Trumps Griekse tragedie kent geen katharsis

 Iran 
Trump lijkt het Midden-Oosten door hoogmoed, verblinding en misrekening in een uitzichtloze oorlog te hebben gestort. Jos de Mul onderzoekt wat dit betekent voor Europeanen en trekt parallellen met de klassieke oudheid.

Jos de Mul is emeritus hoogleraar wijsgerige antropologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Dit essay is een update van zijn bespiegelingen over de Idee van Europa in Paniek in de Polder. Polytiek in tijden van populisme waarvan onlangs een vierde druk verscheen. 
Gepubliceerd op 8 mei 2026

Ondanks president Trumps voortdurende grootspraak over de militaire successen en spoedige overwinning, lijken de VS de grote verliezers van de oorlog in Iran. Bij het ingaan van de recente wapenstilstand was geen van de gestelde doelen bereikt en het eind van de oorlog is nog niet in zicht. Trump lijkt door hoogmoed, verblinding en misrekening in een Griekse tragedie zonder katharsis terecht te zijn gekomen.

Heel, heel lang geleden, toen Iran nog gewoon Perzië heette, was het een ware supermacht. De even wrede als wijze Sjah Dâriûsh (522-485 v.C.), in het Westen bekend als koning Darius de Grote, heerste over een immens rijk dat vrijwel de gehele ‘oude wereld’ omvatte en zich uitstrekte van Macedonië tot Oman en van Egypte tot Pakistan. Heel de oude wereld? Neen, alleen een klein moedig stadstaatje, Athene geheten, bood dapper weerstand. Sterker nog, het stichtte voortdurend kolonies in gebieden die tot het Perzische Rijk behoorden, zoals aan de Ionische kust in het huidige Turkije.

Erger nog: ze experimenteerden in Athene naar hartenlust met woke praktijken als democratisch zelfbestuur. Darius besloot de Atheners een lesje te leren en Griekenland binnen te vallen, toentertijd een verzameling stadsteden die de Griekse taal en mythologie deelden, maar onderling ook voortdurend overhoop lagen.

Darius veroverde met zijn gigantische leger meerdere Griekse eilanden in de Egeïsche zee en verwoestte de belangrijke handelsstad Eretria. Maar toen hij in 490 v.C. het vasteland van Attica binnentrok, werd hij in de beroemde slag bij Marathon verslagen door de Atheners. De behoedzame Darius keerde met de restanten van zijn leger terug naar huis. Wie sterfelijk is, moet zijn grenzen kennen.

Nu had Darius een eerzuchtige zoon, Khashayar – Grieks: Xerxes – die na de dood van zijn vader besloot het karwei af te maken en een regime change te bewerkstellingen door heel Griekenland te onderwerpen. Met twaalfhonderd triremen (enorme galeischepen met drie rijen roeiers boven elkaar), drieduizend andere schepen en tweehonderdduizend militairen trok hij op naar Griekenland. De Griekse geschiedschrijver Herodotus verhaalt in zijn Historiën hoe Xerxes een rijkversierde troon op de berg Aigaleos had laten plaatsen, van waar hij mooi kon toekijken hoe zijn armada de Griekse vloot van amper driehonderd schepen zou wegvagen.

In de nauwe zee-engte bij Salamis, waar in 480 v.C. de zeeslag plaatsvond, konden de logge triremen echter nauwelijks manoeuvreren, waardoor de kleine schepen van de Atheense vloot de triremen in de flanken konden aanvallen en vernietigen. Xerxes sneakte ijlings terug naar Perzië. Het gedemotiveerde leger dat hij achter liet, werd in 479 v.C. in de slag bij Plataeae definitief verslagen. Deze vernedering betekende het begin van het einde van het Perzische Rijk. Het bleef weliswaar nog een eeuw bestaan, maar werd allengs zwakker en werd in 331 v.C. veroverd door de Griek Alexander de Grote, die zich uitriep tot de nieuwe sjah van Perzië. Het kan verkeren in het leven.

Medelijden met de vijand

De tragedie Perzen van Aischylos, het oudst bewaarde drama uit de Europese literatuur, handelt over Xerxes’ nederlaag. Aischylos nam als infanterist deel aan alle drie de genoemde veldslagen en verloor net als Xerxes een van zijn broers op het slachtveld. Wat vooral fascineert aan deze tragedie, is dat het geen triomfantelijk verslag is van de Atheense overwinning, maar de slag bij Salamis beschrijft vanuit het perspectief van de Perzen en vooral medelijden met de vijand oproept. Het hoofdpersonage van de tragedie is koningin Atossa, de moeder van Xerxes, die in haar paleis steeds rampzaliger berichten krijgt van het front.

In de tragedie wordt Xerxes’ ondergang geweten aan diens hubris, hoogmoed, overmoed en arrogantie; hij waant zich onoverwinnelijk. Zijn eerzucht verleidt hem tot ate, verblinding – we zouden nu van tunnelvisie spreken – die hem blind maakt voor de risico’s van zijn onderneming, en tot hamartia, de fatale misrekening dat zijn armada de kleine Griekse vloot eenvoudig zou kunnen verslaan.

In de tragedie spreekt de schim van koning Darius, die vanuit de onderwereld aan zijn voormalige echtgenote verschijnt, dit oordeel uit, in de fraaie recente vertaling van Patrick Lateur:

Eerst vlijt Ate vriendelijk een mens en lokt hem in haar netten,
waaruit geen sterveling ontsnappen kan en vluchten 

En voor het oog der mensen blijven stapels lijken
getuigen zonder stem drie generaties ver:
wie sterflijk is, mag zich niet arrogant gedragen.
Gedijt de overmoed, haar vruchten vormen aren
van ondergang…

Dat Xerxes boven de goden denkt te staan en de aan de Griekse goden gewijde tempels vernietigt, rekent Darius hem ook zwaar aan:

Hij, sterveling dacht in zijn onverstand
te staan boven de goden allemaal,
ja, zelfs boven Poseidon. Ach mijn zoon
was geestelijk gestoord, hoe kan het anders.

Het koor dat, als een klassieke voorloper van de hedendaagse opiniepagina en talkshow, in de tragedie Xerxes’ ondergang becommentarieert, strooit nog wat zout in de wonde:

Het land weeklaagt
Om de jeugd van het land,
Door Xerxes gedood.
Hades volgepropt met Perzen

Aiaiai! Schreeuw en vraag hem uit.
Waar is de rest van de massa vrienden?
Waar blijven zij die u terzijde stonden?

De tragedie eindigt met een lange klaagzang van Xerxes, die „nat van tranen en erbarmelijk” beseft dat hij „een ramp is geworden voor stam en staat van onze vaderen”.

Dit inzicht leidt uiteindelijk tot katharsis, een zuivering van hoogmoed en verblinding, niet alleen bij Xerxes, maar ook bij de toeschouwers van de tragedie. In die zin is het treurspel een pedagogische les, met als boodschap: don’t do this at home!

Met deze wonderbaarlijke tragische sensibiliteit neemt ‘de Idee van Europa’ zijn aanvang.

Boven het orakel van Delphi stond de spreuk ‘Ken uzelve’. Dit jaar is het motto van de Maand van de Filosofie een variant daarop: ‘Ken onszelve’. De turbulente geopolitieke transformatie die zich momenteel wereldwijd en op extreem gewelddadige wijze voltrekt, stelt ons voor de vraag wat dit betekent voor ons, Europeanen, en voor onze identiteit. 

George Steiner argumenteert in zijn essay The Idea of Europe (2003) dat Europa op twee pijlers berust, die van meet af aan in een strijdige harmonie hebben verkeerd: de joods-christelijke traditie, verzinnebeeld in Jeruzalem, en de in de Griekse oudheid wortelende rationalistische traditie, verzinnebeeld in Athene. 

Wijsheid door schade en schande 

Voor dat idee valt het nodige te zeggen, maar het lijkt ook te wringen. In de eerste plaats omdat Jeruzalem buiten Europa ligt en Athene eeuwenlang deel uitmaakte van het Byzantijnse en Ottomaanse rijk. In de tweede plaats omdat volgens deze maatstaf de Verenigde Staten veel Europeser zijn dan Europa zelf. Tegenover het seculiere Europa ogen de VS als een bastion van christelijk fundamentalisme: daar is de religie steeds een dominante maatschappelijke kracht geweest, zeker met kruisvaarders als de huidige Amerikaanse minister van Oorlog Pete Hegseth. En wat het geloof in het eigen rationalistisch-technisch kunnen betreft, hebben de VS Europa ook ver achter zich gelaten.

Wat ‘het oude Europa’ vooral van de VS onderscheidt, is een derde pijler, die van de tragische sensibiliteit. Deze komt tot uitdrukking in de blijvende actualiteit van de Griekse en vroegmoderne tragedies, in de Europese roman- en filmtraditie en in de populaire kunst, van de Portugese fado (van fatum: noodlot) tot de Nederlandse smartlap. Maar ook, en niet in de laatste plaats, in politieke instituties die onverholen machtsuitoefening tegengaan, zoals democratisch zelfbestuur, trias politica en rechtsstatelijkheid, aandacht voor diplomatie en tact, maar ook in de op solidariteit en medemenselijkheid gevestigde Europese verzorgingsstaat.

Nu vergt niet alleen individuele, maar ook culturele katharsis tijd. Europa heeft voor zijn tragische wijsheid betaald met een lange geschiedenis van burgeroorlogen, van de Peloponnesische oorlogen tussen Athene en Sparta, via de grote godsdienstoorlogen van de 16de en 17de eeuw en de koloniale strooptochten naar de in Europa ontstoken wereldoorlogen in de 20ste eeuw. Tragische wijsheid verwerft men door schade en schande. Kenmerkend voor tragedies is dat de tragische ‘helden’ hun catastrofes nu juist veroorzaken omdat ze alle tragisch besef missen.

Tragische ‘helden’ veroorzaken hun catastrofes nu juist omdat ze alle tragisch besef missen

De geschiedenis herhaalt zich, maar altijd met een twist. President George Bush senior slaagde er tijdens de Golfoorlog (1990-1991) met goedkeuring van de VN-Veiligheidsraad in om de Iraakse troepen, die Koeweit hadden bezet, in enkele dagen te verdrijven en de militaire infrastructuur van Irak zwaar te beschadigen. Maar hij besloot niet op te trekken naar de hoofdstad Bagdad. Wellicht dacht de wijze Bush aan Vietnam. Wie sterfelijk is, moet zijn grenzen kennen.

Net als Darius had ook Bush een zoon. Nadat George Bush junior president van de VS was geworden, wilde ook hij het karwei van zijn vader afmaken. In 2003 vielen Amerikaanse troepen, nu op basis van leugens over Saddam Husseins massavernietigingswapens en zonder steun van de VN, opnieuw Irak binnen, teneinde onder het motto ‘We’re going to bring democracy to Iraq een regime change te bewerkstelligen. De wrede dictator Saddam werd gedood, maar de oorlog veroorzaakte ook de dood van honderdduizenden Iraakse burgers en duizenden Amerikaanse militairen. Bovendien leidde het machtsvacuüm tot langdurige instabiliteit en een burgeroorlog, waardoor Iran zich kon ontwikkelen tot een dominante macht in de regio.

Hubris is hardleers. Ook veel van de latere militaire interventies van de VS – Afghanistan (2001-2021), Libië (2011) en Syrië (2014) – bleken kapitale mislukkingen waarbij de gestelde doelen, zoals stabiliteit, democratisering of de vestiging van een pro-westers regime, niet werden behaald.

Ook Trumps hubris lijkt zijn wortels te hebben in een verlangen zijn vader – die hem voorging als vastgoedmagnaat in New York – te overtreffen. Maar omdat zijn vader het nooit tot president van de VS heeft geschopt, lijkt er voor Trump niets anders op te zitten dan zichzelf voortdurend te overtreffen. Aanvankelijk vooral met handelstarieven en -oorlogen, maar in machtsdronken hoogmoed besloot hij al snel de president van Venezuela te kidnappen (die van Cuba staat nog op zijn wensenlijstje) en te zeggen dat hij Groenland zal inlijven. En, verleid door ate in de gedaante van Nethanyahu, met een armada van vliegdekschepen en bommenwerpers een regime change in Iran te bewerkstelligen, de militaire infrastructuur van het land te vernietigen en het verrijkte uranium, dat Iran mogelijk tot atoommacht zal maken, in beslag te nemen. Toen dat niet lukte, dreigde Trump Iran terug in het stenen tijdperk te bombarderen en de hele Iraanse beschaving te vernietigen.

Hoogmoed en verblinding

Trump is de hypocrisie duidelijk voorbij, aangezien wie hypocriet is, zoals George Orwell opmerkte, in ieder geval nog de schijn ophoudt morele regels te respecteren. Trump bevindt zich niet alleen aan gene zijde van de moraal, maar is ook de waarheid voorbij. Hij lijkt niet in staat zijn hoogmoed en verblinding onder ogen te zien. Hij claimt zonder blikken of blozen de totale overwinning en zegt dat alle oorlogsdoelen zijn behaald. En door zich op zijn eigen sociale medium Truth Social als Jezus Christus te presenteren, stelt hij zich net als Xerxes gelijk aan de goden.

„Geestelijk gestoord, hoe kan het anders”, echoot de stem van Darius vanuit de onderwereld. Maar in tegenstelling tot Xerxes’ tragedie kent die van Trump geen katharsis, geen zuivering van hoogmoed en verblinding.

Wel probeert Trump net als Xerxes weg te sluipen als de realiteit zich niet wenst te buigen naar zijn zin. Niet voor het eerst. ‘Trump Always Chickens Out’, luidt het gezegde. Maar in geval van oorlog geldt: It takes two to TACO. De Islamitische Revolutionaire Garde, die alle macht in Iran naar zich toegetrokken heeft, werkt niet echt mee. Het Iraanse volk ziet in angst en beven een nog wredere tirannie tegemoet.

Met zijn bombardementen op civiele doelen en dreiging met genocide vervreemdt Trump zich van zijn voormalige bondgenoten. In de VS stelt hij veel MAGA-aanhangers teleur door het breken van zijn belofte uitsluitend oorlogen te zullen beëindigen en haken door zijn blasfemie ook veel evangelicals af.

Wordt de Straat van Hormuz Trumps Salamis, waarin hij niet alleen zijn eigen ondergang maar ook die van de VS als supermacht zal bewerkstelligen? China en Rusland kijken geamuseerd toe. Met een vijand als Trump, beseffen Poetin en Xi, heb je geen vrienden nodig.

Gedijt de overmoed, haar vruchten vormen aren
van ondergang…

Wat staat Europa te doen? Moet de Europese Unie, zoals Ursula von der Leyen als voorzitter van de Europese Commissie bepleit, streven naar een assertievere, geopolitieke EU die keiharde machtspolitiek bedrijft om economisch en militair niet achter te blijven? Moeten Europeanen zich met Mark Rutte blijven vernederen en met gevlei proberen Trump ervan te weerhouden de NAVO op te blazen?

Of is het veeleer de hoogste tijd te beslissen dat we ons niet bij schurkenstaten willen scharen, maar trouw willen blijven aan de idee van Europa als tragisch continent dat wel katharsis kent? En door net als de Spaanse premier Pedro Sánchez onomwonden afstand te nemen van de onrechtmatige en met oorlogsmisdaden verweven oorlogen tegen Iran, Gaza en Libanon. Door Trump een ultimatum te stellen: zich voegen naar de internationale rechtsorde, of de NAVO verlaten. En door op alle continenten bondgenoten te zoeken die deze orde verkiezen boven onverholen machtspolitiek en vernietigingsoorlogen.

Daarbij moeten we natuurlijk niet naïef zijn. Europa kent door zijn eigen geschiedenis het kwaad maar al te goed. Geconfronteerd met de agressie van Rusland, en nu ook de VS, zullen we ons ook militair teweer moeten stellen, om de idee van Europa te verdedigen en levend te houden. Dat impliceert dat we volkeren die zich verzetten tegen tirannen, zoals de Oekraïners, Palestijnen en Iraniërs, met alle daartoe geëigende middelen moeten blijven steunen in hun streven naar zelfbeschikking en een menswaardig bestaan. En ook dat we, in de voetsporen van Aischylos, moeten proberen de moeilijkste, maar ook meest heroïsche daad in tijden van oorlog te verrichten: medelijden op te brengen met de vijand en jezelf in hem te herkennen teneinde hem daarmee te ontvijanden.

Bovenaan:  De slag van Salamis van Wilhelm von Kaulbach (1805–1874).  MAXIMILIANEUM (BAYERISCHER LANDTAG) 

EINDE

Sigrid Kaag: ‘Je wordt ontmenselijkt waar je bij staat’

INTERVIEW
Vrouw en politiek Oud-minister van Financiën en -vicepremier Sigrid Kaag kijkt in een openbaar interview met Jutta Chorus terug op haar politieke carrière en de vrouwenhaat waar ze mee te maken kreeg. „Ik ben veel meer dan iemand als Wilders ooit van mij kon maken.”
Gepubliceerd op17 april 2026

Sigrid Kaag is even terug in Nederland. De oud-minister, oud-partijleider van D66, kop van Jut van rechts Nederland en sinds kort lid van de door president Trump ingestelde raad voor ‘vrede, stabiliteit en welvaart voor Gaza’, geeft in Utrecht een openbaar interview op uitnodiging van het Katholiek Vrouwendispuut. Die organisatie, opgericht door onder anderen Marga Klompé om vrouwen te stimuleren de politiek in te gaan, viert haar tachtigjarig bestaan. Sigrid Kaag (1961) kwam voor het interview over uit Zwitserland, waar ze sinds vorig jaar woont.

Bent u blij dat u niet meer in Nederland woont?

„Mijn man wil niet meer in Nederland wonen. Punt. Alleen al om het weer, hij heeft een ongelooflijke hekel aan harde wind.

„Nu ik hier weer als ‘vrij mens’ terugkom, zonder beveiliging, zonder te worden herkend, word ik soms als een soort profeet uit een ander land ontvangen, terwijl ik dezelfde persoon ben als toen. Opeens luistert men weer naar je. Je wordt niet meer gedemoniseerd. En de mensen die dat hebben gedaan, zijn vergeten wat ze hebben gedaan. Dat is een rare ervaring.”

U bent opgegroeid in Zeist. Uit wat voor gezin komt u?

„Mijn ouders waren zowel heel katholiek als heel liberaal. Dat hoort zeker bij de katholieken van boven de grote rivieren. Mijn zusje en ik mochten alles in het protestantse Zeist. We hoorden bij de minderheid van onze school die op zondag ging hockeyen en tennissen, of op straat ging spelen. Mijn vader plaagde onze gereformeerde melkboer een beetje die op zondag wel melk bezorgde, maar daar pas maandag voor betaald wilde worden. Mijn vader was musicus. Het muzikale heb ik van hem. Ik had operazangeres willen worden, maar het is anders gelopen.”

Zingt u nog?

„Ja, voor mezelf onder de douche. Voor mijn moeder, een ‘slachtoffer’ van het eervol ontslag voor gehuwde onderwijzeressen, was het altijd opleiding, opleiding, opleiding. Ze zei letterlijk: ‘Als je maar nooit afhankelijk wordt van een man’.

„Ik had een broertje dat na mij geboren werd en als baby stierf. Dat was een kruis, een donkere wolk boven het gezin.

„Toen ik dertien was, kreeg mijn moeder een hersentumor, ze was al opgegeven toen wij dit hoorden. Het Laatste Oliesel was al toegediend. Wij kregen te horen: ze wordt geopereerd maar we verwachten niet dat ze er nog levend uitkomt. Dat is wonder boven wonder wel gebeurd, daarna lag ze lang in coma en ze is daaruit ontwaakt. Mijn vader leed aan een zware depressie. Hij werd in diezelfde periode opgenomen in wat toen heette een ‘sanatorium voor psychosen en neurosen’.

„Een psycholoog zou ongetwijfeld zeggen: dat was een kentering in je leven. Maar je had te dealen met het lot dat je toebedeeld werd. En wij zaten niet in een sociaal milieu waar dit tot extra kwetsbaarheid leidde. We hadden een soort georganiseerde omgeving, vanuit de kerk, de middelbare school, de hockeyclub. Mijn zus en ik klampten ons vast aan school. Goede cijfers halen, blijven hockeyen, blijven tennissen, in het schoolkoor zingen.

„Ik had graag gewild dat mijn ouders wat ‘normaler’ waren, zo keek ik ernaar als puber. Mijn vader was op zijn manier een soort brave hippie, al zag ik dat toen niet zo. Hij weigerde bijvoorbeeld het type statusauto te kopen dat men in Zeist veel zag, of dat hoorde bij je stand.”

Wat voor auto had hij dan?

„Een Skoda of een Lada. Ik ben opgegroeid in een huurflat. Dat was een keuze, mijn ouders vonden het kennelijk bevrijdend om weinig bezit te hebben. Ze waren heel progressief, maar op een manier die je als teenager heel storend kon vinden. Je wilt bij je omgeving horen. Later heb ik er meer waardering voor gekregen.”

Sigrid Kaag (vooraan links) bij het Katholiek Vrouwendispuut, naast journalist Sheila Sitalsing en burgemeester Sharon Dijksma van Utrecht. FOTO ESTHER DE WITTE

In 1981 vertrok u naar Caïro. Hoe was het daar voor een jonge vrouw?

„Mijn ouders lieten mij op mijn negentiende naar Egypte vertrekken. Ik kwam in Caïro in de tijd van president Sadat, die kort daarop werd vermoord. Daarna begon het regime van Mubarak. Ik kon eens per week drie minuten bellen voor 30 dollar meen ik, vanuit een luxe hotel. Je kreeg post die er een maand over deed. Wat moeten mijn ouders die hele tijd gedacht hebben? Een deel van mijn kinderen heeft ook in het buitenland gestudeerd: ik hield mijn hart vast. En ik kan ze bij wijze van spreken zó tracken met de iPhone – doe ik niet, want dat vind ik te benauwend voor hen en te eng voor mezelf.

„Voor mij was het geweldig. Egyptische studenten, studenten uit Oman, veel Palestijnse studenten vanuit de bezette gebieden en Libanezen. De Libanese burgeroorlog was in volle gang, 1982. Tijdens mijn studietijd dacht ik: twee studierichtingen zal ik nooit kiezen: over de situatie in Libanon en over de Palestijnse kwestie – beide thema’s leken me zo uitzichtloos. En iederéén koos deze onderwerpen. Ik ging een beetje Golfstaten doen, Irak, Iran, islamitische geschiedenis, de volle breedte. De beste tijd van mijn studentenleven waren de jaren in Egypte.

„Ik had een vriendje wiens moeder een leidend parlementslid in Egypte was. Zij organiseerde alle politieke vrouwen, of het nou moslims waren of kopten. Iedereen kwam daar aan huis. Ik vond dat heel normaal, al besefte ik wel dat ik me bewoog onder de elite van dat land.

„In het Midden-Oosten had je in de jaren 50 en 60 al vrouwelijke ministers, in Marokko, Tunesië, Algerije. Daar maakte ik mijn collega-politici wel eens gek mee, als ze over emancipatiecriteria spraken. Het beeld dat men in Nederland van die regio heeft, van de positie van religieuze minderheden of vrouwen – de hoofddoek als criterium voor emancipatie – dat neem je niet zomaar weg, dat zit heel diep.

„Wij zijn simplistisch in het opkalefateren van hoe goed we het doen. Je hoorde altijd: ‘O we zijn geweldig, want wij hebben Ahmed Aboutaleb als burgemeester van Rotterdam.’ Oké, dat is er één. Maar als je steeds weer met de uitzondering moet komen om iets te beweren, is het niet in orde.”

Ik had helemaal geen probleem om toegang tot bijvoorbeeld een Bashar al-Assad te krijgen

In 2013 leidde u een vredesmissie in Syrië, in 2015 was u gezant in Libanon. U onderhandelde met dictators. Is de positie van een vrouwelijke gezant precair?

„Nee hoor. Zeker in dat soort landen gaat het om je statuur. Je bent eigenlijk androgyn in de ogen van de ander. If you assume it, als je het je eigen maakt, heb je dubbele winst. Want op sommige plekken krijg je zo ook toegang tot specifieke vrouwengemeenschappen, van politieke leiders, invloedrijke vrouwen, schrijvers die jou willen spreken.

„Dus ik had helemaal geen probleem om toegang tot bijvoorbeeld een Bashar al-Assad te krijgen. Het feit dat ik daar als vrouw kwam was eigenlijk alleen maar een plus, een zwaar onderschat politiek machtsmiddel.

„Wij veronderstellen dat in een andere samenleving een vrouw in een machtige positie wel anders behandeld zal worden, ook omdat we zélf vrouwen in Nederland niet altijd op een gelijkwaardige manier behandelen.”

U kreeg in 2017 de ministerspost voor Buitenlandse Handel aangeboden. Buitenlandse Zaken lag gezien uw ervaring meer voor de hand. Waarom kreeg u dat niet?

„Dat moet je aan het D66-formatieteam van toen vragen. Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking is een mooie post hoor qua inhoud en ‘soft power’, maar marginaal in de ministerraad. Je doet goede dingen in het buitenland, maar vanuit verkiezingsperspectief heb je er weinig tot niets aan.

„Bij de formatie van 2021 probeerden sommigen D66, en dus mijzelf, weer allerlei posten aan te praten. Die post was toch zo mooi, die paste toch zo goed bij mijn passie. ‘Nee’ zei ik. Ik koos voor Financiën. Als je aan de knoppen wilt zitten, moet je Financiën nemen.

„Ik had meer vakken economie gedaan dan sommige mannelijke ministers voor mij. Over hen bestond nooit twijfel of ze die functie goed zouden kunnen vervullen, want ‘een man past goed op de huishoudportemonnee’. In Nederland was ik de eerste vrouwelijke minister van Financiën. Absurd. Ik heb Financiën onder hoogspanning in ongekende tijden goed gedaan, al zeg ik het zelf.”

Zei u ‘ja’ uit een soort plichtsgevoel, bij wijze van inzet voor de publieke zaak?

„Nee, ik wilde het gewoon. Ik was verbaasd toen in 2010 de gedoogconstructie met Wilders tot stand kwam en niemand de straat op ging. Ik ben een product van de periode van Janmaat [leider van de radicaal-rechtse Centrumpartij in de jaren 80], toen was er echt maatschappelijk en politiek verzet: niet accepteren, niet tolereren, niet normaliseren. Ik had het altijd over de extreme politiek en taal van Wilders, dat we ons moeten organiseren, de samenleving beschermen, voor de rechtsstaat staan – nou dan zal ik die verantwoordelijkheid op me nemen ook.”

Hoe is u dat bevallen?

„Aan de ene kant een mooie en leuke ervaring, aan de andere kant heel naar. We waren in 2017 naar Nederland verhuisd met het idee: we gaan een bijdrage leveren aan de samenleving. Ik denk dat ik eerst voor velen relatief ongevaarlijk was, een beetje ongrijpbaar. Tot ik partijleider werd in 2020. Vanaf dat moment breidden de beledigingen en frames en bedreigingen zich in bepaalde kringen als een olievlek uit.”

Hoe ging u daar toen mee om?

„Mijn huis werd een bastion. Ik werd een soort huismus. Maar het ergst is het, denk ik, voor je familie en vrienden. Mijn man wilde niet meer met mij op straat. Mijn kinderen ook niet. Ik ben jarenlang niet bij een van hen thuis geweest, en voor sommigen is het nog steeds lastig. Zelf heb ik vanaf Pasen 2018 geen sociale media meer bekeken. Maar ik heb er helaas genoeg van meegekregen. Iedereen komt op je af: ‘O, wat erg wat ze nou weer over jou hebben gezegd!’

„Een oudere, progressieve vrouw, die een succesvolle internationale loopbaan achter de rug heeft, is kennelijk een eenvoudig doelwit. Je wordt ontmenselijkt waar je bij staat. Met een buitenlandse man – helemaal ‘gevaarlijk’. En ze laat zich niet wegsturen. Dan ben je toxic. Er is weinig verweer tegen. Het enige wat je kunt doen is dicht bij jezelf blijven en erboven staan.

„Nu ik weer zo heel vrij rondloop, een paar jaar na dato, denk ik: waarom heeft het überhaupt zo moeten zijn?

„Iemand wilde een documentaire over Geert Wilders maken en iedereen zei tegen mij: ‘Sigrid, je móét meewerken, jij kent die man zo goed’. Maar ik kende hem helemaal niet, ik ben ongewild lijdend voorwerp van hem geweest. Toen heb ik iets gezegd, waarvan ik heel blij ben dat ik het heb gezegd: weet je, ik bén geen slachtoffer van Geert Wilders. Ik leen me daar niet voor. Ik heb agency, een piekfijn, bijna onvertaalbaar begrip, dat zoveel betekent als: ik ben autonoom, ik heb recht van spreken, ik bepaal zelf mijn keuzes. Ik was een goede minister, bijna zeven jaar lang. Succesvol partijleider. Ik ben veel meer dan iemand als Wilders ooit van mij kon maken.” 

Hoe komt het dat Nederland niet zo geëmancipeerd is als het zich voordoet, maar zelfgenoegzaam?

„Het heeft volgens mij te maken met sociaaleconomische verhoudingen. Het feit dat vrouwen nog altijd, om allerlei redenen, vaak parttime werken. Dat maakt de financiële machtsverhoudingen zwakker. Ik had niet verwacht dat de gebrekkige vrijheid die je daaruit proeft, er nog zou zijn.

„Tegen jonge vrouwen met politieke ambities zou ik zeggen: vind eerst een baan en kijk of je die leuk vindt. Ik had een succesvolle carrière, ik kon keuzes maken. Daar kun je altijd op terugvallen. Dan draag je een grotere maatschappelijke ervaring met je mee dan de slimme woordjeskunstenaar die een heel leven in de politiek heeft gezeten en op het juiste moment bij de interruptiemicrofoon staat, in de hoop dat-ie het avondjournaal haalt.

„Uit Amerika zie je de manosphere overwaaien. De witte, heteroseksuele en kennelijk christelijke man, die zich in de hoek gedrukt voelt en dat gevoel politiek maakt. Daar vaart FVD – met de projectie van het meisje met de parel, dat schijnbaar onberoerde, maagdelijke – mee heen. Daar tegenover wordt ‘de heks’ geplaatst, teruggrijpend op de middeleeuwen. Vrouwen met een bovenmatige intelligentie die oplossingen wisten aan te dragen en alleen durfden te leven, buiten het patriarchaat, los van de mening van de dorpsgemeenschap. Die beeldvorming komt weer terug. Dat gebeurt bewust en het is gevaarlijk.

„Ik ben een product van de jaren 60. Toen ik in 2017 na 25 jaar terugkwam in Nederland was de grootste schok te merken dat in andere landen de zaken eigenlijk veel genuanceerder liggen – andere machtsverhoudingen tussen man en vrouw – dan men in Nederland denkt dat ze zijn. Wij zijn misschien een platgeslagen samenleving, maar daarbinnen zitten allemaal schuilweggetjes en toegangsluikjes, waar sommige mensen doorheen kunnen en anderen niet, omdat die ze niet kennen. Denk aan de nieuwkomer en aan allen die tot in de vierde generatie nog steeds als migrant worden gezien.” 

Dus in die zin is misschien die progressieve periode…

„..een uitzondering geweest. Zou best kunnen.”

U zit in de ‘vredesraad voor Gaza’ van Trump. Over manosphere gesproken.

„Mensen zagen: Tony Blair, Jared Kushner, Steve Witkoff en opeens een vrouw, Sigrid Kaag, en ze dachten: ‘Kan niet anders of ze heeft zichzelf gemeld.’ Nee, ik werd gevráágd. Omdat ik kennis, kunde en geloofwaardigheid heb.”

Wat verwacht u te kunnen bijdragen?

„Ik heb bijna geen verwachtingen. Sommigen zeiden: ‘Je wordt geïnstrumentaliseerd’. Dat kan, maar ik ben er zelf bij. Wat ik hoop te bereiken is óf een rem te zetten op een vreselijk slecht plan óf het goede doen en tenminste verlichting te brengen in het leven van Palestijnen in Gaza. Denk ik dat dat gaat lukken? Daar ben ik niet naïef in.

„Het makkelijkste was geweest om nee te zeggen. Dan kon ik met schone handen zeggen: ik heb het niet gedaan hoor. Weet je, ik heb mijn hele leven gepraat met een verscheidenheid aan karakters en leiders, ook sommigen die je verkeerde types zou noemen. Dit is een beetje een voortzetting van mijn betaalde werk. Het is een soort specialiteit van me.”

Is er één bepaalde wens van de Gazanen die u wilt inbrengen in die raad?

„Dat ze Palestijnen zijn. Dat ze rechten hebben. Dat ze wachten op hun staat. En alles tussendoor is eerlijk gezegd niet meer dan overleven.”

CV

Sigrid Kaag (Rijswijk, 1961) is topdiplomaat en voormalig minister en partijleider van D66. Haar carrière begon in 1988 bij Shell in Londen. Van 1990 tot 1993 werkte ze bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Van 2013 tot 2014 leidde Kaag de OPCW-missie van de Verenigde Naties om het chemische wapenprogramma van Syrië te ontmantelen. Van 2015 tot 2017 was ze VN-gezant in Libanon.
In 2017 werd ze namens D66 minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, in het kabinet-Rutte III, later ook minister van Buitenlandse Zaken. In het kabinet-Rutter IV was ze vicepremier en de eerste vrouwelijke minister van Financiën. Kaag verliet de politiek in januari 2024.
Eind 2023 werd ze benoemd tot Senior Humanitarian and Reconstruction Coordinator voor de VN in Gaza. Later werd ze ook VN-gezant voor het vredesproces in het Midden-Oosten. Ze geeft les aan de School of International Affairs (PSIA) van Sciences Po in Parijs. Begin 2026 trad ze als onafhankelijk lid toe tot de Gaza Executive Board, een initiatief van de Amerikaanse president Trump, opgericht met een resolutie van de Veiligheidsraad.

EINDE

Turner & Cuyp

Elke afbeelding rechtsboven klikken voor vergroting.

Hoe is dit monumentale gezicht op Dordrecht tot stand gekomen? En waar komt de fascinatie van Turner voor Dordrecht vandaan?
Tijdens deze lezing verkennen we Turners liefde voor de Hollandse meesters, in het bijzonder de Dordtse kunstenaar Aelbert Cuyp. De lezing wordt gehouden door Conservator Sander Paarlberg. Turner bezoekt Nederland en Dordrecht meerdere keren. Wat is het aan Dordrecht dat de deze Britse kunstenaar zo trekt? En hoe heeft de stad van Cuyp hem beïnvloedt?
LEZING: TURNER & DORDRECHT
17 & 31 mei 2026 4:00 - 15:00, Dordrechts Museum

Hoe grote Britse schilders geïnspireerd raakten door Aelbert Cuyp

RECENSIE
BEELDENDE KUNST
Tentoonstelling Een mooie expositie in Dordrecht toont hoe de grote landschapschilders in het Engeland van de achttiende en negentiende eeuw schatplichtig waren aan de Hollandse meester Aelbert Cuyp.

Bram de Klerck, NRC
Gepubliceerd op 13 oktober 2021

Gevraagd naar namen van uitmuntende landschapschilders, noemde de Britse schilder Richard Wilson (1714-1782) weinig verrassend de befaamde meesters Claude Lorrain en Gaspard Dughet. Maar er waren ook twee, toen nog vrij onbekende en inmiddels ook al lang overleden, schilders die naar zijn mening nog grote naam zouden maken: „Cuyp en Momper”. Of Wilsons voorspelling over de Antwerpenaar Joos de Momper uiteindelijk waarheid is geworden, valt nog te bezien. Maar wat betreft de zeventiende-eeuwse Hollandse meester Aelbert Cuyp kreeg hij gelijk: al ver voordat de schilder uit Dordrecht in zijn vaderland grote faam zou verwerven, was zijn reputatie vooral in Engeland tot huizenhoogte gestegen.

Panoramisch riviergezicht

De tentoonstelling is alleen al een aanrader vanwege de ruime keuze van werken van Cuyp zelf. De laatste monografische tentoonstelling die in Nederland aan hem werd gewijd dateert uit 2002. Van de ruim dertig van zijn nu getoonde schilderijen was de helft daar niet te zien. Zo is er een groot doek met een Gezicht op de Waal met het Valkhof (Woburn Abbey) dat nu is herenigd met een ongeveer even grote tegenhanger met een aanzicht van de vroegere Nijmeegse burcht vanuit een ander standpunt. Twee niet eerder in Nederland tentoongestelde panelen van ongeveer een halve meter hoog (nu bewaard in respectievelijk Leipzig en Los Angeles) vormen tezamen een panoramisch riviergezicht met koeien en schepen, en op de achtergrond de skyline van de stad Dordrecht. Uit materiaal-technisch onderzoek kon onlangs met zekerheid worden vastgesteld dat beide werken ooit één, ongewoon brede voorstelling vormden.

Aelbert Cuyp (1620-1691) staat bekend om zijn idyllische landschappen met koeien en ander vee en zijn doorgaans kalme rivier- en stadsgezichten. De schilderijen kenmerken zich vaak door helder zonlicht en de effecten van morgenstond of zonsondergang. Een warm, zuidelijk aandoend palet heeft zoveel weg van de in Engeland zeer geliefde Claude Lorrain, dat men hem daar ‘the Dutch Claude’ noemde. Ook de naam van Cuyp zelf werd bijna tot een soortnaam voor geïdealiseerde uitbeeldingen van het leven van boeren en herders, riviermondingen met gedetailleerd weergegeven schepen, en stadsgezichten in helder tegenlicht. Zo noteerde de Engelse schilder W.J.M. Turner de naam van Cuyp vaak in zijn schetsboek, bij tekeningen die hij zelf had gemaakt van taferelen die hem aan zijn Dordtse collega deden denken. 



Toch waren de grote Engelse schilders van de achttiende en negentiende eeuw duidelijk niet uit op louter imitatie. Turner (1775-1851), bijvoorbeeld, nam regelmatig motieven over, zoals koeien en arcadische landschappen en schepen in riviermondingen, en steeds benadrukt de catalogus bij de expositie daarbij het Cuyp-achtige lichtgebruik. Maar terwijl bij Cuyp de zon meestal achter vegetatie, gebouwen of de horizon schuilgaat, maakt Turner hem tot een hoofdrolspeler, vaak in een mistige atmosfeer. De kraakheldere contouren van Cuyp en diens subtiele spel van licht en schaduw maken plaats voor een losse penseelstreek die diffuse kleuren en lichteffecten samenbindt. Al veel eerder was ook Thomas Gainsborough (1727-1788) onder de indruk geraakt van Cuyps themakeuze, maar ook in zijn magistrale schilderijen van koeien in rivierlandschappen overheerst een losse toets die ver af staat van de stijl van Cuyp.

Tot de intrigerendste schilderijen in de tentoonstelling behoren de studies die John Constable (1776-1837) maakte van weerfenomenen zoals geheel op zichzelf staande wolkenluchten, of een Stortbui boven zee. Dat laatste werk toont een bijna abstracte weergave van donderwolken waaruit de regen loodrecht neerslaat. Mogelijk klinkt er iets in door van de bewondering die Constable koesterde voor Cuyps Storm boven de Maas bij Dordrecht (1645-1650). Een zeilschip helt flink over in de onstuimige rivier, en in de donkere wolkenlucht flitst de bliksem. Maar vergeleken met Constable’s dramatische hoosbui is er bij de solide Aelbert Cuyp weinig reden tot zorg.

Deze expo belooft een inkijkje in het huishouden van Jan Steen: maar je ziet vooral zijn artistieke veelzijdigheid

RECENSIE

Beeldende kunst
Zo’n dertig schilderijen van Jan Steen in de Leidse Lakenhal illustreren wel zijn artistieke veelzijdigheid maar niet veel van zijn persoonlijk leven.

Bram de Klerck, NRC

Gepubliceerd op 20 april 2026

Vergroten door r.b. te klikken

-———————————————^

 is verleidelijk om de uitdrukking ‘leven in de brouwerij’ te relateren aan de Hollandse schilder Jan Steen (1626-1679). Hij is immers geboren als zoon van een Leidse bierbrouwer, zou later zelf werken als brouwer en kroegbaas en veel van zijn schilderijen kenmerken zich door een energieke vrolijkheid waarbij gezang en muziek, drank en tabak een vaste rol spelen. In combinatie met de titel ‘Thuis bij Jan Steen’ vormt de verwijzing naar het brouwersvak de naam van de expositie ter gelegenheid van het vierhonderdste geboortejaar van de schilder in Museum De Lakenhal. De suggestie wordt erdoor gewekt dat we er iets te zien krijgen van het persoonlijke leven van Steen en de manier waarop zich dat weerspiegelt in zijn werk.


Tentoonstelling
Thuis bij Jan Steen – 400 jaar leven in de brouwerij. T/m 23/8, Museum De Lakenhal, Leiden. Info: lakenhal.nl


Er lijkt ook wel iets voor te zeggen: zo vertoont de forse, langgelokte man met een grote neus in een vlezig gezicht die regelmatig in zijn schilderijen figureert een opvallende gelijkenis met een zelfportret van de schilder. Ook zijn vrouw en kinderen poseerden regelmatig voor goedlachse figuren in rommelige interieurs die zelf weer aan de basis staan van de spreekwoordelijke notie van het ‘huishouden van Jan Steen’. En schreef de 18de-eeuwse kunstenaarsbiograaf Arnold Houbraken niet over Steen dat „zijn schilderijen zijn als zijn levenswijze, en zijn levenswijze als zijn schilderijen”?

De expositie toont een kleine dertig schilderijen van de hand van Jan Steen zelf plus een aantal werken van tijdgenoten, hoofdzakelijk uit de eigen verzameling en andere Nederlandse openbare collecties. Bekende werken uit het Rijksmuseum trekken de aandacht, zoals het Bakkersechtpaar (1658), waarin een man met stoer openvallend wit hemd en zijn juist keurig in het zwart geklede vrouw staande voor hun Leidse bakkerij verse broden en krakelingen presenteren, en het Vrolijke huisgezin(1668) met een wanordelijke familie rond de eettafel, met zingende en drinkende volwassenen die de kinderen duidelijk het slechte voorbeeld van liederlijk gedrag geven.

Virtuoos geschilderde witte jurk

Verrassender zijn enkele bruiklenen uit particuliere verzamelingen, die zelden aan het grote publiek worden getoond. Een vroeg werk van de schilder is een niet zo lang geleden herontdekt dorpsgezicht met dansende boeren (Meidans, 1648), terwijl juist uit zijn laatste jaren een toneelachtig tafereel dateert dat met veel figuren tegen de achtergrond van een exotische architectuur een bruiloftsfeest voorstelt (Het Spaanse bruidje, 1670-1679). Na afloop van de tentoonstelling blijft het schilderij als langdurig bruikleen in de Lakenhal te zien. Een portret (rond 1673) stelt Steens tweede echtgenote Maria van Egmond voor. Geamuseerd glimlachend en gekleed in een virtuoos geschilderde witte jurk, poseert ze in de rol van de oudtestamentische figuur Bathseba.

Hoe bescheiden deze greep uit Jan Steens honderden schilderijen ook is, toch geeft die een mooi beeld van zijn artistieke veelzijdigheid. Een van zijn vroegste werken is bijvoorbeeld een boslandschapje in de stijl van Jan van Goyen. Van geleerde ambitie getuigen grotere schilderijen gebaseerd op verhalen uit de Bijbel of de klassieke mythologie, waarin de kunstenaar ook zijn uitstekende beheersing laat zien van de techniek van het precies weergeven van de stoffen van mantels en jurken.

Van de persoonlijke leefwereld van Jan Steen die de expositie beoogt te illustreren, verraden zulke schilderijen in feite maar weinig. Hoogstens, en dan nog indirect, verwijst het landschap naar het huwelijk dat Steen rond die tijd aanging met Van Goyens dochter Grietje. Zijn soms, maar lang niet altijd, delicate schildertechniek past in de traditie van Leidse fijnschilders als Steens stadgenoten Gerard Dou en Gabriël Metsu. En het uitbeelden van literaire thema’s kan verband houden met de opleiding van de jonge Jan Steen aan de Latijnse school en misschien ook zijn latere inschrijving bij de Leidse universiteit, voor zover die niet ten doel had om accijnzen en andere verplichtingen te ontlopen. Maar in hoeverre schilders in die tijd hun onderwerpen werkelijk zelf kozen, blijft in de expositie en bijbehorende publicatie in het midden.

De kluchtige taferelen waarmee de schilder vooral bekend is geworden, stellen in elk geval niet zijn eigen huishouden voor. Wel zit er onmiskenbare zelfspot in de manier waarop Jan Steen zijn eigen beeltenis opvoert. Nu eens zit hij er prominent en breed lachend bij, dan weer staat hij blazend op een doedelzak terzijde, of poseert hij ietwat onnozel met een koddig mutsje scheef op het verder serieuze hoofd.

EINDE

Het Louvre toont de verbluffend virtuoze gravures van ‘mooie Martin’ Schongauer, die meer invloed had dan tot nu toe werd gedacht

Expositie Parijs
Het Louvre toont een zeldzaam volledig overzicht van schilderijen en prenten van de laatmiddeleeuwse Franse kunstenaar Martin Schongauer, en illustreert hoe kunstenaars na hem door zijn werk beïnvloed werden.
Met dank aan NRC
Bram de Klerck
Gepubliceerd op 24 april 2026

Hans Burgkmair, Portret van Martin Schongauer (1483).


AFBEELDINGEN VERGROTEN DOOR TE KLIKKEN Rechtsboven.

‘Mooie Martin’ was een veelgebruikte bijnaam van de schilder en graveur Martin Schongauer (ca. 1445-1491). Zou de kunstenaar inderdaad gezegend zijn geweest met een bijzonder aantrekkelijk voorkomen? Of was het een associatie die opkwam bij zijn achternaam? Zeker is dat zijn jongere collega en bewonderaar Albrecht Dürer een pentekening bezat met een voorstelling van Christus waarboven hij schreef dat „hübschMartin” die had gemaakt in 1469. Dürer heeft Schongauer waarschijnlijk nooit ontmoet en zal dus vooral hebben gedoeld op de bekoorlijke kwaliteit van diens werk.

De laatmiddeleeuwse kunstenaar Schongauer, die werkte in het grensgebied van Frankrijk en Duitsland, is nooit vergeten. Maar veel van zijn werk is later wel in de schaduw komen te staan van dat van Dürer en andere schilders en prentenmakers van de renaissance. Een tentoonstelling in het Louvre stelt Schongauer nu centraal in een prachtig overzicht van zestig gravures, plus enkele pentekeningen en een handvol paneelschilderijen van zijn hand. Daarnaast wordt, met nog eens veertig prenten, schilderijen en toegepaste kunst van latere makers, aandacht besteed aan de voorbeeldfunctie van zijn werk.

Elegantie en detail in prent en paneel

”Zoals dit filmpje op de website van het Louvre fraai illustreert” – zie onder.

Martin Schongauer, geboren omstreeks 1445 in Colmar, zo’n zeventig kilometer ten zuiden van Straatsburg, bracht het grootste deel van zijn carrière door in de huidige Noord-Franse regio Elzas. Zijn opleiding als kunstenaar kreeg hij er in het atelier van zijn vader, die edelsmid was. Die achtergrond verklaart meteen zijn uitstekende beheersing van het graveren in koperplaten, een techniek die ook werd toegepast voor het decoreren van metalen sieraden en andere voorwerpen. Schongauer was daarmee een pionier op het gebied van de prentkunst, die in zijn tijd nog in de kinderschoenen stond. Hij hanteerde de burijn, gereedschap om mee te graveren, opvallend vrij. Zoals dit filmpje [zie boven] op de website van het Louvre fraai illustreert, levert deze techniek in de afdruk bijna tekenachtige effecten op.

Maar Schongauers uitbeeldingen van kelken, monstransen en andere kerkelijke voorwerpen verraden inzicht in de manier waarop dergelijke werken werden gemaakt. Een gravure met een voorstelling van een wierookvat (1470-1475) toont bijvoorbeeld het delicaat vormgegeven, opengewerkte object, compleet met sierlijke gotische traceringen, gedetailleerde bloemmotieven en figuurtjes van engelen. Die doen tegelijkertijd dienst als bevestigingspunten van de kettingen waaraan zo’n vat gevuld met smeulende wierook heen en weer wordt geschommeld.

Rembrandt kijkt naar Schöngauer
Journal of Historians of Netherlandish Art.

De expositie toont ongeveer de helft van Schongauers prenten. Ze getuigen van een verbluffende virtuositeit en van een detaillering die ook van de kijker concentratie vereist – of het nu een grote voorstelling betreft van de Kruisdraging van Christus(1470-1475), een landschap met veel figuren of een ornamentaal blad met bloemranken waarin je pas na twee keer kijken de vogels ontwaart, zoals een agressieve steenuil die een mus verslindt.

Van Schongauers zes nu nog bekende schilderijen toont de expositie er vijf, waaronder het topwerk Madonna van de rozenhaag, een twee meter hoog altaarstuk op paneel uit 1473. Maria zit op een bankje met het naakte Christuskind in haar armen, recht onder de kroon van de Koningin der Hemelen die twee engelen boven haar hoofd houden. De ernst van de thematiek wordt gerelativeerd door de liefdevolle omhelzing van moeder en kind, en door een vlechtwerk van kleurige bloemen met vogeltjes op de achtergrond. Toch dragen ook die elementen, volgens middeleeuwse interpretaties, bij aan de serieuze boodschap: de aanwezigheid van witte lelies duidt op Maria’s maagdelijkheid, de rode rozen symboliseren het bloed van het kruisoffer, een distelvink verwijst naar de doornen in de kroon van de lijdende Christus.

Internationale navolging en invloed

De eerste van de twee expositieruimtes in de Mezzanine Napoléon van het Louvre toont alleen werk van Schongauer zelf en zou daarmee al een mooie afgeronde expositie geweest zijn. Maar nog verrassender is de tweede zaal, die aandacht besteedt aan de manier waarop kunstenaars tot ver buiten de Elzas Schongauers werk als voorbeeld namen. Vooral zijn prenten, relatief goedkoop te maken en gemakkelijk te verspreiden, kregen al snel navolging tot in de verste hoeken van Europa. Schongauers composities en motieven beïnvloedden befaamde kunstenaars, onder wie Dürer in zijn prenten en misschien zelfs Michelangelo in een schilderijtje (niet in de expositie). Maar nog verrassender is de receptie in soms heel andere media. Zo voorzag een anonieme meester in Limoges in 1520-1530 twintig koperen plaatjes van kleurige emailschilderingen met voorstellingen die direct zijn geïnspireerd op Schongauers prentenserie met scènes van het lijden van Christus.

Van groter formaat maar heel wat bescheidener kwaliteit is een paneel van ongeveer een meter hoog met de Verzoeking van de heilige Antonius (1480-1495) door de 15de-eeuwse Spaanse schilder Martin Bernat [zie beneden].De houterige voorstelling toont de heilige die, tijdens zijn eenzame verblijf in de wildernis, wordt aangevallen door demonen. Die zijn fantasievol weergegeven met grijnzende koppen, hele of halve dierenlijven en vleermuisvleugels: een vereenvoudigde maar onmiskenbare kopie naar Schongauers magistrale gravure van hetzelfde thema. Het schilderij laat zien hoe snel het werk van mooie Martin zich over Europa verspreidde — en hoe moeilijk zijn verfijnde schoonheid elders te evenaren bleek.

Met dank aan NRC

Eigen aanvullingen

 
Tentoonstelling
Martin Schongauer, ‘Le bel immortel’. T/m 20 juli in het Louvre, Parijs. Inl. www.louvre.fr.
”Dit werk, dat zich momenteel in het Alma Mater Museum bevindt en oorspronkelijk afkomstig is uit de Iglesia de San Miguel Arcángel in Alfajarín, is een uitstekend voorbeeld van Aragonese gotische schilderkunst.
Van 8 april tot 20 juli 2026 is het te zien in het Louvre in Parijs als onderdeel van de tentoonstelling "Martin Schongauer (Colmar, circa 1445 – Breisach, 1491), De Schone Onsterfelijke". We zijn verheugd dat een van 's werelds belangrijkste musea dit werk in zijn collectie heeft opgenomen.”
Meer berichten van almamatermuseum

EINDE

VN: wederopbouw Gaza gaat meer dan 60 miljard euro kosten

Bobby Uilen
Gepubliceerd op20 april 2026 om 23:10

NIEUWS

De wederopbouw van Gaza zal de komende tien jaar 71,4 miljard dollar kosten, omgerekend 60,5 miljard euro. Dat is de conclusie van de definitieve „schade en behoeftenanalyse” die de Verenigde Naties (VN) en de Europese Unie maandag hebben gepubliceerd.

De genocidale oorlog die Israël voert in de Gazastrook, heeft het gebied in puin achtergelaten. De zwaarst getroffen sectoren zijn huisvesting, gezondheidszorg en onderwijs, aldus het rapport. Meer dan 370.000 huizen zijn verwoest, de helft van de ziekenhuizen is niet meer functioneel en nagenoeg alle scholen zijn vernietigd.

Van het totale bedrag moet volgens de VN en de EU 22,3 miljard euro in de eerste anderhalf jaar worden uitgegeven. Dat is nodig voor het opstarten van essentiële diensten en reparatie van kritieke infrastructuur. Hieronder vallen bijvoorbeeld het opzetten van (tijdelijke) ziekenhuizen en scholen, noodvoorzieningen voor water en hygiëne, en herstel van toegang tot mobiele netwerken. Ook de ontmanteling van munitie en het opruimen van puin en gevaarlijk afval heeft prioriteit.

77 jaar terug in de tijd

De auteurs hebben ook de humanitaire impact van de genocide onderzocht. Volgens de VN-maatstaf HDI, waarmee op basis van verschillende factoren een score wordt gegeven aan menselijke ontwikkeling, is die menselijke ontwikkeling in de Gazastrook 77 jaar teruggeworpen in de tijd.

Zo zijn 1,9 miljoen mensen ontheemd geraakt en heeft meer dan 60% van de bevolking geen huis meer. Vrouwen, kinderen en mensen met kwetsbaarheden zoals een handicap of een (chronische) ziekte lijden daar het meest onder.

Het rapport rept niet over hoe de miljarden verzameld moeten worden. De berekening is bedoeld als kader voor de herstelplannen, die nog niet concreet zijn. De VN en de EU benadrukken dat de wederopbouw geleid moet worden door de Palestijnen zelf, en moet samenvallen met „duurzaam politiek beleid gebaseerd op de tweestatenoplossing”.

Sinds oktober 2025 is er officieel een staakt-het-vuren van kracht in Gaza. Het Israëlische leger schendt dit bestand systematisch: nog bijna dagelijks worden Palestijnen gedood door Israëlisch geweld. Hoe en wanneer de wederopbouw precies kan beginnen, is dan ook een grote vraag.



Meer Midden Oosten op ShakingLife.nl

EINDE

Rond de Perzische Golf geldt al eeuwen: wie de Straat van Hormuz beheerst, beheerst de regio

ACHTERGROND

Hugo Schiffers, NRC

Gepubliceerd op 14 april 2026

Geschiedenis van zeestraat 
Al honderden jaren is de Straat van Hormuz een knooppunt in de wereldhandel. Landen in de regio en handelsnaties weten dat wie de zeestraat weet te blokkeren, een effectief wapen in handen heeft. Zelfs Nederland hanteerde dit machtsmiddel. 

Toen The New York Times in 1975 aan de Iraanse sjah Mohammed Reza Pahlavi vroeg waarom hij een troepenmacht naar Oman, aan de overkant van de Straat van Hormuz, had gestuurd, wees hij op het cruciale belang van deze zeeweg. 

De sultan van Oman had hulp nodig om een marxistische opstand de kop in te drukken. Die wilde Pahlavi maar al te graag geven. „Stel je eens voor dat die wilden de andere kant van de Straat van Hormuz in handen krijgen”, aldus de sjah. „Ons leven hangt daarvan af.”

De Amerikaanse president Donald Trump realiseert het zich nu pas. Maar de sjah zei wat al eeuwen bekend is: wie de Straat van Hormuz beheerst, beheerst de regio. 

Door de zeestraat af te sluiten treden de Iraniërs – en nu ook de Amerikanen – in de voetsporen van onder meer Portugese conquistadors, de Verenigde Oost-Indische Compagnie en het Irak van Saddam Hussein.

De Straat van Hormuz was altijd al een knooppunt in de wereldhandel. Land- en zeeroutes tussen Azië, Afrika en Europa komen er samen. Wie daar tol weet te heffen, loopt binnen. 

Vanaf de elfde eeuw na Christus waren dat de inwoners van de havenstad Hormuz, gelegen aan wat nu de Iraanse zijde van de zeestraat is. Hormuz wist door zijn gunstige ligging uit te groeien tot een koninkrijkje. Marco Polo deed het eind dertiende eeuw aan tijdens zijn reis naar China en keek er zijn ogen uit. Het klimaat vond hij moordend en de lokale scheepsbouw stelde volgens hem weinig voor. Maar de wijn was er lekker. En bovenal was er de handel: in zijn reisverslag schrijft de ontdekkingsreiziger vol ontzag over „schepen volgeladen met specerijen en edelstenen, parels, zijden en gouden stoffen, olifantentanden en vele andere waren”. 

Niet voor niets doopten de Arabieren Hormuz „de edelsteen in de gouden ring van de wereld” en koos John Milton er voor om in Paradise Lost (1667) de troon van de duivel te beschrijven als een zetel die zelfs „de rijkdom van Ormus voorbijstreeft”.

AFBEELDINGEN VERGROTEN DOOR TE KLIKKEN

Rots in de zee

Het koninkrijk van Hormuz verloor begin zestiende eeuw zijn onafhankelijkheid aan de Portugezen. Nadat admiraal Afonso de Albuquerque in 1510 het Indiase Goa veroverde − en zo de basis legde voor het Portugese rijk in Azië − richtte hij zich op het veiligstellen van de handelsroutes tussen Portugal en de nieuwe overzeese gebieden. 

Hormuz was hierbij een onmisbare schakel. Het koninkrijk was inmiddels verplaatst van de Iraanse kust naar een rotsachtig eilandje in de zeestraat zelf, dat nog altijd bekendstaat als Hormuz-eiland. Alburquerque wist dit met zo’n vijfhonderd soldaten te veroveren, waarna ze van Hormuz een vazalstaat maakten. De overblijfselen van het fort dat Albuquerque liet bouwen zijn nog steeds te vinden op de noordkaap van het eiland.   

De Portugezen hanteerden een soortgelijke strategie als de Iraanse Revolutionaire Garde afgelopen weken probeerde toe te passen met mijnen, drones en raketten. Vanuit Hormuz en andere kustplaatsen aan de Indische Oceaan hieven de conquistadors tol op schepen. Wie niet betaalde, kon door Portugese patrouilleschepen tot zinken worden gebracht.

Dit leidde tot verzet van opkomende machten zoals Engeland en de Republiek. De Engelsen en Nederlanders begonnen zelf Portugese schepen aan te vallen. Bekendst is de Nederlandse kaping van het Portugese koopvaardijschip de Santa Catarina in 1603 in de Straat van Malakka.

Mare Liberum

Het incident met de Santa Catarina leidde internationaal tot grote verontwaardiging. Ook binnen de VOC zelf vroegen aandeelhouders zich af of de compagnie niet buiten zijn boekje was gegaan. 

Zalvende woorden kwamen van een jong juridisch talent uit Delft. Hugo de Groot schreef in opdracht van de VOC zijn Mare Liberum (ofwel Vrije Zee), waarin hij betoogde dat de zee van iedereen is en dus vrij toegankelijk moet zijn voor alle landen om handel te drijven. Door andere landen dit recht te ontzeggen, maakten de Portugezen zichzelf tot een legitiem doelwit voor tegenmaatregelen.

De redenering van De Groot – die de basis zou vormen van het moderne internationale zeerecht – wordt vierhonderd jaar na dato nog gebruikt om de Iraanse blokkade van de Straat van Hormuz te veroordelen. 

De VOC loste handelsdisputen met de sjah op door de Straat van Hormuz te blokkeren

Inmiddels was de macht van de Portugezen tanende. In 1622 zag sjah Abbas I van Perzië zijn kans schoon om Hormuz-eiland te veroveren. Omdat de sjah niet over een eigen vloot beschikte, wendde hij zich tot zowel de Engelsen als de Nederlanders voor de nodige schepen. 

Beide landen wisten hier de vruchten van te plukken. De Nederlanders groeiden in de zeventiende eeuw uit tot de dominante zeemacht in de Golf en waren eeuwlang de belangrijkste handelspartner van de Perzen. Handelsdisputen met de sjah loste de VOC op door de Straat van Hormuz te blokkeren − waarbij het werk van Hugo de Groot voor het gemak werd vergeten.

Tankeroorlog in de Golf

In 1908 vonden de Britten olie in Iran. Die vondst veranderde het Midden-Oosten voorgoed − en daarmee ook de Straat van Hormuz. Binnen enkele jaren legden de Britten met toestemming van de Iraanse sjah tweehonderd kilometer aan oliepijpleiding aan die uitmondde bij de Perzische Golf.

Hormuz, al eeuwenlang de brug tussen Oost en West, werd zo ook de aanvoerroute voor de brandstof van de twintigste eeuw. De impact van blokkades van de zeestraat was voortaan wereldwijd te merken. Het Verenigd Koninkrijk blokkeerde begin jaren vijftig de Straat van Hormuz nadat de Iraanse premier Mohammad Mossadegh de olie-industrie, die grotendeels eigendom was van de Britse staat, nationaliseerde.

De huidige sluiting van de Straat heeft misschien nog wel het meeste weg van een episode tijdens de Iran-Irak oorlog (1980-1988). Toen de strijd op het land verzandde in een patstelling, besloot de Iraakse president Saddam Hussein een tweede front te openen in de Perzische Golf. Met luchtaanvallen en mijnen viel hij Iraanse tankers aan rond het eiland Kharg, dat ook toen al cruciaal was voor de Iraanse olie-industrie.

Iran sloeg terug door schepen met bestemming Irak en diens bondgenoten in de Golf aan te vallen. Het was het begin van wat de „Tankeroorlog” is gaan heten. Op verzoek van Iraks bondgenoot Koeweit begon de Amerikaanse marine in 1987 met het escorteren van schepen door de Straat van Hormuz.

Nederland en andere bondgenoten van de Verenigde Staten stuurden mijnenjagers naar de regio. De missie verliep moeizaam: de Iraniërs bleken sneller mijnen te kunnen leggen dan de internationale coalitie ze kon opruimen. 

Bovenaan:  Marco Polo komt aan in Hormuz, geïllustreerd manuscript van Mazarine-meester 1410-1412. 


Meer Midden Oosten op ShakingLife.nl

EINDE

Wat drijft Israël? Dit zijn de motieven voor de oorlogen in Iran en Libanon

Boven:  Israëlische militairen op de grens met Zuid-Libanon, waar inwoners door het Israëlische leger gewaarschuwd werden te evacueren.

Derk Walters, NRC
Gepubliceerd op19 maart 2026

Wat Donald Trump met Iran wil, is lastig te achterhalen. Vrijwel dagelijks, en soms zelfs meerdere keren per dag, geeft de Amerikaanse president wisselende motivaties voor zijn oorlog.

Daarbij vergeleken zijn de motieven van aanvalspartner Israël duidelijk. In Iran moet het regime weg. In Libanon moet Hezbollah vernietigd worden.

Anders dan Trump heeft de regering-Netanyahu een coherente visie. Een analyse van de Israëlische grondslagen van beleid, in vier delen.

Vergroten door te klikken.

De verwoestingen die Israëlische luchtaanvallen in Beiroet veroorzaken zijn groot.

Dit nooit meer’

Het hedendaagse militarisme in Israël is verbonden met de geschiedenis van het zionisme, zegt Yaron Peleg, hoogleraar moderne Hebreeuwse studies aan de Universiteit van Cambridge. Israël is na de Holocaust zo sterk bezig geweest met ‘dit nooit meer’, aldus Peleg, dat het elke mogelijke dreiging bij voorbaat de kop wil indrukken.

Peleg, per e-mail: „De zionistische militaire capaciteiten, aanvankelijk defensief, vermengden zich met een groeiend Holocaust- of slachtofferdiscours in Israël en ontwikkelden zich tot een extreem agressief militarisme. Je kunt het omschrijven als de gepeste die zelf een pestkop werd. Israël lijkt te compenseren voor een lange geschiedenis van misbruik als gemarginaliseerde gemeenschap, met geweld dat volstrekt buiten proportie lijkt ten opzichte van de bedreigingen.”

Werkt dat ook? Analist Brown wijst op de successen, zoals de adembenemende inlichtingenpositie, het vermogen van het Israëlische leger om zich te bewegen waar het wil en de vijand zware verliezen toe te brengen. Maar, waarschuwt hij, in deze strategie heeft oorlog geen duidelijk eindpunt meer, omdat militaire actie niet langer wordt gebruikt om een stabiele politieke orde te creëren. „In plaats daarvan wordt oorlog de orde zelf.”

DOEL
Permanente veiligheid

Het veranderen van het regime in Iran en het vernietigen van Hezbollah zijn acties met als doel om de veiligheid van Israël te waarborgen. De Australische genocidewetenschapper Dirk Moses van de City University of New York ontwikkelde het concept ‘permanente veiligheid’, dat goed op Israël toepasbaar is. Israël wil zijn inwoners, en bij uitbreiding het hele Joodse volk, permanente veiligheid bieden – en daarvoor moet alles wijken.

Zogenaamd progressieve Israëlische regeringen hebben sinds eind jaren veertig etnische zuivering, collectieve bestraffing en land- en eigendomsdiefstal in de praktijk gebracht

Dirk Moses  Australische genocidewetenschapper

Het streven naar absolute veiligheid betekent ook dat Israël anticipeert op toekomstige bedreigingen. Dit maakt aanvallen op hele bevolkingsgroepen noodzakelijk, om te verhinderen dat er uit dat vijandige volk ooit opstandelingen tegen Israël voortkomen. Dit is volgens Moses ook de rationale achter de totale verwoesting van Gaza: dit moest ervoor zorgen dat Hamas nooit meer Israël kan bedreigen.

Veiligheid is altijd de hoogste prioriteit geweest voor alle Israëlische regeringen, zegt Moses. „Zogenaamd progressieve Israëlische regeringen hebben sinds eind jaren veertig etnische zuivering, collectieve bestraffing en land- en eigendomsdiefstal in de praktijk gebracht. Dit zijn de basisprincipes van elke koloniale staat: geen inheems volk geeft vrijwillig zijn land op.”

Een appartement in Tel Aviv wordt geïnspecteerd nadat het geraakt is bij een Iraanse raketaanval, waarbij twee doden vielen. Het Israëlische leger bij de grens met het zuiden van Libanon.

De regering-Netanyahu heeft dit volgens Moses naar een „hoger, intensiever niveau” getild, door te pleiten voor permanente controle, de uitbreiding van nederzettingen en het verwerpen van het tijdelijke karakter van de bezetting op de Westelijke Jordaanoever en in Gaza. Deze aanpak is gericht op het actief hervormen van het Midden-Oosten.

In Libanon, zegt Moses, past Israël sinds 2024 de ‘Dahiya-doctrine’ toe: de massale vernietiging van infrastructuur en het vergiftigen van landbouwgrond om gebieden onbewoonbaar te maken. „Voorstanders prijzen dit als een manier om oorlogen te verkorten door de prijs voor de vijand ondraaglijk hoog te maken. Maar het schendt wel het beginsel van proportionaliteit in het humanitair oorlogsrecht.”

Inherent paranoïde

De Israëlische „hyperwaakzaamheid”, zoals Moses het noemt, is „inherent paranoïde”, en kan juist een onveilige situatie opleveren: als je iedereen als een potentiële doodsvijand behandelt, creëer je juist de bedreigingen die je wilde voorkomen. Hij ziet deze strategie als een „selffulfilling prophecy”: je escaleert oorlogen en radicaliseert vijanden, voor wie je vervolgens weer extra op je hoede moet zijn.

Een belangrijk onderdeel van de permanente veiligheidsstrategie is het fundamenteel destabiliseren en ontmantelen van buurlanden. Moses: „Dat is nu ook het doel in Iran: de staat verzwakken, meer nog dan het regime vervangen. Net als in Irak, Syrië en Libië na 2003. Dit is de chaosstrategie. Dat is slecht voor de stabiliteit in de wereld, maar in de ogen van Israëlische leiders goed voor Israël.”

Zoals Henry Kissinger al in 1957 schreef: „Absolute veiligheid voor één macht betekent absolute onveiligheid voor alle anderen.”

Het idee om alles te controleren om totale veiligheid te bereiken, is volgens Moses hoogmoedig. „En hoogmoed komt voor de val, zou je denken. Maar dat gaat niet altijd op. Koloniale staten als de VS en Australië zijn erin geslaagd om de inheemse bevolking permanent te verdrijven.”

METHODE
Kopstukken liquideren

In Iran past Israël een kenmerkende methode toe: als je de vijandelijke leider geliquideerd hebt, en hij wordt vervangen, dan probeer je ook die vervanger zo snel mogelijk te doden. Hiermee hoopt Israël de vijand te desorganiseren en permanente schade aan te brengen aan zijn leiderschapscapaciteiten.

Vooral deze week sloeg Israël hard toe: dinsdag vermoordde het Ali Larijani van de Iraanse Nationale Veiligheidsraad en commandant Gholamreza Soleimani van de paramilitaire Basij-milities, woensdag minister Esmaeil Khatib (Inlichtingen). Volgens The Wall Street Journal gooide Israël al zo’n tienduizend bommen op leden van het regime, waarbij er ook „duizenden” zijn omgekomen.

De Israëlische minister Israel Katz (Defensie) zei dat hij het leger carte blanche gegeven heeft om Iraanse kopstukken te doden, of, in zijn woorden: „herhaaldelijk de kop van de octopus af te hakken en te voorkomen dat hij verder groeit”. Daarbij maakt Israël geen onderscheid tussen hardliners en meer gematigde vijandelijke leiders. Hierdoor reduceert Israël ook de kans om met de vijand tot een vergelijk te komen.

Volgens Israël verloopt de liquidatiecampagne succesvol: de Iraanse commandostructuur is verstoord en het moreel van de veiligheidstroepen ondermijnd. Ooggetuigen melden tegenover westerse media dat Iraanse veiligheidstroepen flink in paniek zijn. Het vervolgdoel zou zijn dat het regime zo verzwakt raakt dat het Iraanse volk het omver kan werpen. Zover is het nog niet.

Tweede of derde garnituur

Het liquideren van vijandelijke kopstukken is geen nieuwe methode. De afgelopen decennia deed Israël dit al met tal van leiders van vijandelijke milities.

Volgens de Palestijns-Amerikaanse historicus Rashid Khalidi van de Columbia-universiteit in New York heeft de decennialange liquidatiecampagne tegen Palestijnse leiders erin geresulteerd dat de tweede of zelfs derde garnituur overbleef om de toch al gedecimeerde Palestijnse Autoriteit te besturen. De geliquideerde leiders, aldus Khalidi in zijn boek De honderdjarige oorlog tegen Palestina, behoorden tot de beste en meest effectieve; „door hun verlies bleven de Palestijnen achter met een minder dynamische en zwakkere organisatie”.

Maar aan deze strategie kleven ook risico’s. In The New York Times waarschuwt Ami Ayalon, oud-leider van de Israëlische inlichtingendienst Shin Bet, voor chaos als zijn land de Iraanse elites blijft uitdunnen. Daarbij verwijst hij naar Irak, dat na de eliminatie van het bewind van Saddam Hoessein decennialang vrijwel onbestuurbaar was.

IDEOLOGIE
Groot-Israël

Het militarisme en de bufferzones gaan hand in hand met een ideologisch doel van deze Israëlische regering: gebiedsuitbreiding. Met name Smotrich verklaart openlijk dat hij een zo groot mogelijk deel van de Westelijke Jordaanoever bij Israël wil trekken, Gaza opnieuw wil bezetten en Zuid-Syrië wil veroveren tot aan Damascus.

Smotrich is geen uitzondering; ook Netanyahu zelf voelt zich „zeer verbonden” met een ‘Groot-Israël’. De Likud-partij van de premier heeft historische wortels in een stroming van het zionisme die gebiedsuitbreiding verlangt. Zijn irredentisme – het streven naar annexatie van gebieden buiten het eigen grondgebied die bij het land ‘horen’ – is dus geen verrassing.

De maximalisten vinden dat het grondgebied voor het Joodse volk zich zou moeten uitstrekken van de Nijl tot de Eufraat. Een minder ruime opvatting van Groot-Israël is ‘Eretz Israël’. Dit eveneens op de Bijbel gebaseerde ‘Land van Israël’ omvat behalve Palestina ook delen van Syrië, Jordanië en Libanon.

Het gebied in Libanon dat Israël wil evacueren komt aardig overeen met het grondgebied van de twee noordelijkste bijbelse stammen van Israël: Asher en Naftali. Sommige zeloten vinden dat Israël daarom recht heeft op dit gebied.

Recht van de sterkste

Het innemen van andermans grondgebied is illegaal volgens het internationaal recht. Maar sinds de inname van het Oekraïense schiereiland de Krim door Vladimir Poetin, in 2014, heeft het recht van de sterkste aan terrein gewonnen. Dat geldt ook voor Israël, dat behalve Gaza stukjes Libanon en Syrië heeft ingenomen.

Een deel van de Groot-Israël-gedachte wordt al in de praktijk gebracht, constateert hoogleraar Moses. „Iedereen kan de voortschrijdende annexatie van de Westelijke Jordaanoever zien, in de vorm van apartheid die alle rechten aan Joden toekent en geen rechten aan Palestijnen, maar ook van meer dan de helft van Gaza, evenals Syrië.”

Dit patroon van „defensief imperialisme”, zoals Moses het noemt, is gebruikelijk in de wereldgeschiedenis: expansie in naam van veiligheid, waardoor nieuwe vijanden ontstaan ​​en de drang tot verdere expansie wordt aangewakkerd. „Het is een intern gegenereerde dynamiek met Amerikaanse aanmoediging: denk aan de zegen van de Amerikaanse ambassadeur dat Israël zijn grenzen zou kunnen uitbreiden tot de bijbelse grenzen, die ook zijn buurlanden zouden omvatten.”



Meer Midden Oosten op ShakingLife.nl

De schoonheid is de schuldige. Hoe Ovidius’ Metamorfosen in het Rijksmuseum worden verbeeld

Boven:  Caravaggio, Narcissus. 
Galleria Nazionale d'Arte Antica, Rome.

ESSAY

Metamorfosen 
De ‘Metamorfosen’ van de Romeinse dichter Ovidius inspireren al 2000 jaar kunstenaars. In het Rijksmuseum is nu de rijke oogst te zien, van Bernini tot Bourgeois. Maar waarom hebben zoveel verhalen met verkrachting te maken?

Bianca Stigter, NRC
Gepubliceerd op 6 februari 2026

Vergroten door te klikken


In het laatste boek van de Metamorfosen, tweeduizend jaar geleden geschreven door Ovidius, vraagt de Romeinse dichter zich af: de pauw, de arend, de duif, ja elke vogelsoort: „Wie zou geloven dat die werden geboren uit een ei, als hij niet zou weten dat het zo gebeurde?” 

Gedaantewisselingen in de natuur kunnen behoorlijk spectaculair zijn, met de rups die in een vlinder verandert als overtreffende trap. Maar, zoals de Nederlandse dichter Hans Faverey niet tweeduizend, maar 36 jaar geleden schreef:  „De mooiste vogel, die door ijsvogels/ kan worden gemaakt, is zelf/ een ijsvogel.” 

Ook mensen kunnen niets anders maken en zijn dan mensen. Dat was al zo in de tijd van Ovidius en in de tijd daarvoor, nooit was er een paradijs waarin een mens een vlinder kon worden, of een zeehond (graag, graag!). Mens zijn we, mens zullen we blijven, tot we tot stof vergaan. Zelfs een ander mens worden zit er niet in. We zijn veroordeeld onszelf te blijven.  

Een uitweg biedt de fantasie, de religie, de verbeelding, de kunst, met als stip op 1 het epische gedicht van Ovidius, waarin hij de toen en daar (Rome, 8 n. Chr.) bekende mythes over gedaantewisselingen tot een geheel smeedde, van de schepping van de aarde tot zijn eigen tijd. En opeens kan het wel, kan het steeds, weer en weer en weer, mensen kunnen aan hun eigen soort ontsnappen en een god, een ster, een boom, een hert, een koe, een stier, een beer, een bloem, een zwaan, een nachtegaal, een zwaluw, een ijsvogel worden.  

Giovanni Luteri, genaamd Dosso Dossi (ca. 1487–1542), ‘Apollo Ferrara’, ca. 1525. 
 GALLERIA BORGHESE/MAURO COEN

Daarover lezen is goed, het zien is nog beter; geschilderd of gebeeldhouwd lijken gedaanteverwisselingen nog meer mogelijk. Zien is tenslotte geloven, en de drang tot realisme, altijd een van de motoren van de westerse kunst, biedt kunstenaars in de gedaanteverwisselingen een geweldige uitdaging. Nog steeds wordt bijvoorbeeld het beeld uit de zeventiende eeuw van de god Apollo en de nimf Daphne, die in een laurierboom aan het veranderen is, haast extatisch beschreven. Gian Lorenzo Bernini maakte van „hard marmer zachte huid, die verandert in ruwe bast op de plaats waar Apollo’s hand zich om Daphnes middel sluit. De vaardigheid waarmee Bernini textuur uithouwt in steen en de grenzen tussen natuur en mens, materiaal en onderwerp in elkaar laat overvloeien is ongeëvenaard”, staat in de catalogus van de tentoonstelling over de Metamorfosen die nu in het Rijksmuseum te zien is.  

Bijbel voor kunstenaars

De verhalen die Ovidius inspireerden hebben via hem duizenden kunstenaars geïnspireerd, van beeldhouwers uit de oudheid tot fotografen uit de eenentwintigste eeuw. Karel van Mander noemde de Metamorfosen begin zeventiende eeuw een bijbel voor kunstenaars, en publiceerde in 1604 naast zijn beroemde Schilderboek ook een Wtlegghingh op den Metamorphosis Pub. Ouidij Nasonis. Na de Bijbel moet het boek van Ovidius wel een van de meest geraadpleegde bronnen zijn voor kunstenaars en op deze expositie zijn dat niet de minsten. Bernini, Michelangelo, Titiaan, Poussin en ook Rodin, Brancusi, Bourgeois en Mendieta, er is werk van de allergrootsten in alle zalen. 

Metamorfosen is de laatste tentoonstelling van conservator beeldhouwkunst Frits Scholten. Misschien is het door zijn keuzes dat de beeldhouwkunst op deze tentoonstelling de meeste indruk weet te maken. De tentoonstelling morrelt ook elders aan het primaat van de schilderkunst. Er zijn tapijten, bokalen en curiosa te bewonderen, waarbij een stuk bloedkoraal bijvoorbeeld dienst kan doen als hertengewei, op een beker van goud uit begin zeventiende eeuw, die de door de godin Diana in een hert veranderde Actaeon voorstelt.

Curieus is een uit allemaal fallussen opgebouwd hoofd op een majolica schotel. Dit ‘lullenbord’ uit 1536 hangt in een van de laatste zalen, waar de band met de door Ovidius verzamelde mythen een beetje wordt losgelaten en allerlei transformaties te zien zijn, bijvoorbeeld een uit groente en fruit opgebouwd portret van keizer Rudolf II door Arcimboldo. Aan weerszijen van de deuropening hangen twee werken waarin de mens mens blijft, aan de ene kant een kinderkopje van Medardo Rosso uit 1891, dat dankzij het licht uit de bijenwas tevoorschijn wordt getoverd, aan de andere kant een reeks van zeven foto’s van Roman Opalka die zichzelf zo hetzelfde mogelijk heeft vastgelegd en zo zijn ouder worden etaleert.

En als je die deuropening doorgaat kom je bij het topstuk van de tentoonstelling, de Slapende Hermaphroditus, ook van Bernini, nou half van Bernini. Het gaat om een antiek beeld dat in 1619 in Rome werd opgegraven. Bernini kwam op het idee om de gestalte op een door hem uit marmer gehouwen matras neer te leggen, die onder het gewicht van het beeld lijkt in te deuken.  

Levende slangen 

Maar zover zijn we nog niet. We lopen even terug naar de eerste zaal. De tentoonstelling begint, hoe kan het ook anders, met een boek, een Nederlandse uitgave van de Metamorfosen uit 1557 die de tekst beperkt tot een paar regels onder een houtsnede van Bernard Salomon. Het boek is opengeslagen op de bladzijde waar Daphne in een laurierboom verandert. Dat is een van de grote genoegens van deze tentoonstelling: kijken hoe kunstenaars door de eeuwen heen met steeds andere middelen dezelfde transformatie hebben verbeeld.  Er hangt ook nog een fors schilderij van Dosso Dossi dat deze mythe verbeeldt, maar hier is de gedaanteverwisseling van Daphne bijzaak, alle aandacht gaat naar Apollo. En dan is er nog een wandtapijt van Clemente Maioli uit circa 1660, waar ook de handen van Daphne al takken zijn geworden en haar rechtervoet een stronk. 

In de catalogus staan nog meer werken over deze mythe, een van de bekendste uit het Ovidiaanse repertoire. Die zijn niet op de tentoonstelling te zien. Ook de Apollo en Daphne van Bernini uit de Galleria Borghese ontbreekt. De tentoonstelling is een samenwerking met dit museum in Rome en zal daar vanaf eind juni te zien zijn. Maar slechts een kwart van de werken zal volgens de catalogus op beide locaties aanwezig zijn. Dat heeft niet alleen met de kwetsbaarheid van de kunst te maken. De meeste hedendaagse werken, waaronder een groot videowerk van Juul Kraijer, een nieuwe interpretatie van Medusa en haar slangenhaar met levende slangen, reizen bijvoorbeeld ook niet naar Rome. 

Verkrachtingen 

Ovidius echoot met zijn verhalen tot in het heden, tot de Epstein Files, AI, plastische chirurgie, et cetera. Alles verandert, niets gaat teloor, zoals de dichter zei. Echo, echo.  

Niet alle metamorfoses uit Ovidius blijken onder kunstenaars even populair. Het verhaal over Alcyone en Ceyx die in ijsvogels veranderden ontbreekt bijvoorbeeld in het Rijks. Daar geliefde verhalen zijn die van Pygmalion, Arachne, Leda en de Zwaan, Europa en de stier, Medusa, Narcissus en de al genoemde Apollo en Daphne. Wat opvalt, is dat zoveel verhalen met verkrachtingen te maken hebben. Van de ongeveer 250 verhalen die in de vijftien boeken van Ovidius voorkomen, draait het zo’n vijftig maal om een verkrachting of een poging daartoe, telde in 1978 de classicus Leo Curran.  

Wat zegt dat over onze cultuur? En wat zegt het over onze cultuur dat afbeeldingen van die verkrachtingen en pogingen tot verkrachtingen zo mooi, zo godvergeten mooi worden afgebeeld en dan zo hevig bewonderd? Is dat niet alsof je een moord misschien wel veroordeelt maar tegelijkertijd vooral het moordwapen prijst; het ingelegde ivoor, het glimmende metaal, de snelheid van de kogel? 

Een flink deel van de metamorfoses betreft een god die zich vermomt om, meestal, een schoonheid te kunnen verkrachten. Na de verkrachting verandert hij weer terug. Die flexibiliteit is de andere groep gedaanteverwisselaars, de nimfen, de mooie meisjes en jongens, niet gegeven. Als zij veranderen blijven ze meestal veranderd. Daphne kan niet weer mens worden. Ze is boom en ze blijft boom. Zonder macht en zelfs zonder stem. 

Ovidius schrijft wel met mededogen over deze ontmenselijkte mensen. En het opnemen van zoveel verhalen over verkrachting suggereert op zijn minst dat Ovidius voelde dat zulk geweld een kritische bevraging waard was, zoals Stephanie McCarter in haar nieuwe Engelse vertaling van de Metamorfosen (2022) stelt. Geldt dat ook altijd voor de kunstenaars die de dichter heeft geïnspireerd?  

Wraak

Ovidius geeft schoonheid vaak de schuld, ook in het verhaal over Daphne. „Bevrijd me van dit lichaam dat me veel te mooi deed zijn!”, vraagt de nimf aan haar vader, een riviergod, in de Nederlandse vertaling van M. d’Hane-Scheltema. „Verander mijn gedaante, waarmee ik te veel succes had”, vertaalt Piet Schrijvers.  

De wraak van Apollo voor het niet krijgen van zijn buit is dat Daphne ook als boom mooi blijft en de bladeren zal leveren voor lauwerkransen. In de kunstwerken van voor 1900 op de tentoonstelling, vooral gemaakt door mannen, lijkt schoonheid, niet die van de personages maar die van de werken zelf, op zijn minst onverschillig ten opzichte van hun lot. Laten we maar niet beginnen over Pygmalion, een geliefd onderwerp voor kunstenaars en kunsthistorici omdat het de kunstenaar vergelijkt met een god of met god, beide scheppers, en wat schept hij dan? Een vrouw. Geheel naar zijn eigen wensen.  

Of zijn de kunstenaars een soort parasieten, vliegen op de stroop, muggen bij het licht, bloedzuigers die zich aan schoonheid en leed laven? In haar gedicht Mythic Fragment (1985) over Daphne, uit haar bundelThe Triump of Achilles, nee even verderop in haar gedicht Hyacinth, ook over een metamorfose, ditmaal van een jongen in een bloemschrijft de Amerikaanse dichter Louise Glück „Beauty dies. That is the source of creation.”  Zou je dat kunnen opvatten als: schoonheid sterft en dat sterven is de bron van alle schepping, van alle kunst? De uitspraak is vaag en dubbelzinnig, zoals poëzie, ook die van Ovidius zelf, nu eenmaal is, maar hij lijkt toch een diepe, verschrikkelijke waarheid te bevatten. Wat mooi is sterft en komt weer tot leven in de kunst, bijvoorbeeld?

In de hedendaagse werken van vrouwen op de expositie, naast de Medusa van Kraijer, onder meer een soort Daphne van Femmy Otten, is een aanzet te zien tot een andere , minder doemrijke omgang met de oude verhalen en hun gevolgen. Medusa jaagt hier geen vrees aan, Daphne vraagt geen medelijden. Toch doet geen van deze versies je nog naar gedaanteverwisselingen verlangen. Blijf maar mens, schoenmaker.

Metamorfoses die min of meer gelukkig eindigen, zoals die over de ijsvogels, zijn er wel, maar het zijn er niet veel en ze zijn nog minder vaak afgebeeld. In het Rijksmuseum ontbreken ze. Of toch, zou de slapende Hermaphroditus op diens naturalistische matras er een kunnen zijn? Het beeld, geleend van het Louvre, blijkt borsten en een penis te bezitten, volgens Ovidius is het een „gestalte die geen man of vrouw kan heten, maar geen of elk van beide”. Hermafrodiet graag! Maar ook hier wordt de verandering ingezet door een verkrachting. Hermaphroditus was de mooie zoon van Hermes en Aphrodite op wie de nimf Salmacis verliefd wordt. Hij gaat zwemmen in haar bron. Zij grijpt hem maar hij wil haar niet. De goden verhoren haar gebed om altijd samen te zijn.  

Tentoonstelling: Metamorfosen. Ovidius en de kunsten. Rijksmuseum, Amsterdam. T/m 25 mei. Catalogus €40,- Info: Rijksmuseum.nl 


Meer Metamorfosen op ShakingLife.nl

Christen-nationalisten in de VS zien in de Iran-oorlog een teken van de Eindtijd

ACHTERGROND

Religie 
Christelijke zionisten speculeerden al in de negentiende eeuw over het einde der tijden in het Midden-Oosten. In de VS hebben predikers en techmiljardairs de Apocalyps ontdekt.

Sjoerd de Jong, NRC

Gepubliceerd op5 maart 2026 om 15:22.

Brengt de ‘epische woede’, zoals de Amerikaanse aanval op Iran is gedoopt, het einde der tijden nabij – en dus de terugkeer van Christus? Sommige evangelische predikers geloven het. Israël en het Midden-Oosten zijn voor hen het projectiescherm van eindtijdfantasieën en speculaties over een Nieuwe Aarde.

Ook in het Amerikaanse leger, dat van Trumps zelfverklaard ‘minister van oorlog’ Pete Hegseth een leger van „krijgers” moet worden, duiken die apocalyptische overtuigingen op. Bij de Military Religious Freedom Foundation kwamen, zo bericht The Guardian, ruim tweehonderd klachten binnen van militairen die klagen dat hun superieuren de aanval op Iran uitleggen als onderdeel van Gods plan of als opmaat naar de eindstrijd met Satan bij Armageddon.

Dat zal gesneden koek zijn voor evangelisten als de Texaanse dominee John Hagee. In zijn Cornerstone Church in San Antonio verkondigt hij al jaren dat oorlog in het Midden-Oosten, na de terugkeer van het Joodse volk naar het Heilige Land, de wederkomst van Jezus zal voortbrengen. Een vredesregeling tussen Israël en de Palestijnen, die dat in de weg zou staan, noemde hij in 2023 dan ook het werk van de antichrist, de tegenhanger van Jezus. De eindstrijd moet er komen, in of om Israël – de Joden zijn in dat programma niet meer dan een instrument.

Die christelijk-zionistische overtuiging, nu vooral wijdverbreid in de VS, heeft lange historische wortels. Op basis van passages in de Bijbel speculeerden Britse dominees al vanaf de zeventiende eeuw over de terugkeer van het uitverkoren volk naar Israël (Zion) als prelude van de Eindtijd en de terugkeer van Christus. Invloedrijk was de aristocraat en sociaal hervormer Anthony Shaftesbury (1801-1885), politiek strijder tegen kinderarbeid en dierenmishandeling. Uit religieuze motieven ijverde hij voor Joodse vestiging in het destijds Ottomaanse Palestina, in de verwachting dat de Apocalyps nabij was. Ook in Nederland leefde dit christenzionisme, vooral in orthodox-gereformeerde kring. Het kreeg een impuls door de stichting van Israël in 1948 en de daaropvolgende oorlogen met Arabische buurlanden.

De apocalyptische verwachtingen (van het Griekse apokalupsis, ‘onthulling’ of ‘openbaring’) zijn gebaseerd op Bijbelteksten die een eindstrijd met Satan en de wederkomst van Jezus voorspellen. In de Openbaring van Johannes wordt die geplaatst bij Armageddon, de vlakte bij het Noord-Israëlische plaatsje Megiddo, waar in de oudheid veel veldslagen plaatsvonden. Wat er staat te gebeuren vermeldt ook de tweede brief van Paulus aan de Thessalonicenzen (2:3-4): „Want de dag [van de Heer] komt niet, tenzij eerst de afval gekomen is en de mens van de wetteloosheid, de zoon van het verderf, geopenbaard is. De tegenstander, die zich ook verheft boven al wat God genoemd of als God vereerd wordt, zodat hij als God in de tempel van God gaat zitten en zichzelf als God voordoet.”

Een doctrinair onderscheid is dan nog dat tussen ‘premillenialisten’, die geloven dat Jezus zal terugkomen om zelf Satan te verslaan en het Duizendjarig Rijk te vestigen, en ‘postmillenialisten’, die ervan uitgaan dat eerst dat Rijk moet worden gevestigd voordat Jezus zijn opwachting maakt. De eerste variant leeft sterk onder evangelisch christenen in de VS. Evenals de theologisch omstreden notie van rapture, de opname van de ware gelovigen in de hemel voordat de eindstrijd uitbreekt.

Binnen het christendom zijn dit randbewegingen, die vaak haaks staan op de kerkleer en theologie, maar wel invloedrijke. Populaire uitwerking kregen Eindtijd-thema’s in de VS vanaf de jaren tachtig in christian fiction, romans over religieus leven, bekering en verlossing. In de bestseller-reeks Left Behind (1995-2007) van de evangelisten Tim LaHaye en Jerry Jenkins vecht een groep op aarde achtergebleven gelovigen (de uitverkorenen zijn opgenomen in de rapture) in het Midden-Oosten de Eindstrijd uit met de antichrist, de ‘wetteloze mens’ uit de Bijbel die de plaats van God inneemt. In de reeks (die liep tijdens de Irak-oorlog) is dat de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, die in een legervoertuig de troepen van Satan aanvoert. Aan het einde van de cyclus keert Jezus glorieus terug om de strijd te beslechten.

Dat klinkt bizar, maar afkeer van een ‘totalitaire wereldregering’ is een diep cultureel thema in de VS, een natie die per slot van rekening werd geboren uit afscheiding van een wereldrijk, het Britse. Religieus vertaald leeft het onder de christelijk-nationalisten in de VS, die een belangrijke schakel zijn in Trumps MAGA-coalitie. Zij zien in de zondaar Trump, een man die onbesmuikt erkent zijn vijanden niet lief te hebben maar te haten, een breekijzer om een gevallen samenleving recht te zetten en het Rijk Gods naderbij te brengen.

Ambassade in Jeruzalem

Voor een deel van zijn bewonderaars geldt dat op wereldschaal. Trumps verplaatsing in 2018 van de Amerikaanse ambassade in Israël van Tel Aviv naar Jeruzalem, de heilige christelijke stad, was voor hen meer dan politiek. Het was een symbolische stap in de spirituele oorlog tegen Satan. Ook de Republikeinse senator Ted Cruz van Texas verdedigde de eerdere aanval van Israël op Iran vorig jaar op Bijbelse gronden. „Wie Gods zegen zoekt, moet Israël steunen”, aldus Cruz.

Maar lang niet iedereen in de MAGA-coalitie denkt er zo over. Trumps leus was immers niet voor niets America First. Cruz werd direct gekapitteld door tv-ster Tucker Carlson die, net als veel MAGA-aanhangers van het eerste uur, wars is van buitenlandse avonturen.

Op sommige christelijke sites is uitleg te vinden hoe de aanval op Iran al dan niet zou passen in de Bijbelse boodschap

In Nederland is de noodzaak om ‘geestelijke strijd’ te leveren tegen Satan onder meer te vinden bij Christenen voor Israël. De stichting streeft ernaar Nederlanders „bewust te maken van de betekenis van het Joodse volk in Gods handelen met deze wereld, Gods liefde voor Zijn volk en Zijn komende koninkrijk”. Ook bij de messianistische vereniging Hadderech, die Joden en christendom wil samenbrengen, leven Eindtijd-verwachtingen. Zo zag Eppo Bruins, actief in de vereniging en later minister van Onderwijs, in zijn Pesach-lezing Hoe heerlijk zal dat zijn (2022) tekenen dat „de beloofde wederkomst nabij is”, na tweeduizend jaar „verblind te zijn geweest door Griekse gedachten en Romeinse instituties”. 

Ook geven sommige niet-kerkgebonden christelijke sites uitleg hoe de aanval op Iran zou passen in de Bijbelse boodschap. De site Cvandaag ziet duidelijk parallellen maar tekent ook aan: „De Bijbel gebruikt geschiedenis niet als blauwdruk voor geopolitieke voorspellingen. Christenen doen er goed aan parallellen te herkennen als symbolische echo’s, niet als exacte herhalingen.” Bij de parallellen gaat het vooral om het oudtestamentische verhaal van Esther, die in Perzië uitroeiing van de Joden door de boosaardige Haman listig wist te voorkomen. De nederlaag van Haman wordt gevierd in het Poerim-feest, dit jaar net rond de aanval op Iran. Cvandaag haalt predikant Oscar Lohuis van Christenen voor Israël aan, die als reactie op de oorlog verzekert dat „alle Hamans roemloos ten onder zullen gaan”.

Techmiljardairs

In de VS zijn het intussen niet alleen christelijk-nationalisten die bevlogen raken door de hoop dat alles anders zal worden na een vurige periode van chaos en ontwrichting. Fascinatie met de apocalyps heerst ook onder techmiljardairs uit Silicon Valley als Elon Musk en Peter Thiel, die koortsdromen koesteren over de toekomst van de mensheid. Religieus gezag en technologische innovatie, menen zij, moeten de overbevolkte wereld van de ondergang redden – althans hún wereld. Sociaal criticus en schrijver Naomi Klein trekt in opiniestukken en interviews van leer tegen wat zij het „eindtijdfascisme” noemt,onder een flinterdunne elite van kapitalistische superrijken.

Miljardair Thiel, medeoprichter van PayPal en Palantir en ooit mentor van vicepresident JD Vance, is daarvan het meest frappante voorbeeld. Thiel zette zijn eschatologische, „onorthodoxe christendom” eind vorig jaar uiteen in vier meanderende lezingen in San Francisco, een stoofpot van apocalyptisch christendom, rechts-revolutionaire filosofie, complottheorieën en sciencefiction. Thiel beriep zich onder meer op de Bijbel, Tolkiens The Lord of the Rings en de Duitse jurist Carl Schmitt (1888-1985) die Hitlers dictatuur rechtvaardigde en het universele idee van ‘de mensheid’ afdeed als een liberale illusie.

Thiel neemt van Schmitt ook het aan de Bijbel ontleende idee over van de katechon, een mens of kracht die de dreigende wereldheerschappij van Satan zo lang mogelijk moet tegenhouden, in afwachting van de komst van Jezus. Ook Thiel denkt dat de antichrist in aantocht is. Die zal, verwacht hij, anno 2026 niet aantreden als VN-secretaris-generaal maar eerder als een Luddiet, een valse profeet die zich verzet tegen technologische vooruitgang zoals de Britse textielarbeiders in de negentiende eeuw weefmachines kapotsloegen (ze vernoemden zich naar een legendarische arbeidersheld, Ned Ludd).

Over wie hebben we het dan? Greta Thunberg natuurlijk. Thiel verwees eerder al eens naar de 23-jarige Zweedse klimaatactivist als geschikte kandidaat voor de positie van antichrist, omdat zij de mensheid angst aanjaagt voor klimaatrampen en technologie, het soort dat Thiel levert. In zijn lezingen in San Francisco kwam hij daar een beetje op terug. Thunberg was wie weet „een soort schaduw van de antichrist”, maar hij wilde haar niet „te veel vleien”. Over de Joden merkte hij op dat hun „koppigheid” tegenover de boodschap van Jezus – een klassiek antisemitisch thema: Joden als Christus-weigeraars – straks misschien juist goed van pas komt in de strijd tegen de antichrist. Zij konden wel eens „de kern van het verzet” worden.

Achter zulke quasi-christelijke oprispingen schuilt niet alleen een miljardair met voldoende vrije tijd om aan ‘filosofie’ te doen en met een goed gevoel voor pop culture (Thiel verwijst ook volop naar films en videogames). Ze drukken volgens Naomi Klein de angst uit van een achter hoge muren verschanste kaste superrijken die veel te verliezen heeft bij een ‘wereldregering’ of bij groter democratisch toezicht op hun investeringen en vermogens. Aantasting daarvan zou voor hen pas echt het einde der tijden zijn.



Meer Midden Oosten op ShakingLife.nl

EINDE