema. Het schilderij laat zien hoe snel het werk van mooie Martin zich over Europa verspreidde — en hoe moeilijk zijn verfijnde schoonheid elders te evenaren bleek.

Met dank aan NRC

Eigen aanvullingen

 
Tentoonstelling
Martin Schongauer, ‘Le bel immortel’. T/m 20 juli in het Louvre, Parijs. Inl. www.louvre.fr.
”Dit werk, dat zich momenteel in het Alma Mater Museum bevindt en oorspronkelijk afkomstig is uit de Iglesia de San Miguel Arcángel in Alfajarín, is een uitstekend voorbeeld van Aragonese gotische schilderkunst.
Van 8 april tot 20 juli 2026 is het te zien in het Louvre in Parijs als onderdeel van de tentoonstelling "Martin Schongauer (Colmar, circa 1445 – Breisach, 1491), De Schone Onsterfelijke". We zijn verheugd dat een van 's werelds belangrijkste musea dit werk in zijn collectie heeft opgenomen.”
Meer berichten van almamatermuseum

VN: wederopbouw Gaza gaat meer dan 60 miljard euro kosten

Bobby Uilen
Gepubliceerd op20 april 2026 om 23:10

NIEUWS

De wederopbouw van Gaza zal de komende tien jaar 71,4 miljard dollar kosten, omgerekend 60,5 miljard euro. Dat is de conclusie van de definitieve „schade en behoeftenanalyse” die de Verenigde Naties (VN) en de Europese Unie maandag hebben gepubliceerd.

De genocidale oorlog die Israël voert in de Gazastrook, heeft het gebied in puin achtergelaten. De zwaarst getroffen sectoren zijn huisvesting, gezondheidszorg en onderwijs, aldus het rapport. Meer dan 370.000 huizen zijn verwoest, de helft van de ziekenhuizen is niet meer functioneel en nagenoeg alle scholen zijn vernietigd.

Van het totale bedrag moet volgens de VN en de EU 22,3 miljard euro in de eerste anderhalf jaar worden uitgegeven. Dat is nodig voor het opstarten van essentiële diensten en reparatie van kritieke infrastructuur. Hieronder vallen bijvoorbeeld het opzetten van (tijdelijke) ziekenhuizen en scholen, noodvoorzieningen voor water en hygiëne, en herstel van toegang tot mobiele netwerken. Ook de ontmanteling van munitie en het opruimen van puin en gevaarlijk afval heeft prioriteit.

77 jaar terug in de tijd

De auteurs hebben ook de humanitaire impact van de genocide onderzocht. Volgens de VN-maatstaf HDI, waarmee op basis van verschillende factoren een score wordt gegeven aan menselijke ontwikkeling, is die menselijke ontwikkeling in de Gazastrook 77 jaar teruggeworpen in de tijd.

Zo zijn 1,9 miljoen mensen ontheemd geraakt en heeft meer dan 60% van de bevolking geen huis meer. Vrouwen, kinderen en mensen met kwetsbaarheden zoals een handicap of een (chronische) ziekte lijden daar het meest onder.

Het rapport rept niet over hoe de miljarden verzameld moeten worden. De berekening is bedoeld als kader voor de herstelplannen, die nog niet concreet zijn. De VN en de EU benadrukken dat de wederopbouw geleid moet worden door de Palestijnen zelf, en moet samenvallen met „duurzaam politiek beleid gebaseerd op de tweestatenoplossing”.

Sinds oktober 2025 is er officieel een staakt-het-vuren van kracht in Gaza. Het Israëlische leger schendt dit bestand systematisch: nog bijna dagelijks worden Palestijnen gedood door Israëlisch geweld. Hoe en wanneer de wederopbouw precies kan beginnen, is dan ook een grote vraag.



Meer Midden Oosten op ShakingLife.nl

Rond de Perzische Golf geldt al eeuwen: wie de Straat van Hormuz beheerst, beheerst de regio

ACHTERGROND

Hugo Schiffers, NRC

Gepubliceerd op 14 april 2026

Geschiedenis van zeestraat 
Al honderden jaren is de Straat van Hormuz een knooppunt in de wereldhandel. Landen in de regio en handelsnaties weten dat wie de zeestraat weet te blokkeren, een effectief wapen in handen heeft. Zelfs Nederland hanteerde dit machtsmiddel. 

Toen The New York Times in 1975 aan de Iraanse sjah Mohammed Reza Pahlavi vroeg waarom hij een troepenmacht naar Oman, aan de overkant van de Straat van Hormuz, had gestuurd, wees hij op het cruciale belang van deze zeeweg. 

De sultan van Oman had hulp nodig om een marxistische opstand de kop in te drukken. Die wilde Pahlavi maar al te graag geven. „Stel je eens voor dat die wilden de andere kant van de Straat van Hormuz in handen krijgen”, aldus de sjah. „Ons leven hangt daarvan af.”

De Amerikaanse president Donald Trump realiseert het zich nu pas. Maar de sjah zei wat al eeuwen bekend is: wie de Straat van Hormuz beheerst, beheerst de regio. 

Door de zeestraat af te sluiten treden de Iraniërs – en nu ook de Amerikanen – in de voetsporen van onder meer Portugese conquistadors, de Verenigde Oost-Indische Compagnie en het Irak van Saddam Hussein.

De Straat van Hormuz was altijd al een knooppunt in de wereldhandel. Land- en zeeroutes tussen Azië, Afrika en Europa komen er samen. Wie daar tol weet te heffen, loopt binnen. 

Vanaf de elfde eeuw na Christus waren dat de inwoners van de havenstad Hormuz, gelegen aan wat nu de Iraanse zijde van de zeestraat is. Hormuz wist door zijn gunstige ligging uit te groeien tot een koninkrijkje. Marco Polo deed het eind dertiende eeuw aan tijdens zijn reis naar China en keek er zijn ogen uit. Het klimaat vond hij moordend en de lokale scheepsbouw stelde volgens hem weinig voor. Maar de wijn was er lekker. En bovenal was er de handel: in zijn reisverslag schrijft de ontdekkingsreiziger vol ontzag over „schepen volgeladen met specerijen en edelstenen, parels, zijden en gouden stoffen, olifantentanden en vele andere waren”. 

Niet voor niets doopten de Arabieren Hormuz „de edelsteen in de gouden ring van de wereld” en koos John Milton er voor om in Paradise Lost (1667) de troon van de duivel te beschrijven als een zetel die zelfs „de rijkdom van Ormus voorbijstreeft”.

AFBEELDINGEN VERGROTEN DOOR TE KLIKKEN

Rots in de zee

Het koninkrijk van Hormuz verloor begin zestiende eeuw zijn onafhankelijkheid aan de Portugezen. Nadat admiraal Afonso de Albuquerque in 1510 het Indiase Goa veroverde − en zo de basis legde voor het Portugese rijk in Azië − richtte hij zich op het veiligstellen van de handelsroutes tussen Portugal en de nieuwe overzeese gebieden. 

Hormuz was hierbij een onmisbare schakel. Het koninkrijk was inmiddels verplaatst van de Iraanse kust naar een rotsachtig eilandje in de zeestraat zelf, dat nog altijd bekendstaat als Hormuz-eiland. Alburquerque wist dit met zo’n vijfhonderd soldaten te veroveren, waarna ze van Hormuz een vazalstaat maakten. De overblijfselen van het fort dat Albuquerque liet bouwen zijn nog steeds te vinden op de noordkaap van het eiland.   

De Portugezen hanteerden een soortgelijke strategie als de Iraanse Revolutionaire Garde afgelopen weken probeerde toe te passen met mijnen, drones en raketten. Vanuit Hormuz en andere kustplaatsen aan de Indische Oceaan hieven de conquistadors tol op schepen. Wie niet betaalde, kon door Portugese patrouilleschepen tot zinken worden gebracht.

Dit leidde tot verzet van opkomende machten zoals Engeland en de Republiek. De Engelsen en Nederlanders begonnen zelf Portugese schepen aan te vallen. Bekendst is de Nederlandse kaping van het Portugese koopvaardijschip de Santa Catarina in 1603 in de Straat van Malakka.

Mare Liberum

Het incident met de Santa Catarina leidde internationaal tot grote verontwaardiging. Ook binnen de VOC zelf vroegen aandeelhouders zich af of de compagnie niet buiten zijn boekje was gegaan. 

Zalvende woorden kwamen van een jong juridisch talent uit Delft. Hugo de Groot schreef in opdracht van de VOC zijn Mare Liberum (ofwel Vrije Zee), waarin hij betoogde dat de zee van iedereen is en dus vrij toegankelijk moet zijn voor alle landen om handel te drijven. Door andere landen dit recht te ontzeggen, maakten de Portugezen zichzelf tot een legitiem doelwit voor tegenmaatregelen.

De redenering van De Groot – die de basis zou vormen van het moderne internationale zeerecht – wordt vierhonderd jaar na dato nog gebruikt om de Iraanse blokkade van de Straat van Hormuz te veroordelen. 

De VOC loste handelsdisputen met de sjah op door de Straat van Hormuz te blokkeren

Inmiddels was de macht van de Portugezen tanende. In 1622 zag sjah Abbas I van Perzië zijn kans schoon om Hormuz-eiland te veroveren. Omdat de sjah niet over een eigen vloot beschikte, wendde hij zich tot zowel de Engelsen als de Nederlanders voor de nodige schepen. 

Beide landen wisten hier de vruchten van te plukken. De Nederlanders groeiden in de zeventiende eeuw uit tot de dominante zeemacht in de Golf en waren eeuwlang de belangrijkste handelspartner van de Perzen. Handelsdisputen met de sjah loste de VOC op door de Straat van Hormuz te blokkeren − waarbij het werk van Hugo de Groot voor het gemak werd vergeten.

Tankeroorlog in de Golf

In 1908 vonden de Britten olie in Iran. Die vondst veranderde het Midden-Oosten voorgoed − en daarmee ook de Straat van Hormuz. Binnen enkele jaren legden de Britten met toestemming van de Iraanse sjah tweehonderd kilometer aan oliepijpleiding aan die uitmondde bij de Perzische Golf.

Hormuz, al eeuwenlang de brug tussen Oost en West, werd zo ook de aanvoerroute voor de brandstof van de twintigste eeuw. De impact van blokkades van de zeestraat was voortaan wereldwijd te merken. Het Verenigd Koninkrijk blokkeerde begin jaren vijftig de Straat van Hormuz nadat de Iraanse premier Mohammad Mossadegh de olie-industrie, die grotendeels eigendom was van de Britse staat, nationaliseerde.

De huidige sluiting van de Straat heeft misschien nog wel het meeste weg van een episode tijdens de Iran-Irak oorlog (1980-1988). Toen de strijd op het land verzandde in een patstelling, besloot de Iraakse president Saddam Hussein een tweede front te openen in de Perzische Golf. Met luchtaanvallen en mijnen viel hij Iraanse tankers aan rond het eiland Kharg, dat ook toen al cruciaal was voor de Iraanse olie-industrie.

Iran sloeg terug door schepen met bestemming Irak en diens bondgenoten in de Golf aan te vallen. Het was het begin van wat de „Tankeroorlog” is gaan heten. Op verzoek van Iraks bondgenoot Koeweit begon de Amerikaanse marine in 1987 met het escorteren van schepen door de Straat van Hormuz.

Nederland en andere bondgenoten van de Verenigde Staten stuurden mijnenjagers naar de regio. De missie verliep moeizaam: de Iraniërs bleken sneller mijnen te kunnen leggen dan de internationale coalitie ze kon opruimen. 

Bovenaan:  Marco Polo komt aan in Hormuz, geïllustreerd manuscript van Mazarine-meester 1410-1412. 


Meer Midden Oosten op ShakingLife.nl

Wat drijft Israël? Dit zijn de motieven voor de oorlogen in Iran en Libanon

Boven:  Israëlische militairen op de grens met Zuid-Libanon, waar inwoners door het Israëlische leger gewaarschuwd werden te evacueren.

Derk Walters, NRC
Gepubliceerd op19 maart 2026

Wat Donald Trump met Iran wil, is lastig te achterhalen. Vrijwel dagelijks, en soms zelfs meerdere keren per dag, geeft de Amerikaanse president wisselende motivaties voor zijn oorlog.

Daarbij vergeleken zijn de motieven van aanvalspartner Israël duidelijk. In Iran moet het regime weg. In Libanon moet Hezbollah vernietigd worden.

Anders dan Trump heeft de regering-Netanyahu een coherente visie. Een analyse van de Israëlische grondslagen van beleid, in vier delen.

Vergroten door te klikken.

De verwoestingen die Israëlische luchtaanvallen in Beiroet veroorzaken zijn groot.

Dit nooit meer’

Het hedendaagse militarisme in Israël is verbonden met de geschiedenis van het zionisme, zegt Yaron Peleg, hoogleraar moderne Hebreeuwse studies aan de Universiteit van Cambridge. Israël is na de Holocaust zo sterk bezig geweest met ‘dit nooit meer’, aldus Peleg, dat het elke mogelijke dreiging bij voorbaat de kop wil indrukken.

Peleg, per e-mail: „De zionistische militaire capaciteiten, aanvankelijk defensief, vermengden zich met een groeiend Holocaust- of slachtofferdiscours in Israël en ontwikkelden zich tot een extreem agressief militarisme. Je kunt het omschrijven als de gepeste die zelf een pestkop werd. Israël lijkt te compenseren voor een lange geschiedenis van misbruik als gemarginaliseerde gemeenschap, met geweld dat volstrekt buiten proportie lijkt ten opzichte van de bedreigingen.”

Werkt dat ook? Analist Brown wijst op de successen, zoals de adembenemende inlichtingenpositie, het vermogen van het Israëlische leger om zich te bewegen waar het wil en de vijand zware verliezen toe te brengen. Maar, waarschuwt hij, in deze strategie heeft oorlog geen duidelijk eindpunt meer, omdat militaire actie niet langer wordt gebruikt om een stabiele politieke orde te creëren. „In plaats daarvan wordt oorlog de orde zelf.”

DOEL
Permanente veiligheid

Het veranderen van het regime in Iran en het vernietigen van Hezbollah zijn acties met als doel om de veiligheid van Israël te waarborgen. De Australische genocidewetenschapper Dirk Moses van de City University of New York ontwikkelde het concept ‘permanente veiligheid’, dat goed op Israël toepasbaar is. Israël wil zijn inwoners, en bij uitbreiding het hele Joodse volk, permanente veiligheid bieden – en daarvoor moet alles wijken.

Zogenaamd progressieve Israëlische regeringen hebben sinds eind jaren veertig etnische zuivering, collectieve bestraffing en land- en eigendomsdiefstal in de praktijk gebracht

Dirk Moses  Australische genocidewetenschapper

Het streven naar absolute veiligheid betekent ook dat Israël anticipeert op toekomstige bedreigingen. Dit maakt aanvallen op hele bevolkingsgroepen noodzakelijk, om te verhinderen dat er uit dat vijandige volk ooit opstandelingen tegen Israël voortkomen. Dit is volgens Moses ook de rationale achter de totale verwoesting van Gaza: dit moest ervoor zorgen dat Hamas nooit meer Israël kan bedreigen.

Veiligheid is altijd de hoogste prioriteit geweest voor alle Israëlische regeringen, zegt Moses. „Zogenaamd progressieve Israëlische regeringen hebben sinds eind jaren veertig etnische zuivering, collectieve bestraffing en land- en eigendomsdiefstal in de praktijk gebracht. Dit zijn de basisprincipes van elke koloniale staat: geen inheems volk geeft vrijwillig zijn land op.”

Een appartement in Tel Aviv wordt geïnspecteerd nadat het geraakt is bij een Iraanse raketaanval, waarbij twee doden vielen. Het Israëlische leger bij de grens met het zuiden van Libanon.

De regering-Netanyahu heeft dit volgens Moses naar een „hoger, intensiever niveau” getild, door te pleiten voor permanente controle, de uitbreiding van nederzettingen en het verwerpen van het tijdelijke karakter van de bezetting op de Westelijke Jordaanoever en in Gaza. Deze aanpak is gericht op het actief hervormen van het Midden-Oosten.

In Libanon, zegt Moses, past Israël sinds 2024 de ‘Dahiya-doctrine’ toe: de massale vernietiging van infrastructuur en het vergiftigen van landbouwgrond om gebieden onbewoonbaar te maken. „Voorstanders prijzen dit als een manier om oorlogen te verkorten door de prijs voor de vijand ondraaglijk hoog te maken. Maar het schendt wel het beginsel van proportionaliteit in het humanitair oorlogsrecht.”

Inherent paranoïde

De Israëlische „hyperwaakzaamheid”, zoals Moses het noemt, is „inherent paranoïde”, en kan juist een onveilige situatie opleveren: als je iedereen als een potentiële doodsvijand behandelt, creëer je juist de bedreigingen die je wilde voorkomen. Hij ziet deze strategie als een „selffulfilling prophecy”: je escaleert oorlogen en radicaliseert vijanden, voor wie je vervolgens weer extra op je hoede moet zijn.

Een belangrijk onderdeel van de permanente veiligheidsstrategie is het fundamenteel destabiliseren en ontmantelen van buurlanden. Moses: „Dat is nu ook het doel in Iran: de staat verzwakken, meer nog dan het regime vervangen. Net als in Irak, Syrië en Libië na 2003. Dit is de chaosstrategie. Dat is slecht voor de stabiliteit in de wereld, maar in de ogen van Israëlische leiders goed voor Israël.”

Zoals Henry Kissinger al in 1957 schreef: „Absolute veiligheid voor één macht betekent absolute onveiligheid voor alle anderen.”

Het idee om alles te controleren om totale veiligheid te bereiken, is volgens Moses hoogmoedig. „En hoogmoed komt voor de val, zou je denken. Maar dat gaat niet altijd op. Koloniale staten als de VS en Australië zijn erin geslaagd om de inheemse bevolking permanent te verdrijven.”

METHODE
Kopstukken liquideren

In Iran past Israël een kenmerkende methode toe: als je de vijandelijke leider geliquideerd hebt, en hij wordt vervangen, dan probeer je ook die vervanger zo snel mogelijk te doden. Hiermee hoopt Israël de vijand te desorganiseren en permanente schade aan te brengen aan zijn leiderschapscapaciteiten.

Vooral deze week sloeg Israël hard toe: dinsdag vermoordde het Ali Larijani van de Iraanse Nationale Veiligheidsraad en commandant Gholamreza Soleimani van de paramilitaire Basij-milities, woensdag minister Esmaeil Khatib (Inlichtingen). Volgens The Wall Street Journal gooide Israël al zo’n tienduizend bommen op leden van het regime, waarbij er ook „duizenden” zijn omgekomen.

De Israëlische minister Israel Katz (Defensie) zei dat hij het leger carte blanche gegeven heeft om Iraanse kopstukken te doden, of, in zijn woorden: „herhaaldelijk de kop van de octopus af te hakken en te voorkomen dat hij verder groeit”. Daarbij maakt Israël geen onderscheid tussen hardliners en meer gematigde vijandelijke leiders. Hierdoor reduceert Israël ook de kans om met de vijand tot een vergelijk te komen.

Volgens Israël verloopt de liquidatiecampagne succesvol: de Iraanse commandostructuur is verstoord en het moreel van de veiligheidstroepen ondermijnd. Ooggetuigen melden tegenover westerse media dat Iraanse veiligheidstroepen flink in paniek zijn. Het vervolgdoel zou zijn dat het regime zo verzwakt raakt dat het Iraanse volk het omver kan werpen. Zover is het nog niet.

Tweede of derde garnituur

Het liquideren van vijandelijke kopstukken is geen nieuwe methode. De afgelopen decennia deed Israël dit al met tal van leiders van vijandelijke milities.

Volgens de Palestijns-Amerikaanse historicus Rashid Khalidi van de Columbia-universiteit in New York heeft de decennialange liquidatiecampagne tegen Palestijnse leiders erin geresulteerd dat de tweede of zelfs derde garnituur overbleef om de toch al gedecimeerde Palestijnse Autoriteit te besturen. De geliquideerde leiders, aldus Khalidi in zijn boek De honderdjarige oorlog tegen Palestina, behoorden tot de beste en meest effectieve; „door hun verlies bleven de Palestijnen achter met een minder dynamische en zwakkere organisatie”.

Maar aan deze strategie kleven ook risico’s. In The New York Times waarschuwt Ami Ayalon, oud-leider van de Israëlische inlichtingendienst Shin Bet, voor chaos als zijn land de Iraanse elites blijft uitdunnen. Daarbij verwijst hij naar Irak, dat na de eliminatie van het bewind van Saddam Hoessein decennialang vrijwel onbestuurbaar was.

IDEOLOGIE
Groot-Israël

Het militarisme en de bufferzones gaan hand in hand met een ideologisch doel van deze Israëlische regering: gebiedsuitbreiding. Met name Smotrich verklaart openlijk dat hij een zo groot mogelijk deel van de Westelijke Jordaanoever bij Israël wil trekken, Gaza opnieuw wil bezetten en Zuid-Syrië wil veroveren tot aan Damascus.

Smotrich is geen uitzondering; ook Netanyahu zelf voelt zich „zeer verbonden” met een ‘Groot-Israël’. De Likud-partij van de premier heeft historische wortels in een stroming van het zionisme die gebiedsuitbreiding verlangt. Zijn irredentisme – het streven naar annexatie van gebieden buiten het eigen grondgebied die bij het land ‘horen’ – is dus geen verrassing.

De maximalisten vinden dat het grondgebied voor het Joodse volk zich zou moeten uitstrekken van de Nijl tot de Eufraat. Een minder ruime opvatting van Groot-Israël is ‘Eretz Israël’. Dit eveneens op de Bijbel gebaseerde ‘Land van Israël’ omvat behalve Palestina ook delen van Syrië, Jordanië en Libanon.

Het gebied in Libanon dat Israël wil evacueren komt aardig overeen met het grondgebied van de twee noordelijkste bijbelse stammen van Israël: Asher en Naftali. Sommige zeloten vinden dat Israël daarom recht heeft op dit gebied.

Recht van de sterkste

Het innemen van andermans grondgebied is illegaal volgens het internationaal recht. Maar sinds de inname van het Oekraïense schiereiland de Krim door Vladimir Poetin, in 2014, heeft het recht van de sterkste aan terrein gewonnen. Dat geldt ook voor Israël, dat behalve Gaza stukjes Libanon en Syrië heeft ingenomen.

Een deel van de Groot-Israël-gedachte wordt al in de praktijk gebracht, constateert hoogleraar Moses. „Iedereen kan de voortschrijdende annexatie van de Westelijke Jordaanoever zien, in de vorm van apartheid die alle rechten aan Joden toekent en geen rechten aan Palestijnen, maar ook van meer dan de helft van Gaza, evenals Syrië.”

Dit patroon van „defensief imperialisme”, zoals Moses het noemt, is gebruikelijk in de wereldgeschiedenis: expansie in naam van veiligheid, waardoor nieuwe vijanden ontstaan ​​en de drang tot verdere expansie wordt aangewakkerd. „Het is een intern gegenereerde dynamiek met Amerikaanse aanmoediging: denk aan de zegen van de Amerikaanse ambassadeur dat Israël zijn grenzen zou kunnen uitbreiden tot de bijbelse grenzen, die ook zijn buurlanden zouden omvatten.”



Meer Midden Oosten op ShakingLife.nl

De schoonheid is de schuldige. Hoe Ovidius’ Metamorfosen in het Rijksmuseum worden verbeeld

Boven:  Caravaggio, Narcissus. 
Galleria Nazionale d'Arte Antica, Rome.

ESSAY

Metamorfosen 
De ‘Metamorfosen’ van de Romeinse dichter Ovidius inspireren al 2000 jaar kunstenaars. In het Rijksmuseum is nu de rijke oogst te zien, van Bernini tot Bourgeois. Maar waarom hebben zoveel verhalen met verkrachting te maken?

Bianca Stigter, NRC
Gepubliceerd op 6 februari 2026

Vergroten door te klikken


In het laatste boek van de Metamorfosen, tweeduizend jaar geleden geschreven door Ovidius, vraagt de Romeinse dichter zich af: de pauw, de arend, de duif, ja elke vogelsoort: „Wie zou geloven dat die werden geboren uit een ei, als hij niet zou weten dat het zo gebeurde?” 

Gedaantewisselingen in de natuur kunnen behoorlijk spectaculair zijn, met de rups die in een vlinder verandert als overtreffende trap. Maar, zoals de Nederlandse dichter Hans Faverey niet tweeduizend, maar 36 jaar geleden schreef:  „De mooiste vogel, die door ijsvogels/ kan worden gemaakt, is zelf/ een ijsvogel.” 

Ook mensen kunnen niets anders maken en zijn dan mensen. Dat was al zo in de tijd van Ovidius en in de tijd daarvoor, nooit was er een paradijs waarin een mens een vlinder kon worden, of een zeehond (graag, graag!). Mens zijn we, mens zullen we blijven, tot we tot stof vergaan. Zelfs een ander mens worden zit er niet in. We zijn veroordeeld onszelf te blijven.  

Een uitweg biedt de fantasie, de religie, de verbeelding, de kunst, met als stip op 1 het epische gedicht van Ovidius, waarin hij de toen en daar (Rome, 8 n. Chr.) bekende mythes over gedaantewisselingen tot een geheel smeedde, van de schepping van de aarde tot zijn eigen tijd. En opeens kan het wel, kan het steeds, weer en weer en weer, mensen kunnen aan hun eigen soort ontsnappen en een god, een ster, een boom, een hert, een koe, een stier, een beer, een bloem, een zwaan, een nachtegaal, een zwaluw, een ijsvogel worden.  

Giovanni Luteri, genaamd Dosso Dossi (ca. 1487–1542), ‘Apollo Ferrara’, ca. 1525. 
 GALLERIA BORGHESE/MAURO COEN

Daarover lezen is goed, het zien is nog beter; geschilderd of gebeeldhouwd lijken gedaanteverwisselingen nog meer mogelijk. Zien is tenslotte geloven, en de drang tot realisme, altijd een van de motoren van de westerse kunst, biedt kunstenaars in de gedaanteverwisselingen een geweldige uitdaging. Nog steeds wordt bijvoorbeeld het beeld uit de zeventiende eeuw van de god Apollo en de nimf Daphne, die in een laurierboom aan het veranderen is, haast extatisch beschreven. Gian Lorenzo Bernini maakte van „hard marmer zachte huid, die verandert in ruwe bast op de plaats waar Apollo’s hand zich om Daphnes middel sluit. De vaardigheid waarmee Bernini textuur uithouwt in steen en de grenzen tussen natuur en mens, materiaal en onderwerp in elkaar laat overvloeien is ongeëvenaard”, staat in de catalogus van de tentoonstelling over de Metamorfosen die nu in het Rijksmuseum te zien is.  

Bijbel voor kunstenaars

De verhalen die Ovidius inspireerden hebben via hem duizenden kunstenaars geïnspireerd, van beeldhouwers uit de oudheid tot fotografen uit de eenentwintigste eeuw. Karel van Mander noemde de Metamorfosen begin zeventiende eeuw een bijbel voor kunstenaars, en publiceerde in 1604 naast zijn beroemde Schilderboek ook een Wtlegghingh op den Metamorphosis Pub. Ouidij Nasonis. Na de Bijbel moet het boek van Ovidius wel een van de meest geraadpleegde bronnen zijn voor kunstenaars en op deze expositie zijn dat niet de minsten. Bernini, Michelangelo, Titiaan, Poussin en ook Rodin, Brancusi, Bourgeois en Mendieta, er is werk van de allergrootsten in alle zalen. 

Metamorfosen is de laatste tentoonstelling van conservator beeldhouwkunst Frits Scholten. Misschien is het door zijn keuzes dat de beeldhouwkunst op deze tentoonstelling de meeste indruk weet te maken. De tentoonstelling morrelt ook elders aan het primaat van de schilderkunst. Er zijn tapijten, bokalen en curiosa te bewonderen, waarbij een stuk bloedkoraal bijvoorbeeld dienst kan doen als hertengewei, op een beker van goud uit begin zeventiende eeuw, die de door de godin Diana in een hert veranderde Actaeon voorstelt.

Curieus is een uit allemaal fallussen opgebouwd hoofd op een majolica schotel. Dit ‘lullenbord’ uit 1536 hangt in een van de laatste zalen, waar de band met de door Ovidius verzamelde mythen een beetje wordt losgelaten en allerlei transformaties te zien zijn, bijvoorbeeld een uit groente en fruit opgebouwd portret van keizer Rudolf II door Arcimboldo. Aan weerszijen van de deuropening hangen twee werken waarin de mens mens blijft, aan de ene kant een kinderkopje van Medardo Rosso uit 1891, dat dankzij het licht uit de bijenwas tevoorschijn wordt getoverd, aan de andere kant een reeks van zeven foto’s van Roman Opalka die zichzelf zo hetzelfde mogelijk heeft vastgelegd en zo zijn ouder worden etaleert.

En als je die deuropening doorgaat kom je bij het topstuk van de tentoonstelling, de Slapende Hermaphroditus, ook van Bernini, nou half van Bernini. Het gaat om een antiek beeld dat in 1619 in Rome werd opgegraven. Bernini kwam op het idee om de gestalte op een door hem uit marmer gehouwen matras neer te leggen, die onder het gewicht van het beeld lijkt in te deuken.  

Levende slangen 

Maar zover zijn we nog niet. We lopen even terug naar de eerste zaal. De tentoonstelling begint, hoe kan het ook anders, met een boek, een Nederlandse uitgave van de Metamorfosen uit 1557 die de tekst beperkt tot een paar regels onder een houtsnede van Bernard Salomon. Het boek is opengeslagen op de bladzijde waar Daphne in een laurierboom verandert. Dat is een van de grote genoegens van deze tentoonstelling: kijken hoe kunstenaars door de eeuwen heen met steeds andere middelen dezelfde transformatie hebben verbeeld.  Er hangt ook nog een fors schilderij van Dosso Dossi dat deze mythe verbeeldt, maar hier is de gedaanteverwisseling van Daphne bijzaak, alle aandacht gaat naar Apollo. En dan is er nog een wandtapijt van Clemente Maioli uit circa 1660, waar ook de handen van Daphne al takken zijn geworden en haar rechtervoet een stronk. 

In de catalogus staan nog meer werken over deze mythe, een van de bekendste uit het Ovidiaanse repertoire. Die zijn niet op de tentoonstelling te zien. Ook de Apollo en Daphne van Bernini uit de Galleria Borghese ontbreekt. De tentoonstelling is een samenwerking met dit museum in Rome en zal daar vanaf eind juni te zien zijn. Maar slechts een kwart van de werken zal volgens de catalogus op beide locaties aanwezig zijn. Dat heeft niet alleen met de kwetsbaarheid van de kunst te maken. De meeste hedendaagse werken, waaronder een groot videowerk van Juul Kraijer, een nieuwe interpretatie van Medusa en haar slangenhaar met levende slangen, reizen bijvoorbeeld ook niet naar Rome. 

Verkrachtingen 

Ovidius echoot met zijn verhalen tot in het heden, tot de Epstein Files, AI, plastische chirurgie, et cetera. Alles verandert, niets gaat teloor, zoals de dichter zei. Echo, echo.  

Niet alle metamorfoses uit Ovidius blijken onder kunstenaars even populair. Het verhaal over Alcyone en Ceyx die in ijsvogels veranderden ontbreekt bijvoorbeeld in het Rijks. Daar geliefde verhalen zijn die van Pygmalion, Arachne, Leda en de Zwaan, Europa en de stier, Medusa, Narcissus en de al genoemde Apollo en Daphne. Wat opvalt, is dat zoveel verhalen met verkrachtingen te maken hebben. Van de ongeveer 250 verhalen die in de vijftien boeken van Ovidius voorkomen, draait het zo’n vijftig maal om een verkrachting of een poging daartoe, telde in 1978 de classicus Leo Curran.  

Wat zegt dat over onze cultuur? En wat zegt het over onze cultuur dat afbeeldingen van die verkrachtingen en pogingen tot verkrachtingen zo mooi, zo godvergeten mooi worden afgebeeld en dan zo hevig bewonderd? Is dat niet alsof je een moord misschien wel veroordeelt maar tegelijkertijd vooral het moordwapen prijst; het ingelegde ivoor, het glimmende metaal, de snelheid van de kogel? 

Een flink deel van de metamorfoses betreft een god die zich vermomt om, meestal, een schoonheid te kunnen verkrachten. Na de verkrachting verandert hij weer terug. Die flexibiliteit is de andere groep gedaanteverwisselaars, de nimfen, de mooie meisjes en jongens, niet gegeven. Als zij veranderen blijven ze meestal veranderd. Daphne kan niet weer mens worden. Ze is boom en ze blijft boom. Zonder macht en zelfs zonder stem. 

Ovidius schrijft wel met mededogen over deze ontmenselijkte mensen. En het opnemen van zoveel verhalen over verkrachting suggereert op zijn minst dat Ovidius voelde dat zulk geweld een kritische bevraging waard was, zoals Stephanie McCarter in haar nieuwe Engelse vertaling van de Metamorfosen (2022) stelt. Geldt dat ook altijd voor de kunstenaars die de dichter heeft geïnspireerd?  

Wraak

Ovidius geeft schoonheid vaak de schuld, ook in het verhaal over Daphne. „Bevrijd me van dit lichaam dat me veel te mooi deed zijn!”, vraagt de nimf aan haar vader, een riviergod, in de Nederlandse vertaling van M. d’Hane-Scheltema. „Verander mijn gedaante, waarmee ik te veel succes had”, vertaalt Piet Schrijvers.  

De wraak van Apollo voor het niet krijgen van zijn buit is dat Daphne ook als boom mooi blijft en de bladeren zal leveren voor lauwerkransen. In de kunstwerken van voor 1900 op de tentoonstelling, vooral gemaakt door mannen, lijkt schoonheid, niet die van de personages maar die van de werken zelf, op zijn minst onverschillig ten opzichte van hun lot. Laten we maar niet beginnen over Pygmalion, een geliefd onderwerp voor kunstenaars en kunsthistorici omdat het de kunstenaar vergelijkt met een god of met god, beide scheppers, en wat schept hij dan? Een vrouw. Geheel naar zijn eigen wensen.  

Of zijn de kunstenaars een soort parasieten, vliegen op de stroop, muggen bij het licht, bloedzuigers die zich aan schoonheid en leed laven? In haar gedicht Mythic Fragment (1985) over Daphne, uit haar bundelThe Triump of Achilles, nee even verderop in haar gedicht Hyacinth, ook over een metamorfose, ditmaal van een jongen in een bloemschrijft de Amerikaanse dichter Louise Glück „Beauty dies. That is the source of creation.”  Zou je dat kunnen opvatten als: schoonheid sterft en dat sterven is de bron van alle schepping, van alle kunst? De uitspraak is vaag en dubbelzinnig, zoals poëzie, ook die van Ovidius zelf, nu eenmaal is, maar hij lijkt toch een diepe, verschrikkelijke waarheid te bevatten. Wat mooi is sterft en komt weer tot leven in de kunst, bijvoorbeeld?

In de hedendaagse werken van vrouwen op de expositie, naast de Medusa van Kraijer, onder meer een soort Daphne van Femmy Otten, is een aanzet te zien tot een andere , minder doemrijke omgang met de oude verhalen en hun gevolgen. Medusa jaagt hier geen vrees aan, Daphne vraagt geen medelijden. Toch doet geen van deze versies je nog naar gedaanteverwisselingen verlangen. Blijf maar mens, schoenmaker.

Metamorfoses die min of meer gelukkig eindigen, zoals die over de ijsvogels, zijn er wel, maar het zijn er niet veel en ze zijn nog minder vaak afgebeeld. In het Rijksmuseum ontbreken ze. Of toch, zou de slapende Hermaphroditus op diens naturalistische matras er een kunnen zijn? Het beeld, geleend van het Louvre, blijkt borsten en een penis te bezitten, volgens Ovidius is het een „gestalte die geen man of vrouw kan heten, maar geen of elk van beide”. Hermafrodiet graag! Maar ook hier wordt de verandering ingezet door een verkrachting. Hermaphroditus was de mooie zoon van Hermes en Aphrodite op wie de nimf Salmacis verliefd wordt. Hij gaat zwemmen in haar bron. Zij grijpt hem maar hij wil haar niet. De goden verhoren haar gebed om altijd samen te zijn.  

Tentoonstelling: Metamorfosen. Ovidius en de kunsten. Rijksmuseum, Amsterdam. T/m 25 mei. Catalogus €40,- Info: Rijksmuseum.nl 


Meer Metamorfosen op ShakingLife.nl

Christen-nationalisten in de VS zien in de Iran-oorlog een teken van de Eindtijd

ACHTERGROND

Religie 
Christelijke zionisten speculeerden al in de negentiende eeuw over het einde der tijden in het Midden-Oosten. In de VS hebben predikers en techmiljardairs de Apocalyps ontdekt.

Sjoerd de Jong, NRC

Gepubliceerd op5 maart 2026 om 15:22.

Brengt de ‘epische woede’, zoals de Amerikaanse aanval op Iran is gedoopt, het einde der tijden nabij – en dus de terugkeer van Christus? Sommige evangelische predikers geloven het. Israël en het Midden-Oosten zijn voor hen het projectiescherm van eindtijdfantasieën en speculaties over een Nieuwe Aarde.

Ook in het Amerikaanse leger, dat van Trumps zelfverklaard ‘minister van oorlog’ Pete Hegseth een leger van „krijgers” moet worden, duiken die apocalyptische overtuigingen op. Bij de Military Religious Freedom Foundation kwamen, zo bericht The Guardian, ruim tweehonderd klachten binnen van militairen die klagen dat hun superieuren de aanval op Iran uitleggen als onderdeel van Gods plan of als opmaat naar de eindstrijd met Satan bij Armageddon.

Dat zal gesneden koek zijn voor evangelisten als de Texaanse dominee John Hagee. In zijn Cornerstone Church in San Antonio verkondigt hij al jaren dat oorlog in het Midden-Oosten, na de terugkeer van het Joodse volk naar het Heilige Land, de wederkomst van Jezus zal voortbrengen. Een vredesregeling tussen Israël en de Palestijnen, die dat in de weg zou staan, noemde hij in 2023 dan ook het werk van de antichrist, de tegenhanger van Jezus. De eindstrijd moet er komen, in of om Israël – de Joden zijn in dat programma niet meer dan een instrument.

Die christelijk-zionistische overtuiging, nu vooral wijdverbreid in de VS, heeft lange historische wortels. Op basis van passages in de Bijbel speculeerden Britse dominees al vanaf de zeventiende eeuw over de terugkeer van het uitverkoren volk naar Israël (Zion) als prelude van de Eindtijd en de terugkeer van Christus. Invloedrijk was de aristocraat en sociaal hervormer Anthony Shaftesbury (1801-1885), politiek strijder tegen kinderarbeid en dierenmishandeling. Uit religieuze motieven ijverde hij voor Joodse vestiging in het destijds Ottomaanse Palestina, in de verwachting dat de Apocalyps nabij was. Ook in Nederland leefde dit christenzionisme, vooral in orthodox-gereformeerde kring. Het kreeg een impuls door de stichting van Israël in 1948 en de daaropvolgende oorlogen met Arabische buurlanden.

De apocalyptische verwachtingen (van het Griekse apokalupsis, ‘onthulling’ of ‘openbaring’) zijn gebaseerd op Bijbelteksten die een eindstrijd met Satan en de wederkomst van Jezus voorspellen. In de Openbaring van Johannes wordt die geplaatst bij Armageddon, de vlakte bij het Noord-Israëlische plaatsje Megiddo, waar in de oudheid veel veldslagen plaatsvonden. Wat er staat te gebeuren vermeldt ook de tweede brief van Paulus aan de Thessalonicenzen (2:3-4): „Want de dag [van de Heer] komt niet, tenzij eerst de afval gekomen is en de mens van de wetteloosheid, de zoon van het verderf, geopenbaard is. De tegenstander, die zich ook verheft boven al wat God genoemd of als God vereerd wordt, zodat hij als God in de tempel van God gaat zitten en zichzelf als God voordoet.”

Een doctrinair onderscheid is dan nog dat tussen ‘premillenialisten’, die geloven dat Jezus zal terugkomen om zelf Satan te verslaan en het Duizendjarig Rijk te vestigen, en ‘postmillenialisten’, die ervan uitgaan dat eerst dat Rijk moet worden gevestigd voordat Jezus zijn opwachting maakt. De eerste variant leeft sterk onder evangelisch christenen in de VS. Evenals de theologisch omstreden notie van rapture, de opname van de ware gelovigen in de hemel voordat de eindstrijd uitbreekt.

Binnen het christendom zijn dit randbewegingen, die vaak haaks staan op de kerkleer en theologie, maar wel invloedrijke. Populaire uitwerking kregen Eindtijd-thema’s in de VS vanaf de jaren tachtig in christian fiction, romans over religieus leven, bekering en verlossing. In de bestseller-reeks Left Behind (1995-2007) van de evangelisten Tim LaHaye en Jerry Jenkins vecht een groep op aarde achtergebleven gelovigen (de uitverkorenen zijn opgenomen in de rapture) in het Midden-Oosten de Eindstrijd uit met de antichrist, de ‘wetteloze mens’ uit de Bijbel die de plaats van God inneemt. In de reeks (die liep tijdens de Irak-oorlog) is dat de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, die in een legervoertuig de troepen van Satan aanvoert. Aan het einde van de cyclus keert Jezus glorieus terug om de strijd te beslechten.

Dat klinkt bizar, maar afkeer van een ‘totalitaire wereldregering’ is een diep cultureel thema in de VS, een natie die per slot van rekening werd geboren uit afscheiding van een wereldrijk, het Britse. Religieus vertaald leeft het onder de christelijk-nationalisten in de VS, die een belangrijke schakel zijn in Trumps MAGA-coalitie. Zij zien in de zondaar Trump, een man die onbesmuikt erkent zijn vijanden niet lief te hebben maar te haten, een breekijzer om een gevallen samenleving recht te zetten en het Rijk Gods naderbij te brengen.

Ambassade in Jeruzalem

Voor een deel van zijn bewonderaars geldt dat op wereldschaal. Trumps verplaatsing in 2018 van de Amerikaanse ambassade in Israël van Tel Aviv naar Jeruzalem, de heilige christelijke stad, was voor hen meer dan politiek. Het was een symbolische stap in de spirituele oorlog tegen Satan. Ook de Republikeinse senator Ted Cruz van Texas verdedigde de eerdere aanval van Israël op Iran vorig jaar op Bijbelse gronden. „Wie Gods zegen zoekt, moet Israël steunen”, aldus Cruz.

Maar lang niet iedereen in de MAGA-coalitie denkt er zo over. Trumps leus was immers niet voor niets America First. Cruz werd direct gekapitteld door tv-ster Tucker Carlson die, net als veel MAGA-aanhangers van het eerste uur, wars is van buitenlandse avonturen.

Op sommige christelijke sites is uitleg te vinden hoe de aanval op Iran al dan niet zou passen in de Bijbelse boodschap

In Nederland is de noodzaak om ‘geestelijke strijd’ te leveren tegen Satan onder meer te vinden bij Christenen voor Israël. De stichting streeft ernaar Nederlanders „bewust te maken van de betekenis van het Joodse volk in Gods handelen met deze wereld, Gods liefde voor Zijn volk en Zijn komende koninkrijk”. Ook bij de messianistische vereniging Hadderech, die Joden en christendom wil samenbrengen, leven Eindtijd-verwachtingen. Zo zag Eppo Bruins, actief in de vereniging en later minister van Onderwijs, in zijn Pesach-lezing Hoe heerlijk zal dat zijn (2022) tekenen dat „de beloofde wederkomst nabij is”, na tweeduizend jaar „verblind te zijn geweest door Griekse gedachten en Romeinse instituties”. 

Ook geven sommige niet-kerkgebonden christelijke sites uitleg hoe de aanval op Iran zou passen in de Bijbelse boodschap. De site Cvandaag ziet duidelijk parallellen maar tekent ook aan: „De Bijbel gebruikt geschiedenis niet als blauwdruk voor geopolitieke voorspellingen. Christenen doen er goed aan parallellen te herkennen als symbolische echo’s, niet als exacte herhalingen.” Bij de parallellen gaat het vooral om het oudtestamentische verhaal van Esther, die in Perzië uitroeiing van de Joden door de boosaardige Haman listig wist te voorkomen. De nederlaag van Haman wordt gevierd in het Poerim-feest, dit jaar net rond de aanval op Iran. Cvandaag haalt predikant Oscar Lohuis van Christenen voor Israël aan, die als reactie op de oorlog verzekert dat „alle Hamans roemloos ten onder zullen gaan”.

Techmiljardairs

In de VS zijn het intussen niet alleen christelijk-nationalisten die bevlogen raken door de hoop dat alles anders zal worden na een vurige periode van chaos en ontwrichting. Fascinatie met de apocalyps heerst ook onder techmiljardairs uit Silicon Valley als Elon Musk en Peter Thiel, die koortsdromen koesteren over de toekomst van de mensheid. Religieus gezag en technologische innovatie, menen zij, moeten de overbevolkte wereld van de ondergang redden – althans hún wereld. Sociaal criticus en schrijver Naomi Klein trekt in opiniestukken en interviews van leer tegen wat zij het „eindtijdfascisme” noemt,onder een flinterdunne elite van kapitalistische superrijken.

Miljardair Thiel, medeoprichter van PayPal en Palantir en ooit mentor van vicepresident JD Vance, is daarvan het meest frappante voorbeeld. Thiel zette zijn eschatologische, „onorthodoxe christendom” eind vorig jaar uiteen in vier meanderende lezingen in San Francisco, een stoofpot van apocalyptisch christendom, rechts-revolutionaire filosofie, complottheorieën en sciencefiction. Thiel beriep zich onder meer op de Bijbel, Tolkiens The Lord of the Rings en de Duitse jurist Carl Schmitt (1888-1985) die Hitlers dictatuur rechtvaardigde en het universele idee van ‘de mensheid’ afdeed als een liberale illusie.

Thiel neemt van Schmitt ook het aan de Bijbel ontleende idee over van de katechon, een mens of kracht die de dreigende wereldheerschappij van Satan zo lang mogelijk moet tegenhouden, in afwachting van de komst van Jezus. Ook Thiel denkt dat de antichrist in aantocht is. Die zal, verwacht hij, anno 2026 niet aantreden als VN-secretaris-generaal maar eerder als een Luddiet, een valse profeet die zich verzet tegen technologische vooruitgang zoals de Britse textielarbeiders in de negentiende eeuw weefmachines kapotsloegen (ze vernoemden zich naar een legendarische arbeidersheld, Ned Ludd).

Over wie hebben we het dan? Greta Thunberg natuurlijk. Thiel verwees eerder al eens naar de 23-jarige Zweedse klimaatactivist als geschikte kandidaat voor de positie van antichrist, omdat zij de mensheid angst aanjaagt voor klimaatrampen en technologie, het soort dat Thiel levert. In zijn lezingen in San Francisco kwam hij daar een beetje op terug. Thunberg was wie weet „een soort schaduw van de antichrist”, maar hij wilde haar niet „te veel vleien”. Over de Joden merkte hij op dat hun „koppigheid” tegenover de boodschap van Jezus – een klassiek antisemitisch thema: Joden als Christus-weigeraars – straks misschien juist goed van pas komt in de strijd tegen de antichrist. Zij konden wel eens „de kern van het verzet” worden.

Achter zulke quasi-christelijke oprispingen schuilt niet alleen een miljardair met voldoende vrije tijd om aan ‘filosofie’ te doen en met een goed gevoel voor pop culture (Thiel verwijst ook volop naar films en videogames). Ze drukken volgens Naomi Klein de angst uit van een achter hoge muren verschanste kaste superrijken die veel te verliezen heeft bij een ‘wereldregering’ of bij groter democratisch toezicht op hun investeringen en vermogens. Aantasting daarvan zou voor hen pas echt het einde der tijden zijn.



Meer Midden Oosten op ShakingLife.nl

EINDE

Italiaanse schilderkunst in Museum MORE: Francesca kan zo in een horrorfilm

RECENSIE
Beeldende kunst

Het museum voor modern realisme in Gorssel toont Italiaanse schilderkunst uit het midden van de vorige eeuw: lichter en kleurrijker dan het Nederlandse realisme, maar ook met een ongemakkelijke zweem van fascisme.

Gijsbert van der Wal
4 maart 2026
vanuit Gorssel

Afbeeldingen vergroten door te klikken

Het is lekker druk in Museum MORE, en je begrijpt wel waarom. Het particuliere museum, gevestigd in een groot en licht nieuw gebouw in Gorssel bij Zutphen, begon ruim tien jaar geleden als een officieuze opvolger van het in de kredietcrisis gesneuvelde Scheringa Museum voor Realisme. In die tien jaar is het uitgegroeid tot een museum voor moderne figuratieve kunst in brede zin, van het interbellumrealisme van Jan Mankes, Pyke Koch en Carel Willink tot de recente tekeningen op groot formaat van Marijn Akkermans, Jans Muskee en Raquel Maulwurf, de wiebelige keramiekstillevens van Koos Buster en een flinke verzameling zelfportretten, met uiteenlopende hedendaagse kunstenaars als Levi van Veluw, Matthijs Röling, Rineke Dijkstra en Anton Valens. Op de begane grond is een leuke keuze uit die vaste collectie gepresenteerd – thematisch, niet chronologisch, zodat duidelijk blijkt dat de figuratieve kunst van de afgelopen eeuw één samenhangend verhaal van leesbare beelden is, één grote weergave van de zichtbare wereld. Zo liefdevol en zorgvuldig als hier wordt het eigen bezit van een museum niet vaak geëxposeerd.

De zalen op de eerste verdieping zijn bestemd voor tijdelijke tentoonstellingen en om de zoveel jaar biedt MORE daar een internationale context bij de Nederlandse kunst beneden. Eerder waren er tentoonstellingen te zien over Brits en Europees realisme uit de jaren twintig en dertig, naïef realisme wereldwijd en figuratieve kunst uit het vroegere Tsjecho-Slowakije. Nu wordt er in Magico! een overzicht geboden van de Italiaanse realistische schilderkunst uit de eerste helft van de twintigste eeuw, met een beetje uitloop naar de jaren vijftig en zestig.

De aankleding is ijssalon-achtig, met wanden en banieren in zachte kleuren en kleurbanen. Op de bordjes staat af en toe een bekende naam: Gino Severini’s gitaarspelende Pulcinella uit Museum Boijmans Van Beuningen is present en van Giorgio de Chirico hangt er een landschap met de voor hem typerende combinatie van naïef perspectief en verfijnde schaduwen. Maar verder is Magico! een tentoonstelling als een eerste ontmoeting, want de meeste getoonde Italianen zijn in ons land onbekend. Toch doet hun stijl van schilderen regelmatig vertrouwd aan. De eenvoudige stillevens in verstofte kleuren van Edita Broglio doen aan die van onze Wim Schuhmacher denken, Gregorio Sciltians portretten zijn verwant aan die van Carel Willink en Antonio Donghi had met zijn illustratief geschilderde ouderwetse speelgoedwereld een Italiaanse achterneef van Hermanus Berserik kunnen zijn.

Ongemakkelijke, kille verhevenheid

Waardoor onderscheiden de Italiaanse realisten zich van hun Nederlandse tijd- en soortgenoten? Soms natuurlijk door het zuidelijke licht: zie de harde schaduwen bij De Chirico, en zie ook Ada in de tuin (1927) van Stanis Dessy. Het model staat in de schaduw, maar in die schaduw worden nog weer diepere schaduwen getekend door het felle zonlicht daarbuiten, en datzelfde zonlicht reflecteert in haar ogen. Verder lijkt het Italiaanse interbellumrealisme wat uitgesprokener van kleur dan het Nederlandse. Een stilleventje als dat in Vrouw voor de spiegel (1927) van Cagnaccio di San Pietro, met vuurrode make-upspullen op een knalblauw tafeltje, zul je bij Mankes, Schuhmacher of Hynckes niet tegenkomen.

Op een ander verschil is moeilijker de vinger te leggen: de zweem van fascisme, waar een aantal van de Italiaanse realisten niet onwelwillend tegenover stond. Misschien zie je het alleen omdat je het weet. Er wordt niet met vlaggen gezwaaid en er zijn geen uniformen of portretten van Mussolini te zien, maar er spreekt een ongemakkelijke, kille verhevenheid uit de neo-classicistische decors, de verbeten, strak belijnde koppen, de visionaire blikken, de smetteloze schildertrant.

Carlo Levi: Francesca (1927).
BEELD FONDAZIONE CARLO LEVI / PICTORIGHT

Francesca (1927) van Carlo Levi zit in rustig strijklicht te poseren op een stoeltje op een tapijt met veel blauwen en roden; haar rode vest oogt lekker warm tegen een wat gedempter rode achterwand die ook al warm is – maar met haar valse poppenblik en haar helmachtige kapsel (met strakke middenscheiding) wint ze geheid iedere auditie voor een hoofdrol in een horrorfilm. Een door Mario Reviglione geportretteerde theoloog, helemaal in het zwart en met een strenge blik onder de zwarte hoed, is ook op een filmische manier griezelig.



Hoogst curieus is Sciltians Bacchus in de herberg (1936) uit het museum voor moderne kunst in Rome. Vier jonge mannen aan een gedekte tafel worden verrast door de halfnaakte Bacchus, god van wijn en dronkenschap. De compositie met evenwichtig verdeeld geel, rood, groen en blauw, het theatrale licht, de blikken en houdingen en de stillevens op en om de tafel doen allemaal aan Caravaggio denken – en toch blijkt uit bijvoorbeeld de kleding en de kapsels meteen dat we in de jaren dertig van de twintigste eeuw zijn. Het desolate stadsgezicht achter Bacchus heeft Sciltian van De Chirico geleend. Uiteindelijk is het een tamelijk lelijk, geforceerd schilderij. Make Italy great again. Maar je blijft toch een tijd staan kijken, want boeiend is het wel. En daarin is het representatief voor Magico! Er zullen weinig bezoekers wildenthousiast over het Italiaanse realisme naar buiten lopen, maar het is een welkome, leerzame tentoonstelling die je in geen enkel ander Nederlands museum te zien krijgt.


Carlo Levi, detail ‘Lucania ‘61’, 1961 – uit ‘Christus kwam niet verder dan Eboli
Christus kwam niet verder dan Eboli (1945) – Carlo Levi’s autobiografie.

In het zuiden van Italië ligt een onherbergzaam gebied, waarvan de inwoners zich in barre omstandigheden door het leven moeten zien te slaan. In 1935 werd arts, auteur en schilder Carlo Levi (1902-1975) naar het Siberië van Italië verbannen wegens antifascistische activiteiten. Hij genoot er een beperkte bewegingsvrijheid, maar werd vanwege zijn beroep door de notabelen als een der hunnen gezien. De gewone dorpelingen hoopten vooral dat Levi hun medische zorg zou kunnen bieden.
Cristo si è fermato a Eboli is een Italiaanse dramafilm uit 1979, gebaseerd op de roman van Carlo Levi.
Eboli ligt bij Amalfi (rode stip), westelijk Tricarico en Matera (Musei nazionale).

Geheel bovenaan:  
Rechter drieluik van ‘ Lucania ‘61’.

EINDE

Israëlische kolonist schiet Palestijn dood ten zuiden van Hebron

NIEUWS

Westelijke Jordaanoever Een 28-jarige Palestijnse man is zaterdag doodgeschoten door een kolonist in het dorpgebied van Masafer Yatta. Afgelopen maandag werden ook al twee Palestijnse broers door een kolonist doodgeschoten. 

Gepubliceerd op

Or Goldenberg, NRC

Een Israëlische kolonist heeft zaterdag een 28-jarige Palestijnse man, Amir Shnaran, doodgeschoten in het dorpgebied van Masafer Yatta, ten zuiden van de Palestijnse stad Hebron. De broer van Amir Shnaran, de 33-jarige Khaled Shnaran, zou ernstig gewond zijn geraakt. Dat meldt het officiële Palestijnse persbureau Wafa, gebaseerd op lokale medici en activisten. Het aantal Palestijnen dat sinds het begin van dit jaar door kolonisten zijn gedood is na vandaag opgelopen tot vier.

De Israëlische politie en militaire politie zegt het incident te onderzoeken, aldus de Israëlische krant Haaretz. Volgens het leger is de schutter een kolonist die als reservist ter plaatse kwam nadat hij een melding kreeg over confrontaties tussen kolonisten en Palestijnen. Masafer Yatta wordt regelmatig aangevallen door Israëlische kolonisten. Dat werd ook vastgelegd door Israëlische en Palestijnse filmmakers in de Oscar-winnende documentaire No Other Land.

Afgelopen maandag werden twee Palestijnse broers, Muhammad (52) en Fahim Taha Muammar (48) door een Israëlische kolonist doodgeschoten in Qaryut, een Palestijns dorpje in de buurt van de stad Nablus ten noorden van de illegaal bezette Westelijke Jordaanoever. Volgens Haaretz wordt ook dit incident onderzocht door de militaire politie van het Israëlische leger. Volgens getuigen begon de escalatie toen Joodse kolonisten met bulldozers de olijfboomgaarden van de dorpsbewoners betraden. Na de schietpartij nam het Israëlische leger de bulldozer in beslag. Het IDF veroordeelde volgens de Israëlische krant de schietpartij en zei dat het „het incident uiterst serieus neemt”.

Vorige week zaterdag, vlak nadat Israël en de Verenigde Staten de oorlog tegen Iran afkondigden, sloot het Israëlische leger alle controleposten in de Westelijke Jordaanoever. Volgens het Palestijns-Israëlische nieuwsmedium +972Magazine deelden soldaten afgelopen zondag pamfletten uit aan Palestijnen. Daarop stond dat het leger „een preventieve veiligheidscordon” zou hebben ingesteld „rond het hele gebied van Judea en Samaria”. Het gebruik van de Bijbelse benaming voor de Westelijke Jordaanoever, Judea en Samaria, is niet onomstreden omdat het volgens internationaal recht om door Israël bezet gebied gaat. Bovendien werd het verkeer tussen verschillende delen op de Westelijke Jordaanoever volgens dat pamflet „tot nadere orders” verboden.



Meer Midden Oosten op ShakingLife.nl

Rijksmuseum: herontdekt schilderij is een echte Rembrandt

Rembrandt
Het Rijksmuseum Amsterdam presenteerde maandagochtend een nieuwe Rembrandt: Het visioen van Zacharias in de tempel (1633). Het schilderij was eerder afgeschreven als een Rembrandt, en 65 jaar lang niet in het openbaar getoond.

Merlijn Schoonenboom
2 maart 2026

Drie keer eerder werd het schilderij afgeschreven, 65 jaar lang is het niet meer in het openbaar te zien geweest, maar nu weet het Rijksmuseum in Amsterdam het zeker: Het visioen van Zacharias in de tempel (1633) „is een echte Rembrandt”. Maandagochtend presenteerde het museum op een persconferentie het schilderij als ontdekking van twee eigen onderzoekers.

Het schilderij, eigendom van een particulier die anoniem wil blijven, zal vanaf deze week als langdurig bruikleen in het Rijksmuseum komen te hangen. Het schilderij werd in 1898 ook al in het museum getoond, op de eerste overzichtstentoonstelling van Rembrandt ter gelegenheid van de inauguratie van koningin Wilhelmina. In 1960 werd het de eerste keer afgeschreven als zijnde een Rembrandt, en nadat het in 1961 was verkocht, was het niet meer door experts onderzocht.

Een paar dagen voor de persconferentie staat Het visioen van Zacharias in de tempel op een schildersezel in het restauratieatelier van het Rijksmuseum. Relatief klein is het, 60 bij 50 centimeter, olieverf op hout, met een tafereel uit de Bijbel, waarin Zacharias van de aartsengel Gabriël te horen krijgt dat hij en zijn vrouw ondanks hun hoge leeftijd een zoon krijgen, de latere Johannes de Doper. De twee onderzoekers, conservator en Rembrandt-kenner Jonathan Bikker en Petria Noble, hoofd van het restauratieatelier, staan ernaast, en laten via een powerpoint hun bewijzen zien dat de schilder de 27-jarige Rembrandt van Rijn moet zijn geweest.

In 2023 kreeg het museum een foto toegestuurd van de zoon van de koper uit 1961, met het verzoek het werk te onderzoeken. „Zijn vraag was niet, is dit van Rembrandt? Maar: is dit van Salomon Koning of Jan Lievens”, zegt Bikker. Het schilderij werd in 1961 wél gekocht als een Rembrandt, maar in de belangrijke catalogi sinds die tijd ontbrak het. In 1960 bestempelde een Duitse Rembrandt-deskundige het als een ‘Jan Lievens’, in 1969 schreef een andere onderzoeker het ook af, en het Rembrandt Research Project, tussen 1968 en 2014 dé Rembrandt-autoriteit, deed dat ook.

Vroeger alleen zwart-witfoto’s of slechte reproducties

Maar Bikker vermoedt dat die eerdere onderzoekers het echte schilderij nooit hebben gezien, en alleen „zwart-witfoto’s of slechte reproducties” hadden om te beoordelen. Dat is nu anders, zegt hij: het Rijksmuseum had niet alleen de beschikking over het schilderij zelf, maar ook over hogeresolutiefoto’s, scanners en andere apparatuur waarmee ook De Nachtwacht de afgelopen jaren is onderzocht en gerestaureerd.

Het tweejarige onderzoek begon bij het materiaal: het hout van het paneel stamt volgens Bikker en Noble uit de periode waarin Rembrandt werkte, de verf is dezelfde als die hij in andere schilderijen gebruikte, en vergelijkingen met een ander, bijna identiek schilderij in een museum in het Duitse Schwerin laten zien dat dit het origineel moet zijn en die in Schwerin de kopie. Natuurlijk, zegt Bikker, alleen op basis van de informatie van het materiaal had het schilderij ook door een leerling of medewerker van Rembrandt geschilderd kunnen zijn, maar dat geldt volgens hem niet voor de „verfopbouw”, die „typisch is voor Rembrandt”, voor de handtekening die aanwijsbaar op de natte verf is aangebracht, en vooral: voor de stijl.

Petria Noble loopt naar het doek en wijst op een geschilderde plooi in het altaarkleed, die op de powerpointpresentatie op de laptop ernaast is uitvergroot: „Hier komt de onderliggende schets tevoorschijn, het is typisch voor Rembrandt om dat open te laten.” Bikker wijst op de kleine stipjes lichte verf die de stoffen en het wierookvat uitlichten; op de ogen van Zacharias die slechts puntjes zijn, maar voldoende om de emotie van ongeloof op het gezicht van Zacharias op te roepen. Ook loven de onderzoekers de compositie, die volgens hen „het spannendste moment van het verhaal” uitbeeldt: het moment dat Zacharias het nieuws te horen krijgt. Rechtsboven doet een lichtbron de engel vermoeden, maar je ziet hem niet – anders dan op andere, buitenlandse uitbeeldingen van dit thema; Rembrandt was de eerste in de Nederlanden die dit verhaal koos. „Ontroerend” noemt museumdirecteur Taco Dibbits de voorstelling in het persbericht.

Afbeeldingen vergroten door te klikken

‘Oordeel van Rijks niet zomaar een mening’

Maar kan het Rijksmuseum wel zo zeker zijn? Ja, zeggen Bikkers en Noble. De onderzoekers verwijzen naar twee kleine portretten die het museum in 2023 ook als herontdekte Rembrandts presenteerde: Jan Willemsz. van der Pluym en zijn echtgenote Jaapgen Caerlsdr. Volgens hen laten die portretjes en het nieuwe schilderij zien dat er nog steeds Rembrandts uit particuliere collecties kunnen opduiken. Maar de discussie die na de presentatie van ‘Jan en Jaapgen’ onder kunsthistorici over deze toeschrijving werd gevoerd, laat óók zien dat dergelijke recente herontdekkingen vaak omstreden zijn. Niet alleen de wetenschappelijke maar zeker ook de commerciële belangen zijn enorm: de naam Rembrandt voegt vele miljoenen aan de waarde toe. 

Bikker sluit niet uit dat er nu ook discussie ontstaat, maar benadrukt wel dat het oordeel van het Rijksmuseum niet zomaar een mening is. Het is weliswaar geen „museumbeleid” om nu als een soort nieuw Rembrandt Research Project stempels van echtheid uit te gaan delen, zegt hij, maar „persoonlijk vind ik dat wij de enigen zijn met de kennis, de expertise en de apparatuur in huis”. Een commercieel belang heeft het museum daarbij niet, zegt hij: „Wij doen dit puur uit interesse. En om dichter bij Rembrandt te komen.”

De ontdekking – of eigenlijk: herontdekking – bevestigt volgens Bikker en Noble dat de jonge Rembrandt anders moet worden gezien dan kunsthistorici lang deden. Lang werd gezegd dat de schilder in zijn jonge jaren „fijn en netjes” schilderde, en dat hij pas op latere leeftijd grover, schetsmatiger en met minder kleuren ging werken. Maar dat klopt niet, zegt Bikker. Een ander Rembrandt-schilderij uit datzelfde jaar 1633, dat in het Getty Museum in Los Angeles onder de titel Daniel and Cyrus before the Idol Bel hangt, heeft dezelfde stijl. Al maakte Rembrandt toen nog vooral naam als portretschilder, het zijn taferelen die de schilder volgens Bikker ook op jonge leeftijd al het liefst maakte.

EINDE

‘Alles wat verwijst naar Palestijnse identiteit of geschiedenis wordt uitgewist in Israël’

INTERVIEW
Areej Sabbagh-Khoury | socioloog

Veel Palestijnen zijn Israëlisch staatsburger. Hun positie wordt steeds meer ondermijnd. „Er worden tientallen wetten aangenomen die afbreuk doen aan hun rechten.”


Sjoerd de Jong

Gepubliceerd op

Eenmaal terug in Israël wil Areej Sabbagh-Khoury graag verder met haar interviews met Palestijnen in het land over hun strijd tegen de apartheid die ze er ervaren, ondanks hun formele status als staatsburgers. Voor een academisch boek dat Decolonizing Palestine moet gaan heten. „Ik wil de politieke ervaringen van Palestijnen in Israël onder woorden brengen aan de hand van hun getuigenissen. Dat heeft op die manier nog niemand gedaan en het zou een goed vervolg zijn op mijn eerste boek.”

Tot die tijd verblijft Sabbagh-Khoury nog in Nederland als fellow van het Netherlands Institute for Advanced Studies (NIAS) in Amsterdam, waar de Palestijnse socioloog – die Israëlisch burger is – op dinsdag 3 maart de jaarlijkse Wertheim-lezing van de Universiteit van Amsterdam geeft over haar onderzoek naar de positie van Palestijnen in Israël.

Sabbagh-Khoury (1979), verbonden aan de Hebrew University in Jeruzalem en aan de University of California in Berkeley, maakte naam met Colonizing Palestine: the Zionist Left and the Making of the Palestinian Nakba (Stanford University Press, 2023), een gedetailleerde studie van vroege contacten tussen kolonisten en inwoners van enkele Palestijnse dorpen. Ze laat zien dat die naast elkaar leefden en contacten onderhielden, maar dat tegelijk landaankoop en verdrijving al op gang kwamen. De Nakba (‘catastrofe’) van 1948 was geen harde breuk door het uitbreken van oorlog, aldus het boek, maar de culminatie van een lang proces van onteigening, segregatie en etnische zuivering. Origineel is dat ze de rol belicht van het socialistisch zionisme in dat historische proces, dat vaak wordt toegeschreven aan zionistisch rechts. 

Er worden tientallen wetten aangenomen die afbreuk doen aan hun rechten, op allerlei terreinen

Naast haar studie van het zionisme onderzoekt ze de positie van Palestijnen binnen Israël, ongeveer twee miljoen mensen die vaak worden vergeten in de Gaza-protesten of bij de versnelde annexatie van de Westelijke Jordaanoever. Dit zijn Palestijnen die bij het uitroepen van de staat Israël in het land verbleven of kort daarop naar het gebied al dan niet heimelijk terugkeerden. Ook voor haar persoonlijk had het weinig gescheeld. Sabbagh-Khoury werd geboren in Mi’ilya, een Palestijns dorp waarvan de inwoners werden verdreven maar na interventie van de paus alsnog mochten terugkeren – het is een Grieks-katholiek dorp.

De Palestijnen in Israël zijn grotendeels Israëlische burgers, formeel met alle bijbehorende rechten (niet de inwoners van Oost-Jeruzalem, ingelijfd na de oorlog van 1967, die alleen ‘ingezetenen’ zijn). Officieel worden ze aangeduid als ‘Arabische Israëliërs’. „De naam Palestijn is officieel taboe, die identiteit moet worden uitgewist. Zo wordt een gekoloniseerd volk door de staat gereduceerd tot een minderheid, losgekoppeld van hun historicsche band met het land. ”

Ondanks die formele gelijkheid voor de wet wordt de rechtspositie van de Palestijnen in Israël volgens Sabbagh-Khoury in de praktijk al jaren – en steeds heviger – ondermijnd. „Er worden tientallen wetten aangenomen die afbreuk doen aan hun rechten, op allerlei terreinen. Een symbolisch hoogtepunt was natuurlijk de Wet op de natiestaat van 2018, die Israël omschrijft als ‘thuisland van het Joodse volk’. Die wet heeft het afbrokkelen van democratische rechten van Palestijnen in Israël gelegitimeerd, en ook de confiscatie van hun eigendommen. Een bekende Israëlische historicus heeft al eens openlijk gezegd dat [de eerste Israëlische premier] Ben-Gurion in 1948 een fout heeft gemaakt door ze niet allemaal te verdrijven.”

Naast wetgeving is er de praktijk. „Scholen van Palestijnen in Israël krijgen veel minder geld, de voorzieningen zijn overal slechter, in sommige wijken heerst wetteloosheid omdat de politie zich er gewoon niet laat zien. Er is geen ordehandhaving. Dan krijg je gang violence, met alle gebruikelijke methoden: afpersing, beschermingsgeld moeten betalen. De laatste tien jaar zijn daar meer dan 1.440 Palestijnen bij omgekomen, de laatste drie jaar alleen al 720, om precies te zijn. 80 procent van de doden die in Israël in 2025 vielen door misdaad zijn Palestijnen, die maar ongeveer 20 procent van de bevolking zijn. De staat laat het begaan.”

Sabbagh-Khoury ziet de „oorlog tegen Palestijnen” nu ook in Israël zelf woeden. „Alles wat naar Palestijnse identiteit of geschiedenis verwijst moet worden uitgewist. Ik noem het socio-politicide, het systematisch ontmantelen van de mogelijkheden van een gemeenschap om als een coherente politieke entiteit te bestaan. Dat gebeurt door marginalisatie, onteigening, criminalisering en onderdrukking van kennis. Je zag het op andere manieren in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever, maar het geweld slaat nu ook naar binnen, in Israël zelf. Dat is confronterend voor linkse Israëli’s die zich medeplichtig maakten aan de oorlog in Gaza door hun mond te houden. Zij hebben nu een probleem, het geweld komt in hun omgeving. Ik hoop dus dat ze hun privileges opgeven en samen met Palestijnen in verzet komen tegen de apartheid waaronder die leven.”

De massamoord van 7 oktober was een waterscheiding

Dat het Palestijnse leiderschap tot op het bot verdeeld is, maakt het nog erger. „De massamoord van 7 oktober was een waterscheiding”, zegt Sabbagh-Khoury. „Voor Palestijnen in Israël was die een schok. We zijn eraan gewend geraakt slachtoffers te zijn. Nu waren we opeens daders. Ik noem het een bloedbad, of de aanval nu gericht was tegen kolonisten of niet. Dit was in strijd met het internationaal recht. Natuurlijk heb je binnen elke bevrijdingsbeweging uiteenlopende visies, maar dit was een rode lijn. Dat vind ik als Palestijn die strijdt voor bevrijding vanuit een moreel standpunt, en als feminist.”

Wat kunnen Palestijnen dan doen? „Blijven bestaan. Er zijn en blijven, hoe moeilijk dat ook is. Hun morele rechten als inheemse bewoners van van het land articuleren, om niet weggedrukt te worden.”

Dat noemt ze in een artikel voor het tijdschrift Sociological Theory de paradox van „vestigingskoloniaal burgerschap”. Een inheemse bevolking die is opgenomen in de natiestaat van een kolonisator heeft enerzijds burgerrechten, maar krijgt anderzijds te maken met de dreiging van onderdrukking, marginalisatie of zelfs verdrijving. Het is óók de paradox van Israël dat tegelijk een Joodse én democratische staat wil zijn. Kan beide tegelijk? Sabbagh-Khoury: „Voor Palestijnen in Israël is het nu democratie voor de Joodse Israëli’s en een Joodse staat voor de Palestijnen.”

Na haar verblijf in Nederland keert ze terug naar Israël, waar haar gezin woont, al ligt ze daar geregeld onder vuur om haar publicaties en engagement. „Mensen vinden dat ik een risico neem, maar ik wil daar zijn en mijn rol spelen als Palestijnse academicus en intellectueel. Al is de toekomst ongewis, ja.”

De Wertheim-lezing van Areej Sabbagh-Khoury vindt plaats op dinsdag 3 maart om 17.30-19.00 in de Lutherse kerk te Amsterdam. Toegang vrij.
Aanmelden via nias.knaw.nl.


Meer Midden Oosten op ShakingLife.nl