“Als je hier alleen was geweest en was blijven staan om even te luisteren, had je allicht gehoord hoe de lippen van de aarde smakten en stil het water dronken, opzogen en lepten, en hoe de laatste droefenis van de droge, woeste herfst oploste en verzoend wegzakte, alsof ze insliep tijdens het zogen.”
S. Yizhar, Het verhaal van Chirbet Chiz’a. Een lied van leegte.
Ook jij zou als je soldaat was gruwelijke dingen doen
COLUMN
MARJOLEINE DE VOS Gepubliceerd op18 mei 2026 om 19:45
Marjoleine de Vos is schrijver, dichter, columnist en redacteur kunst bij NRC.
Hoe moeilijk het is om je van jezelf voor te stellen dat je ellendige en gruwelijke dingen zou doen. Fouten maken, achteloos zijn, ruw zelfs, ja, dat kan, dat gebeurt. Onredelijk zijn ook. Maar wreed, moorddadig, mensen vernederen, pijn doen, doden misschien zelfs wel? Nee, denk je, daartoe ben ik niet in staat.
De Israëlische soldaat die deelneemt aan de ontruiming van een Arabisch dorp, denkt dat ook. Hij wil dit niet, denkt-ie. Dat vindt hij niet zo sterk van zichzelf. ‘Je bent ook zo’n slappeling.’
Hij en zijn maten drijven de dorpelingen die ze ‘Araboesjiem’ noemen bijeen („Het zijn geen mensen” zegt iemand van zijn eenheid) en als ze ze door de modder zien sjokken, zeggen ze „Het zijn net beesten!” Ze vervelen zich, ze wachten, het is smerig, ze zijn nijdig op hun lot en uit nijd trappen ze iets kapot, schoppen een oude man, schieten op een hond.
De soldaat voelt zich ongemakkelijk, ja, natuurlijk, net als jij die dit leest. Niet dat je zulke dingen zou doen. Ook niet als het bevel daartoe was gegeven, met precieze instructies? Nou misschien, maar dan niet zo, maar vriendelijk, netjes. De instructies gaan daar ook van uit, die spreken over het ‘zuiveren’ van ‘vijandige elementen’ en de soldaat denkt: ‘nu blijkt hoeveel goede, oprechte hoop erin werd gesteld dat de uitvoerders van de opdracht tot al dit „verbranden-opblazen-gevangennemen-inladen-afvoeren” uiterst welgemanierd, beheerst en juist beschaafd te werk zouden gaan’.
De soldaat in kwestie is de verteller van het boekje Het verhaal van Chirbet Chiz’a. Een lied van leegte, geschreven door S. Yizhar. Als je het leest ga je begrijpen hoe het kan – niet goedpraten! Niet rechtvaardigen! – dat soldaten zulke dingen doen. Deden. Altijd gedaan hebben en altijd zullen doen.
Jij ook, als je soldaat was.
Yizhar schreef het in 1949, en het gaat over een actie in 1948, tijdens de Nakba, de grote verdrijving van de Palestijnen. Yizhar had zelf als soldaat aan zulke acties deelgenomen, hij wist, en volgens het nawoord van Nathan Thrall wist iedereen dat destijds in Israël heel goed, dat de staat gebouwd was op dit onrecht, op dat ‘verbranden-opblazen-gevangennemen-inladen-afvoeren’.
Het inzicht dat er sprake is van onrecht jegens de Arabieren geldt nu al gauw als antisemitisch. In 1949 was het een algemeen besef
Het boek verscheen in het najaar van 1949 en werd een veelgeprezen bestseller.
Het inzicht dat er sprake is van onrecht jegens de Arabieren, onrecht in het verleden en onrecht in het heden, dat de Joodse staat gebouwd is ‘op de ruïnes van hun verlaten huizen’ zoals een dagbladcriticus toen onomwonden schreef, geldt nu al gauw als antisemitisch. Toen was het een algemeen besef, waarover je niet moest zeuren.
Hoewel dat verschrikkelijk is, zit de kracht van dit kleine boek er vooral in dat je begrijpt wat het is om dader te zijn en dat je het kúnt zijn, ook al zie je heel goed hoe die mensen daar zitten, bijeengedreven onder een boom, sommigen berustend, anderen bang of wanhopig, of die ene vol goed vertrouwen, „een zo mooie eigenschap, die nu zo meelijwekkend en dwaas was geworden aangezien jij (als het ware als God in de hemel) wist wat hij nog niet wist.”
Het boek is niet alleen waar, maar ook nog eens ongelooflijk goed geschreven, met een kracht en een schoonheid vergelijkbaar met die van Vassili Grossman (Leven en Lot), maar dan heel beknopt.
Je zou het bijna uit je hoofd willen leren, dan zou je jezelf en de mensen beter zien – niet het woord ‘begrijpen’ gebruiken. „Waar kwam toch dat gevoel vandaan dat ik werd aangeklaagd?”
Samenvatting
In de nadagen van de Arabisch-Israëlische oorlog van 1948 trekt een groep jonge Israëlische soldaten door een glooiend, lieflijk heuvellandschap naar het Palestijnse dorpje Chirbet Chiz’a. Hun opdracht is even duidelijk als meedogenloos: de bewoners bijeendrijven, hen op vrachtwagens laden en wegvoeren, en alle huizen in het dorp verbranden. Terwijl de missie vordert, begint één soldaat te twijfelen. Wat betekent het om bevelen op te volgen als die ingaan tegen alles wat menselijk is? Toen Een lied van leegte in 1949 verscheen, zorgde het voor opschudding in Israël. Het stond jarenlang op het curriculum van middelbare scholen in Israël, maar is daar onder druk van de rechtse regering afgehaald. De novelle geldt nog altijd als een mijlpaal in de moderne Hebreeuwse literatuur. In een beeldrijke, bedwelmende stijl schetst S. Yizhar een confronterend beeld van de geboorte van Israël. Daarnaast vertelt Een lied van leegte een tijdloos verhaal over schuld en morele grenzen – en wat het betekent mens te blijven in tijden van oorlog.
Precies vandaag, nota bene nog vóórdat ik het boekje van Chirbet Chiz’a tegen was gekomen in de columns van NRC, probeerde ik me voor te stellen hoe het moet zijn om een IDF soldaat te zijn in Israël – zoals ik ooit hier ‘voor mijn nummer’ opgekomen ben en een jaar lang meegedraaid heb (ook al heb ik later dienst geweigerd). Ik bedacht dat het in de kern van de zaak overal ter wereld hetzelfde liedje is: natiestaten hebben grenzen en die moeten verdedigd worden. Ik kon me voorstellen dat het ook dáár een gruwelijk dilemma is – ook al zijn de omstandigheden geheel anders dan hier heden ten dage. Al met al was dat voor mij een hoogst verrassende wending in mijn dagelijkse discours erover – zie de link onderaan naar ‘Meer Midden Oosten op ShakingLife.nl‘. En toen las ik vervolgens diezelfde dag bovenstaande column in NRC. Ik was blij en verrast door de coïncidentie, alsof het besproken boekje – dat hier net uitgekomen is, maar al breeduit werd besproken – een rimpeling in het collectieve onderbewuste veroorzaakt had… Precies met een thema dat velen hier obsedeert én tot woede en onbegrip leidt – en dat ons dagelijks confronteert met het lijden in die contreien. Hein
ACHTERGROND Van Gogh In het Van Gogh Museum opent ‘Van Gogh in Auvers’. In dat plaatsje bracht hij de laatste twee maanden van zijn leven door.
Arjen Ribbens Gepubliceerd op 10 mei 2023
Vijftig jaar Van Gogh Museum. Dat vraagt om een bijzondere tentoonstelling. Louis van Tilborgh (66) en Teio Meedendorp (61), twee van de onderzoekers van het museum, bedachten het onderwerp voor de jubileum-expositie tien jaar geleden al. Vincent van Gogh in Auvers-sur-Oise, dat moest en zou het worden.
Auvers is een kunstenaarsdorp vlakbij Parijs. Daar trok de 37-jarige Van Gogh vol goede moed heen na een verblijf van een jaar in een inrichting in Saint-Rémy-de-Provence. In het noorden van Frankrijk hoopte de getroebleerde kunstenaar zich beter te kunnen verweren tegen zijn geestelijk lijden.
Op 20 mei 1890 stapte hij in Auvers uit de trein. Zeventig dagen werkte hij als een bezetene: hij maakte zeker 74 schilderijen en zo’n vijftig tekeningen. Daarna schoot hij zichzelf in de borst.
Op de tentoonstelling Van Gogh in Auvers. Zijn laatste maanden, die vrijdag in het Van Gogh Museum opent en in september doorreist naar Musée d’Orsay in Parijs, hangen liefst 46 schilderijen en ongeveer 30 tekeningen uit deze tijd. Nooit eerder was zo’n groot overzicht over deze periode te zien.
In wetenschappelijk opzicht was ‘Auvers’ een lacune in de kennis over Van Goghs oeuvre, zeggen Van Tilborgh en Meedendorp, beiden al vele jaren werkzaam bij het museum. Voor de tentoonstelling en de bijbehorende catalogus maakten ze, samen met collega’s, een beargumenteerd voorstel over de ontstaansvolgorde van de in Auvers gemaakte schilderijen. Die baseerden ze onder meer op Van Goghs brieven, oude weerrapporten en onderzoek naar de gebruikte schilderdoeken. Getracht werd ook de afgebeelde locaties te achterhalen. Door zo als het ware over Van Goghs schouder mee te kijken konden ze nog duidelijker maken hoe hij zijn directe omgeving gebruikte als materiaal voor zijn kunst.
Van Gogh was in Auvers een veel timidere man, concluderen de onderzoekers
Van Gogh was in Auvers een veel timidere man, concluderen de onderzoekers. De brieven aan zijn broer Theo waren korter en hij vertelde minder over wat hij had gemaakt. Zijn werkwijze veranderde ook enigszins. Aanvankelijk beet hij zich minder vast in één onderwerp, leefde artistiek gesproken meer bij de dag, twijfelde over een vaste koers en sprong wat onbegrijpelijk van kleine formaten naar grote – en omgekeerd.
Van Gogh kwam uit een gesloten instelling, verklaren de onderzoekers zijn gedrag. Een jaar lang had hij nauwelijks contact met de buitenwereld gehad, en in zijn nieuwe omgeving probeerde hij met man en macht zijn neerwaartse gevoelens en gedachten, het gevoel van falen, zoveel mogelijk te onderdrukken.
Het wordt pas rustig in zijn hoofd nadat hij op 8 juli Korenveld met kraaien schildert, zegt Van Tilborgh. „Dat was vermoedelijk de rust van iemand die een beslissing heeft genomen. Een man die zichzelf als minderwaardig ziet, bang is dat andere mensen hem niet meer zien staan en vermoedelijk heeft besloten om suïcide te plegen.”
Meedendorp: „In een brief aan zijn moeder schreef hij dat hij Korenveld met kraaien ‘in een stemming van haast al te grote kalmte’ maakte. Theo had hem vlak daarvoor een emotionele brief geschreven. Hij wilde zijn leven omgooien, weggaan bij de kunsthandel waar hij werkte en voor zichzelf beginnen. Van die brief zal Vincent enorm geschrokken zijn.”
Op de vraag of de psychische nood aan de schilderijen is af te lezen, antwoorden de onderzoekers: deels wel, deels niet. Van Tilborgh: „Die hutten die Van Gogh in Auvers schilderde: dat gaat over geborgenheid. Ze zijn een verheerlijking van het landelijk leven – niet in de stad zitten maar op een plek waar het leven gezond is. Die hutjes schilderde hij ook al veel eerder. Het is oude iconografie. Maar nu als het ware obsessief geworden.”
TENTOONSTELLING Van Gogh in Auvers. Zijn laatste maanden van 12 mei t/m 3 sept. in het Van Gogh Museum in Amsterdam. De gelijknamige catalogus (288 blz., Tijdsbeeld, € 34,95)
Meedendorp: „De uitzonderingen zijn de schilderijen van de stormen. Daarin zit een soort drama dat voor hem ongebruikelijk is. Of neem het schilderij van het gemeentehuis van Auvers op de 14de juli. De grootste feestdag van het jaar en er staat geen mens op. Dat doek maakte hij de dag voordat Theo met zijn gezin naar Nederland zou reizen, terwijl Vincent tevergeefs had geprobeerd hem naar Auvers te laten komen, naar het gezonde platteland. Als je over dat schilderij doorredeneert kom je in een soort psychologische leegte terecht. Verlatenheid, een feestje waar niemand komt opdagen.”
De onderzoekers hopen dat de tentoonstelling duidelijk maakt dat Van Gogh ook in zijn laatste periode een groots kunstenaar was, en nog even inventief en experimenteel als daarvoor. Ten onrechte, zeggen zij, is in het verleden wel gesteld dat Van Gogh in Auvers zijn discipline had verloren. Van Tilborgh: „In deze laatste periode zie je een schilder die zich nog steeds aan het ontwikkelen is. Die inventieve dingen doet en op een bondiger en compacter manier schildert. Al voelde hij zich oud, relatief gesproken was hij jong. En als kunstenaar zeker niet opgebrand. Eerder een kunstenaar die door zijn zelfverkozen einde in de knop is gebroken.”
Op verzoek becommentariëren Van Tilborgh en Meedendorp vier favoriete schilderijen uit de expositie. Al pingpongend vullen ze elkaar steeds aan. Meedendorp: „Zo werkten we de afgelopen veertien jaar ook samen.”
Dat Van Tilborgh deze maand met pensioen gaat betekent niet het einde van hun samenwerking. De liefde voor Van Gogh bindt hen, zeggen beiden. Net als de gedeelde intuïtie hoe kunsthistorische vraagstukken op te lossen. „Ik werk nog een beetje door”, zegt Van Tilborgh.
Bloeiende kastanjetakken 26 of 27 mei 1890
Elke foto rechtsboven klikken voor vergroting.Vincent van Gogh, Bloeiende kastanjetakken , 1890 (olieverf op doek, 73×92 cm.) Collectie Emil Bührle, langdurig bruikleen aan Kunsthaus Zürich.
„Aan het eind van zijn verblijf in de inrichting van Saint-Rémy ging Van Gogh bloemstillevens schilderen. Commerciëlere doeken, die zouden verkopen, hoopte hij. Een paar dagen na aankomst in Auvers pakte hij het bloemmotief weer op. Vlakbij de herberg waar hij logeerde stonden hoge, oude kastanjebomen in bloei. Afgewaaide takken, na stormachtig weer op 24 en 25 mei, zullen de bloemenschilder in hem wakker hebben gemaakt.
„Vergeleken met de bloemstillevens uit Saint-Rémy is dit doek veel gedurfder. Een spectaculaire, bijna levensgrote voorstelling, een prachtig beeld van de levenskracht en energie die de natuur uitstraalt in het voorjaar. Een beetje mysterieus ook. Pas bij goed kijken zie je de vaas in het midden. Die lijkt te zweven. Ook bijzonder hoe het oranje van de tafel op de voorgrond en het blauw van de achtergrond in elkaar overlopen. Dat op een grafische manier geschilderde blauw suggereert lucht. Gek, want het doek is geschilderd vanuit een hoog standpunt. Dat blauw is een vondst die puur en alleen maar kleur is. Bij dit stilleven zie je een schilder aan het werk die uit diverse repertoires kan putten.”
Boerderijen in Auvers-sur-Oise mei-juni 1890
Vincent van Gogh, Boerderijen in Auvers-sur-Oise , mei-juni 1890 (olieverf op doek, 73,5×92,5 cm) Collectie Finnish National Gallery, Helsinki.
„Vanwege de losjes geschilderde lucht is dit doek in het verleden wel aangemerkt als Van Goghs laatste schilderij. Het zou onvoltooid zijn. Dat is beslist niet zo. Van Gogh doet hier iets nieuws: hij probeert wolken op een andere manier te schilderen. Op de grondering heeft hij eerst een witte laag aangebracht. Daarover schilderde hij met brede, blauwe toetsen de lucht. Een omgekeerd luchteffect dus: een witte lucht met blauwe wolken.
„Ook de compositie is bijzonder. Je ziet hoe hij in dit schilderij verschillende stijlen combineert. De lucht wijkt bijvoorbeeld sterk af van de grof geschilderde bloemen op de voorgrond. De contouren van de daken doen denken aan Japanse houtsneden.
„Rudi Fuchs [de oud-directeur van het Stedelijk Museum] schreef eens mooi over dit doek. Door die botsende stijlen voorspelde dit schilderij voor hem de toekomst van de schilderkunst. Van Gogh zette volgens Fuchs een stap op weg naar de abstractie, richting Mondriaan. We begrijpen wat Fuchs bedoelde, maar wij denken dat Van Gogh in dit doek onderzocht hoe ver hij met die verschillende stijlen kon werken en tóch een harmonisch resultaat kon bereiken.”
Dokter Paul Gachet 6 en 7 juni 1890
Vincent van Gogh, Dokter Paul Gachet , 1890 (olieverf op doek, 68,2×57 cm.) Collectie Musée d’Orsay, Parijs.
„Zijn broer Theo adviseerde Van Gogh om in Auvers Paul Gachet te bezoeken. Die homeopathische arts meende hem misschien wel beter te kunnen maken, had Theo hem in al zijn optimisme doorgebriefd. Direct na aankomst ging Van Gogh bij de dokter langs. Hij deed daarna twee dingen: hij schilderde een portret van Gachet en hij liet Theo weten dat deze man hem niet zou kunnen genezen. Van Gogh herkende een zielsverwant in hem: een dokter die net zo melancholiek was als zijn patiënt. Net zo depressief, zouden we nu zeggen.
„Uit Parijs haalde Van Gogh schilderijen naar Auvers die hij in de inrichting in Saint-Rémy maakte. Allemaal doeken die iets duidelijk maakten over zijn ziekte. Dat moet wel haast geweest zijn om Gachet te tonen wie hij was, een kwetsbare persoon. De betekenis van dit portret? Het ligt in het verlengde van een uit Theo’s collectie meegenomen zelfportret dat Van Gogh in Saint-Rémy maakte: een soort van angstkreet. Een portret dat duidelijk maakt: deze dokter gaat mij niet redden, maar mij wellicht wel leren standvastig te zijn in het lijden. Kwetsbaar en onverzettelijk tegelijkertijd.
„Aandoenlijk is de kledij. Gachet draagt een twintig jaar oud jasje uit de tijd dat hij nog ambulancemedewerker was. De pet is bewaard gebleven. Die zit in de collectie van Musée d’Orsay.”
Regen, Auvers-sur-Oise 18 juli 1890
Vincent van Gogh, Regen, Auvers-sur-Oise , 18 juli 1890 (olieverf op doek, 50,3×100,2 cm.) Collectie National Museum Wales, Cardiff.
„Natuur was voor Van Gogh een soort van religie. Elf jaar eerder, toen hij als lekenprediker in De Borinage werkte, ging hij eens in een veld staan om een geweldig onweer te beleven. De natuur, was zijn idee, moest bevrijdend werken. Die filosofie droeg hij uit in zijn brieven. Maar dat bevrijdende, levensmoed opwekkende gevoel was veel complexer geworden.
„Over Korenveld met kraaien, het landschap dat hij drie weken voor zijn dood schilderde, schreef hij dat het verschrikkelijke triestheid en eenzaamheid moest uitdrukken. Tegelijkertijd representeerde het voor hem ook het ongelooflijk goede van het platteland. Dat lijkt een tegenstrijdigheid, maar die dingen gaan bij Van Gogh duidelijk samen.
„Dit schilderij van Auvers in de regen is wel als sinister bestempeld. Maar net als de meeste van zijn landschappen is het licht: het is maar een buitje. We hebben kunnen vaststellen waar hij zijn ezel opstelde: bij een kalkgroeve in Méry-sur-Oise. En omdat Franse meteorologen zo punctueel zijn weten we vermoedelijk wanneer het buitje viel: op vrijdag 18 juli 1890.
„Het grafisch effect van die lange regenstrepen verlenen het werk de eenvoud van een Japanse prent. Door verkleuring heeft het nu vooral blauw- en geeltinten. Oorspronkelijk was het waarschijnlijk paarsiger. Maar het is nog steeds een subliem schilderij.”
'Surrealisme' is een van de meest gebruikte termen van de afgelopen tijd. Wereldwijd leggen nieuwsredacties een link tussen de bizarre situatie waarin we leven en het surrealisme. Maar wat is surrealisme precies? Hoe ontstond deze beweging en aan welke denkbeelden wilden de surrealisten van het eerste uur uiting geven? Op deze vragen wordt antwoord gegeven in de tentoonstelling 'This is Surrealism!' met bijna veertig topstukken en diverse zeldzame boeken en tijdschriften uit de collectie van Museum Boijmans Van Beuningen, verdeeld over negen thematische clusters.
De veertig meest toonaangevende en belangrijkste werken uit de oorspronkelijke werkenlijst zijn gekozen om het verhaal over het surrealisme te vertellen. Bovendien is op de benedenverdieping van het museum een presentatie te zien met werk van Cobra-kunstenaars. De twee tentoonstellingen slaan een brug tussen de verzamelgebieden waar beide musea onder meer om bekend staan: surrealisme en Cobra. Deze bewegingen volgden elkaar niet alleen op in de tijd, de makers hielden er ook soortgelijke ideeën en idealen op na. Zowel de surrealisten als de kunstenaars gelieerd aan Cobra hoopten de maatschappij blijvend met hun kunst te veranderen. Hun kritische houding weerspiegelt het huidige tijdsgewricht waarin veel mensen van mening zijn dat we de samenleving anders moeten inrichten.
Klik 2x rechtsboven op een afbeelding om te vergroten.Salvador Dalí, “Impressies van Afrika”, 1938.
Dalí zit hier achter zijn schildersezel met Gala, zijn vrouw en muze, boven het hoofd. Haar oogkassen vallen samen met de arcades van een gebouw, een typisch Dalíaans dubbelbeeld.
Alle werken in de tentoonstelling zijn afkomstig uit de wereldberoemde collectie surrealistische kunst van Museum Boijmans Van Beuningen. Deze verzameling, die bijeen is gebracht vanaf de jaren zestig, omvat meer dan 150 kunstwerken van kunstenaars als Salvador Dalí, René Magritte, Joan Miró, Man Ray en Max Ernst plus een grote hoeveelheid zeldzame boeken en tijdschriften. In 1970-1971 organiseerde Museum Boijmans Van Beuningen een grootschalige tentoonstelling over Salvador Dalí. Tijdens de voorbereidingen maakte conservator Renilde Hammacher-Van den Brande kennis met de rijke Britse dichter en verzamelaar Edward James die in de jaren dertig de belangrijkste opdrachtgever en mecenas was van Dalí. Toen James hoorde dat Hammacher de eerste Europese overzichtstentoonstelling over Dalí wilde organiseren, besloot hij talloze kunstwerken uit zijn collectie in bruikleen te geven aan het Rotterdamse museum. Na afloop van de tentoonstelling, die zeer succesvol was verlopen, besloot hij samen met het bestuur van zijn stichting om een aantal werken permanent in bruikleen te geven aan het museum. Toen de stichting niet veel later in geldnood verkeerde kreeg het museum de kans om maar liefst veertien belangrijke schilderijen en gouaches van Dalí en Magritte te kopen. Deze werken vormen nu het hart van de unieke surrealismeverzameling van Museum Boijmans Van Beuningen. De collectie wordt regelmatig met nieuwe aanwinsten verrijkt. Recent heeft het museum een aantal schilderijen en kunstwerken op papier verworven van Leonora Carrington, Eileen Agar en Joseph Cornell, waarvan een aantal voor het eerst tijdens This is Surrealism! is te zien.
De surrealismecollectie van Museum Boijmans Van Beuningen
De verbeelding, het absurde en dromen, dat zijn de zaken die voorop staan in de surrealistische kunst. Waan je hier in de wondere wereld van het surrealisme.
In de jaren 20 van de vorige eeuw ontstaat de surrealistische beweging met uitingen in onder meer de beeldende kunst, de literatuur en het theater. De beeldende kunst van deze stroming is goed vertegenwoordigd in de collectie van Museum Boijmans Van Beuningen. Met topstukken van grootmeesters als Dalí, Magritte en Delvaux barst het er van de vreemde dingen.
Wat is surrealisme?
Soms kom je hele vreemde dingen tegen: op straat, in de popmuziek of als gebruiksvoorwerpen. Milou vraagt zich af waar die vervreemdende ideeën vandaan komen en bezoekt Museum Boijmans Van Beuningen. Daar ontdekt ze meer over het surrealisme en de werkwijze van surrealisten als Max Ernst, Salvador Dalí en Rene Magritte.
Europees surrealisme
De Franse schrijver Guillaume Appollinaire (Rome 1880 – Parijs 1918) introduceert het begrip ‘surrealisme’ in 1917. Hij gebruikt het woord om iets te omschrijven dat de realiteit overstijgt, ofwel iets dat ‘surreëel’ is. De Parijse surrealistische kunstenaars creëren in hun werk een realiteit die in werkelijkheid niet kan bestaan, maar wel in dromen en het domein van de verbeelding. Het surrealisme heeft grote invloed in Europa, en veel kunstenaars trekken naar Parijs: Max Ernst vanuit Duitsland, Salvador Dalí vanuit Spanje. In verschillende landen maken kunstenaars surrealistisch werk, zoals in België René Magritte en later Paul Delvaux, en in Italië Giorgio de Chirico.
Paul Delvaux (1973)
Skeletten, naakten en treinstations zijn veel voorkomende motieven in het oeuvre van Paul Delvaux. Vanwege de vervreemdende voorstellingen in een realistische stijl wordt Delvaux geschaard onder het Belgisch surrealisme, een stempel waarbij hij zich overigens zelf niet prettig voelde. In 1973 organiseerde Museum Boijmans Van Beuningen een overzichtstentoonstelling van Paul Delvaux. In dit bioscoopjournaal uit hetzelfde jaar is een korte registratie te zien.
Op de bank bij Freud
Een belangrijke inspiratiebron voor het surrealisme is de Oostenrijkse psychiater Sigmund Freud (Freiberg 1856 – Londen 1939). Begin vorig eeuw ontwikkelt Freud de psychoanalyse, de theorie van het onderbewustzijn van de mens. Volgens Freud wordt het gedrag van mensen in grote mate gestuurd door onderbewuste en irrationele driften.
De Franse schrijver André Breton, oprichter van de surrealistische beweging, leert Freuds theorieën kennen als hij in de Eerste Wereldoorlog als assistent in een psychiatrisch ziekenhuis werkt. Breton vindt dat de maatschappij bevrijd moet worden van het rationalisme, de logica en de burgerlijkheid. Als de verdrongen driften van de mens blootgelegd worden zal diens gekwelde geest bevrijd worden. Freuds theorieën vormen het uitgangspunt van Bretons ‘Manifeste du Surrealisme’ uit 1924, waarmee een heuse beweging ontstaat.
Manifest
In het ‘Manifeste du Surrealisme’ zet Breton zijn opvattingen over het surrealisme in relatie tot de kunst en de samenleving uiteen. Surrealisme is volgens hem een methode om het ware, essentiële denken te leren kennen en dit uit te drukken in woorden of in beelden. Om dit te bereiken moet het onderbewuste worden onderzocht. Dromen, krankzinnigheid en de kindertijd spelen hierbij een belangrijke rol.
Ook omschrijft hij methodes om het onderbewustzijn te verkennen door middel van kunst. Bijvoorbeeld de methode van de ‘écriture automatique’, het automatisch schrift. Impulsen uit het onderbewuste kunnen direct op papier gezet worden door onder andere half in slaap of onder invloed van drank en drugs te gaan tekenen. De bibliotheek van Museum Boijmans Van Beuningen bezit een exemplaar van Bretons invloedrijke manifest.
Surrealisme in Rotterdam
In 1965 is ‘Het paar’ van Max Ernst en ‘Op de drempel van de vrijheid’ van René Magritte aangekocht voor de collectie van Museum Boijmans Van Beuningen. Sindsdien is de verzameling surrealistische kunst aanzienlijk gegroeid. De grootste aankopen zijn gedaan tussen 1977 en 1979.
Wist je dat de bevlogenheid van Renilde Hammacher, de eerste conservator moderne kunst, de oorzaak is geweest van de nadruk op het surrealisme in het museum?
Uit de verzameling van de dichter Edward James (West Dean 1907 – Sanremo 1984), tevens mecenas van Magritte en Dalí in de jaren 30, worden in die jaren twaalf werken van deze twee surrealisten aangekocht. Aldus is de collectie surrealisten een van de belangrijkste pijlers van de museumcollectie geworden.
Nog steeds verzamelt het museum surrealisme. In 2005 is de wereldberoemde ‘Mae West lippensofa’ van Salvador Dalí aangekocht, in 2007 ‘Landschap met roze wolken’ van Yves Tanguy en in 2009 een schaduwdoos van Joseph Cornell. De meest recente aankoop is het schilderij ‘Miroir Vivant’ uit het vroege oeuvre van Rene Magritte, dat in januari 2016 is aangekocht.
Surrealisme in Rotterdam
Dalí in Rotterdam
Renilde Hammacher-van den Brande, de allereerste hoofdconservator moderne kunst van Museum Boijmans Van Beuningen, organiseerde een succesvolle Dalí-tentoonstelling in de winter van 1970-1971. In twee maanden kwamen meer dan 200.000 bezoekers. Het Polygoonjournaal wijdde er een nieuwsuitzending aan.
Een Belgische surrealist
Museum Boijmans Van Beuningen bezit maar liefst vijftien werken van de Belgische surrealist René Magritte. Magritte streeft ernaar om het ‘mysterie van het alledaagse’ te verbeelden. Door de gewone dingen uit hun dagelijkse omgeving te halen kan dat mysterie zichtbaar gemaakt worden. Magritte wil dit bereiken zonder dat de toeschouwer het schilderij als onwaarschijnlijk fantasiebeeld kan afwijzen. Bij ieder voorwerp zoekt hij een tweede beeldelement dat er een verborgen verwantschap mee heeft.
In ‘Le modèle rouge III’ is een paar blote voeten te zien dat in schoenen overgaat. De voeten en schoenen worden daardoor in een vreemd daglicht gesteld.
René Magritte, Le modèle rouge III (Het rode model III), 1937, olieverf op doek, aankoop met steun van: Vereniging Rembrandt, Prins Bernhard Fonds, Erasmusstichting, Stichting Bevordering van Volkskracht Rotterdam en Stichting Museum Boymans-van Beuningen 1979
Tijdschriften
In verschillende publicaties en tijdschriften verwoorden surrealisten hun visie op kunst en maatschappij. Van het tijdschrift La Révolution Surréaliste verschijnt het eerste nummer eind 1924. Op de eerste bladzijde van het eerste nummer staat een foto van een onherkenbaar object verpakt in lappen, een werk van Man Ray. Een reconstructie van ditzelfde voorwerp maakt deel uit van de collectie van Museum Boijmans Van Beuningen. De titel ‘Het raadsel van Isidore Ducasse’ verwijst naar het boek ‘Les Chants de Maldoror’ dat Ducasse schrijft onder het pseudoniem Comte de Lautréamont.
Man Ray L’Énigme d’Isidore Ducasse. 1920. Het kunstwerk bestaat uit een naaimachine die is ingepakt in een deken en vastgebonden met touw. De titel verwijst naar een beroemde zin van de dichter Comte de Lautréamont (Isidore Ducasse): “mooi als de toevallige ontmoeting van een naaimachine en een paraplu op een ontleedtafel”.
Man Ray maakte dit werk oorspronkelijk voor een foto. Het ging verloren en in 1971 maakte hij deze nieuwe versie. Even raadselachtig als het werk zelf is de titel, die verwijst naar de naam van de schrijver Isidor Ducasse, die werkte onder het pseudoniem Comte de Lautréamont. Hij schreef de door de surrealisten zeer gewaardeerde publicatie 'Les Chants de Maldoror' (1869). Dit boek beschouwden de surrealisten als een beginselverklaring, veel titels van hun werken zijn er aan ontleend.
Het raadsel van Isidore Ducasse (1920)
‘Les Chants de Maldoror’ is een cynische aanval op de westerse beschaving en daarom wordt Ducasse een held van de surrealisten. Eén citaat uit het boek wordt hun motto: ‘Mooi als de toevallige ontmoeting van een naaimachine en een paraplu op de snijtafel’. Met zijn in lappen verpakte object, een ingepakte naaimachine, verwijst Man Ray naar dit citaat.
In de jaren 30 wordt het tijdschrift Minotaure de belangrijkste spreekbuis van de surrealisten. Het blad, gesponsord door de rijke Edward James en met André Breton als redacteur, vestigt de aandacht op – op dat moment – nog onbekende kunstenaars als Hans Bellmer, Paul Delvaux en Alberto Giacometti (Borgonovo 1901 – Chur 1966).
Bevlogen mecenas
Edward James is een rijke Engelse aristocraat en een surrealistische dichter. In de jaren 30 ondersteunt hij zowel Magritte als Dalí door werk van hen aan te kopen. Magritte baseerde ‘Verboden af te beelden’ op een foto die hij maakte van Edward James die naar het werk ‘Op de drempel van de vrijheid’ staat te kijken.
Dalí krijgt twee jaar financiële steun van James en Magritte mag in zijn huis in Londen verblijven om een aantal schilderijen te maken. Daarnaast geeft hij financiële steun aan het tijdschrift Minotaure. James richt een van zijn huizen, het Monkton House te Londen, in als een surrealistische droom. In dit huis krijgt onder andere de ‘Mae West lippensofa’ van Dalí een plaats.
Edward James staat voor ‘On the threshold of freedom’ (1930). René Magritte, La reproduction interdite (Verboden af te beelden).Het kunstwerk is gebaseerd op een foto van de Engelse mecenas Edward James, die ook van achteren is afgebeeld. Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam.
Verboden af te beelden
James zelf is op een aantal surrealistische schilderijen vereeuwigd. Magritte maakt bijvoorbeeld een raadselachtig portret van James in ‘La reproduction interdite (Verboden af te beelden)’ (1937) dat zich in de collectie van Museum Boijmans Van Beuningen bevindt.
Tentoonstelling op locatie
Deze tentoonstelling was te zien in het Cobra Museum Amstelveen, Sandbergplein 1, 1181 ZX Amstelveen. Toegang is alleen mogelijk met een online ticket. Voor informatie
over de toegangstijden, entreeprijzen, etc.:
Iran Trump lijkt het Midden-Oosten door hoogmoed, verblinding en misrekening in een uitzichtloze oorlog te hebben gestort. Jos de Mul onderzoekt wat dit betekent voor Europeanen en trekt parallellen met de klassieke oudheid.
Jos de Mul is emeritus hoogleraar wijsgerige antropologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Dit essay is een update van zijn bespiegelingen over de Idee van Europa in Paniek in de Polder. Polytiek in tijden van populisme waarvan onlangs een vierde druk verscheen. Gepubliceerd op 8 mei 2026
Ondanks president Trumps voortdurende grootspraak over de militaire successen en spoedige overwinning, lijken de VS de grote verliezers van de oorlog in Iran. Bij het ingaan van de recente wapenstilstand was geen van de gestelde doelen bereikt en het eind van de oorlog is nog niet in zicht. Trump lijkt door hoogmoed, verblinding en misrekening in een Griekse tragedie zonder katharsis terecht te zijn gekomen.
Heel, heel lang geleden, toen Iran nog gewoon Perzië heette, was het een ware supermacht. De even wrede als wijze Sjah Dâriûsh (522-485 v.C.), in het Westen bekend als koning Darius de Grote, heerste over een immens rijk dat vrijwel de gehele ‘oude wereld’ omvatte en zich uitstrekte van Macedonië tot Oman en van Egypte tot Pakistan. Heel de oude wereld? Neen, alleen een klein moedig stadstaatje, Athene geheten, bood dapper weerstand. Sterker nog, het stichtte voortdurend kolonies in gebieden die tot het Perzische Rijk behoorden, zoals aan de Ionische kust in het huidige Turkije.
Erger nog: ze experimenteerden in Athene naar hartenlust met woke praktijken als democratisch zelfbestuur. Darius besloot de Atheners een lesje te leren en Griekenland binnen te vallen, toentertijd een verzameling stadsteden die de Griekse taal en mythologie deelden, maar onderling ook voortdurend overhoop lagen.
Darius veroverde met zijn gigantische leger meerdere Griekse eilanden in de Egeïsche zee en verwoestte de belangrijke handelsstad Eretria. Maar toen hij in 490 v.C. het vasteland van Attica binnentrok, werd hij in de beroemde slag bij Marathon verslagen door de Atheners. De behoedzame Darius keerde met de restanten van zijn leger terug naar huis. Wie sterfelijk is, moet zijn grenzen kennen.
Nu had Darius een eerzuchtige zoon, Khashayar – Grieks: Xerxes – die na de dood van zijn vader besloot het karwei af te maken en een regime change te bewerkstellingen door heel Griekenland te onderwerpen. Met twaalfhonderd triremen (enorme galeischepen met drie rijen roeiers boven elkaar), drieduizend andere schepen en tweehonderdduizend militairen trok hij op naar Griekenland. De Griekse geschiedschrijver Herodotus verhaalt in zijn Historiën hoe Xerxes een rijkversierde troon op de berg Aigaleos had laten plaatsen, van waar hij mooi kon toekijken hoe zijn armada de Griekse vloot van amper driehonderd schepen zou wegvagen.
In de nauwe zee-engte bij Salamis, waar in 480 v.C. de zeeslag plaatsvond, konden de logge triremen echter nauwelijks manoeuvreren, waardoor de kleine schepen van de Atheense vloot de triremen in de flanken konden aanvallen en vernietigen. Xerxes sneakte ijlings terug naar Perzië. Het gedemotiveerde leger dat hij achter liet, werd in 479 v.C. in de slag bij Plataeae definitief verslagen. Deze vernedering betekende het begin van het einde van het Perzische Rijk. Het bleef weliswaar nog een eeuw bestaan, maar werd allengs zwakker en werd in 331 v.C. veroverd door de Griek Alexander de Grote, die zich uitriep tot de nieuwe sjah van Perzië. Het kan verkeren in het leven.
Medelijden met de vijand
De tragedie Perzen van Aischylos, het oudst bewaarde drama uit de Europese literatuur, handelt over Xerxes’ nederlaag. Aischylos nam als infanterist deel aan alle drie de genoemde veldslagen en verloor net als Xerxes een van zijn broers op het slachtveld. Wat vooral fascineert aan deze tragedie, is dat het geen triomfantelijk verslag is van de Atheense overwinning, maar de slag bij Salamis beschrijft vanuit het perspectief van de Perzen en vooral medelijden met de vijand oproept. Het hoofdpersonage van de tragedie is koningin Atossa, de moeder van Xerxes, die in haar paleis steeds rampzaliger berichten krijgt van het front.
In de tragedie wordt Xerxes’ ondergang geweten aan diens hubris, hoogmoed, overmoed en arrogantie; hij waant zich onoverwinnelijk. Zijn eerzucht verleidt hem tot ate, verblinding – we zouden nu van tunnelvisie spreken – die hem blind maakt voor de risico’s van zijn onderneming, en tot hamartia, de fatale misrekening dat zijn armada de kleine Griekse vloot eenvoudig zou kunnen verslaan.
In de tragedie spreekt de schim van koning Darius, die vanuit de onderwereld aan zijn voormalige echtgenote verschijnt, dit oordeel uit, in de fraaie recente vertaling van Patrick Lateur:
„Eerst vlijt Ate vriendelijk een mens en lokt hem in haar netten, waaruit geen sterveling ontsnappen kan en vluchten
En voor het oog der mensen blijven stapels lijken getuigen zonder stem drie generaties ver: wie sterflijk is, mag zich niet arrogant gedragen. Gedijt de overmoed, haar vruchten vormen aren van ondergang…”
Dat Xerxes boven de goden denkt te staan en de aan de Griekse goden gewijde tempels vernietigt, rekent Darius hem ook zwaar aan:
„Hij, sterveling dacht in zijn onverstand te staan boven de goden allemaal, ja, zelfs boven Poseidon. Ach mijn zoon was geestelijk gestoord, hoe kan het anders.”
Het koor dat, als een klassieke voorloper van de hedendaagse opiniepagina en talkshow, in de tragedie Xerxes’ ondergang becommentarieert, strooit nog wat zout in de wonde:
”Het land weeklaagt Om de jeugd van het land, Door Xerxes gedood. Hades volgepropt met Perzen
Aiaiai! Schreeuw en vraag hem uit. Waar is de rest van de massa vrienden? Waar blijven zij die u terzijde stonden?”
De tragedie eindigt met een lange klaagzang van Xerxes, die „nat van tranen en erbarmelijk” beseft dat hij „een ramp is geworden voor stam en staat van onze vaderen”.
Dit inzicht leidt uiteindelijk tot katharsis, een zuivering van hoogmoed en verblinding, niet alleen bij Xerxes, maar ook bij de toeschouwers van de tragedie. In die zin is het treurspel een pedagogische les, met als boodschap: don’t do this at home!
Met deze wonderbaarlijke tragische sensibiliteit neemt ‘de Idee van Europa’ zijn aanvang.
Boven het orakel van Delphi stond de spreuk ‘Ken uzelve’. Dit jaar is het motto van de Maand van de Filosofie een variant daarop: ‘Ken onszelve’. De turbulente geopolitieke transformatie die zich momenteel wereldwijd en op extreem gewelddadige wijze voltrekt, stelt ons voor de vraag wat dit betekent voor ons, Europeanen, en voor onze identiteit.
George Steiner argumenteert in zijn essay The Idea of Europe (2003) dat Europa op twee pijlers berust, die van meet af aan in een strijdige harmonie hebben verkeerd: de joods-christelijke traditie, verzinnebeeld in Jeruzalem, en de in de Griekse oudheid wortelende rationalistische traditie, verzinnebeeld in Athene.
Wijsheid door schade en schande
Voor dat idee valt het nodige te zeggen, maar het lijkt ook te wringen. In de eerste plaats omdat Jeruzalem buiten Europa ligt en Athene eeuwenlang deel uitmaakte van het Byzantijnse en Ottomaanse rijk. In de tweede plaats omdat volgens deze maatstaf de Verenigde Staten veel Europeser zijn dan Europa zelf. Tegenover het seculiere Europa ogen de VS als een bastion van christelijk fundamentalisme: daar is de religie steeds een dominante maatschappelijke kracht geweest, zeker met kruisvaarders als de huidige Amerikaanse minister van Oorlog Pete Hegseth. En wat het geloof in het eigen rationalistisch-technisch kunnen betreft, hebben de VS Europa ook ver achter zich gelaten.
Wat ‘het oude Europa’ vooral van de VS onderscheidt, is een derde pijler, die van de tragische sensibiliteit. Deze komt tot uitdrukking in de blijvende actualiteit van de Griekse en vroegmoderne tragedies, in de Europese roman- en filmtraditie en in de populaire kunst, van de Portugese fado (van fatum: noodlot) tot de Nederlandse smartlap. Maar ook, en niet in de laatste plaats, in politieke instituties die onverholen machtsuitoefening tegengaan, zoals democratisch zelfbestuur, trias politica en rechtsstatelijkheid, aandacht voor diplomatie en tact, maar ook in de op solidariteit en medemenselijkheid gevestigde Europese verzorgingsstaat.
Nu vergt niet alleen individuele, maar ook culturele katharsis tijd. Europa heeft voor zijn tragische wijsheid betaald met een lange geschiedenis van burgeroorlogen, van de Peloponnesische oorlogen tussen Athene en Sparta, via de grote godsdienstoorlogen van de 16de en 17de eeuw en de koloniale strooptochten naar de in Europa ontstoken wereldoorlogen in de 20ste eeuw. Tragische wijsheid verwerft men door schade en schande. Kenmerkend voor tragedies is dat de tragische ‘helden’ hun catastrofes nu juist veroorzaken omdat ze alle tragisch besef missen.
Tragische ‘helden’ veroorzaken hun catastrofes nu juist omdat ze alle tragisch besef missen
De geschiedenis herhaalt zich, maar altijd met een twist. President George Bush senior slaagde er tijdens de Golfoorlog (1990-1991) met goedkeuring van de VN-Veiligheidsraad in om de Iraakse troepen, die Koeweit hadden bezet, in enkele dagen te verdrijven en de militaire infrastructuur van Irak zwaar te beschadigen. Maar hij besloot niet op te trekken naar de hoofdstad Bagdad. Wellicht dacht de wijze Bush aan Vietnam. Wie sterfelijk is, moet zijn grenzen kennen.
Net als Darius had ook Bush een zoon. Nadat George Bush junior president van de VS was geworden, wilde ook hij het karwei van zijn vader afmaken. In 2003 vielen Amerikaanse troepen, nu op basis van leugens over Saddam Husseins massavernietigingswapens en zonder steun van de VN, opnieuw Irak binnen, teneinde onder het motto ‘We’re going to bring democracy to Iraq’ een regime change te bewerkstelligen. De wrede dictator Saddam werd gedood, maar de oorlog veroorzaakte ook de dood van honderdduizenden Iraakse burgers en duizenden Amerikaanse militairen. Bovendien leidde het machtsvacuüm tot langdurige instabiliteit en een burgeroorlog, waardoor Iran zich kon ontwikkelen tot een dominante macht in de regio.
Hubris is hardleers. Ook veel van de latere militaire interventies van de VS – Afghanistan (2001-2021), Libië (2011) en Syrië (2014) – bleken kapitale mislukkingen waarbij de gestelde doelen, zoals stabiliteit, democratisering of de vestiging van een pro-westers regime, niet werden behaald.
Ook Trumps hubris lijkt zijn wortels te hebben in een verlangen zijn vader – die hem voorging als vastgoedmagnaat in New York – te overtreffen. Maar omdat zijn vader het nooit tot president van de VS heeft geschopt, lijkt er voor Trump niets anders op te zitten dan zichzelf voortdurend te overtreffen. Aanvankelijk vooral met handelstarieven en -oorlogen, maar in machtsdronken hoogmoed besloot hij al snel de president van Venezuela te kidnappen (die van Cuba staat nog op zijn wensenlijstje) en te zeggen dat hij Groenland zal inlijven. En, verleid door ate in de gedaante van Nethanyahu, met een armada van vliegdekschepen en bommenwerpers een regime change in Iran te bewerkstelligen, de militaire infrastructuur van het land te vernietigen en het verrijkte uranium, dat Iran mogelijk tot atoommacht zal maken, in beslag te nemen. Toen dat niet lukte, dreigde Trump Iran terug in het stenen tijdperk te bombarderen en de hele Iraanse beschaving te vernietigen.
Hoogmoed en verblinding
Trump is de hypocrisie duidelijk voorbij, aangezien wie hypocriet is, zoals George Orwell opmerkte, in ieder geval nog de schijn ophoudt morele regels te respecteren. Trump bevindt zich niet alleen aan gene zijde van de moraal, maar is ook de waarheid voorbij. Hij lijkt niet in staat zijn hoogmoed en verblinding onder ogen te zien. Hij claimt zonder blikken of blozen de totale overwinning en zegt dat alle oorlogsdoelen zijn behaald. En door zich op zijn eigen sociale medium Truth Social als Jezus Christus te presenteren, stelt hij zich net als Xerxes gelijk aan de goden.
„Geestelijk gestoord, hoe kan het anders”, echoot de stem van Darius vanuit de onderwereld. Maar in tegenstelling tot Xerxes’ tragedie kent die van Trump geen katharsis, geen zuivering van hoogmoed en verblinding.
Wel probeert Trump net als Xerxes weg te sluipen als de realiteit zich niet wenst te buigen naar zijn zin. Niet voor het eerst. ‘Trump Always Chickens Out’, luidt het gezegde. Maar in geval van oorlog geldt: It takes two to TACO. De Islamitische Revolutionaire Garde, die alle macht in Iran naar zich toegetrokken heeft, werkt niet echt mee. Het Iraanse volk ziet in angst en beven een nog wredere tirannie tegemoet.
Met zijn bombardementen op civiele doelen en dreiging met genocide vervreemdt Trump zich van zijn voormalige bondgenoten. In de VS stelt hij veel MAGA-aanhangers teleur door het breken van zijn belofte uitsluitend oorlogen te zullen beëindigen en haken door zijn blasfemie ook veel evangelicals af.
Wordt de Straat van Hormuz Trumps Salamis, waarin hij niet alleen zijn eigen ondergang maar ook die van de VS als supermacht zal bewerkstelligen? China en Rusland kijken geamuseerd toe. Met een vijand als Trump, beseffen Poetin en Xi, heb je geen vrienden nodig.
Gedijt de overmoed, haar vruchten vormen aren van ondergang…
Wat staat Europa te doen? Moet de Europese Unie, zoals Ursula von der Leyen als voorzitter van de Europese Commissie bepleit, streven naar een assertievere, geopolitieke EU die keiharde machtspolitiek bedrijft om economisch en militair niet achter te blijven? Moeten Europeanen zich met Mark Rutte blijven vernederen en met gevlei proberen Trump ervan te weerhouden de NAVO op te blazen?
Of is het veeleer de hoogste tijd te beslissen dat we ons niet bij schurkenstaten willen scharen, maar trouw willen blijven aan de idee van Europa als tragisch continent dat wel katharsis kent? En door net als de Spaanse premier Pedro Sánchez onomwonden afstand te nemen van de onrechtmatige en met oorlogsmisdaden verweven oorlogen tegen Iran, Gaza en Libanon. Door Trump een ultimatum te stellen: zich voegen naar de internationale rechtsorde, of de NAVO verlaten. En door op alle continenten bondgenoten te zoeken die deze orde verkiezen boven onverholen machtspolitiek en vernietigingsoorlogen.
Daarbij moeten we natuurlijk niet naïef zijn. Europa kent door zijn eigen geschiedenis het kwaad maar al te goed. Geconfronteerd met de agressie van Rusland, en nu ook de VS, zullen we ons ook militair teweer moeten stellen, om de idee van Europa te verdedigen en levend te houden. Dat impliceert dat we volkeren die zich verzetten tegen tirannen, zoals de Oekraïners, Palestijnen en Iraniërs, met alle daartoe geëigende middelen moeten blijven steunen in hun streven naar zelfbeschikking en een menswaardig bestaan. En ook dat we, in de voetsporen van Aischylos, moeten proberen de moeilijkste, maar ook meest heroïsche daad in tijden van oorlog te verrichten: medelijden op te brengen met de vijand en jezelf in hem te herkennen teneinde hem daarmee te ontvijanden.
Bovenaan: De slag van Salamis van Wilhelm von Kaulbach (1805–1874). MAXIMILIANEUM (BAYERISCHER LANDTAG)
INTERVIEW Vrouw en politiek Oud-minister van Financiën en -vicepremier Sigrid Kaag kijkt in een openbaar interview met Jutta Chorus terug op haar politieke carrière en de vrouwenhaat waar ze mee te maken kreeg. „Ik ben veel meer dan iemand als Wilders ooit van mij kon maken.” Gepubliceerd op17 april 2026
Sigrid Kaag is even terug in Nederland. De oud-minister, oud-partijleider van D66, kop van Jut van rechts Nederland en sinds kort lid van de door president Trump ingestelde raad voor ‘vrede, stabiliteit en welvaart voor Gaza’, geeft in Utrecht een openbaar interview op uitnodiging van het Katholiek Vrouwendispuut. Die organisatie, opgericht door onder anderen Marga Klompé om vrouwen te stimuleren de politiek in te gaan, viert haar tachtigjarig bestaan. Sigrid Kaag (1961) kwam voor het interview over uit Zwitserland, waar ze sinds vorig jaar woont.
Bent u blij dat u niet meer in Nederland woont?
„Mijn man wil niet meer in Nederland wonen. Punt. Alleen al om het weer, hij heeft een ongelooflijke hekel aan harde wind.
„Nu ik hier weer als ‘vrij mens’ terugkom, zonder beveiliging, zonder te worden herkend, word ik soms als een soort profeet uit een ander land ontvangen, terwijl ik dezelfde persoon ben als toen. Opeens luistert men weer naar je. Je wordt niet meer gedemoniseerd. En de mensen die dat hebben gedaan, zijn vergeten wat ze hebben gedaan. Dat is een rare ervaring.”
U bent opgegroeid in Zeist. Uit wat voor gezin komt u?
„Mijn ouders waren zowel heel katholiek als heel liberaal. Dat hoort zeker bij de katholieken van boven de grote rivieren. Mijn zusje en ik mochten alles in het protestantse Zeist. We hoorden bij de minderheid van onze school die op zondag ging hockeyen en tennissen, of op straat ging spelen. Mijn vader plaagde onze gereformeerde melkboer een beetje die op zondag wel melk bezorgde, maar daar pas maandag voor betaald wilde worden. Mijn vader was musicus. Het muzikale heb ik van hem. Ik had operazangeres willen worden, maar het is anders gelopen.”
Zingt u nog?
„Ja, voor mezelf onder de douche. Voor mijn moeder, een ‘slachtoffer’ van het eervol ontslag voor gehuwde onderwijzeressen, was het altijd opleiding, opleiding, opleiding. Ze zei letterlijk: ‘Als je maar nooit afhankelijk wordt van een man’.
„Ik had een broertje dat na mij geboren werd en als baby stierf. Dat was een kruis, een donkere wolk boven het gezin.
„Toen ik dertien was, kreeg mijn moeder een hersentumor, ze was al opgegeven toen wij dit hoorden. Het Laatste Oliesel was al toegediend. Wij kregen te horen: ze wordt geopereerd maar we verwachten niet dat ze er nog levend uitkomt. Dat is wonder boven wonder wel gebeurd, daarna lag ze lang in coma en ze is daaruit ontwaakt. Mijn vader leed aan een zware depressie. Hij werd in diezelfde periode opgenomen in wat toen heette een ‘sanatorium voor psychosen en neurosen’.
„Een psycholoog zou ongetwijfeld zeggen: dat was een kentering in je leven. Maar je had te dealen met het lot dat je toebedeeld werd. En wij zaten niet in een sociaal milieu waar dit tot extra kwetsbaarheid leidde. We hadden een soort georganiseerde omgeving, vanuit de kerk, de middelbare school, de hockeyclub. Mijn zus en ik klampten ons vast aan school. Goede cijfers halen, blijven hockeyen, blijven tennissen, in het schoolkoor zingen.
„Ik had graag gewild dat mijn ouders wat ‘normaler’ waren, zo keek ik ernaar als puber. Mijn vader was op zijn manier een soort brave hippie, al zag ik dat toen niet zo. Hij weigerde bijvoorbeeld het type statusauto te kopen dat men in Zeist veel zag, of dat hoorde bij je stand.”
Wat voor auto had hij dan?
„Een Skoda of een Lada. Ik ben opgegroeid in een huurflat. Dat was een keuze, mijn ouders vonden het kennelijk bevrijdend om weinig bezit te hebben. Ze waren heel progressief, maar op een manier die je als teenager heel storend kon vinden. Je wilt bij je omgeving horen. Later heb ik er meer waardering voor gekregen.”
Sigrid Kaag (vooraan links) bij het Katholiek Vrouwendispuut, naast journalist Sheila Sitalsing en burgemeester Sharon Dijksma van Utrecht. FOTO ESTHER DE WITTE
In 1981 vertrok u naar Caïro. Hoe was het daar voor een jonge vrouw?
„Mijn ouders lieten mij op mijn negentiende naar Egypte vertrekken. Ik kwam in Caïro in de tijd van president Sadat, die kort daarop werd vermoord. Daarna begon het regime van Mubarak. Ik kon eens per week drie minuten bellen voor 30 dollar meen ik, vanuit een luxe hotel. Je kreeg post die er een maand over deed. Wat moeten mijn ouders die hele tijd gedacht hebben? Een deel van mijn kinderen heeft ook in het buitenland gestudeerd: ik hield mijn hart vast. En ik kan ze bij wijze van spreken zó tracken met de iPhone – doe ik niet, want dat vind ik te benauwend voor hen en te eng voor mezelf.
„Voor mij was het geweldig. Egyptische studenten, studenten uit Oman, veel Palestijnse studenten vanuit de bezette gebieden en Libanezen. De Libanese burgeroorlog was in volle gang, 1982. Tijdens mijn studietijd dacht ik: twee studierichtingen zal ik nooit kiezen: over de situatie in Libanon en over de Palestijnse kwestie – beide thema’s leken me zo uitzichtloos. En iederéén koos deze onderwerpen. Ik ging een beetje Golfstaten doen, Irak, Iran, islamitische geschiedenis, de volle breedte. De beste tijd van mijn studentenleven waren de jaren in Egypte.
„Ik had een vriendje wiens moeder een leidend parlementslid in Egypte was. Zij organiseerde alle politieke vrouwen, of het nou moslims waren of kopten. Iedereen kwam daar aan huis. Ik vond dat heel normaal, al besefte ik wel dat ik me bewoog onder de elite van dat land.
„In het Midden-Oosten had je in de jaren 50 en 60 al vrouwelijke ministers, in Marokko, Tunesië, Algerije. Daar maakte ik mijn collega-politici wel eens gek mee, als ze over emancipatiecriteria spraken. Het beeld dat men in Nederland van die regio heeft, van de positie van religieuze minderheden of vrouwen – de hoofddoek als criterium voor emancipatie – dat neem je niet zomaar weg, dat zit heel diep.
„Wij zijn simplistisch in het opkalefateren van hoe goed we het doen. Je hoorde altijd: ‘O we zijn geweldig, want wij hebben Ahmed Aboutaleb als burgemeester van Rotterdam.’ Oké, dat is er één. Maar als je steeds weer met de uitzondering moet komen om iets te beweren, is het niet in orde.”
Ik had helemaal geen probleem om toegang tot bijvoorbeeld een Bashar al-Assad te krijgen
In 2013 leidde u een vredesmissie in Syrië, in 2015 was u gezant in Libanon. U onderhandelde met dictators. Is de positie van een vrouwelijke gezant precair?
„Nee hoor. Zeker in dat soort landen gaat het om je statuur. Je bent eigenlijk androgyn in de ogen van de ander. If you assume it, als je het je eigen maakt, heb je dubbele winst. Want op sommige plekken krijg je zo ook toegang tot specifieke vrouwengemeenschappen, van politieke leiders, invloedrijke vrouwen, schrijvers die jou willen spreken.
„Dus ik had helemaal geen probleem om toegang tot bijvoorbeeld een Bashar al-Assad te krijgen. Het feit dat ik daar als vrouw kwam was eigenlijk alleen maar een plus, een zwaar onderschat politiek machtsmiddel.
„Wij veronderstellen dat in een andere samenleving een vrouw in een machtige positie wel anders behandeld zal worden, ook omdat we zélf vrouwen in Nederland niet altijd op een gelijkwaardige manier behandelen.”
U kreeg in 2017 de ministerspost voor Buitenlandse Handel aangeboden. Buitenlandse Zaken lag gezien uw ervaring meer voor de hand. Waarom kreeg u dat niet?
„Dat moet je aan het D66-formatieteam van toen vragen. Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking is een mooie post hoor qua inhoud en ‘soft power’, maar marginaal in de ministerraad. Je doet goede dingen in het buitenland, maar vanuit verkiezingsperspectief heb je er weinig tot niets aan.
„Bij de formatie van 2021 probeerden sommigen D66, en dus mijzelf, weer allerlei posten aan te praten. Die post was toch zo mooi, die paste toch zo goed bij mijn passie. ‘Nee’ zei ik. Ik koos voor Financiën. Als je aan de knoppen wilt zitten, moet je Financiën nemen.
„Ik had meer vakken economie gedaan dan sommige mannelijke ministers voor mij. Over hen bestond nooit twijfel of ze die functie goed zouden kunnen vervullen, want ‘een man past goed op de huishoudportemonnee’. In Nederland was ik de eerste vrouwelijke minister van Financiën. Absurd. Ik heb Financiën onder hoogspanning in ongekende tijden goed gedaan, al zeg ik het zelf.”
Zei u ‘ja’ uit een soort plichtsgevoel, bij wijze van inzet voor de publieke zaak?
„Nee, ik wilde het gewoon. Ik was verbaasd toen in 2010 de gedoogconstructie met Wilders tot stand kwam en niemand de straat op ging. Ik ben een product van de periode van Janmaat [leider van de radicaal-rechtse Centrumpartij in de jaren 80], toen was er echt maatschappelijk en politiek verzet: niet accepteren, niet tolereren, niet normaliseren. Ik had het altijd over de extreme politiek en taal van Wilders, dat we ons moeten organiseren, de samenleving beschermen, voor de rechtsstaat staan – nou dan zal ik die verantwoordelijkheid op me nemen ook.”
Hoe is u dat bevallen?
„Aan de ene kant een mooie en leuke ervaring, aan de andere kant heel naar. We waren in 2017 naar Nederland verhuisd met het idee: we gaan een bijdrage leveren aan de samenleving. Ik denk dat ik eerst voor velen relatief ongevaarlijk was, een beetje ongrijpbaar. Tot ik partijleider werd in 2020. Vanaf dat moment breidden de beledigingen en frames en bedreigingen zich in bepaalde kringen als een olievlek uit.”
Hoe ging u daar toen mee om?
„Mijn huis werd een bastion. Ik werd een soort huismus. Maar het ergst is het, denk ik, voor je familie en vrienden. Mijn man wilde niet meer met mij op straat. Mijn kinderen ook niet. Ik ben jarenlang niet bij een van hen thuis geweest, en voor sommigen is het nog steeds lastig. Zelf heb ik vanaf Pasen 2018 geen sociale media meer bekeken. Maar ik heb er helaas genoeg van meegekregen. Iedereen komt op je af: ‘O, wat erg wat ze nou weer over jou hebben gezegd!’
„Een oudere, progressieve vrouw, die een succesvolle internationale loopbaan achter de rug heeft, is kennelijk een eenvoudig doelwit. Je wordt ontmenselijkt waar je bij staat. Met een buitenlandse man – helemaal ‘gevaarlijk’. En ze laat zich niet wegsturen. Dan ben je toxic. Er is weinig verweer tegen. Het enige wat je kunt doen is dicht bij jezelf blijven en erboven staan.
„Nu ik weer zo heel vrij rondloop, een paar jaar na dato, denk ik: waarom heeft het überhaupt zo moeten zijn?
„Iemand wilde een documentaire over Geert Wilders maken en iedereen zei tegen mij: ‘Sigrid, je móét meewerken, jij kent die man zo goed’. Maar ik kende hem helemaal niet, ik ben ongewild lijdend voorwerp van hem geweest. Toen heb ik iets gezegd, waarvan ik heel blij ben dat ik het heb gezegd: weet je, ik bén geen slachtoffer van Geert Wilders. Ik leen me daar niet voor. Ik heb agency, een piekfijn, bijna onvertaalbaar begrip, dat zoveel betekent als: ik ben autonoom, ik heb recht van spreken, ik bepaal zelf mijn keuzes. Ik was een goede minister, bijna zeven jaar lang. Succesvol partijleider. Ik ben veel meer dan iemand als Wilders ooit van mij kon maken.”
Hoe komt het dat Nederland niet zo geëmancipeerd is als het zich voordoet, maar zelfgenoegzaam?
„Het heeft volgens mij te maken met sociaaleconomische verhoudingen. Het feit dat vrouwen nog altijd, om allerlei redenen, vaak parttime werken. Dat maakt de financiële machtsverhoudingen zwakker. Ik had niet verwacht dat de gebrekkige vrijheid die je daaruit proeft, er nog zou zijn.
„Tegen jonge vrouwen met politieke ambities zou ik zeggen: vind eerst een baan en kijk of je die leuk vindt. Ik had een succesvolle carrière, ik kon keuzes maken. Daar kun je altijd op terugvallen. Dan draag je een grotere maatschappelijke ervaring met je mee dan de slimme woordjeskunstenaar die een heel leven in de politiek heeft gezeten en op het juiste moment bij de interruptiemicrofoon staat, in de hoop dat-ie het avondjournaal haalt.
„Uit Amerika zie je de manosphere overwaaien. De witte, heteroseksuele en kennelijk christelijke man, die zich in de hoek gedrukt voelt en dat gevoel politiek maakt. Daar vaart FVD – met de projectie van het meisje met de parel, dat schijnbaar onberoerde, maagdelijke – mee heen. Daar tegenover wordt ‘de heks’ geplaatst, teruggrijpend op de middeleeuwen. Vrouwen met een bovenmatige intelligentie die oplossingen wisten aan te dragen en alleen durfden te leven, buiten het patriarchaat, los van de mening van de dorpsgemeenschap. Die beeldvorming komt weer terug. Dat gebeurt bewust en het is gevaarlijk.
„Ik ben een product van de jaren 60. Toen ik in 2017 na 25 jaar terugkwam in Nederland was de grootste schok te merken dat in andere landen de zaken eigenlijk veel genuanceerder liggen – andere machtsverhoudingen tussen man en vrouw – dan men in Nederland denkt dat ze zijn. Wij zijn misschien een platgeslagen samenleving, maar daarbinnen zitten allemaal schuilweggetjes en toegangsluikjes, waar sommige mensen doorheen kunnen en anderen niet, omdat die ze niet kennen. Denk aan de nieuwkomer en aan allen die tot in de vierde generatie nog steeds als migrant worden gezien.”
Dus in die zin is misschien die progressieve periode…
„..een uitzondering geweest. Zou best kunnen.”
U zit in de ‘vredesraad voor Gaza’ van Trump. Over manosphere gesproken.
„Mensen zagen: Tony Blair, Jared Kushner, Steve Witkoff en opeens een vrouw, Sigrid Kaag, en ze dachten: ‘Kan niet anders of ze heeft zichzelf gemeld.’ Nee, ik werd gevráágd. Omdat ik kennis, kunde en geloofwaardigheid heb.”
Wat verwacht u te kunnen bijdragen?
„Ik heb bijna geen verwachtingen. Sommigen zeiden: ‘Je wordt geïnstrumentaliseerd’. Dat kan, maar ik ben er zelf bij. Wat ik hoop te bereiken is óf een rem te zetten op een vreselijk slecht plan óf het goede doen en tenminste verlichting te brengen in het leven van Palestijnen in Gaza. Denk ik dat dat gaat lukken? Daar ben ik niet naïef in.
„Het makkelijkste was geweest om nee te zeggen. Dan kon ik met schone handen zeggen: ik heb het niet gedaan hoor. Weet je, ik heb mijn hele leven gepraat met een verscheidenheid aan karakters en leiders, ook sommigen die je verkeerde types zou noemen. Dit is een beetje een voortzetting van mijn betaalde werk. Het is een soort specialiteit van me.”
Is er één bepaalde wens van de Gazanen die u wilt inbrengen in die raad?
„Dat ze Palestijnen zijn. Dat ze rechten hebben. Dat ze wachten op hun staat. En alles tussendoor is eerlijk gezegd niet meer dan overleven.”
CV
Sigrid Kaag (Rijswijk, 1961) is topdiplomaat en voormalig minister en partijleider van D66. Haar carrière begon in 1988 bij Shell in Londen. Van 1990 tot 1993 werkte ze bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Van 2013 tot 2014 leidde Kaag de OPCW-missie van de Verenigde Naties om het chemische wapenprogramma van Syrië te ontmantelen. Van 2015 tot 2017 was ze VN-gezant in Libanon. In 2017 werd ze namens D66 minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, in het kabinet-Rutte III, later ook minister van Buitenlandse Zaken. In het kabinet-Rutter IV was ze vicepremier en de eerste vrouwelijke minister van Financiën. Kaag verliet de politiek in januari 2024. Eind 2023 werd ze benoemd tot Senior Humanitarian and Reconstruction Coordinator voor de VN in Gaza. Later werd ze ook VN-gezant voor het vredesproces in het Midden-Oosten. Ze geeft les aan de School of International Affairs (PSIA) van Sciences Po in Parijs. Begin 2026 trad ze als onafhankelijk lid toe tot de Gaza Executive Board, een initiatief van de Amerikaanse president Trump, opgericht met een resolutie van de Veiligheidsraad.
Elke afbeelding rechtsboven klikken voor vergroting.Joseph Mallord William Turner Dort, or Dordrecht: The Dort Packet-Boat from Rotterdam Becalmed, 1818. Yale Center for British Art, Paul Mellon Collection, New Haven Verenigde Staten
Hoe is dit monumentale gezicht op Dordrecht tot stand gekomen? En waar komt de fascinatie van Turner voor Dordrecht vandaan? Tijdens deze lezing verkennen we Turners liefde voor de Hollandse meesters, in het bijzonder de Dordtse kunstenaar Aelbert Cuyp. De lezing wordt gehouden door Conservator Sander Paarlberg. Turner bezoekt Nederland en Dordrecht meerdere keren. Wat is het aan Dordrecht dat de deze Britse kunstenaar zo trekt? En hoe heeft de stad van Cuyp hem beïnvloedt?
Hoe grote Britse schilders geïnspireerd raakten door Aelbert Cuyp
RECENSIE BEELDENDE KUNST Tentoonstelling Een mooie expositie in Dordrecht toont hoe de grote landschapschilders in het Engeland van de achttiende en negentiende eeuw schatplichtig waren aan de Hollandse meester Aelbert Cuyp.
Bram de Klerck, NRC Gepubliceerd op 13 oktober 2021
Joseph Mallord William Turner, Abingdon, ca. 1806-1810, Tate. Londen.
Gevraagd naar namen van uitmuntende landschapschilders, noemde de Britse schilder Richard Wilson (1714-1782) weinig verrassend de befaamde meesters Claude Lorrain en Gaspard Dughet. Maar er waren ook twee, toen nog vrij onbekende en inmiddels ook al lang overleden, schilders die naar zijn mening nog grote naam zouden maken: „Cuyp en Momper”. Of Wilsons voorspelling over de Antwerpenaar Joos de Momper uiteindelijk waarheid is geworden, valt nog te bezien. Maar wat betreft de zeventiende-eeuwse Hollandse meester Aelbert Cuyp kreeg hij gelijk: al ver voordat de schilder uit Dordrecht in zijn vaderland grote faam zou verwerven, was zijn reputatie vooral in Engeland tot huizenhoogte gestegen.
Joseph Mallord William Turner, Whalley Bridge, ca. 1811 Collectie Dordrechts Museum, bruikleen particuliere collectie
Panoramisch riviergezicht
De tentoonstelling is alleen al een aanrader vanwege de ruime keuze van werken van Cuyp zelf. De laatste monografische tentoonstelling die in Nederland aan hem werd gewijd dateert uit 2002. Van de ruim dertig van zijn nu getoonde schilderijen was de helft daar niet te zien. Zo is er een groot doek met een Gezicht op de Waal met het Valkhof (Woburn Abbey) dat nu is herenigd met een ongeveer even grote tegenhanger met een aanzicht van de vroegere Nijmeegse burcht vanuit een ander standpunt. Twee niet eerder in Nederland tentoongestelde panelen van ongeveer een halve meter hoog (nu bewaard in respectievelijk Leipzig en Los Angeles) vormen tezamen een panoramisch riviergezicht met koeien en schepen, en op de achtergrond de skyline van de stad Dordrecht. Uit materiaal-technisch onderzoek kon onlangs met zekerheid worden vastgesteld dat beide werken ooit één, ongewoon brede voorstelling vormden.
T. Gainsborough, Kustgezicht met schepen en koeien, ca. 1781. Sarah Campbell Blaffer Foundation, Houston.
Aelbert Cuyp (1620-1691) staat bekend om zijn idyllische landschappen met koeien en ander vee en zijn doorgaans kalme rivier- en stadsgezichten. De schilderijen kenmerken zich vaak door helder zonlicht en de effecten van morgenstond of zonsondergang. Een warm, zuidelijk aandoend palet heeft zoveel weg van de in Engeland zeer geliefde Claude Lorrain, dat men hem daar ‘the Dutch Claude’ noemde. Ook de naam van Cuyp zelf werd bijna tot een soortnaam voor geïdealiseerde uitbeeldingen van het leven van boeren en herders, riviermondingen met gedetailleerd weergegeven schepen, en stadsgezichten in helder tegenlicht. Zo noteerde de Engelse schilder W.J.M. Turner de naam van Cuyp vaak in zijn schetsboek, bij tekeningen die hij zelf had gemaakt van taferelen die hem aan zijn Dordtse collega deden denken.
Toch waren de grote Engelse schilders van de achttiende en negentiende eeuw duidelijk niet uit op louter imitatie. Turner (1775-1851), bijvoorbeeld, nam regelmatig motieven over, zoals koeien en arcadische landschappen en schepen in riviermondingen, en steeds benadrukt de catalogus bij de expositie daarbij het Cuyp-achtige lichtgebruik. Maar terwijl bij Cuyp de zon meestal achter vegetatie, gebouwen of de horizon schuilgaat, maakt Turner hem tot een hoofdrolspeler, vaak in een mistige atmosfeer. De kraakheldere contouren van Cuyp en diens subtiele spel van licht en schaduw maken plaats voor een losse penseelstreek die diffuse kleuren en lichteffecten samenbindt. Al veel eerder was ook Thomas Gainsborough (1727-1788) onder de indruk geraakt van Cuyps themakeuze, maar ook in zijn magistrale schilderijen van koeien in rivierlandschappen overheerst een losse toets die ver af staat van de stijl van Cuyp.
Constable, Salisbury Cathedral from the Meadows, ca 1829-30. Guildhall Art Gallery, Londen
Tot de intrigerendste schilderijen in de tentoonstelling behoren de studies die John Constable (1776-1837) maakte van weerfenomenen zoals geheel op zichzelf staande wolkenluchten, of een Stortbui boven zee. Dat laatste werk toont een bijna abstracte weergave van donderwolken waaruit de regen loodrecht neerslaat. Mogelijk klinkt er iets in door van de bewondering die Constable koesterde voor Cuyps Storm boven de Maas bij Dordrecht (1645-1650). Een zeilschip helt flink over in de onstuimige rivier, en in de donkere wolkenlucht flitst de bliksem. Maar vergeleken met Constable’s dramatische hoosbui is er bij de solide Aelbert Cuyp weinig reden tot zorg.
Aelbert Cuyp, Riviergezicht bij Dordrecht, , ca. 1644-45. Los Angeles County Museum of Art, Los Angeles
Beeldende kunst Zo’n dertig schilderijen van Jan Steen in de Leidse Lakenhal illustreren wel zijn artistieke veelzijdigheid maar niet veel van zijn persoonlijk leven.
Bram de Klerck, NRC
Gepubliceerd op 20 april 2026
Vergroten door r.b. te klikken
-———————————————^
Jan Steen: Het vrolijke huisgezin, 1668. Collectie Rijksmuseum COPYRIGHT: RIJKSMUSEUM AMSTERDAM
is verleidelijk om de uitdrukking ‘leven in de brouwerij’ te relateren aan de Hollandse schilder Jan Steen (1626-1679). Hij is immers geboren als zoon van een Leidse bierbrouwer, zou later zelf werken als brouwer en kroegbaas en veel van zijn schilderijen kenmerken zich door een energieke vrolijkheid waarbij gezang en muziek, drank en tabak een vaste rol spelen. In combinatie met de titel ‘Thuis bij Jan Steen’ vormt de verwijzing naar het brouwersvak de naam van de expositie ter gelegenheid van het vierhonderdste geboortejaar van de schilder in Museum De Lakenhal. De suggestie wordt erdoor gewekt dat we er iets te zien krijgen van het persoonlijke leven van Steen en de manier waarop zich dat weerspiegelt in zijn werk.
Tentoonstelling Thuis bij Jan Steen – 400 jaar leven in de brouwerij. T/m 23/8, Museum De Lakenhal, Leiden. Info: lakenhal.nl
Er lijkt ook wel iets voor te zeggen: zo vertoont de forse, langgelokte man met een grote neus in een vlezig gezicht die regelmatig in zijn schilderijen figureert een opvallende gelijkenis met een zelfportret van de schilder. Ook zijn vrouw en kinderen poseerden regelmatig voor goedlachse figuren in rommelige interieurs die zelf weer aan de basis staan van de spreekwoordelijke notie van het ‘huishouden van Jan Steen’. En schreef de 18de-eeuwse kunstenaarsbiograaf Arnold Houbraken niet over Steen dat „zijn schilderijen zijn als zijn levenswijze, en zijn levenswijze als zijn schilderijen”?
Jan Steen, Bakker Arent Oostwaard en zijn vrouw Catharina Keizerswaard, 1658
De expositie toont een kleine dertig schilderijen van de hand van Jan Steen zelf plus een aantal werken van tijdgenoten, hoofdzakelijk uit de eigen verzameling en andere Nederlandse openbare collecties. Bekende werken uit het Rijksmuseum trekken de aandacht, zoals het Bakkersechtpaar (1658), waarin een man met stoer openvallend wit hemd en zijn juist keurig in het zwart geklede vrouw staande voor hun Leidse bakkerij verse broden en krakelingen presenteren, en het Vrolijke huisgezin(1668) met een wanordelijke familie rond de eettafel, met zingende en drinkende volwassenen die de kinderen duidelijk het slechte voorbeeld van liederlijk gedrag geven.
Jan Steen: Bathsheba, ca. 1673. Particuliere collectie
Virtuoos geschilderde witte jurk
Verrassender zijn enkele bruiklenen uit particuliere verzamelingen, die zelden aan het grote publiek worden getoond. Een vroeg werk van de schilder is een niet zo lang geleden herontdekt dorpsgezicht met dansende boeren (Meidans, 1648), terwijl juist uit zijn laatste jaren een toneelachtig tafereel dateert dat met veel figuren tegen de achtergrond van een exotische architectuur een bruiloftsfeest voorstelt (Het Spaanse bruidje, 1670-1679). Na afloop van de tentoonstelling blijft het schilderij als langdurig bruikleen in de Lakenhal te zien. Een portret (rond 1673) stelt Steens tweede echtgenote Maria van Egmond voor. Geamuseerd glimlachend en gekleed in een virtuoos geschilderde witte jurk, poseert ze in de rol van de oudtestamentische figuur Bathseba.
Hoe bescheiden deze greep uit Jan Steens honderden schilderijen ook is, toch geeft die een mooi beeld van zijn artistieke veelzijdigheid. Een van zijn vroegste werken is bijvoorbeeld een boslandschapje in de stijl van Jan van Goyen. Van geleerde ambitie getuigen grotere schilderijen gebaseerd op verhalen uit de Bijbel of de klassieke mythologie, waarin de kunstenaar ook zijn uitstekende beheersing laat zien van de techniek van het precies weergeven van de stoffen van mantels en jurken.
Jan Steen: Het Spaanse bruidje, ca. 1670-1679. Particuliere collectie, langdurig bruikleen Museum De Lakenhal
Van de persoonlijke leefwereld van Jan Steen die de expositie beoogt te illustreren, verraden zulke schilderijen in feite maar weinig. Hoogstens, en dan nog indirect, verwijst het landschap naar het huwelijk dat Steen rond die tijd aanging met Van Goyens dochter Grietje. Zijn soms, maar lang niet altijd, delicate schildertechniek past in de traditie van Leidse fijnschilders als Steens stadgenoten Gerard Dou en Gabriël Metsu. En het uitbeelden van literaire thema’s kan verband houden met de opleiding van de jonge Jan Steen aan de Latijnse school en misschien ook zijn latere inschrijving bij de Leidse universiteit, voor zover die niet ten doel had om accijnzen en andere verplichtingen te ontlopen. Maar in hoeverre schilders in die tijd hun onderwerpen werkelijk zelf kozen, blijft in de expositie en bijbehorende publicatie in het midden.
De kluchtige taferelen waarmee de schilder vooral bekend is geworden, stellen in elk geval niet zijn eigen huishouden voor. Wel zit er onmiskenbare zelfspot in de manier waarop Jan Steen zijn eigen beeltenis opvoert. Nu eens zit hij er prominent en breed lachend bij, dan weer staat hij blazend op een doedelzak terzijde, of poseert hij ietwat onnozel met een koddig mutsje scheef op het verder serieuze hoofd.
Jan Steen: De meidans, ca. 1648. Particuliere collectie
Expositie Parijs Het Louvre toont een zeldzaam volledig overzicht van schilderijen en prenten van de laatmiddeleeuwse Franse kunstenaar Martin Schongauer, en illustreert hoe kunstenaars na hem door zijn werk beïnvloed werden.
Met dank aan NRC Bram de Klerck Gepubliceerd op 24 april 2026
Hans Burgkmair, Portret van Martin Schongauer (1483).
‘Mooie Martin’ was een veelgebruikte bijnaam van de schilder en graveur Martin Schongauer (ca. 1445-1491). Zou de kunstenaar inderdaad gezegend zijn geweest met een bijzonder aantrekkelijk voorkomen? Of was het een associatie die opkwam bij zijn achternaam? Zeker is dat zijn jongere collega en bewonderaar Albrecht Dürer een pentekening bezat met een voorstelling van Christus waarboven hij schreef dat „hübschMartin” die had gemaakt in 1469. Dürer heeft Schongauer waarschijnlijk nooit ontmoet en zal dus vooral hebben gedoeld op de bekoorlijke kwaliteit van diens werk.
De laatmiddeleeuwse kunstenaar Schongauer, die werkte in het grensgebied van Frankrijk en Duitsland, is nooit vergeten. Maar veel van zijn werk is later wel in de schaduw komen te staan van dat van Dürer en andere schilders en prentenmakers van de renaissance. Een tentoonstelling in het Louvre stelt Schongauer nu centraal in een prachtig overzicht van zestig gravures, plus enkele pentekeningen en een handvol paneelschilderijen van zijn hand. Daarnaast wordt, met nog eens veertig prenten, schilderijen en toegepaste kunst van latere makers, aandacht besteed aan de voorbeeldfunctie van zijn werk.
Elegantie en detail in prent en paneel
”Zoals dit filmpje op de website van het Louvre fraai illustreert” – zie onder.
Martin Schongauer, geboren omstreeks 1445 in Colmar, zo’n zeventig kilometer ten zuiden van Straatsburg, bracht het grootste deel van zijn carrière door in de huidige Noord-Franse regio Elzas. Zijn opleiding als kunstenaar kreeg hij er in het atelier van zijn vader, die edelsmid was. Die achtergrond verklaart meteen zijn uitstekende beheersing van het graveren in koperplaten, een techniek die ook werd toegepast voor het decoreren van metalen sieraden en andere voorwerpen. Schongauer was daarmee een pionier op het gebied van de prentkunst, die in zijn tijd nog in de kinderschoenen stond. Hij hanteerde de burijn, gereedschap om mee te graveren, opvallend vrij. Zoals dit filmpje [zie boven] op de website van het Louvre fraai illustreert, levert deze techniek in de afdruk bijna tekenachtige effecten op.
Martin Schongauer, Vierge folle à mi-corps, XVe siècle, Gravure au burin, Musée du Louvre.Martin Schongauer, ‘Le Christ bénissant’.
Maar Schongauers uitbeeldingen van kelken, monstransen en andere kerkelijke voorwerpen verraden inzicht in de manier waarop dergelijke werken werden gemaakt. Een gravure met een voorstelling van een wierookvat (1470-1475) toont bijvoorbeeld het delicaat vormgegeven, opengewerkte object, compleet met sierlijke gotische traceringen, gedetailleerde bloemmotieven en figuurtjes van engelen. Die doen tegelijkertijd dienst als bevestigingspunten van de kettingen waaraan zo’n vat gevuld met smeulende wierook heen en weer wordt geschommeld.
Martin Schongauer ca. 1447 – 1491, Le grand portement de croix, kopergravure (288 × 430 mm) — 15e eeuw. Museum Musée d’Unterlinden, Colmar
De expositie toont ongeveer de helft van Schongauers prenten. Ze getuigen van een verbluffende virtuositeit en van een detaillering die ook van de kijker concentratie vereist – of het nu een grote voorstelling betreft van de Kruisdraging van Christus(1470-1475), een landschap met veel figuren of een ornamentaal blad met bloemranken waarin je pas na twee keer kijken de vogels ontwaart, zoals een agressieve steenuil die een mus verslindt.
Van Schongauers zes nu nog bekende schilderijen toont de expositie er vijf, waaronder het topwerk Madonna van de rozenhaag, een twee meter hoog altaarstuk op paneel uit 1473. Maria zit op een bankje met het naakte Christuskind in haar armen, recht onder de kroon van de Koningin der Hemelen die twee engelen boven haar hoofd houden. De ernst van de thematiek wordt gerelativeerd door de liefdevolle omhelzing van moeder en kind, en door een vlechtwerk van kleurige bloemen met vogeltjes op de achtergrond. Toch dragen ook die elementen, volgens middeleeuwse interpretaties, bij aan de serieuze boodschap: de aanwezigheid van witte lelies duidt op Maria’s maagdelijkheid, de rode rozen symboliseren het bloed van het kruisoffer, een distelvink verwijst naar de doornen in de kroon van de lijdende Christus.
Internationale navolging en invloed
De eerste van de twee expositieruimtes in de Mezzanine Napoléon van het Louvre toont alleen werk van Schongauer zelf en zou daarmee al een mooie afgeronde expositie geweest zijn. Maar nog verrassender is de tweede zaal, die aandacht besteedt aan de manier waarop kunstenaars tot ver buiten de Elzas Schongauers werk als voorbeeld namen. Vooral zijn prenten, relatief goedkoop te maken en gemakkelijk te verspreiden, kregen al snel navolging tot in de verste hoeken van Europa. Schongauers composities en motieven beïnvloedden befaamde kunstenaars, onder wie Dürer in zijn prenten en misschien zelfs Michelangelo in een schilderijtje (niet in de expositie). Maar nog verrassender is de receptie in soms heel andere media. Zo voorzag een anonieme meester in Limoges in 1520-1530 twintig koperen plaatjes van kleurige emailschilderingen met voorstellingen die direct zijn geïnspireerd op Schongauers prentenserie met scènes van het lijden van Christus.
Van groter formaat maar heel wat bescheidener kwaliteit is een paneel van ongeveer een meter hoog met de Verzoeking van de heilige Antonius (1480-1495) door de 15de-eeuwse Spaanse schilder Martin Bernat [zie beneden].De houterige voorstelling toont de heilige die, tijdens zijn eenzame verblijf in de wildernis, wordt aangevallen door demonen. Die zijn fantasievol weergegeven met grijnzende koppen, hele of halve dierenlijven en vleermuisvleugels: een vereenvoudigde maar onmiskenbare kopie naar Schongauers magistrale gravure van hetzelfde thema. Het schilderij laat zien hoe snel het werk van mooie Martin zich over Europa verspreidde — en hoe moeilijk zijn verfijnde schoonheid elders te evenaren bleek.
Met dank aan NRC
Eigen aanvullingen
Tentoonstelling Martin Schongauer, ‘Le bel immortel’. T/m 20 juli in het Louvre, Parijs. Inl. www.louvre.fr.
Martín Bernat, 1480–1495, San Antonio Abad camino al cielo. Olieverf op paneel
”Dit werk, dat zich momenteel in het Alma Mater Museum bevindt en oorspronkelijk afkomstig is uit de Iglesia de San Miguel Arcángel in Alfajarín, is een uitstekend voorbeeld van Aragonese gotische schilderkunst. Van 8 april tot 20 juli 2026 is het te zien in het Louvre in Parijs als onderdeel van de tentoonstelling "Martin Schongauer (Colmar, circa 1445 – Breisach, 1491), De Schone Onsterfelijke". We zijn verheugd dat een van 's werelds belangrijkste musea dit werk in zijn collectie heeft opgenomen.” Meer berichten van almamatermuseum
De wederopbouw van Gaza zal de komende tien jaar 71,4 miljard dollar kosten, omgerekend 60,5 miljard euro. Dat is de conclusie van de definitieve „schade en behoeftenanalyse” die de Verenigde Naties (VN) en de Europese Unie maandag hebben gepubliceerd.
De genocidale oorlog die Israël voert in de Gazastrook, heeft het gebied in puin achtergelaten. De zwaarst getroffen sectoren zijn huisvesting, gezondheidszorg en onderwijs, aldus het rapport. Meer dan 370.000 huizen zijn verwoest, de helft van de ziekenhuizen is niet meer functioneel en nagenoeg alle scholen zijn vernietigd.
Van het totale bedrag moet volgens de VN en de EU 22,3 miljard euro in de eerste anderhalf jaar worden uitgegeven. Dat is nodig voor het opstarten van essentiële diensten en reparatie van kritieke infrastructuur. Hieronder vallen bijvoorbeeld het opzetten van (tijdelijke) ziekenhuizen en scholen, noodvoorzieningen voor water en hygiëne, en herstel van toegang tot mobiele netwerken. Ook de ontmanteling van munitie en het opruimen van puin en gevaarlijk afval heeft prioriteit.
77 jaar terug in de tijd
De auteurs hebben ook de humanitaire impact van de genocide onderzocht. Volgens de VN-maatstaf HDI, waarmee op basis van verschillende factoren een score wordt gegeven aan menselijke ontwikkeling, is die menselijke ontwikkeling in de Gazastrook 77 jaar teruggeworpen in de tijd.
Zo zijn 1,9 miljoen mensen ontheemd geraakt en heeft meer dan 60% van de bevolking geen huis meer. Vrouwen, kinderen en mensen met kwetsbaarheden zoals een handicap of een (chronische) ziekte lijden daar het meest onder.
Het rapport rept niet over hoe de miljarden verzameld moeten worden. De berekening is bedoeld als kader voor de herstelplannen, die nog niet concreet zijn. De VN en de EU benadrukken dat de wederopbouw geleid moet worden door de Palestijnen zelf, en moet samenvallen met „duurzaam politiek beleid gebaseerd op de tweestatenoplossing”.
Sinds oktober 2025 is er officieel een staakt-het-vuren van kracht in Gaza. Het Israëlische leger schendt dit bestand systematisch: nog bijna dagelijks worden Palestijnen gedood door Israëlisch geweld. Hoe en wanneer de wederopbouw precies kan beginnen, is dan ook een grote vraag.
Geschiedenis van zeestraat Al honderden jaren is de Straat van Hormuz een knooppunt in de wereldhandel. Landen in de regio en handelsnaties weten dat wie de zeestraat weet te blokkeren, een effectief wapen in handen heeft. Zelfs Nederland hanteerde dit machtsmiddel.
Toen The New York Times in 1975 aan de Iraanse sjah Mohammed Reza Pahlavi vroeg waarom hij een troepenmacht naar Oman, aan de overkant van de Straat van Hormuz, had gestuurd, wees hij op het cruciale belang van deze zeeweg.
De sultan van Oman had hulp nodig om een marxistische opstand de kop in te drukken. Die wilde Pahlavi maar al te graag geven. „Stel je eens voor dat die wilden de andere kant van de Straat van Hormuz in handen krijgen”, aldus de sjah. „Ons leven hangt daarvan af.”
De Amerikaanse president Donald Trump realiseert het zich nu pas. Maar de sjah zei wat al eeuwen bekend is: wie de Straat van Hormuz beheerst, beheerst de regio.
Door de zeestraat af te sluiten treden de Iraniërs – en nu ook de Amerikanen – in de voetsporen van onder meer Portugese conquistadors, de Verenigde Oost-Indische Compagnie en het Irak van Saddam Hussein.
De Straat van Hormuz was altijd al een knooppunt in de wereldhandel. Land- en zeeroutes tussen Azië, Afrika en Europa komen er samen. Wie daar tol weet te heffen, loopt binnen.
Vanaf de elfde eeuw na Christus waren dat de inwoners van de havenstad Hormuz, gelegen aan wat nu de Iraanse zijde van de zeestraat is. Hormuz wist door zijn gunstige ligging uit te groeien tot een koninkrijkje. Marco Polo deed het eind dertiende eeuw aan tijdens zijn reis naar China en keek er zijn ogen uit. Het klimaat vond hij moordend en de lokale scheepsbouw stelde volgens hem weinig voor. Maar de wijn was er lekker. En bovenal was er de handel: in zijn reisverslag schrijft de ontdekkingsreiziger vol ontzag over „schepen volgeladen met specerijen en edelstenen, parels, zijden en gouden stoffen, olifantentanden en vele andere waren”.
Niet voor niets doopten de Arabieren Hormuz „de edelsteen in de gouden ring van de wereld” en koos John Milton er voor om in Paradise Lost (1667) de troon van de duivel te beschrijven als een zetel die zelfs „de rijkdom van Ormus voorbijstreeft”.
AFBEELDINGEN VERGROTEN DOOR TE KLIKKENIllustratie uit circa 1540 uit een Portugees geschrift. Het toont een Portugees huishouden aan het diner. Het huis is onder water gezet om het koel te houden.
Rots in de zee
Het koninkrijk van Hormuz verloor begin zestiende eeuw zijn onafhankelijkheid aan de Portugezen. Nadat admiraal Afonso de Albuquerque in 1510 het Indiase Goa veroverde − en zo de basis legde voor het Portugese rijk in Azië − richtte hij zich op het veiligstellen van de handelsroutes tussen Portugal en de nieuwe overzeese gebieden.
Hormuz was hierbij een onmisbare schakel. Het koninkrijk was inmiddels verplaatst van de Iraanse kust naar een rotsachtig eilandje in de zeestraat zelf, dat nog altijd bekendstaat als Hormuz-eiland. Alburquerque wist dit met zo’n vijfhonderd soldaten te veroveren, waarna ze van Hormuz een vazalstaat maakten. De overblijfselen van het fort dat Albuquerque liet bouwen zijn nog steeds te vinden op de noordkaap van het eiland.
De Portugezen hanteerden een soortgelijke strategie als de Iraanse Revolutionaire Garde afgelopen weken probeerde toe te passen met mijnen, drones en raketten. Vanuit Hormuz en andere kustplaatsen aan de Indische Oceaan hieven de conquistadors tol op schepen. Wie niet betaalde, kon door Portugese patrouilleschepen tot zinken worden gebracht.
Schepen voor Gamron (tegenwoordig de Iraanse kuststad Bandar Abbas) . Tekening van Peter Schenk uit 1710FOTO ULLSTEIN BILD VIA GETTY IMAGES
Dit leidde tot verzet van opkomende machten zoals Engeland en de Republiek. De Engelsen en Nederlanders begonnen zelf Portugese schepen aan te vallen. Bekendst is de Nederlandse kaping van het Portugese koopvaardijschip de Santa Catarina in 1603 in de Straat van Malakka.
Mare Liberum
Het incident met de Santa Catarina leidde internationaal tot grote verontwaardiging. Ook binnen de VOC zelf vroegen aandeelhouders zich af of de compagnie niet buiten zijn boekje was gegaan.
Zalvende woorden kwamen van een jong juridisch talent uit Delft. Hugo de Groot schreef in opdracht van de VOC zijn Mare Liberum (ofwel Vrije Zee), waarin hij betoogde dat de zee van iedereen is en dus vrij toegankelijk moet zijn voor alle landen om handel te drijven. Door andere landen dit recht te ontzeggen, maakten de Portugezen zichzelf tot een legitiem doelwit voor tegenmaatregelen.
De redenering van De Groot – die de basis zou vormen van het moderne internationale zeerecht – wordt vierhonderd jaar na dato nog gebruikt om de Iraanse blokkade van de Straat van Hormuz te veroordelen.
De VOC loste handelsdisputen met de sjah op door de Straat van Hormuz te blokkeren
Inmiddels was de macht van de Portugezen tanende. In 1622 zag sjah Abbas I van Perzië zijn kans schoon om Hormuz-eiland te veroveren. Omdat de sjah niet over een eigen vloot beschikte, wendde hij zich tot zowel de Engelsen als de Nederlanders voor de nodige schepen.
Beide landen wisten hier de vruchten van te plukken. De Nederlanders groeiden in de zeventiende eeuw uit tot de dominante zeemacht in de Golf en waren eeuwlang de belangrijkste handelspartner van de Perzen. Handelsdisputen met de sjah loste de VOC op door de Straat van Hormuz te blokkeren − waarbij het werk van Hugo de Groot voor het gemak werd vergeten.
Tankeroorlog in de Golf
In 1908 vonden de Britten olie in Iran. Die vondst veranderde het Midden-Oosten voorgoed − en daarmee ook de Straat van Hormuz. Binnen enkele jaren legden de Britten met toestemming van de Iraanse sjah tweehonderd kilometer aan oliepijpleiding aan die uitmondde bij de Perzische Golf.
Hormuz, al eeuwenlang de brug tussen Oost en West, werd zo ook de aanvoerroute voor de brandstof van de twintigste eeuw. De impact van blokkades van de zeestraat was voortaan wereldwijd te merken. Het Verenigd Koninkrijk blokkeerde begin jaren vijftig de Straat van Hormuz nadat de Iraanse premier Mohammad Mossadegh de olie-industrie, die grotendeels eigendom was van de Britse staat, nationaliseerde.
Een tanker staat in brand in de Straat van Hormuz tijdens de Iran-Irak-oorlog, december 1987. ROGER VIOLLET VIA GETTY IMAGES
De huidige sluiting van de Straat heeft misschien nog wel het meeste weg van een episode tijdens de Iran-Irak oorlog (1980-1988). Toen de strijd op het land verzandde in een patstelling, besloot de Iraakse president Saddam Hussein een tweede front te openen in de Perzische Golf. Met luchtaanvallen en mijnen viel hij Iraanse tankers aan rond het eiland Kharg, dat ook toen al cruciaal was voor de Iraanse olie-industrie.
Iran sloeg terug door schepen met bestemming Irak en diens bondgenoten in de Golf aan te vallen. Het was het begin van wat de „Tankeroorlog” is gaan heten. Op verzoek van Iraks bondgenoot Koeweit begon de Amerikaanse marine in 1987 met het escorteren van schepen door de Straat van Hormuz.
Nederland en andere bondgenoten van de Verenigde Staten stuurden mijnenjagers naar de regio. De missie verliep moeizaam: de Iraniërs bleken sneller mijnen te kunnen leggen dan de internationale coalitie ze kon opruimen.
Bovenaan: Marco Polo komt aan in Hormuz, geïllustreerd manuscript van Mazarine-meester 1410-1412.