Automania #1 – Ontwaakt in de Krimpenerwaard

2022 REpaired&reposted

In september 1946 reed een verhuiswagen van Utrecht naar Krimpen a/d IJssel, mijn moeder, Meino en ik zaten voor in de cabine. Het monster op wielen zocht zich een weg tussen de grote rivieren van IJssel en Lek, grotendeels rijdend van dorp tot dorp langs lokale wegen. De N210, die dwars door de polder loopt en op betonnen palen staat, moest toen nog aangelegd worden. Alleen de provinciale weg N228 bestond toen al – een weg met een grillig verloop en een bewogen geschiedenis…

De eerste 3,5 km van de N228, van De Meern tot aan de Hollandse IJssel, gaat over de Meerndijk. Daarna loopt hij aan de zuidzijde van de Hollandse IJssel verder, tot aan de Stolwijkersluis, enkele honderden meters voor Gouda.

Deze N228 werd aangelegd tussen 1928 en 1934 in het kader van het Provinciaal Wegenplan 1927. Dit werd uitgevoerd door de Provinciale Waterstaat in Utrecht, dat destijds onder leiding stond van Anton Mussert. Langs de weg zijn nog steeds grenspaaltjes te vinden die naar hem vernoemd zijn, de zogenaamde ‘Mussertpalen’ [bron: Wikipedia].

Ik had mijn eerste 3½ jaar aan de Goethelaan in Oog en Al gewoond,met opa en oma, ooms en tantes om de hoek – een vredig bestaan, lijkt het, maar het was toen wel oorlog…
Die tocht daarna, met de verhuiswagen de stad uit, moet ook mijn eerste autorit ooit geweest zijn. Ik was helemaal gebiologeerd. Ik zat daar voorin op mijn hoge troon als een koning van de weg, het grommend monster onder me … maar dat is alles reconstructie.
Maar het moment dat de verhuiswagen aan het eind van de rit, in Krimpen vanaf de IJsseldijk de fabriek op draaide, staat in mijn geheugen gegrift… Alsof ik ontwaakte in een nieuwe wereld – een wereld waarin mijn bewuste aanwezigheid voortaan mijn ‘standaardmodus’ zou worden.
Van het daarvóór kon ik me nauwelijks meer wat herinneren, alleen het afscheid van mijn grootmoeder in Utrecht die me een koekje presenteert uit de trommel bovenin de kast.
Voor de rest is het weg, alsof wat daarna kwam het in de vergetelheid heeft gebracht.

De wereld waarin ik terecht kwam, was ook van een totaal andere orde als het slaperige bestaan aan de Goethelaan… Hier waren niet de vertrouwde familieleden, maar arbeiders die zwaar werk deden… Staande op de mal van een grote rioolbuis in aanbouw, stampten ze met een pneumatische stamper met lange steel de daarin aangebrachte betonspecie aan, zodat het een hecht geheel werd. En als het beton na een dag of wat gehard was, mocht de mal eraf en werden de buizen opgestapeld. Daarna stond er ’s zomers een sproei-installatie om ze nat te houden – waaronder ik dan ’s avonds weer stond af te koelen in de snikhete zomer van 1947 – zie: Coronadagboek #6 het witte huis.

Op een werkdag – en dat waren er nog 5½ in de week – wemelde het daar van de ronkende machines en reden aller handen voertuigen af en aan: trucks met aanhangwagen om de buizen af te voeren, vorkheftrucks – ik keek met open mond naar hun wendbaarheid, en de trucjes die ze ermee konden uithalen – er waren kiepwagentjes, ga zo maar door.

Het duurde dan ook niet lang of ik begon dat ‘speelgoed’ zelf te sparen, ik bouwde mijn eigen wagenpark op in de vorm van Dinky Toys. Dat werd al gauw mijn grote manie – terwijl ik, kruipend over de vloer van de huiskamer, ze voortbewoog: een vuilniswagen met schuifluikjes, een truck met oplegger, natuurlijk een verhuiswagen, een racewagen, en nog vele anderen. En allemaal in bonte kleuren. Ik was automaniak geworden!

Road show van mijn Dinky Toys, rijdend over de balustrada van mijn studio.

Vergeleken met de fabriek en het dorp langs de IJsseldijk, had de polder aan de andere kant van de dijk iets heel geheimzinnigs, je kon daar de kracht van de natuur voelen.

Toen ik rond 1953 een jaar in het centrum van Krimpen woonde – mijn vader was bij Waco-beton weg en vooruit gereisd naar zijn nieuwe baan in Nijmegen – stond ik een keer aan de rand van de bebouwing over de polder uit te kijken, over het prikkeldraad heen. Het had een magische uitwerking op me, de ruimte, de leegte –een andere wereld, los van het bekende…



‘Cantico Espiritual’ van Johannes van het Kruis

✏️ NOTITIE bij Het komt vanzelf…, toespraak maart 2026
”Een van de hoofdzaken is dat wij moeten begrijpen dat we, wat we ook willen bereiken in ons leven – en dan doel ik speciaal op geestelijk terrein – dat wij alleen maar iets kunnen bereiken als we onze situatie waarin we zijn, én onszelf zoals we zijn, volledig accepteren.
Nu, wat is één van de meest opvallende dingen? Dat is dat je op aarde bent, dat je geboren bent, dat je dus een vorm hebt, dat je een lichaam hebt. Je bent dus niet in de hemel.
En het is ook niet de bedoeling dat je in de hemel bent, je bent op aarde. Je bent hier. In de situatie waarin je bent, met het lichaam dat je hebt, met de gebreken die je hebt, de mogelijkheden die je hebt. Met de fantasieën die je hebt, met de onzinnigheden die je hebt. Zo ben je, dat is jouw vertrekpunt, en geen ander.”
Maarten Houtman, Het komt vanzelf…,

‘Op de drempel van de eeuwigheid’

In mei 2020 bracht ik, gestrand op weg naar een verre bestemming, een onverwacht bezoek aan het Kröller Müller Museum.
Ik was bij de ingang van de Hoge Veluwe al gewaarschuwd dat bezoek aan het museum nog steeds aan het corona regime onderhevig was: ‘Uitsluitend op afspraak…’
Maar vertrouwend op mijn goede gesternte, mijn museumkaart en mijn zeventien Tropen(museum)jaren als suppoost, wist ik toch binnen te geraken. En eenmaal binnen, had ik alleen maar belangstelling voor Van Gogh…
Al gauw liep ik de vertrouwde zalen binnen – waar nu overal bordjes hingen met ‘Maximaal vier personen’ . Nauwelijks was ik, binnen het quotum, een zaal binnengelopen, of ik zag onderstaand schilderij hangen.
Er voer een kleine schok door me heen…

Vincent van Gogh, “Treurende oude man”, 1890,
ook bekend als“Op de drempel van de eeuwigheid”).
Kröller-Müller Museum, 80x64cm

Ongelofelijk! Ik was dit werk pas nog online tegengekomen – weliswaar in een totaal onverwacht verband, dat me sterk geïntrigeerd had. Maar waar was dat?

Toen ik aan het eind van de dag thuiskwam, bladerde ik gelijk door mijn browser geschiedenis. En toen had ik het al gauw gevonden:

In zijn toespraak Het komt vanzelf…, (Tao-zen sessie december 1993) vertelt Maarten Houtman over een boek, “geschreven door een vrouw die groot is geworden volgens de mystiek van Johannes van het Kruis en die zichzelf alleen maar als totaliteit ervaart. Maar ze kan wel niks meer doen…”
En hij tekende hierbij het volgende aan:

“Ik vraag me af waarom we toch altijd ergens anders willen zijn, want het is een fantastisch lichaam wat we hebben, fantastisch! Daar zijn we nog lang niet op uitgestudeerd, nog helemaal niet. Dat is zo ongelooflijk, dat lichaam, daar kunnen we nog zovéél van leren… Waarom moeten we eraan zitten veranderen? Waarom moet het nou etherisch worden?”

Toen ik daarna ‘Johannes van het Kruis’ gegoogeld had, vond ik een lemma over zijn werk ‘Donkere nacht van de ziel’. En dáár stond een afbeelding van dat schilderij van Van Gogh bovenaan.

De cirkel was rond en mijn nieuwsgierigheid gewekt, ik ging gelijk aan het werk.

‘Cantico Espiritual’ van Johannes van het Kruis

Francisco de Zurbarán, Juan de la Cruz, 1656.
St. Johannes van het Kruis 1541-1592), Spaans karmeliet, mysticus en hervormer van de Karmelietenorde, staat bekend als een van de belangrijkste dichters in de Spaanse literatuur en dichtte ‘Cantico Espiritual’. Wat betreft de symboliek van de afbeelding: de witte mantel en donkerbruine tuniek zijn typisch voor de Ongeschoeide Karmelieten, terwijl het kruisbeeld en de schedel verwijzen naar zijn status als contemplatief.

Eerst een fragment uit ‘La noche oscura del alma’ van Johannes van het Kruis:

In een nacht, aardedonker,
in brand geraakt en radeloos van liefde,
– en hoe had ik geluk! –
ging ik eruit en niemand
die ’t merkte – want mijn huis lag reeds te slapen.
Johannes van het kruis, Donkere nacht van de ziel (eerste couplet).

Verder zoekend op het web, vond ik dat zijn ‘Hooglied’ recent op muziek gezet is door Amancio Prada als Cantico Espiritual (de cd is te bestellen bij Carmelitana, Burgstraat 46, 9000 Gent, of is te leen bij de bibliotheek). Zo klinkt het:

Het ‘Cantico’, op muziek gezet door Amancio Prada.

Op onderstaande video zie je Amancio Prada tijdens een tv optreden:

De complete tekst van het Geestelijk Hooglied van Johannes van het Kruis, een dialoog tussen de Bruid en de Bruidegom, kun je hier nalezen.


PS
Toen ik daar in het Kröller Müller Museum rondliep, ving ik zo nu en dan de gekwelde blik van een suppoost op – en zag weer eens dat zo’n bestaan ook een ‘donkere nacht van de ziel’ is…
Gelukkig maar dat de rondom aanwezige kunst hen afleiding biedt.

25 februari 2026, Hein Zeillemaker
(Eerder verschenen op mijn eigen blog.)


‘Van dood naar leven’
Toegift over het leven van Johannes van het Kruis


Sint Johannes van het Kruis, priester; medehervormer van de heilige Teresa van Avila van de Karmelietenorde; mysticus
Feestdag: 13 december


“Johannes is een heilige omdat zijn leven een heroïsche poging was om zijn naam "van het Kruis" waar te maken. De dwaasheid van het kruis kwam in de loop der tijd volledig tot uiting. "Wie Mij wil volgen, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen" (Marcus 8:34b) is het verhaal van Johannes' leven. Het Paasmysterie – van dood naar leven – kenmerkt Johannes sterk als hervormer, mysticus-dichter en theoloog-priester.

Johannes werd in 1567 op 25-jarige leeftijd tot Karmelietenpriester gewijd. Hij ontmoette Teresa van Avila en legde, net als zij, de geloften af ​​aan de oorspronkelijke Regel van de Karmelieten. Als partner van Teresa en op eigen kracht zette Johannes zich in voor de hervorming en ondervond hij de prijs daarvan: toenemende tegenstand, misverstanden, vervolging en gevangenschap. Hij leerde het kruis op een indringende manier kennen – hij ervoer het sterven van Jezus – terwijl hij maandenlang in zijn donkere, vochtige, smalle cel zat, alleen met zijn God.

En toch, de paradox! In dit sterven van gevangenschap kwam Johannes tot leven en schreef hij gedichten. In de duisternis van de kerker kwam Johannes' geest tot het Licht. Er zijn veel mystici, veel dichters; Johannes is uniek als mystiek-dichter, die in zijn gevangeniskruis de extase van de mystieke vereniging met God uitdrukt in het Geestelijk Lied.

Maar zoals pijn tot extase leidt, zo beleefde Johannes zijn Beklimming van de Karmelberg, zoals hij die in zijn meesterwerk in proza ​​noemde. Als mens-christen-karmeliet ervoer hij deze zuiverende beklimming in zichzelf; als geestelijk leider voelde hij het ook bij anderen; Als psycholoog-theoloog beschreef en analyseerde hij het in zijn proza. Zijn prozawerken blinken uit in het benadrukken van de prijs van het discipelschap, de weg naar eenwording met God: strenge discipline, zelfverloochening, zuivering. Johannes onderstreept op unieke en krachtige wijze de paradox van het evangelie: het kruis leidt tot opstanding, pijn tot extase, duisternis tot licht, zelfverloochening tot bezetenheid, zelfverloochening tot eenwording met God. Als je je leven wilt redden, moet je het verliezen. Johannes is werkelijk "van het kruis". Hij stierf op 49-jarige leeftijd – een kort, maar rijk leven.”
St. John of the Cross, uit het Facebook van de Filipijnse missie (!)
El Greco’s ‘Gezicht op Toledo’ toont de priorij waar Johannes gevangen werd gehouden, net onder het oude alcázar (fort) en hoog op de oevers van de Taag, op steile kliffen.
Meer Van Gogh op ShakingLife.nl

EINDE

Mutter Meera ist eine Meister aus Deutschland

,

 
Mutter Meera ist eine Meister aus Deutschland
Ich traf Sie in das Dorf Talheim im Westerwald.
Schon beim ersten Treffen habe ich mich verliebt –
laut Protokoll durfte man Sie tief in die Augen sehen –
für eine Begegnung, eine Heilung, fürs Licht der
Pranja Paramita – Ihre Augen die mich anlächelten…

Ik heb haar daarna nog vele malen opgezocht, maar ervoer haar toen  als een gewone Indiase ascete, die lach van de eerste keer heb ik niet meer gezien…
En toen ik een keer aan haar woning aanklopte om een vraag te stellen, werd niet opengedaan.
Veel later riep ik haar thuis in wanhoop aan – en hoorde een stem die zei: “Neem een hond…”
Mijn eigen stem? Ongelovig hoorde ik het aan – en ik wist, ze had gezegd: als je mij aanroept, moet je het advies dat geef wel opvolgen…

Maar een hond, in mijn flatje van vier bij vijf… of bij Klaaske – die had op een keer gezegd: een hond is voor mij een gepasseerd station, en bovendien, met dat parket wat hier ligt…

Ik bleef in ongelovigheid achter, me bewust dat dat advies ‘van boven’ me toch heilig was…
In de jaren daarna sloeg soms de twijfel toe: had ik haar advies nu toch maar opgevolgd…

Als me iets overkomt – zoals met m’n ogen – probeer ik mezelf aan de onverbiddelijkheid van het noodlot te ontwurmen: hád ik maar… …als ik haar advies nou maar opgevolgd had, dan was die hond nu ‘geleidehond’ geweest…

En natuurlijk waren er gedachten over plezier dat ik met mijn hond vast gehad zou hebben, zoals achter een bal aanrennen op het strand, of genoeglijk samen bij de kachel zitten – zo’n hond zoals Snoopy uit de Peanuts, een beetje maf, maar ontzettend trouw…

Ik zag er ook iets van karma in, een terugkeer – een hond uit m’n jeugd had een spuitje gehad, nadat hij een hap uit m’n arm had genomen toen ik op m’n tenen naar het wiegje sloop om het kindje te bekijken waarover hij waakte – “alweer een kindje,” had mijn moeder gezegd.
De baas van de hond – een meester – was er met vrouw en kinderen kapot van geweest.
Maar hij had ook medelijden gehad met mij, ik kreeg een boek over honden die bijten…

 
Mutter Meera ist eine Heilige aus Deutschland
Ich traf Sie dort in Talheim, im Westerwaldkreis
Schon beim ersten Treffen habe ich mich verliebt:
Ihre dunklen Augen lächelten mich an, sie waren 
ein Bad im milchweiße Licht von Pranja Paramita.

Ik weet nu: het is oppassen met Oosterse meesters – zoals me eerder met Thich Nhat Han overkwam  [1]

Dat wederzijdse misverstand blijkt diep te liggen, zij denken dat wij blindelings op ze af zullen gaan, jij probeert het, maar kúnt ze niet zomaar geloven – maar je kunt je óók niet onttrekken aan hun ban…

In die ban van Mother Meera heb ik jaren geleefd, van: had ik maar…, en: hoe zou het geweest zijn…
Tot ik onlangs bij de kapper zat en daar plezier had, m’n gehoorapparaat uit en nog met mondkapje op, spraken we gebarentaal, schoten telkens in de lach…

En precies het moment dat mijn kapmantel af ging had ik de koan van M. Meera’s hond opgelost…
Alweer: je kúnt een Oosterse Wijze niet ‘volgen’, om dat te kunnen, heb je begrip nodig, inzicht
Toen bij die kapper was ik domweg even gelukkig.
_____________
[1] zie: Hoe Thich Nhat Han op mijn pad kwam.

Those eyes…
MM, Shaking Life post uit 2017.

Zij die de kreten van de wereld hoort…

Bovenaan: Vrouwelijk mummyportret uit Thebe, 2e eeuw.
Was van encaustische was en verf op limoenhout.
,

8 januari 2020


Ik las dat de Paus vandaag gebeden heeft voor de slachtoffers van het Corona-virus in China. Die man doet tenminste z’n plicht. Nou, dat is wel eens anders geweest…
Zondagavond zag ik het eerste deel van ‘De naam van de roos‘, naar het boek van Umberto Eco, een tv-serie die Klaaske opnam. Daar in het Italië van de 13e eeuw blijken de Pausen konkelende monsters te zijn…
Maar de ‘progressieve’ Franciscus verordineerde in 2018 wel ‘de verplichte gedachtenis van Maria, Moeder van de Kerk‘ – waarvan de viering voortaan de 2e Pinksterdag vervangt…

Diezelfde zondag hoorde ik in het Concertgebouw het Stabat Mater van Pergolesi en het Gloria van Vivaldi, door The Bach Choir & Orchestra of the Netherlands, met Olga Zinovieva, sopraan en Sytse Buwalda, countertenor. Prachtig…
Toen ik na het concert met m’n gezelschap terugliep naar de auto, kon ik zelfs in het geluid van de tram muziek horen…
Ik kreeg na afloop van organisator ‘Beleef Klassiek’ dit filmfragment toegestuurd, waarin dezelfde uitvoerenden te horen zijn (de scène moet je maar voor lief nemen):

Giovanni Battista Pergolesi (1710-1736), stierf op 26 jarige leeftijd aan tuberculose. Hij had nog net de tijd om dit Stabat Mater te voltooien. Lees hier de voorgeschiedenis:

Quis est homo? Wie is het die niet zou wenen om de moeder van Christus in zo’n wanhoop te zien?
Deze woorden werden voor het eerst uitgesproken in het dertiende-eeuwse Italië, in een affectieve en emotionele Latijnse devotionele tekst; het voor de hand liggende antwoord op de retorische vraag is dat geen enkele ware gelovige niet met de Maagd zou rouwen over de stervende Christus.
Dit gedicht is het ‘Stabat mater‘, waarvan wordt gedacht dat het het werk is van de grote psalm-dichter Jacopone da Todi (rond 1300). De klagende strofen ervan zorgen voor een emotionele band tussen de mediterende gelovige en de moeder van de Gekruisigde, en ontstonden vanuit de volkse devotie, die volgde op de Zwarte Pest.
Pergolesi kreeg de opdracht om het Stabat Mater, gecomponeerd door Alessandro Scarlatti – dat tot dan toe elke Goede Vrijdag in Napels was opgevoerd – te vervangen. Hij aanvaardde die, ook al leed hij aan tuberculose. De legende gaat dat hij in een devotionele razernij op zijn sterfbed componeerde. Of het verhaal waar was of niet, Pergolesi’s Stabat-mater was al snel een internationale hit, die onvermijdelijke vergelijkingen trok met het Requiem, dat Mozart op zijn sterfbed schreef.
www.allmusic.com | Timothy Dickey.

Dat brengt me op een boekbespreking in de NRC van 22 januari, over Carel Blotkamp‘s The End. Artists’ Late and Last Works. Het boek is geheel gewijd aan ‘laatste werken’ in de beeldende kunst. Ik las de recensie met rode oortjes … geweldig! Maar ik begreep ook dat in het boek helaas geen afbeeldingen staan… (wel in bijgaande recensie).
Een van de werken die aan de orde kwamen, was de Rondanini Pièta, de zwanenzang van Michelangelo – alweer een stervende die de Voorspraak van de Heilige Maagd zoekt…

“Die Pièta is een vreemd beeld. De gezichten van Christus en Maria zijn nog ruw en nauwelijks uitgewerkt, terwijl de benen van de Christus-figuur al prachtig glad en gespierd uit het marmer getoverd zijn. Aan de linkerzijde hangt een al even fraai gepolijste onderarm, maar die zit, gek genoeg, niet vast aan het lichaam van Christus. De verhoudingen lijken niet te kloppen, en het is de vraag of Michelangelo de compositie ooit nog goed zou hebben gekregen, als hij niet gestorven was.”
Het beeld werd aanvankelijk uiterst negatief besproken in kunsthistorische verhandelingen. Pas in de vroege twintigste eeuw begon de rehabilitatie van deze Pietà. De ruwe huid en de bizarre compositie werden opeens gezien als abstracte kwaliteiten, passend bij de moderne kunst uit die tijd. In 1964 roemde de Engelse kunstenaar Henry Moore het beeld als ‘een van de beste kunstwerken ooit gemaakt’.

Zo zie je dat, naast de Heilige Drieëenheid, in de loop van de eeuwen langzaam het beeld van de Goddelijke Moeder oprijst, als Godin van het Erbarmen. Mensen hebben nu eenmaal in het uur van hun dood een Voorspraak nodig – is dat ook niet de rationale van het geloof?
In China hebben ze overigens Kwan Yin, de Godin van Mededogen. Dus bidt die Paus een beetje voor de Bühne. Of zou hij als voorspraak willen dienen voor de gelovigen hier … bang voor een nieuwe pest?

Ik moet dan altijd aan Mother Meera denken (ook al een Moeder...), die zei: laat de mensen toch naar hun kerk gaan, het biedt hen troost, laat ze er Maria aanbidden...
Die Indiase ruimdenkendheid...
Bodhisattva Quan Shih Yin (eigen foto, 2011).
Bodhisattva Quan Shih Yin ('zij die de kreten van de wereld hoort') is de godin van het mededogen, de Chinese gedaante van Avalokiteshvara.
Quan Yin – zie foto – staat hier in de Hal van de 'Arhats' (boeddhistische heiligen en discipelen) van de Bǎogūang Sì tempel in Chengdu, afgebeeld met ‘elf hoofden’ en ‘duizend handen’, haar geschonken om het vele leed van de wereld te kunnen horen en lenigen.

Voor de Shake v/d Week duiken we een heel andere wereld binnen, die van het ‘donkere continent’ – waar ze óók vrolijkheid kennen…
De Malinees – let wel: niet Milanees dus – Habib Koité speelt Din Din Wo (‘Klein kind’) – zoals het op het album Muso Ko staat.

8 januari 2020

Automania #3 | NV-GH-73| Het tweedehandsje

“Komt er soms een lamp, om onder de korenmaat of onder de rustbank gezet te worden of juist om op de standaard te worden geplaatst? Niets is verborgen dat niet openbaar gemaakt zal worden; en niets is geheim dat niet aan het licht zal komen. Als iemand oren heeft om te horen, hij luistere.”
Marcus 4, 21

Het begon eigenlijk allemaal bij Hanna Mobach, die – bijbelvast als ze was – Klaaske en mij soms streng toespraak en zei dat wij ‘ons licht onder de korenmaat plaatsten’…
En ze stond ons bij met raad en daad, om ons uit ons holletje te krijgen.
Toen ze hoorde dat ik overwoog een auto over te nemen, zei ze gelijk: “Het is veel te lang geleden dat je gereden hebt, ga eerst bij mij maar een paar proeflessen nemen.”
En zo reed ik achter het stuur van haar Renault Kango voor het eerst weer door de Amsterdamse dreven.

Hanna zorgde er ook voor dat ik als woonbootbewoner, met mijn studio aan de Jisperveldstraat weer vaste voet aan wal kregen. Zo reed ik niet lang daarna dagelijks met mijn auto op en neer door de IJtunnel, van de Binnenkant naar Amsterdam-Noord.

Een paar jaar later kochten we de flat op de Elpermeer en woonden beiden in Noord. Met vlak om de hoek de levensaders, de energiebanen waarlangs auto’s in een onophoudelijke stroom voorbijschieten – de eeuwig swingende snelwegen van deze aarde.

Wie ontkomt er aan die magie…
Toen ik op m’n 18e direct m’n rijbewijs haalde – ik kende Klaaske net – leek een wereld van onbegrensde vrijheid en van avontuur onder bereik.
Mijn vader gaf toen al gelijk aan dat daar grenzen aan zijn, ik mocht alleen onder zijn toezicht in zijn auto rijden … niet harder dan 80!
Ik vond het wel een beetje kinderachtig, maar ik kon diepweg zijn bezorgdheid begrijpen. En zo bleef autorijden een testcase.

Vergroten door te klikken

Het volgende autohoofdstuk kon pas beginnen, nadat ik volledig ‘ingeburgerd’ was in deze maatschappij en het inkomen had van een full time baan.
En zo toog ik op 10 november 1997 (de datum op het kentekenbewijs) met Maarten Houtman – die me op allerlei wijzen bijstond, sinds ik hem in 1981 leerde kennen – naar de Aambeeldstraat in Amsterdam-Noord, naar de vestiging van zijn Renault dealer. Die had hij me aanbevolen als betrouwbaar adres voor de aanschaf van een tweedehands auto. Daar waren Klaaske en ik wel aan toe, na die afdankertjes van onze familie…
Na ter plaatse het aanbod bekeken te hebben, zagen we uiteindelijk op het dak van de garage de Clio staan, waar de keuze op viel: een grijs chassis, met als kenteken NV-GH-73.
En zo kwam het dat ik even later, met Maarten als passagier, de ringweg A10 opdraaide om me in het verkeer te voegen.
“Nou, dat valt me mee…,” was zijn commentaar, toen hij zag hoe ik dat deed…
Daar keek ik natuurlijk wel even van op. Maar ik voelde me niet aangevallen, het was duidelijk dat hij me erop attent maakte dat ik een zekere onberekenbaarheid in me had, waardoor je niet wist hoe zoiets zou uitpakken. Dat moet mijn ingehouden gedrag geweest zijn, dat hem eerder het commentaar ontlokt had: “Jij bent niet secondair, je bent tertiair…” 
Je zou kunnen zeggen: er was bij mij sprake van een zekere remming. En ja, als die rem er dan in het verkeer plotseling af gaat… De risico’s zijn daar nu eenmaal groter, meer zichtbaar althans, dan in het menselijke verkeer.

Maar dat viel Maarten dus mee. Mijn onstuimigheid had ook bij Klaaske enige twijfel gezaaid, zei ze me nog onlangs. En die keten is nog langer, aan het begin ervan stond dus mijn vader…   
Zo bleek de auto van meet af aan óók een voertuig van zelfonthulling te zijn – naar mijzelf en mutatis mutandis naar anderen. 

Terug naar de weg – die al spoedig leidde naar onze favoriete vakantiebestemming: Frankrijk.
In Baume-de-Messieurs, in de Franse Jura, bezochten we een spectaculaire grot, de Cascade des tufs.

Toen we weer buiten kwamen, zagen we een inktzwarte lucht. ‘Direct naar de auto’, was het eerste instinct. Maar die bleek slechts beperkte bescherming te bieden… Hagelstenen zo groot als knikkers sloegen boven ons op het dak. Als de ruiten maar houden…, was onze grote schrik. Maar die bleven als door een wonder gespaard. Al zat het dak na afloop dan vol putjes. Toen we daar wegreden, zagen we om ons heen allemaal verbrijzelde autoruiten – wellicht had ons oude model, met z’n bijna loodrechte ramen, ons gered – wee al die Fransen, met hun panoramische ruiten… Toen we later weer door de campagne reden, zagen we ook daar een spoor van vernieling: ontbladerde bomen, platgeslagen gewas…


Desert Blues Zero

2014 REpaired&posted

Op de YouTube hierboven hoor je ‘Bowmboï’ van Rokia Traoré uit Mali.
Het lied staat op Desert Blues Zero, een compilatie die ik maakte van de mooiste nummers van de drie albums ‘Desert Blues’ (totaal 6 Cd’s):

  • Desert Blues Vol. 1, Ambiances Du Sahara (1995)
  • Desert Blues Vol. 2, Rêves d’Oasis (2002)
  • Desert Blues Vol. 3, Entre dunes et savanes (2008)

Bij het shaken in de huiskamergroep draaiden we al twee nummers van de Cd, waaronder het prachtige Sama Guitara van de Senegalees El Hadj N’Diaye. Helaas waren hier geen opnamen van op YouTube te vinden.