Een lied voor Hanna

“Dood is dus niet alleen dat einde van ieder van ons individueel, maar het is het principe van het sterven – het principe van het verenigen eigenlijk. Dood is eigenlijk weer verenigen, is eigenlijk weer thuiskomen.”
Maarten Houtman, De val uit het lichtend weefsel, Sterrelaan 25 januari '92
Nu Hanna weer met Maarten in het lichtend weefsel verenigd is, drong plotseling tot me door dat ik nu zelf de laatste voorpost ben aan de rand van de onmetelijkheid. En dat ik daar nu ook van dien te getuigen: ik ben nu zélf nu die schakel – hoewel ik het altijd al geweest moet zijn, maar die rol toch maar liever aan anderen overliet. Ik besef wel dat het nogal wat pregnante woorden op een rij zijn: ‘schakel’, ‘voorpost’, ‘verantwoordelijkheid’ – maar hoe zou je die verantwoordelijkheid niet kunnen nemen...
Woonboot ‘Hobbitstee’, Binnenkant t/0 39 in Amsterdam, 1990

Afgelopen nacht, vier hoog in onze flat in Amsterdam-Noord, meende ik door het raam het geluid van kabbelend water te horen. En ik was weer terug op onze woonboot in Amsterdam Centrum, deinend op het altijd bewegende water, terug ‘in mijn element’ – terug naar vijftig jaar geleden.

Het begon voor Klaaske en mij allemaal met die woonboot, ‘Hobbitstee’ geheten, waarop we van 1966 tot 1996 woonden. Op zeker moment bleek dat die boot – gelegen t/o Binnenkant 39 – op een strategische plek lag. Zeg maar dat die plek ‘zen’ was…

We lagen daar namelijk niet alleen om de hoek van het toenmalige Meditatiecentrum ‘De Kosmos’, waar Klaaske en ik in 1981 in de leer gingen bij Zenleraar Maarten Houtman. Maar Binnenkant 39 zou later ook het pand worden, waar Maarten’s collega Nico Tydeman z’n intrek in nam met zijn ‘Zen Centrum Amsterdam’ – en waar nu nog steeds een Tao-zen groep van Maarten onderdak vindt.

En ja, het regende daar toeval … was dat misschien omdat het bij Zen juist om ‘de binnenkant’ gaat? Wie zal het zeggen.

Toen ik in 1982 in ‘De Kosmos’ een weekend met de bekende Vietnamese zenleraar Thich Nhat Han volgde, was Maarten er ook. Op een gegeven moment zag ik hem daar in een scène met een vrouw, waarmee hij een wel heel bijzondere relatie moest hebben…
Toen ik aan het eind van de dag met hem naar de uitgang liep, zei hij: “Dat was m’n ex…”
Als gereformeerde jongen was ik daar best een beetje door geschokt: hij was dus gescheiden…

Een paar dagen later, op onze eerstvolgende Zen-les in ‘De Kosmos’, vroeg Maarten of hij met zijn vrouw bij ons langs kon komen, ze heette Hanna Mobach.
Ik was blij verrast… En vroeg me ook af: die naam‘Mobach’, die ken ik … van die pottenbakkersfamilie uit mijn geboortestad Utrecht, waar mijn ouders mee bevriend waren. Die van die prachtige vazen, waar hun hele huis toen mee vol stond – en een aantal bij ons op de boot staat.

Het bezoek van Maarten en Hanna was heel gezellig, Hanna nam als geschenk een zakje kweeperen voor ons mee. De opening was dus exotisch. Maar pas toen ze op het punt stonden te vertrekken, met één voet al op het trappetje naar de kade, kon ik de moed opbrengen om haar te vragen of ze soms familie was van Klaas en An Mobach, met hun kinderen Jaan en Hans.
En ja, dat was ze, “Klaas is mijn oom,” zei ze. Toen bleken we even later ook nog in het Utrechtse Oog in Al geboren te zijn, bij elkaar om de hoek…
Zoveel ‘toeval’… het leek wel voorbestemd te zijn…[1]

Het vervolg van het verhaal is, dat Klaaske in 1984 in Hanna’s atelier een tekening mocht uitzoeken. Samen met enkele andere leerlingen van Maarten, had ze de voorverkoop georganiseerd van zijn eerste boek: ‘Zen notities onderweg’ – dat door Hanna geïllustreerd was.
De tekeningen waar Klaaske uit mochten kiezen, waren de originelen van de illustraties uit het boek. Maar er hingen er nog meer, haar oog viel op de onderstaande – die sindsdien in haar werkkamer hangt:

Blauwe klokjes’, 1984.
Penseeltekening op rijstpapier, 62x48cm

Als een moeder die bezorgd is of haar kinderen wel een plekje in de wereld zullen vinden – zo voelde Hanna aan als je een werk van haar cadeau kreeg. Maar je wist: wat ze voor je meebrengt, daar heeft ze haar ziel in gelegd…

Een paar dagen later kwam ze bij ons langs op de boot, met een map met tekeningen uit diezelfde periode. Met een wissellijst, ‘zodat we ze om beurten konden ophangen’.
We kozen er één uit, die aan het voeteneinde van ons bed kwam te hangen – op mij bleek hij een weldadige uitwerking te hebben, als een mantra…

Boom, 1983.
Penseeltekening op rijstpapier, 62x48cm

Dat was in 1984.
In het jaar daarop richtte Maarten  de stichting ‘Zen als leefwijze’ op, om zijn Tao-zen meditatie ‘voor een ieder toegankelijk te maken’. Klaaske en ik kwamen in het bestuur, onze woonboot ‘Hobbitstee’ werd het adres van het secretariaat – zie onder:

Door Maarten ontworpen briefhoofd, met een tekening Hanna.


Hanna was heel erg blij met de steun die Maarten ondervond – eenmaal gepensioneerd, was hij soms wel veertig weekenden per jaar op stap voor zijn Zen-werk…
En dat deed hij allemaal vanuit eigen inspiratie, er was geen organisatie, geen beweging of ‘school’, die daarachter stond. Maar nu dus onze stichting…
Toen we in 1996 op de Elpermeer gingen wonen, kregen we onderstaande ‘Bootjes’ cadeau, als welkomstgeschenk aan vaste wal. En ja, het zijn er twee, en beide liggen nu op het droge…
Maarten en Hanna hadden hun best gedaan ons ervan te overtuigen, om dat bestaan als ‘bootjesmens’ achter ons te laten. En gewoon in Amsterdam-Noord in een flat te gaan wonen, net als zij.

Bootjes, 1993
Ongeglazuurde witbakkende klei, 32x25x5,5cm

Later, niet ver van de plek waar de twee bootjes hangen, kwamen daar nog drie bomen bij.
‘Bomen’ staat nu fier op de kast ‘kast van tante Fien’ – een familie-erfstuk waar we zeer aan gehecht zijn – door Hanna zorgvuldig vastgeplakt op het bovenblad. Ze zei dat ze ze eigenlijk afgekeurd had, maar het zonde vond om ze weg te gooien…
En zie hoe fier ze daar staan, ze hebben menig huislijke storm doorstaan!

Bomen, 1998
Ongeglazuurde witbakkende klei, h49cm

Hoogtepunt van de collectie is onderstaande tegel-op-staalplaat, met vogel in boom.
De combinatie tegel-metaal is er één die je in Hanna’s werk regelmatig tegenkomt. De kwetsbaarheid, het fijnzinnige, van de penseeltekening op het porselein, geeft een prachtig contrast met het koele metaal – dat uit een andere wereld lijkt te komen.

Vogel, 1982
Porcelein, pigmenten en veldspaatglazuur; roestvrijstalen plaat; 27,5x22cm

Bij haar vertrek naar Tiel, gaf Hanna ons onderstaande magische tegel-op-koperplaat, met de nadrukkelijke mededeling ‘dat hij bij de stichting Zen als leefwijze thuishoorde en daar moest komen te hangen.’
Hij hangt nu in de centrale hal van ons secretariaat, naast de de opbergkast met artikelen voor verzending.
Maarten Houtman heeft altijd gezegd, dat hij rond zijn persoon geen organisatie wilde – dáár waar het, bij alle mensen met een bijzondere inspiratie, al eeuwenlang is foutgegaan.
Maar voor alledaagse dingen is er altijd een plaats en een tijd. Zo ook hier.

Hanna Mobach, Z.t., 1982.
Pigmenten en veldspaat glazuur, messing plaat, 24x34cm.

Naar studio Jisperveldstraat

… langs het J.H.van Heekpad.

En dan is er ook nog de studio aan de Jisperveldstraat, de eerste troef die Hanna ons in handen gaf voor een leven in Noord – ‘ik heb het in de krant zien staan, is het geen geschikte ruimte voor Klaaske’s massagepraktijk, in plaats van dat hokje bij jullie op de boot? ’
Uiteindelijk ging ik er wonen, zeventien jaar lang. Eerst elke avond na m’n werk op en neer vanaf de Binnenkant, later, toen we de Elpermeer betrokken hadden, meerder keren per dag dat paadje af, onder alle weersomstandigheden:

… 700 meter van het Jisperveld naar het Elpermeer…

Ik heb daar met Hanna haar website gemaakt, samen achter de computer – waarbij ze zo nu en dan zei: “Jij moet iets met je handen gaan doen…” – mij in verbijstering achterlatend…
Maar ik werd er rijkelijk voor beloond:

Hanna Mobach, Elzenkatjes, 1982. Porselein, pigmenten en veldspaat glazuur; roestvrijstalen plaat; 40x42cm. Tegel aan de wand van studio Jisperveldstraat, cadeau gekregen na het voltooien van www.hannamobach.nl 

Toen ik de afbeelding van de tegel nog niet zolang geleden aan Hanna liet zien, zei ze: “Oh, die is dus bij jou…” – daarmee te kennen gevend dat ze in haar hoofd wel degelijk een ‘inventarislijst’ bij hield van waar en bij wie haar (belangrijkste) werk terecht gekomen was

Bij Hanna op bezoek in Walstede in Tiel, 11 april 2019 – het was nog een beetje koud voor de tijd van het jaar, ‘april doet wat hij wil.’ (foto Ingrid Bakker).

Hanna had dat wel meer, dat ze het liefste wilde ingrijpen in je leven – héél ingrijpend soms… – en je op het rechte spoor wilde helpen.
Zoals die keer dat ze ons te eten uitnodigde, omdat ze ons verstokte vegetariërs vond, die op één been liepen, en ons wel eens iets anders wilde voorzetten…
Het werd ‘draadjesvlees’, en we hebben ervan genóten – Klaaske al helemaal, die toch altijd een crypto-vleeseter was gebleven.

Maar Hanna het überhaupt op mij ‘gemunt’, ze gaf me tal van waardevolle adviezen. Zoals Maarten dat op zijn manier ook deed. Want hij had me notabene gesuggereerd, dat ik maar een computer moest kopen – ‘want Krishnamurti heeft gezegd dat de computer de wereld zal veranderen’. Terwijl ik toe nog wel suggereerde dat ik het ook als timmerman kon proberen. Want nooit in m’n leven meer psycholoog, daar had ik nu m’n tanden wel op stukgebeten – m’n handen waren nog heel.
Hoe dan ook, die website is er gekomen: www.hannamobach.nl – zoals er ook een www.maartenhoutman.nl is gekomen.

Epiloog

Op 25 mei 2023 togen Klaaske en ik met een taxi naar Tiel, met een liber amicorum voor haar onder de arm – waar we twee weken met veel liefde online bij Albelli aan gewerkt hadden.
Het beslissende moment om het cadeau naar haar toe te brengen, bleven we nog even voor ons uitschuiven vanwege de afstand tot Tiel – tot we resoluut in een taxi stapten. We kwamen ruim op tijd aan bij ‘De Herbergier’, waar Hanna woont – een eerbiedwaardige locatie tegenover de historische `Ambtmanstuin, waar we nog even konden verpozen na de rit.

Hanna bleek oud en broos – ze is inmiddels negenentachtig – maar nog wel aanspreekbaar. Op haar kamer werd een lunch geserveerd . We kregen het ook over meditatie – waar Maarten soms van zei ‘dat zij er met haar kunst óók mee bezig was.’
Het Liber Amicorum, ‘Hommage aan Hanna’ geheten, lag nu geopend op tafel.
“Verveelt het jullie nooit om er dagelijks naar te kijken”, vroeg Hanna.
We konden haar gerust stellen, we genieten er elke dag van.

Afbeelding bovenaan: HANNA MOBACH, Ontwerp voor ‘Jacob’s droom’ (Maarten als Jacob), 1979. Reliëf in de kerkzaal van verpleeghuis ‘De Wijngaard’ in Bosch en Duin, 2x3m. Het vertelt het verhaal van Jacob’s droom, waarbij engelen opstijgen en neerdalen langs een ladder die tot de hemel reikt. Grote vleugels verbeelden dit.

____________________
[1] “Onthoud toch in godsnaam dat het hele proces waar het om gaat, iets lieflijks is, iets wat niet te voorschijn gedwongen kan worden, dat zijn eigen tijd heeft en zijn eigen bedoeling. En je kunt van de schoonheid, van de veelzijdigheid, van de rijkdom, van de volheid ervan, genieten. Dat is je voorbestemming, dat is voor ieder van ons weggelegd – als je ophoudt van je leven een armzalig model te maken. Een model dat er in elke eeuw weer net anders uitziet, wat niets met de werkelijkheid te maken heeft. Dat kán, dat kan elke dag, dat kan elke seconde.”
Maarten Houtman, Thuiskomen, Huissen april 1992.

25 april 2024

Layla

Bericht uit de NRC van 4 april 2024:

Parafernalia van beroemde popartiesten zijn het nieuwe goud. Ook kunst voor legendarische albumhoezen brengt miljoenen op.

Over het bovenstaande schilderijtje van Emile Théodore Frandsen de Schomberg, La jeune fille au bouquet (circa 1950-55), zou een boek te schrijven zijn…
Eric Clapton en zijn band Derek and the Dominos logeerden in augustus 1970 in een Zuid-Franse boerderij van de kunstenaar, vlak bij een popfestival waar ze zouden optreden. Dat festival ging niet door toen 30.000 mensen zonder te betalen het festivalterrein bestormden.

De muzikanten verveelden zich stierlijk. Toen de zoon van de kunstenaar hen opzocht stonden ze elkaar in een kippenhok met eieren te bekogelen. Op uitnodiging bezochten ze het atelier van Frandsen. Op een ezel stond daar het vrouwenportret. Toen Clapton vertelde dat het leek op de vrouw op wie hij heimelijk verliefd was: de echtgenoot van zijn goede vriend Harrison, Pattie Boyd, kreeg hij het schilderij cadeau. Korte tijd later gebruikte Clapton het kunstwerk voor de hoes van Layla and Other Assorted Love Songs, zijn album met liefdesliedjes voor Boyd.

Boyd bleef bij Harrison en Clapton raakte verslaafd aan heroïne. Vier jaar nadat het album uitkwam scheidde Boyd alsnog van Harrison, om in 1979 met Clapton te trouwen. Clapton, die goed bevriend bleef met Harrison, deed de Beatle daarop het portret van ‘Layla’ cadeau, ‘ter vervanging’. Toen het huwelijk van Boyd en Clapton in 1989 eveneens stukliep gaf Harrison het schilderij aan Boyd. Na de veiling zei de 80-jarige Britse dat ze „van de sokken was geblazen” door het enthousiasme van de bieders.

What'll you do when you get lonely
And nobody's waiting by your side?
You've been running and hiding much too long
You know it's just your foolish pride

you've got me on my knees
(Layla) I'm begging, darling, please
(Layla) darling, won't you ease my worried mind?

I tried to give you consolation
When your old man had let you down
Like a fool, I fell in love with you
You turned my whole world upside down

you've got me on my knees
(Layla) I'm begging, darling, please
(Layla) darling, won't you ease my worried mind?

Let's make the best of the situation
Before I finally go insane
Please, don't say we'll never find a way
And tell me all my love's in vain

you've got me on my knees
(Layla) I'm begging, darling, please
(Layla) darling, won't you ease my worried mind?
Layla (Layla) you've got me on my knees
(Layla) I'm begging, darling, please
(Layla) darling, won't you ease my worried mind?

Het album Layla kwam uit in 1970, het geboortejaar van Ayn.

NB Het schilderijtje van Frandsen leverde 2,3 miljoen euro op, 33 keer de verwachte opbrengst.

Tropenmuseum Nieuwe kerk

Toverhoorn met vijf voorouder figuren op een singa. Collectie Tropenmuseum
Rituele hoorn voor het bewaren van een magische substantie, pupuk. Attribuut van een priester (datu). De stop is in de vorm van een singa met vijf figuren. Op de hoorn zijn drie slangen uitgesneden. Bovenop is een hagedis afgebeeld, die staat voor Boraspati, een vruchtbaarheidsgod.
Dankzij de goedheid en onvermoeibaarheid van mijn oude vriendin Emilie die me bij de arm nam, ben ik de laatste maanden driemaal naar een museum geweest. Voor mij een wereldrecord – waar natuurlijk ook het Wereldmuseum bij hoort.
Maar het begon allemaal in het Allard Pierson museum, bij die fantastische tentoonstelling van de mummieportretten, die ons niet alleen heel indringend met onze sterfelijkheid confronteert, maar ook nog eens verbindt
met drie oeroude culturen die aan ons voorafgingen: de Egyptische, de Griekse en de Romeinse cultuur.
Daarna liepen we in de Nieuwe kerk onze eigen
koloniale tijd binnen – in een natuurlijke verbinding met de gothiek. Ik heb daarna maar gelijk een museumkaart aangeschaft, museums zijn duur!
Driemaal is scheepsrecht
zo kon ik onvervaard mijn eigen verleden binnenwandelen, ‘mijn’ Tropenmuseum – waar helaas bijna elke vertrouwdheid was uitgewist – gelukkig maar dat er een attente fotograaf was, die het nog eens heeft vastgelegd:
Foto Casper Kraaieveld, 2023-01-05

Maar daar zal ik u hier verder niet mee vermoeien – het is gewoon niet meer de moeite waard…
Zo ontdekten wij dat het enig noemenswaardige deel van de collectie … nu in de Nieuwe kerk staat:

In het opnieuw herdoopte ‘Wereldmuseum’ worden alleen nog wereldproblemen – de naam zegt het al – met veel multimediaal geweld op de kaart gezet, het ging daar voornamelijk over ‘plastic soep’. Ik kon het natuurlijk niet laten daar als ex-collega met een suppoost aan te pappen, en die vertelde ons dat, behalve dat deel wat er nu in de Nieuwe kerk stond, de rest van de collectie in de depots staat. Heerlijke nieuwe wereld-museum.

Intussen hebben de roofridders van het VOC plaatsgemaakt voor de tropenartsen met injectiespuiten en de gewastovenaars van de organische chemie – zie Het trieste der tropen – en worden de bronbemalers en klimaatmanagers van Shell, Aramco en Gazprom inmiddels voor tribunalen gedaagd. Wat rest zijn cultuurantropologen, die ons in een gewijde omgeving onthullen hoe de wereld werkelijk in elkaar steekt – kijk maar hoe waardig en gelijkwaardig wij zijn. Waarbij iedere zweem van ons koloniale verleden – dat ons nu van allentwegen wordt aangesmeerd – in diepe deemoed weggepoetst wordt of met de mantel der liefde bedekt.

Wat een voorrecht is het dan, wanneer je iemand ontmoet, die zonder schuld of wroeging je die wereld kan laten zien zoals hij was – met alle schoonheid en avontuurlijkheid en wreedheid die het lot voor hen gesponnen had. Dat kon Maarten Houtman, omdat volgens de plaatselijke bevolking ‘van het Verhaal was’[1], zeg maar dat hij een ‘Javaanse prins’ was. Hij liet je die wereld van binnenuit zien:

“ Stil is stil… 
Stil is niet onrust. Stil heeft geen bedoeling. Stil is niet opzettelijk. Stil is alomvattend en rust in zichzelf.

En hoe is ons leven. Ons leven heeft, bewust of onbewust, een bedoeling, opzet, belangstelling, enzovoorts. Dat is een natuurlijk gegeven. Maar wij missen de mogelijkheid om meer te zijn dan een natuurlijk gegeven. Zolang een van die dingen die ik opnoemde: richting, opzet, er is, kunnen we niet waarnemen.

Misschien kan ik het een beetje concreet voor jullie maken.

Ik zal een jongetje van zes jaar geweest zijn, toen ik van de tuinman leerde kijken. Dat was van levensbelang, want de plantage van mijn ouders was 500 meter van het oerwoud af, en als je wilde blijven leven, moest je de dieren die iets zouden kunnen doen, die moest je zien, die moest je weten. En een beweging kun je alleen maar waarnemen als je ogen stil zijn.

Je moet maar eens opletten hoe wij hier met onze ogen omgaan. Die zijn nooit stil. Of we knipperen of we bewegen met die ogen. En het is gewoon een wetmatigheid dat als je dat doet, dan merk je veel minder op.

De tuinman deed dat heel pragmatisch. Hij had een stelletje staakjes opgezet. Daar had hij mijn hele blikveld mee en hij kon met touwtjes – hij zat achter mij – die staakjes een beetje bewegen. En hij vroeg aan me: zie je iets bewegen? En op een bepaald moment zag ik wel dat daar een staakje bewoog, dus ging ik dáár kijken en dan zag ik niet dat dáár wat bewoog. Zo heb ik dat geleerd van hem. Om mijn ogen stil te houden en daardoor alles te zien. En dat is echt van levensbelang, want de dieren in het oerwoud zijn ook niet van gisteren, die gaan niet opzichtig zitten bewegen, die bewegen natuurlijk heel organisch. Dus om dat te kunnen zien, moeten je ogen stil zijn.

Maar wat voor de ogen geldt, geldt voor ons helemaal. Als je wilt kunnen waarnemen, moet je stil zijn. Zo is dat. Dat is niet anders.”
Maarten Houtman, Het vermogen om toe te laten, Eefde december 1984, vrijdag
Vishnu op Garuda. Hout, verf. ca. 1850-1900
Nationaal Museum van Wereldculturen

____________________
[1] Over het Verhaal.

Aalscholvervissers langs de Li

2011 was het jaar dat mijn wereld kantelde.
Ik maakte een rondreis door China, vanaf Beijing met een wijde boog langs de grenzen van Tibet en Vietnam, eindigend in Hong Kong. Ik was toen 67 en net gepensioneerd. En het was het jaar dat Maarten Houtman overleed, hij had nog tegen me gezegd: “Moet je doen, joh, die reis, straks kan het niet meer…”
Hij reisde met me mee.

4ALL THE TEA IN CHINA  Deel VIII.  YANGSHUO
[Klik rechtsboven op de afbeelding voor vergroting]

在離延朔附近的黎河上用竹筏進行遊戲航行

漓江遊船,陽朔

漓江沿岸的漁神廟(蒙太奇照片

Afbeelding geheel boven: Hanna Mobach, De visser, 1983.
Penseeltekening; omslag ‘Zen; notities onderweg’ van Maarten Houtman.

Rode pantoffels


In een donkere nacht van de ziel
streek ik neer op het Elpermeer,
jouw rode pantoffels mijn houvast,
opgloeiend in de omringende mist.

Gedesoriënteerd in de wereld,
waren ze spil van de aandacht:
‘dat rode daar’ als de ogentroost
van een mens zonder illusies –

zijn wij, door de ogen verklonken,
niet met huid en haar gebonden
aan de ons omringende materie,
de aankleding van onze beleving…

Mij resten slechts je rode pantoffels,
bakens in de zee van het ongewisse,
bezield door jouw aanwezigheid –
mijn veilige haven in angstige tijden.

Afb. geheel boven: Hanna Mobach, De minnaars in hun koperen paleis, 1995
Terracotta, koperlasdraad, katoenkoper en kopergaas, 38x32x38cm. 
Collectie Elpermeer 200.

Jarig

Als je tachtig wordt, ben je echt nog niet jarig (verjaardagstaart van Co, 25-03-2023).

Jarig begint bij toen je nog ‘niets’ was,
althans, zo wordt dat dan gezegd:
‘tabula rasa’, volgens de Klassieken.

Jarig zijn is niet mis,
alsof je de jaren af kunt tellen, pellen,
op de Schaal van Hein –
klein is die en o zo broos,
vergankelijk als een klaproos
en andere fragiele zaken onder zon –
(mijn regels grijpen nu verder dan het leven lang is,
al helemaal uit de toon)

Leven is verzamelen – plaatjes, boeken, ditjes en datjes…
totdat rekken vol staan, planken doorbuigen,
belletjes rinkelen ‘laatste waarschuwing!’
en wat dan nog aan tijd over is, is gering,
‘stilte in de zaal nadat het laatste woord geklonken heeft’,
(poëzie is het enige wat rest).

Nu verschijnt er een mededeling op mijn scherm,
samen met een doos met rood lintje:

Morgen zullen we wel zien…

Velázquez, Vrouwenfiguur.
‘Haar huid is weergegeven in parelwitte tinten, haar lippen zijn gescheiden alsof ze op het punt staat te spreken terwijl haar vinger op het schijnbaar lege tablet rust’ (tabula rasa)’.

Muziek!!

nog meer muziek…

De tuin van de koning David
גן דוד המלך

Voor mijn vriend Gerard Swüste, van wie ik graag een psalm citeer.
Ik ben langere tijd met deze post over de bijbelse koning David bezig geweest, ik heb me echt in hem verdiept. Ik moet al die tijd al het gevoel gehad hebben dat hij een sleutelfiguur was, historisch en wereldwijd. Ook in deze tijd, in het huidige Israël – waarvan hij immers de ‘Vader des vaderlands’ is.
Dat beeld werd onlangs nog  bevestigd door een bericht in de krant, dat er in Jeruzalem een zg. bijbels themapark komt, 'De tuin van koning' geheten, dat voor de toeristen met een kabelbaan met de Olijfberg en Gethsemane verbonden wordt.
De door David zo liefdevol bezongen God  was ten diepste een 'God der Wrake', die hem opdracht gaf de de lokale bevolking uit te moorden, zo lezen we.
Dat zou wel eens een opmerkelijke historische paralel kunnen zijn met de huidige strijd in en rond Israël ... ‘God wil het!’

Om de toon te zetten, begin ik met een psalm van David:
Psalm 103 Van David

Ziel in mij, zeg: de LEVENDE is een zegen.
Uit de grond van mijn hart: zijn naam is heilig!
Ziel in mij, zeg: de LEVENDE is een zegen,
vergeet nooit wat hij voor je deed:
die alles wat ziek in je is, heelt,
die je leven bevrijdt uit het graf,
die je omkranst met goedheid en mededogen,
die je volop laat groeien in geluk,
zodat je weer jong en sterk wordt als een adelaar!
De LEVENDE doet wat rechtvaardig is
doet recht aan alle onderdrukten;
Mozes leerde hij zijn weg,
de kinderen van Israël wat hij vermag:
de LEVENDE leeft met je mee, is zorgzaam,
geduldig en een en al goedheid;
hij blijft je niet achtervolgen met verwijten,
draagt je niet eeuwig van alles na.
Hij is met ons bezig en laat zich niet leiden
door onze zonden, niet door onze fouten.
Zo hoog als de hemel staat boven de aarde,
zo ver reikt zijn goedheid voor hen die ontzag hebben;
zo ver als het oosten van het westen verwijderd is,
zo ver neemt hij afstand van onze misstappen.
Zoals een vader begaan is met zijn kinderen,
zo is de LEVENDE begaan met wie ontzag heeft voor hem.
Want hij weet waarvan we gemaakt zijn,
is er zich van bewust dat we stof zijn.
Een mensje - zijn dagen zijn als gras,
als bloemen in het veld; nu staan ze in bloei,
waait de wind, weg zijn ze
en de plek waar ze stonden, is hen helemaal vergeten.
Maar de goedheid van de LEVENDE
is altijd geweest en zal altijd zijn voor wie ontzag hebben;
zijn gerechtigheid voor de kinderen van de kinderen;
voor hen, die het verbond bewaren,
die zijn aanwijzingen in gedachten houden
en ernaar handelen.
De LEVENDE heeft zijn zetel geplaatst in de hemel,
hij heerst als een koning over alles.
Zeg: de LEVENDE is een zegen,
jullie die over hem verhalen,
- sterke mensen, die doen wat hij zegt -
die luisteren naar de roep van zijn woord!
Zeg: de LEVENDE is een zegen, jullie allemaal,
die hem dienen, doen wat hij goed vindt!
Zeg: de LEVENDE is een zegen, al wat hij deed,
op alle plaatsen van zijn rijk.
Ziel in mij, zeg: de LEVENDE is een zegen.

Gerard Swüste, Altijd hetzelfde lied

Rembrandt van Rijn, Bathseba met de brief van koning David, 1654
Louvre, Parijs

“Koning David was niet zo’n vreselijk lieve jongen geweest. Dus de duivel meende dat hij aanspraak kon maken op koning David als hij stierf.
Met deze woorden begint Maarten Houtman zijn sessie-toespraak De legende van koning David, in april 1984 in Eefde.

Die ‘strijd om de ziel’ van koning David plaatst ons terug in een tijd, waarin de wereld nog in dit soort, althans voor ons, archaïsche beelden beleefd werd. Maar het zijn wel beelden die diep in ons collectieve bewustzijn verankerd zijn – ook al heeft de Westerse filosofie de ziel dan inmiddels gediskwalificeerd als ‘the ghost in the machine’.

Rembrandt van Rijn, Saul en David, 1655 | Mauritshuis
Saul was de eerste koning van Israël. David, ‘een roodharige herdersjongen,
die zijn schapen in de buurt van Bethlehem weidde’, zijn opvolger.

En ik vroeg me af: welk beeld heb ik zelf ooit van Koning David meegekregen?
Nou, als een icoon,een cultfiguur. Was hij niet de held van het bijbelse slagveld, die talloze Filistijnen de dood in joeg? De stichter van Jeruzalem, de man die Israël op de kaart zette, de wegbereider van de tempel, en dan ook nog de ‘Grote psalmist’…

In onze westerse cultuur werd hij talloze malen vereeuwigd, van Michelangelo tot Rembrandt. Een ijzersterk ‘merk’, dat als een Oscar ten voeten uit op z’n sokkel staat. Oppassen geblazen met die David dus!

Michelangelo’s David, de slinger waarmee hij Goliath doodde over de schouder, de kogel in de hand.

Ik kreeg grote behoefte aan een kleine geheugensteun: wat stond er ook weer over koning David in de bijbel, hoe is het allemaal begonnen.
Om dat te weten te komen, zocht ik mijn toevlucht tot Het boek van alle boeken, de hervertelling van de bijbel van Roberto Calasso – die als geen ander in staat is de mythologische verhalen van de mensheid opnieuw tot leven te brengen. Zoals hij dat ook deed met de mythen van het oude India in zijn magistrale boek Ka – dat een lievelingsboek van Maarten Houtman was.
Hoewel het Oude Testament mij als kind van gereformeerde huize wel enigszins vertrouwd is, leest Het boek van alle boeken’ alsof je een onbekende wereld betreedt. En wat voor wereld…
Calasso noemt het bijbelboek 1 Koningen “een van de indrukwekkendste boeken die ooit zijn geschreven zijn.”

“In Jeruzalem had David een huis van cederhout, zoals Jahweh hem had beloofd: ‘Ik zal voor u een huis bouwen.’
David begreep er niets van: de koning had een huis maar zijn god niet, want de Ark stond nog steeds in een tent. Maar daar moest hij zich geen zorgen over maken. Dat verklaarde Jahweh meteen toen hij 's nachts aan de profeet Nathan verscheen: ‘Ik heb immers niet in een huis gewoond van de dag af dat ik de Israëlieten uit Egypte deed optrekken tot deze dag toe; maar ik ben in een tent, een tabernakel rondgetrokken.’
En daar had Jahweh zich nooit over beklaagd. In een tent of een cederhouten huis maakte niet uit. De echte kwestie was het moment.
Tijdens Davids koningschap was het moment voor een Huis van Jahweh nog niet aangebroken, maar het kwam al dichterbij. Dat zou de taak van een van Davids zoons zijn. Jahweh noemde geen naam, maar het was de eerste keer dat hij naar Salomo verwees.”
‘Google maps 3D reconstruction of the Holy Temple onto Jerusalem’s Temple Mount.’
“David was degene die de Tempel van Jahweh moest voorbereiden, maar niet bouwen, zoals Mozes het Beloofde Land moest wijzen maar het niet mocht binnengaan. Jarenlang verzamelde David materiaal in grote stenen, ‘spijkers voor de poortdeuren en verbindingsstukken’, cederhout en metaal, vooral brons, ‘in een onnoembare hoeveelheid’. David zei tegen iedereen: ‘Mijn zoon Salomo is nog jong en onervaren en het Huis dat voor Jahweh gebouwd moet worden moet men buitengewoon groot maken... Ik zal daarom voor hem een voorraad gereedmaken.’
Maar David wist heel goed dat dat niet de reden was waarom hij zich niet aan de bouw waagde. En op zekere dag bekende hij dat aan Salomo: Mijn zoon, ikzelf had het voornemen om voor de Naam van Jahweh mijn God een huis te bouwen. Maar het woord van Jahweh kwam tot mij: u hebt een grote hoeveelheid bloed vergoten en grote oorlogen gevoerd: u mag voor Mijn Naam geen huis bouwen, omdat u een grote hoeveelheid bloed op de aarde voor Mijn aangezicht vergoten hebt.’
David benadrukte niet dat hij al dat bloed uit naam en op bevel van Jahweh had vergoten. Hij zei alleen nog dat Jahweh hem de geboorte had aangekondigd van degene tot wie hij sprak en ook had gezegd dat hij een man van rust zou zijn.”
Jan Victors (1619–1676), De stervende David geeft Salomo advies.
Statens Museum for Kunst, Kopenhage
“In zijn laatste jaren hield David meer van studeren dan van oorlog voeren. Jahweh had gezegd dat hij op een sabbat zou sterven. Elke sabbat was David volledig verdiept in de Thora, omdat hij wist dat de doodsengel iemand die de Thora bestudeert niet kan treffen. Zijn aandacht was geboeid, vloeiend, constant.

Uit de tuin klonk een geluid. David keek op en zijn ogen werden overstelpt door een bonte schittering. De tuin stond in volle bloei.
Wat was dat geluid? Een lokroep? David stond van tafel op, nog steeds in gedachten, bewoog zich langzaam naar het venster. Hij keek recht voor zich terwijl hij de paar treden afdaalde die hem van de tuin scheidden. Hij stapte mis en viel, sloeg met zijn nek op de stenen.
Zijn levenloze lichaam bleef in de zon liggen, omdat het sabbat was en niemand het zou mogen aanraken. Maar al snel cirkelden vier adelaars om hem heen en zorgden met hun vleugels voor schaduw, als onder een zwarte tent.”

Op dit punt gekomen, vertelde Klaaske me over het boek van Yuval Noah Harari, ‘Sapiens; een kleine geschiedenis van de mensheid’. Daarin stelt Harari dat de mensheid met behulp van symbolen en mythen in staat was in steeds grotere verbanden te leven – allemaal dankzij het voor ons specifieke vermogen tot verbeelding.

En ik vroeg me toen af hoe het dan zat met de wereld die mij als kind overgeleverd is en die ik nu als beeld bij me draag: de verhalen van het Christendom en de Messias, en alles wat de Concilies daar nog bij bedacht hebben: de Drieëenheid, de Onbevlekte Ontvangenis, enzovoorts.

Je kunt dit eenvoudigweg ‘cultuurrelativisme’ noemen, maar bij mij was het een bijna lijfelijke schok om te ontdekken dat ik, ondanks al die levende verhalen van Maarten die ik door me heen had laten gaan – met hun diepgang en wijdse horizonten – nog zó vast blijk te zitten aan het referentiekader dat ik als kind meegekregen heb. Terwijl Maarten me er bij diverse gelegenheden op gewezen had: ‘Joh, jij zit nog steeds zo vastgeketend aan je afkomst…’ En dan dacht ik: heeft hij het over mij? Maar ik ben toch geëmancipeerd…


In de middag na zijn inleiding over De legende van koning David, gaat Maarten Houtman dieper in op dat moment van ‘afgeleid zijn’ van koning David:
“Ik wil nog een kleine aanvulling te geven op de legende van David. Dat er het moment is dat hij overweegt: ‘zal ik nou gaan slapen’ en dan naar buiten kijkt. Voor ieder mens geldt dat hij een paar momenten op de dag heeft dat hij onbeschermd is, dat hij eigenlijk én er zelf niet is én nog niet in de bescherming van het wezenlijke is – als hij slaapt is hij in die grote bescherming.”

Zelf ken ik dat gevoel van onbeschermd zijn, als ik ’s ochtends wakker wordt en me verloren voel in de wereld. Dan is er iets in mij wat probeert ‘in contact te te treden’. Ik ben altijd zielsdankbaar als dat tot stand komt en ik me weer veilig voel. Soms kan een ander je daarbij helpen.

PS
In de NRC van 25 januari j.l. stond een artikel Palestijnen maken plaats voor ‘de tuin van de koning’. Daarin wordt verteld dat er in Oost-Jerusalem een bijbels themapark wordt gebouwd met de naam ‘De tuin van de koning’. Om met voor toeristen gemakkelijker te maken daar te komen, wordt er een kabelbaan gebouwd naar de Olijfberg en Gethsemane. Opgravingen moeten er de Joodse claim op het land ondersteunen.
Plattegrond van de geplande kabelbaan naar Gethsemane (bron NRC)

Een kabelbaan naar Gethsemane… Over ontmythologisering gesproken.

(foto bovenaan: De tuin van Gethsemane).

Ketens…

God schiep de mens … en de mens schiep de virtuele wereld.

THE COMPUTER IS artificial intelligence; it can learn, correct itself, write, compose music, and so on. So the computer, the machine invented by man, is changing society. It is changing the structure of outward human existence. Whether you know about it or not is perhaps of very little importance, but it is taking place; it is happening. If the machine can do everything thought can do – invent gurus, rituals, gods, write poems, beat a grand master in chess – what then is man? This is an important question you have to ask. I don’t think many of us realize what a dangerous state we are in.
Krishnamurti on Artificial Intelligence
Deze profetische woorden sprak Krishnamurti veertig jaar geleden in Bombay. Hij zei er ook bij dat meditatie – Zen – daarvoor geen oplossing biedt, omdat je een patroon herhaalt dat je ingeprent is. En dus blijf je binnen die mechanische wereld.
“Ja,” zei Maarten dan, “maar hij doet intussen zelf wel aan yoga...”
Maar wie moet je dan nog geloven... Maarten bleef gewoon tegen ons doorpraten, veertig jaar lang:
Maartens laatste toespraken omvatten eigenlijk alles wat wij al die jaren bij hem konden beluisteren. Zijn woorden hebben de zachtheid van een mens die geen enkele eis stelt aan het leven, ook niet aan jou – waardoor ze heel gemakkelijk bij je binnenkomen, als de fluistering van een geliefde. Hij spreekt vanuit zijn persoonlijke ervaring, vanuit zijn bewogenheid met ons en vanuit een leven lang mediteren – “een zeepbel,” zei hij, ons shockerend. Maar de volgende dag legt hij  het gelukkig uit.
Zie: Onvoorwaardelijke liefde, Mennorode augustus 2006, zaterdagmorgen.

Maarten Houtman
Jij bent het spel

Eefde april 1988 | Dinsdagmorgen
op www.maartenhoutman.nl

Ik hoor de tijd stromen…
en vraag me af: wat doe ik met die tijd
die ons voor dit leven toegemeten is?
Blijven we leven volgens plan –
zijn we ons bewust
dat we leven volgens plan?
Volgens plan leven…
dan vergaat de tijd. Letterlijk.
De dieren hebben geen plan,
die leven volgens een vast patroon.
De mens heeft de vrijheid
om zijn patroon te verlaten.

Inleiding
[download]

Ik weet niet of we dat beseffen:
ten eerste, dat je het patroon kunt verlaten,
en ten tweede, dat is het allerbelangrijkste,
dat je in een patroon leeft.
En dat je jezelf dat aandoet –
de maatschappij helpt je daar een beetje bij,
maar je doet het zelf.
Ik zat gisteren aan tafel tegenover iemand
die tijdens het eten wegdroomde…
Op een bepaald moment keerde hij terug
en verontschuldigde zich daar eigenlijk voor,
en zei toen ook nog:
‘Ja, in Zen is het toch zo
dat als je eet, moet je eten.’
Ik zeg: ‘Ja, dat kun je pas
als je lang genoeg weggedroomd hebt…’

Ik wou dat jullie eens begrepen
hoe ongelooflijk belangrijk het is
om toe te geven.
Jullie zijn allemaal, zonder uitzondering,
nog de overtuiging toegedaan
dat jij ’t op kunt nemen tegen het onbewuste.
Dat kun je niet, je bent een pluisje
in de orkaan van het onbewuste –
je bent niet eens een pluisje…
Het onbewuste is je vriend,
het is je oudste metgezel,
het is nog ouder dan je lichaam.
Je lichaam vernieuwt zich elke keer,
maar het onbewuste –
wat wij dan ‘het onbewuste’ noemen,
het is een heel ongelukkige term –
is veel en veel ouder,
het is zo oud als jij bent.

Er zijn allerlei namen voor gegeven:
Atman, Brahman, God…
Dat is het eigenlijke –
en dat ben jij,
van de aanvang af ben jij dat.
Het enige wat gebeuren moet is dat jij,
in het besef dat je dat bent,
in de schepping mééwerkt.
Daar kun je niet voor oefenen,
dat moet je zien, en ziende doen.
Als je het gezien hebt, kun je oefenen.
Als je het gezien hebt, kun je jezelf vergeven.
Als je gezien hebt, weet je
dat de vorm secundair is,
dat de vorm het resultaat is van jouw werken
en dat het erom gaat om erbij te zijn.

Kun je jezelf bewust zijn dat jouw plannetjes
uit een heel andere wereld komen…
dat jouw overtuigingen, jouw oordelen,
uit een heel andere wereld komen.
Die komen uit de wereld die jij opbouwt,
vanaf dat je geboren wordt tot op dit moment,
maar niet van daarvóór…
Waar het nou juist om gaat is
dat je je bewust wordt dat dat zo is,
dat jij de voorlopigheid leeft.
En dat je je in die voorlopigheid,
doordat je oplet
wat aan de voorlopigheid voorafgaat,
bewust kunt worden.

Dat betekent dat je die voorlopigheid –
dus alles wat je weet en alles wat je kent
en alles wat je denkt en alles wat je vindt –
vrijwillig tussen haakjes zet.
Dat je zegt: ja, dat is hetgene wat ik ken,
maar ik weet ook – zo dom zijn jullie niet –
dat ik een heleboel dingen doe
die helemaal niet kloppen met die voorlopigheid,
helemaal niet. Dus daar is iets anders…
En wat je nu doen moet is heel eenvoudig,
namelijk plaats inruimen voor dat andere.
En dat wil je niet,
want dat is akelig, dat is griezelig,
dat andere ken je niet…
Het is er wel, maar je kent het niet.
Je bent in het beste geval geneigd om te zeggen:
nou, als het er dan is,
dan moet ik het toch wel
onder kunnen brengen
bij wat ik al weet.
En dat gaat niet…
Zoals wanneer je erg veel van iemand houdt
en tegen jezelf zegt:
oh, zo zit het dus, dus voortaan is het zo!
Nou, dan is het weg,
dan heb je het wel ingelijfd,
maar dan is het weg…
Dan kun je beter tegelijk uit elkaar gaan,
dan heb je het,
als je er niet afblijft met je vingers,
heel voortreffelijk, vakkundig doodgemaakt.

Ons hele leven brengen we bijna door
om dat armzalige kleine stukje
wat we in kaart gebracht hebben
en wat we ons ‘ik’, ons ‘leven’ noemen,
te verdedigen
tegen de overmacht van de werkelijkheid.
Dat is het meest duidelijk zichtbaar bij de dood.
Daar kunnen we nog altijd niet omheen,
we kunnen niet aldoor blijven leven –
afschuwelijk is dat, hè,
dat we niet kunnen blijven leven…
Waarom is dat zo afschuwelijk?
Je vindt het toch ook niet erg
als een bloem langzamerhand verdort en doodgaat.
Dat vind je toch niet erg,
dat hoort toch in de schepping?
Je wilt vasthouden – en waarom toch?
Echt, dat meen ik, waarom toch?
Waarom kun je dat niet meemaken?
Waarom kun je een bloem niet echt zien verdorren
en zien dat dat ook heel mooi is,
zien dat de uiterlijke pracht naar binnen gaat,
zich weer vereenzelvigt met waar hij ooit geboren werd.

Ik heb twee keer in mijn leven mensen zien sterven,
dat was indrukwekkend, dat was zo mooi…
We hebben er allemaal denkbeelden over.
En in die denkbeelden leven we, leven we, leven we,
vechten we, bereiken we, verliezen we en sterven we.
En we snappen niet dat het meest wezenlijke er altijd is,
dat je dat niet hoeft te zoeken,
het is er nu en het volgende ogenblik.
Het gaat erom erbij te blijven
bij wat er aldoor gebeurt.
En niet van te voren te zeggen:
‘ja, als dát nu gaat gebeuren
dan is het goed,
en als dát nu gaat gebeuren
dan is het slecht…’
Dat is onze moeilijkheid…
om erbij te blijven.
Dat is het enige,
het enige waar het op aan komt
is het erbij blijven.
Dat is die aandacht.
Ja, ik weet, dat is heel moeilijk…
die aandacht waar niets aan ontgaat,
waar je geen enkel moment in je gedachten bent,
in je denken, je oordeel of je reactie bent,
waarbij je alleen maar dat wat gebeurt –
dat wat aldoor gebeurt – ervaart.

Dan is er geen dood –
niet in ónze betekenis.
Natuurlijk, je lichaam
is op een bepaald moment uitgewerkt.
Dat is net als met die bloem.
Maar waar het om gaat is dat jij erbij bent
als de uiterlijke pracht naar binnengaat
en daar doorgaat
en zich een nieuwe vorm kiest,
een nieuwe bloem kiest.
Daar hoef jij niets aan te doen,
je hoeft niet op zoek te gaan
naar een nieuwe bloem,
die is er al…
dat ben jij zelf, je bent die bloem.
En je maakt mee
dat die bloem langzaam vergaat –
dat is de buitenkant,
hij groeit naar binnen toe.
Maar omdat je je zó vereenzelvigd hebt
met de buitenkant
heb je daar verdriet van.
Maar je gaat over, je gaat door…
Ik weet wel,
daarvoor heb ik lang genoeg geleefd,
dat dat héél hecht is –
die verbinding met de buitenkant is ongelooflijk sterk.
Daarom heb je het gevoel
als je iemand ontmoet
en van alles van ‘m houdt,
dat die er voor het eerst is.
Dat is natuurlijk niet zo,
het is die innerlijke pracht
die een nieuwe vorm gevonden heeft
en die zich weer aan je openbaart.

Foto Emilie van de Raa.

Wat betekent dat nou in de praktijk,
zo concreet, elke dag?
Dat betekent dat je aandachtig moet zijn.
Dat je alles wat je geleerd hebt,
ook alles wat je medegedeeld is, door anderen,
door mij, door wie dan ook,
desnoods door Onze-Lieve-Heer zelf,
vergeet.
Dat je beseft dat je erbij moet zijn,
dat je er alleen maar bij moet zijn…
En dat je dan vanzelf zult weten
wat je doen moet.
Je moet de dingen die gebeuren
elkaar laten ontmoeten in jou.
Dat doen wij niet,
we houden ze angstvallig uit elkaar, zeggen:
eerst dit, en dan dat, en dan dat…
We scheppen ruimte daartussen,
we houden ze uit elkaar –
terwijl ze bij elkaar horen,
ze waren bij elkaar
en ze zijn nu in ons uit elkaar gedreven.
Laat het allemaal bij elkaar komen…
Maar wees erbij, merk het op.
Zodat de dingen in jezelf in dialoog kunnen zijn,
dat je ze niet allemaal in hokjes hebt –
en dan mag dát hokje praten
en dan mag dát hokje praten…
Dat is ook een hele organisatie,
dat kost je een heel veel tijd.
Dat hoeft niet.
Laat je meest extatische momenten
praten met je meest sombere momenten.
Laat je grootste vertrouwen
praten met je wantrouwen.
En je zult zien, je hoeft zo weinig te doen…
Je hoeft het alleen maar te laten gebeuren.

Je moet één ding helemaal vergeten,
dat is dat jij zoveel moet doen…
Dat hoeft niet,
wat jij moet doen wijst zich vanzelf.
Maar dat betekent natuurlijk, in onze toestand,
dat je nooit van te voren weet waar je terecht komt
en dat willen we niet. Dat willen we niet…
En omdat we dat niet willen,
doen we elk leven weer precies hetzelfde –
eeuwige herhaling.
En héél, héél, héél, héél langzaam
is er wel eens een momentje
dat je beseft wat je aan het doen bent.
Maar ja, het volgende moment
komt er iemand zomaar uit de wereld en zegt:
‘Hé, wat ben je aan het doen…’
Nou, dan ben je weer terug
en dan ben je het weer vergeten
waar je mee bezig was.
En dan bereik je niks,
je hebt geen zekerheid en je bereikt niks.
Moet je eens goed voorstellen:
je bereikt niks, je wordt niemand, je wordt niets,
je hebt geen enkele status, je hoort nergens,
je bent voor de mensen volmaakt onbetrouwbaar –
dat is je toekomst
als je probeert te volgen wat er gebeurt.

Je moet jezelf daar dus
vriendelijk mee uiteen zetten.
Je hebt gevoeld,
er zijn zo van die momenten
dat het hele leven wat je leeft
er eigenlijk geen bal toe doet.
Maar dat vergeet je heel gauw.
Dan ben je niet respectabel meer,
dan ben je letterlijk een outcast.
Maar ik denk
dat we dat allemaal moeten worden –
je moet zelf maar beslissen
hoeveel levens je daar nog over wilt doen…
Ik heb in mijn eigen leven gemerkt,
als je je hiermee bezig houdt,
hoef je echt niet meer bang te zijn
dat je het vergeten zult.
Het komt altijd terug –
op de meest wonderlijke momenten
komt het terug.
En dan denk je:
oh ja, daar was ik mee bezig…
en dan ga je door.
Al die methodes –
de boeken staan er vol van:
hoe houd je je concentratie,
hoe houd je…
het hoeft niet!
Als je één keer gezien hebt hoe je leeft,
maak je dan geen zorgen,
het komt wel.
Je zult ongetwijfeld
nog miljoenen uitvluchten vinden
om het niet te doen.
Het hoort erbij, vergeef jezelf.
Ook als je het al een miljoen keer gedaan hebt –
het komt wel, het komt echt,
het is voorbestemd…
Het is voorbestemd dat je volledig zult zijn,
zonder onderscheid, zonder schotjes,
zonder iets ook maar.

Alle dingen die je in het leven moet,
heb je zelf veroorzaakt
en je zult ze zelf moeten afwerken, natuurlijk.
Maar het gaat erom:
hoe werk je het af.
Je kunt het zo afwerken
dat het zich wéér zal herhalen
en wéér zal herhalen
en wéér zal herhalen…
Of je kunt het zo afwerken dat het áfgelopen is,
dat je het hele spel kent
en dat je daarin gelukkig bent.
Want jij bent het spel,
jij bent de wereld,
jij bent de schepping.
En je houdt op met jezelf af te scheiden
en te zeggen: ‘Ik moet er nog bijhoren…’
Je bent er al!
Dan heb je mij niet meer nodig,
niemand meer nodig,
dan ga je je weg.

naar boven

Bewerking: Hein Zeillemaker

 

Ch’an Temple ‘Baoguang Si’, Chengdu, China (eigen opname, 2011)
Afbeelding geheel boven: HANNA MOBACH, ‘Blauwe gelieven’ (in venster atelier).

為什麼
Waarom

Vraag: Ik heb een vraag naar aanleiding van wat je gisteren zei over het stellen van de juiste vraag. Een paar weken geleden zei mijn zoontje van twee voor het eerst: ‘waaróm dan?’ En toen ik hem een antwoord gaf, was zijn wedervraag: ‘waaróm dan…’ Na vier keer wist ik het niet meer.
‘Waaróm dan?’ – Gesprek maandagmiddag

– Maarten: Ik hoop dat we nog tijd hebben want het is drie minuten voor een, maar ik zal een begin maken.
De toestand van de vragensteller, die is belangrijk. Een kind leeft, als hij niet heel snel verpest wordt, nog vanuit dat onbewuste totaal. En probeert thuis te raken in de wereld. Hij ziet een heleboel om zich heen. Hij ziet jou, als moeder, dingen doen. En hij moet nog thuisraken in jou, in jouw manier van doen. Daarom vraagt hij heel vaak ‘waarom dan’. En jij antwoordt vanuit jouw toestand, van zogenaamd wetende. Daarom heeft hij heel weinig aan jouw antwoord. Dat is de toestand.

Zie voor de volledige tekst: Waaróm dan?
“Why?,” from Matmos’s album ‘Return to Archive,’ features sounds of humans trying to communicate with animals (dolphins, frogs) and other humans (children, people without larynxes) over a hasty four-on-the-floor beat. Matmos and guest artist Evicshen cut, loop, and layer 92 frog-patterns, compress the splashes of dolphins in water, and lock slices of enigmatic vocal experiments into pulsing, mutating loops.