Ketens…

God schiep de mens … en de mens schiep de virtuele wereld.

THE COMPUTER IS artificial intelligence; it can learn, correct itself, write, compose music, and so on. So the computer, the machine invented by man, is changing society. It is changing the structure of outward human existence. Whether you know about it or not is perhaps of very little importance, but it is taking place; it is happening. If the machine can do everything thought can do – invent gurus, rituals, gods, write poems, beat a grand master in chess – what then is man? This is an important question you have to ask. I don’t think many of us realize what a dangerous state we are in.
Krishnamurti on Artificial Intelligence
Deze profetische woorden sprak Krishnamurti veertig jaar geleden in Bombay. Hij zei er ook bij dat meditatie – Zen – daarvoor geen oplossing biedt, omdat je een patroon herhaalt dat je ingeprent is. En dus blijf je binnen die mechanische wereld.
“Ja,” zei Maarten dan, “maar hij doet intussen zelf wel aan yoga...”
Maar wie moet je dan nog geloven... Maarten bleef gewoon tegen ons doorpraten, veertig jaar lang:
Maartens laatste toespraken omvatten eigenlijk alles wat wij al die jaren bij hem konden beluisteren. Zijn woorden hebben de zachtheid van een mens die geen enkele eis stelt aan het leven, ook niet aan jou – waardoor ze heel gemakkelijk bij je binnenkomen, als de fluistering van een geliefde. Hij spreekt vanuit zijn persoonlijke ervaring, vanuit zijn bewogenheid met ons en vanuit een leven lang mediteren – “een zeepbel,” zei hij, ons shockerend. Maar de volgende dag legt hij  het gelukkig uit.
Zie: Onvoorwaardelijke liefde, Mennorode augustus 2006, zaterdagmorgen.

Maarten Houtman
Jij bent het spel

Ik hoor de tijd stromen…

en vraag me af: wat doe ik met die tijd

die ons voor dit leven toegemeten is?

Blijven we leven volgens plan –

zijn we ons bewust

dat we leven volgens plan?

Volgens plan leven… 

dan vergaat de tijd. Letterlijk. 

De dieren hebben geen plan,

die leven volgens een vast patroon.

De mens heeft de vrijheid

om zijn patroon te verlaten.

Ik weet niet of we dat beseffen:

ten eerste, dat je het patroon kunt verlaten,

en ten tweede, dat is het allerbelangrijkste,

dat je in een patroon leeft.

En dat je jezelf dat aandoet –

de maatschappij helpt je daar een beetje bij, 

maar je doet het zelf.

Ik zat gisteren aan tafel tegenover iemand

die tijdens het eten wegdroomde…

Op een bepaald moment keerde hij terug

en verontschuldigde zich daar eigenlijk voor,

en zei toen ook nog:

‘Ja, in Zen is het toch zo

dat als je eet, moet je eten.’

Ik zeg: ‘Ja, dat kun je pas

als je lang genoeg weggedroomd hebt…’

Ik wou dat jullie eens begrepen

hoe ongelooflijk belangrijk het is

om toe te geven.

Jullie zijn allemaal, zonder uitzondering,

nog de overtuiging toegedaan

dat jij ’t op kunt nemen tegen het onbewuste. 

Dat kun je niet, je bent een pluisje

in de orkaan van het onbewuste –

je bent niet eens een pluisje… 

Het onbewuste is je vriend,

het is je oudste metgezel,

het is nog ouder dan je lichaam.

Je lichaam vernieuwt zich elke keer,

maar het onbewuste –

wat wij dan ‘het onbewuste’ noemen,

het is een heel ongelukkige term –

is veel en veel ouder,

het is zo oud als jij bent.


Er zijn allerlei namen voor gegeven:

Atman, Brahman, God…

Dat is het eigenlijke 

en dat ben jij,

van de aanvang af ben jij dat.

Het enige wat gebeuren moet is dat jij, 

in het besef dat je dat bent,

in de schepping mééwerkt.

Daar kun je niet voor oefenen, 

dat moet je zien, en ziende doen. 

Als je het gezien hebt, kun je oefenen.

Als je het gezien hebt, kun je jezelf vergeven.

Als je gezien hebt, weet je

dat de vorm secundair is,

dat de vorm het resultaat is van jouw werken

en dat het erom gaat om erbij te zijn.

Kun je jezelf bewust zijn dat jouw plannetjes

uit een heel andere wereld komen…

dat jouw overtuigingen, jouw oordelen,

uit een heel andere wereld komen.

Die komen uit de wereld die jij opbouwt,

vanaf dat je geboren wordt tot op dit moment,

maar niet van daarvóór…

Waar het nou juist om gaat is

dat je je bewust wordt dat dat zo is,

dat jij de voorlopigheid leeft.

En dat je je in die voorlopigheid,

doordat je oplet 

wat aan de voorlopigheid voorafgaat,

bewust kunt worden.

Dat betekent dat je die voorlopigheid –

dus alles wat je weet en alles wat je kent

en alles wat je denkt en alles wat je vindt –

vrijwillig tussen haakjes zet.

Dat je zegt: ja, dat is hetgene wat ik ken,

maar ik weet ook – zo dom zijn jullie niet –

dat ik een heleboel dingen doe

die helemaal niet kloppen met die voorlopigheid,

helemaal niet. Dus daar is iets anders…

En wat je nu doen moet is heel eenvoudig,

namelijk plaats inruimen voor dat andere.

En dat wil je niet,

want dat is akelig, dat is griezelig, 

dat andere ken je niet…

Het is er wel, maar je kent het niet.

Je bent in het beste geval geneigd om te zeggen:

nou, als het er dan is,

dan moet ik het toch wel

onder kunnen brengen

bij wat ik al weet.

En dat gaat niet…

Zoals wanneer je erg veel van iemand houdt

en tegen jezelf zegt:

oh, zo zit het dus, dus voortaan is het zo!

Nou, dan is het weg,

dan heb je het wel ingelijfd,

maar dan is het weg…

Dan kun je beter tegelijk uit elkaar gaan,

dan heb je het,

als je er niet afblijft met je vingers,

heel voortreffelijk, vakkundig doodgemaakt.

Ons hele leven brengen we bijna door

om dat armzalige kleine stukje

wat we in kaart gebracht hebben

en wat we ons ‘ik’, ons ‘leven’ noemen,

te verdedigen

tegen de overmacht van de werkelijkheid.

Dat is het meest duidelijk zichtbaar bij de dood.

Daar kunnen we nog altijd niet omheen,

we kunnen niet aldoor blijven leven –

afschuwelijk is dat, hè,

dat we niet kunnen blijven leven…

Waarom is dat zo afschuwelijk?

Je vindt het toch ook niet erg

als een bloem langzamerhand verdort en doodgaat.

Dat vind je toch niet erg, 

dat hoort toch in de schepping?

Je wilt vasthouden  en waarom toch?

Echt, dat meen ik, waarom toch?

Waarom kun je dat niet meemaken?

Waarom kun je een bloem niet echt zien verdorren

en zien dat dat ook heel mooi is, 

zien dat de uiterlijke pracht naar binnen gaat,

zich weer vereenzelvigt met waar hij ooit geboren werd.

Ik heb twee keer in mijn leven mensen zien sterven,

dat was indrukwekkend, dat was zo mooi…

We hebben er allemaal denkbeelden over.

En in die denkbeelden leven we, leven we, leven we,

vechten we, bereiken we, verliezen we en sterven we.

En we snappen niet dat het meest wezenlijke er altijd is,

dat je dat niet hoeft te zoeken, 

het is er nu en het volgende ogenblik.

Het gaat erom erbij te blijven

bij wat er aldoor gebeurt.

En niet van te voren te zeggen:

‘ja, als dát nu gaat gebeuren

dan is het goed,

en als dát nu gaat gebeuren 

dan is het slecht…’

Dat is onze moeilijkheid… 

om erbij te blijven.

Dat is het enige,

het enige waar het op aan komt

is het erbij blijven.

Dat is die aandacht.

Ja, ik weet, dat is heel moeilijk… 

die aandacht waar niets aan ontgaat,

waar je geen enkel moment in je gedachten bent, 

in je denken, je oordeel of je reactie bent,

waarbij je alleen maar dat wat gebeurt – 

dat wat aldoor gebeurt – ervaart.

Dan is er geen dood – 

niet in ónze betekenis.

Natuurlijk, je lichaam

is op een bepaald moment uitgewerkt.

Dat is net als met die bloem.

Maar waar het om gaat is dat jij erbij bent

als de uiterlijke pracht naar binnengaat

en daar doorgaat

en zich een nieuwe vorm kiest,

een nieuwe bloem kiest.

Daar hoef jij niets aan te doen,

je hoeft niet op zoek te gaan

naar een nieuwe bloem,

die is er al… 

dat ben jij zelf, je bent die bloem.

En je maakt mee

dat die bloem langzaam vergaat 

dat is de buitenkant,

hij groeit naar binnen toe.

Maar omdat je je zó vereenzelvigd hebt

met de buitenkant,

heb je daar verdriet van.

Maar je gaat over, je gaat door…

Ik weet wel,

daarvoor heb ik lang genoeg geleefd, 

dat dat héél hecht is 

die verbinding met de buitenkant is ongelooflijk sterk. 

Daarom heb je het gevoel

als je iemand ontmoet

en van alles van ‘m houdt,

dat die er voor het eerst is.

Dat is natuurlijk niet zo, 

het is die innerlijke pracht

die een nieuwe vorm gevonden heeft

en die zich weer aan je openbaart.


Wat betekent dat nou in de praktijk,

zo concreet, elke dag?

Dat betekent dat je aandachtig moet zijn.

Dat je alles wat je geleerd hebt,

ook alles wat je medegedeeld is, door anderen,

door mij, door wie dan ook,

desnoods door Onze-Lieve-Heer zelf,

vergeet. 

Dat je beseft dat je erbij moet zijn,

dat je er alleen maar bij moet zijn…

En dat je dan vanzelf zult weten

wat je doen moet.

Je moet de dingen die gebeuren

elkaar laten ontmoeten in jou.

Dat doen wij niet,

we houden ze angstvallig uit elkaar, zeggen: 

eerst dit, en dan dat, en dan dat…

We scheppen ruimte daartussen,

we houden ze uit elkaar 

terwijl ze bij elkaar horen,

ze waren bij elkaar

en ze zijn nu in ons uit elkaar gedreven.

Laat het allemaal bij elkaar komen…

Maar wees erbij, merk het op.

Zodat de dingen in jezelf in dialoog kunnen zijn,

dat je ze niet allemaal in hokjes hebt –

en dan mag dát hokje praten

en dan mag dát hokje praten… 

Dat is ook een hele organisatie,

dat kost je een heel veel tijd.

Dat hoeft niet.

Laat je meest extatische momenten

praten met je meest sombere momenten.

Laat je grootste vertrouwen

praten met je wantrouwen.

En je zult zien, je hoeft zo weinig te doen…

Je hoeft het alleen maar te laten gebeuren.

Je moet één ding helemaal vergeten,

dat is dat jij zoveel moet doen…

Dat hoeft niet,

wat jij moet doen wijst zich vanzelf.

Maar dat betekent natuurlijk, in onze toestand,

dat je nooit van te voren weet waar je terecht komt

en dat willen we niet. Dat willen we niet…

En omdat we dat niet willen,

doen we elk leven weer precies hetzelfde –

eeuwige herhaling.

En héél, héél, héél, héél langzaam

is er wel eens een momentje

dat je beseft wat je aan het doen bent.

Maar ja, het volgende moment

komt er iemand zomaar uit de wereld en zegt:

‘Hé, wat ben je aan het doen…’

Nou, dan ben je weer terug

en dan ben je het weer vergeten

waar je mee bezig was.

En dan bereik je niks,

je hebt geen zekerheid en je bereikt niks.

Moet je eens goed voorstellen:

je bereikt niks, je wordt niemand, je wordt niets,

je hebt geen enkele status, je hoort nergens,

je bent voor de mensen volmaakt onbetrouwbaar –

dat is je toekomst

als je probeert te volgen wat er gebeurt.

Je moet jezelf daar dus

vriendelijk mee uiteen zetten.

Je hebt gevoeld,

er zijn zo van die momenten

dat het hele leven wat je leeft

er eigenlijk geen bal toe doet.

Maar dat vergeet je heel gauw.

Dan ben je niet respectabel meer,

dan ben je letterlijk een outcast.

Maar ik denk

dat we dat allemaal moeten worden –

je moet zelf maar beslissen

hoeveel levens je daar nog over wilt doen…

Ik heb in mijn eigen leven gemerkt,

als je je hiermee bezig houdt, 

hoef je echt niet meer bang te zijn

dat je het vergeten zult.

Het komt altijd terug –

op de meest wonderlijke momenten

komt het terug.

En dan denk je: 

oh ja, daar was ik mee bezig…

en dan ga je door.

Al die methodes –

de boeken staan er vol van:

hoe houd je je concentratie,

hoe houd je… 

het hoeft niet!

Als je één keer gezien hebt hoe je leeft,

maak je dan geen zorgen, 

het komt wel.

Je zult ongetwijfeld

nog miljoenen uitvluchten vinden

om het niet te doen.

Het hoort erbij, vergeef jezelf. 

Ook als je het al een miljoen keer gedaan hebt –

het komt wel, het komt echt,

het is voorbestemd…

Het is voorbestemd dat je volledig zult zijn,

zonder onderscheid, zonder schotjes,

zonder iets ook maar.

Alle dingen die je in het leven moet,

heb je zelf veroorzaakt

en je zult ze zelf moeten afwerken, natuurlijk.

Maar het gaat erom:

hoe werk je het af.

Je kunt het zo afwerken

dat het zich wéér zal herhalen

en wéér zal herhalen

en wéér zal herhalen…

Of je kunt het zo afwerken dat het áfgelopen is,

dat je het hele spel kent

en dat je daarin gelukkig bent.

Want jij bent het spel,

jij bent de wereld,

jij bent de schepping.

En je houdt op met jezelf af te scheiden

en te zeggen: ‘Ik moet er nog bijhoren…’

Je bent er al!

Dan heb je mij niet meer nodig,

niemand meer nodig,

dan ga je je weg.

Leerhuis 5-daagse april 1988 in Eefde, dinsdagmorgen

naar boven

Bewerking: Hein Zeillemaker


HANNA MOBACH, ‘Blauwe gelieven’ (in venster atelier).
Afbeelding bovenaan: Ch'an Temple ‘Baoguang Si’, Chengdu, China (eigen opnamen)

為什麼
Waarom

Vraag: Ik heb een vraag naar aanleiding van wat je gisteren zei over het stellen van de juiste vraag. Een paar weken geleden zei mijn zoontje van twee voor het eerst: ‘waaróm dan?’ En toen ik hem een antwoord gaf, was zijn wedervraag: ‘waaróm dan…’ Na vier keer wist ik het niet meer.
‘Waaróm dan?’ – Gesprek maandagmiddag

– Maarten: Ik hoop dat we nog tijd hebben want het is drie minuten voor een, maar ik zal een begin maken.
De toestand van de vragensteller, die is belangrijk. Een kind leeft, als hij niet heel snel verpest wordt, nog vanuit dat onbewuste totaal. En probeert thuis te raken in de wereld. Hij ziet een heleboel om zich heen. Hij ziet jou, als moeder, dingen doen. En hij moet nog thuisraken in jou, in jouw manier van doen. Daarom vraagt hij heel vaak ‘waarom dan’. En jij antwoordt vanuit jouw toestand, van zogenaamd wetende. Daarom heeft hij heel weinig aan jouw antwoord. Dat is de toestand.

Zie voor de volledige tekst: Waaróm dan?
“Why?,” from Matmos’s album ‘Return to Archive,’ features sounds of humans trying to communicate with animals (dolphins, frogs) and other humans (children, people without larynxes) over a hasty four-on-the-floor beat. Matmos and guest artist Evicshen cut, loop, and layer 92 frog-patterns, compress the splashes of dolphins in water, and lock slices of enigmatic vocal experiments into pulsing, mutating loops.

Ondergesneeuwd door het leven

Het fantastische van het leven is dat er een heleboel dingen gebeuren waar je verder niets aan hoeft te doen – het gebeurt gewoon, of je wilt of niet.
En het is duidelijk, dan kun je beter mee zijn dan tegen, beter meegaan met de stroom van het leven, dan dat je je er tegen verzet – verzetten heeft geen zin, je kunt je beter overgeven.

Je zult zeggen: is dat nu iets wat altijd geldt? Neem nu Oekraïne, waar ze in verzet gekomen zijn. Of de ‘verzetsstrijders’ in de Tweede Wereldoorlog. Hadden die zich dan bij die brute onderdrukking neer moeten leggen? En dan heb je natuurlijk nog het lijdzaam verzet à la Gandhi.
Of is het soms zo, dat meegaan – of meelopen, zoals dat in de oorlog minachtend werd genoemd – op bepaalde gebieden van het leven gewenst is, en op andere juist niet. En wat is daarbij dan het richtsnoer?

Nou, ik dacht: ik ga even filosoferen… En voordat je het weet zit je in de problemen. Moet dan echt alles ingewikkeld zijn, worden we écht ondergesneeuwd door het leven…

“Als je de verslagen nagaat van de mensen die ‘het grote gemis’ zijn tegengekomen in hun leven, dan komt het erop neer dat een mens op een bepaald ogenblik niets meer wil – niet uit apathie, niet omdat hij verslagen is, niet omdat hij een groot verdriet heeft, niet omdat hij in een crisis is, niet omdat hij bedreigd is, maar heel simpel: hij wil niets meer. En hij verkiest die toestand boven alle andere. Terwijl hij tevens heel gewoon in het leven staat, de dingen doet die nodig zijn, met de mensen is zoals van hem veronderstelt wordt. Hij voelt ook heel duidelijk dat de mensen iets van hem verwachten. En naar gelang van zijn aard en zijn temperament is hij best bereid om daaraan toe te komen en in te willigen, want het heeft eigenlijk niets te maken met wie hij is. En wie hij is ervaart hij in die momenten dat hij van zichzelf niets meer hoeft. Dat hij ook geen behoefte heeft om ergens over na te denken, zich iets af te vragen, maar dat hij volstaat met te leven. Dat alles wat er gebeurt, in hemzelf en buiten hem, van belang is. Van belang om zichzelfs wil, niet van belang in verband met hemzelf. En dat verlangen niets te doen neemt in de loop van de tijd toe.”
Maarten Houtman,
Het verlangen niets te zijn, Vijfdaagse april 1993 in Huissen.

Multivlaai heeft onlangs een schuifpui gekregen, voor Rien in zijn rolstoel is dat een zegen.


Gelukkig heb ik zo een afspraak met Rien bij onze ‘vlaaienboer’, dus het komt allemaal goed.
Ik ben een half uur te vroeg en sla aan het bloggen. Met de telefoon in de hand is dat wel lastig, het moet in the blind, het scherm is te klein om te zien wat je doet. Het is niet anders.
Ha, daar is ie!

De grote uitstalkast met vlaaien staat zachtjes te brommen. Straks mag ik er een uitzoeken, als Rien klaar is – ons ‘vlaaienberaad’ noemen we dat, een soort meditatie die door de maag gaat.

We hadden het daar over koetjes en kalfjes – het bekende binnenlandse repertoire – en over het slangenaquarium dat Rien bij zijn GPD-houder zag, toen hij een nieuw zitkussen voor zijn rolstoel kwam afhalen. Ik vertelde over het krantenbericht dat papyrus die verkoolde door een vulkaanuitbarsting weer te lezen is dankzij röntgen en AI. En het ging natuurlijk over onze oude vriendin Hanna, die onlangs negentig werd. Rien vertelde dat hij augustus 2005 een rake foto van haar had gemaakt, aan de Schellingwouderdijk in Amsterdam.
Na afloop van ons vlaaienberaad krijg ik de foto toegestuurd:

Hanna Mobach bij restaurant ‘De Kieviet’ aan de Schellingwouderdijk in Amsterdam, 4 augustus 2005
Foto Rien Heukelom

Ο δαίμονας του Σωκράτη
De demon van Socrates

Alsof de duvel ermee speelt…
Zo zeggen we dat, als we ons weer eens omringd weten door ‘toevalligheden’ – waarbij het complotdenken soms om de hoek ligt…
Net toen ik mijn vriend Jaap gevraagd had of we nog een keer samen naar Hanna Mobach konden rijden, kreeg ik ’s nachts last van duizelingen – op weg naar de wc moest ik me aan de wanden vastklampen. O jee, dacht ik, daar ga je weer … het was me al eens eerder overkomen.
’s Ochtends op mijn bankje, merkte ik dat ik voor het eerst sinds lange tijd weer helemaal zat, mijn hoofd was schoongeveegd. Het duizelde me nog wat, zoals dat heet, maar zelfs dat voelde organisch aan, als een zindering.
Er was nog iets wat me die nacht ‘toeviel’. Toen ik aan onze hernieuwde poging tot Tai Chi moest denken – waar ik zelfs moeite heb om op één been te staan – kwam bij me boven: ‘Ik ga niet.’ Laat er nu de volgende ochtend een briefje van Klaaske op tafel liggen, met: ‘Morgen geen Tai Chi, Steffan is ziek’…

Die diabolische ‘duvel’ duikt op de meest onverwachte momenten op: hij komt uit een doosje, zit in het detail, schijt op de grote hoop, zit ons op de hielen…
Maar de demonische ‘demon’ mag er ook wezen… Dat begrip is afgeleid van het Griekse daemon (δαίμονας), dat ik van school ken van de filosoof Socrates. Deze ‘meester van de dialoog’ beweerde een daemon te hebben, een ‘goede genius’, wiens waarschuwingen hem er nooit toe aanzetten iets te ondernemen, maar in plaats daarvan hem ervan weerhielden te handelen wanneer een handeling schadelijk voor hem zou zijn geweest.
Dat komt in de buurt van wat wij een ‘beschermengel’ noemen – wat het eerder aan de kant van het ‘goede’ plaatst dan van het ‘kwaad’ – in het christendom werd demon tot ‘kwade geest’.
Zelf associeer ik daemon meer met de ‘Goddelijke inspiratie’, die wij grote kunstenaars toekennen – of die ook ‘ten kwade kan keren’, is een ander verhaal.
Toch kom je die twijfel ook tegen m.b.t. de daemon van Socrates, zoals uit het volgende itaat blijkt:
“Schrijvers, zowel oude als moderne, hebben lang geprobeerd te begrijpen wat deze daemon had kunnen zijn, en sommigen gingen zelfs zo ver dat ze zich afvroegen of het een goede of een kwade engel was. De meest redelijke van hen zeiden uiteindelijk dat het niets anders was dan de rechtvaardigheid en kracht van het oordeel van Socrates, die deze filosoof, door de regels van voorzichtigheid en de hulp van een langdurige en aanhoudende praktijk van serieuze reflecties, deed anticiperen op wat de toekomst zou zijn – uitkomst van zaken waarover hij was geraadpleegd of waarover hij zelf had beraadslaagd.”

‘Schaduwfiguur. Wajangfiguur voorstellende een demon’. Collectie Tropenmuseum.

Demonisering

Convocatie Vijfdaagse van 10 t/m 15 december 2004 te Maarssen.

De demonen zijn los. Aanval, verdediging, haat, woede, moord en doodslag, marteling en verkrachting golven voort.
Wat heb ik ermee te maken? Ik, de enkele mens?
Maar ik behoor toch tot deze wereld.
Hoe?
Meegenomen op de golven?
Besef ik dat? Besef ik wat plaats heeft, in me en buiten me?
Ik schrik ...zoveel?

Terug naar je laten voortdrijven?
Dat kan ik niet meer.
Ik kan het niet vergeten.
Dus verdergaan.
Ik weet niet waar ik uitkom. Doet dat ertoe?

Voordat ik aan mijn onderzoek begon wel.
Ik wilde zekerheid in de baaierd van moord en doodslag.
Ik weet nu dat dat niet kan.
Klein en onmachtig moet ik verder.
Maar ik weet dat ik nu in de werkelijkheid sta, hoe die er ook uitziet.
Maarten Houtman

Verdwaald in het bekende #3
Een helende droom

Zondag 4 februari 2024

Het begon ermee dat ik die dag met een boos hoofd in m’n huis zat, alles wekte m’n wrevel op, niemand werd gespaard in mijn ‘particuliere’ wereld – tot ik tot m’n schrik besefte dat die ‘binnenwereld’ van mij natúúrlijk niet particulier kon zijn…
Klaaske was gaan slapen, maar toen ze na haar middagdutje binnenkwam, zat ze helemaal te trillen… 
En plotseling zag ik het verband.

De droom

Die nacht droomde ik dat ik voor een groep mensen mijn inzichten uiteenzette. Het moest wel iets met meditatie te maken hebben. En ik bedacht dat Klaaske – die er ook bij was – een opmerking had gemaakt, die het verhaal op diepte bracht.
Toen vroeg ik haar om dat nog eens te herhalen. Maar het nam de onrust in de groep niet weg – tot het een chaos werd, er kwamen nieuwe mensen binnen, er werd door elkaar gepraat… Ik voelde dat ik, ondanks een gevoel van relevantie, er geen vat meer op had.

We braken op. Maar er was één man, die naar me toe kwam en meer wilde horen, ook over mijzelf. We liepen de stad in voor een rondje langs mij bekende gelegenheden, die althans voor mij iets spannends hadden. Intussen had ik eigenlijk weinig te melden, wel dronk ik menig latte machiato.
En toen brak er in de ruimte waar we zaten plotseling een hondengevecht los, met een onbeschrijflijk kabaal en gekrijs. Mensen kwamen gillend overeind en probeerden buiten te komen. Mijn kompaan – die allang de trein had moeten halen – en ik renden de straat op, maar ook daar gingen de gevechten door.
Terwijl me dit allemaal overkwam, merkte ik allengs dat ik niet bang was – dat het als het ware buiten me gebeurde en ikzelf beschermd was.

Op zeker moment kwam ik aan de rand van de stad, buitenom en onderlangs, en begreep dan ik langs die weg naar huis moest proberen te komen.

Dat was de droom.

Dat is de eigenlijke tijdeloosheid, dat je komt bij die onbekende mens die al eeuwen peinst en af en toe van zich doet weten. Hoe kom je in de sfeer waar die mens in leeft – die over de wateren van de tijd heenkijkt en ziet waar je naartoe gaat. Die geen haast heeft, die beseft dat het maar om één ding gaat, en dat is volledigheid van beleving.
Maarten Houtman, Een gevoel waar het eigenlijk om gaat, Huissen december 1993
Hanna Mobach, De kom, 1978
Steengoed met veldspaat glazuur, 19x25cm
Alim Qasimov & Michel Godard – A Trace of Grace
Foto bovenaan: De Waalkade in Nijmegen bij zonsondergang (foto van het web).

Tai Chi in het buurthuis

Vanaf dit podium wordt ons de Tai Chi Chuan vorm geleerd. Beethoven let op de noten…

Het eerste wat me opviel in ons Tai Chi zaaltje in het Huis van de Buurt ‘Het Schouw’, aan het Dollardplein in Amsterdam Noord, was de wandplaat met het de kaart van Indonesië, met het eiland Java waarop Puwokerto ligt, de geboorteplaats van Maarten Houtman – alsof hij er in de geest bij zou zijn…

Maarten Houtman bij de viering van zijn 80e verjaardag.

Dat waren ook de gelegenheden waar Klaaske en ik Tai Chi leerde kennen: de vijfdaagse sessies van Maarten Houtman, waar Epi van de Pol tussen 1983 en 1992 de Tai chi lessen verzorgde en ons de vorm leerde. Daarnaast hebben we ook een aantal jaren zijn wekelijkse lessen gevolgd in Utrecht.
Epi’s enthousiasme werkte aanstekelijk, bij elke gelegenheid leerde hij ons stukje bij beetje opnieuw ‘de vorm’ – totdat die als één vloeiende beweging werd.
We hebben Epi vanaf de eerste sessie in Eefde mee mogen maken. Maarten – die hem kennelijk aan voelde komen – vroeg me hem bij de voordeur op te halen. Zijn lessen waren een plezier, de deelnemers volgden ze met graagte.
Maarten heeft Epi altijd de hemel in geprezen, hij voelde hoe intens de sfeer was als hij na afloop binnenkwam voor zijn toespraak en het gesprek. Tai Chi stond als aandachtsoefening voor hem op de bovenste rij zoals blijkt uit zijn toespraak Tai Chi van de geest.

Epi van de Pol geeft een demonstratie Tai Chi tijdens de viering van Maarten’s 80e verjaardag in het Damstede Lyceum in Amsterdam in 1998.
Onze huidige Tai Chi leraar Steffan, met Klaaske op de achtergrond.

Steffan noemt zichzelf een ‘circusartiest’. Dat prikt wel een beetje, als je zelf jarenlang Tai Chi hebt gedaan, maar nauwelijks meer op één been kan staan… Toen ik pas last van duizelingen had, bad ik een schietgebedje: ‘morgen geen Tai Chi alstublieft…’ Laat er die nacht nu een mailtje van hem binnenkomen, dat hij ziek was, geen Tai Chi…
Bij Steffan gaat de aandacht meer uit naar de vloeiende beweging dan naar de ‘vorm’.
Maar hoe dat afloopt zullen we niet weten, nu het Leger des Heils als werkgever op zijn levenspad is gekomen. Zijn collega Isabelle volgt hem op, bij haar ligt het accent op Qigong.

Als je je de vraag stelt – en ik denk dat iedereen zich die moet stellen – van ‘hoe kun je opmerken’, dan moet je beginnen met die gebieden die niet bedreigend zijn. Zo zou je dus Tai Chi bijvoorbeeld kunnen doen. Maar zodra je met Tai Chi iets probeert te bereiken, dan is het al weer mis. Als je dat van jezelf merkt, zou je dus terug moeten gaan naar eenvoudiger bewegingen, waar niks mee bereikt kan worden, wat je alleen maar kunt ervaren.
Maarten Houtman, Opmerken is een kunst, Eefde december 1989.

Verdwaald in het bekende #2

Over twee dromen, die me beide bij deze sessie-toespraak van Maarten Houtman deden uitkomen:

“Kun je bij de speler komen, die speler die je al zó ondenkbaar lang vergezelt. Die gedurig wacht op het moment dat jij je bewust gaat worden dat de touwtjes volgens welke je je beweegt, een centrum hebben van waaruit ze bediend worden. En dat je daarnaartoe afdaalt.”
Maarten Houtman, Een gevoel waar het eigenlijk om gaat

donderdag 7 oktober 2023

In de dagen ervoor waren herinneringen boven gekomen aan een reis die ik als scholier naar Zwitserland gemaakt had. Het was een echte een jongensdroom geweest, zeg maar een cadeautje van het leven. Hoewel er ook scherpe kantjes aan gezeten hadden.
Als je ontwaakt uit zo’n gelukzalige vakantieherinnering – kan die zomaar in een boze droom eindigen. En je vraagt je af: wat is nu mijn werkelijke leven…
Want aan het eind van die nacht begon alle materie, waar je normaal je huis op bouwt als op vaste grond, te vervluchtigen in een nachtmerrie – waar, in een geweldsspiraal die op angst gebaseerd is, alles in alles overging; waarbij elk vertrouwen ontbreekt. Alles veranderde voortdurend in z’n tegendeel, je raakt alles kwijt. Met als toppunt dat je je telefoon, je life line, kwijt bent – en aan een ander vragen om te kunnen bellen, heeft geen zin, niemand lijkt betrouwbaar, de wereld ontglipt je – tot ze zich tegen jou begint te keren. Mensen ruiken je angst en verwarring, je totale afhankelijkheid. Voordat je het weet storten ze zich op jou als een verward, kwetsbaar wezen. En dan gaat het grote gericht beginnen, de executie door de massa, die je vertrapt als een insect…

Dit alles overkwam me in de nacht vóór de 7e oktober – toen de berichten van de bloedige aanslag op Israël binnendruppelden. Mijn nachtmerrie bleek werkelijkheid geworden te zijn…

maandag 8 januari 204

De avond ervoor was spontaan deze vraag in me opgekomen: Hoe kun je bij de kraamkamer komen van het geweld dat in je huist? Dat is de vraag. Die broedplaats waar de woorden gemunt worden waarmee je de wereld te lijf gaat. Hoe kun je de duistere kant van jezelf verkennen?

En die nacht werd ik door een droom overvallen, die me rechtstreeks die ‘kraamkamer’ leek binnen te voeren...

Ik droomde dat ik weg was gelopen bij een sessie van Maarten Houtman – ik liet alles in de steek, alles wat op me lag te wachten en wat voor mij klaar lag liet ik achter me. Ik zweeg. En het was alsof er iets in me dichttrok. En tegelijk wist ik dat het een verraad aan mijn diepste wezen was…
En toen bevond ik me plotseling te midden van een spotzieke menigte, die me aan alle kanten tartte en uitdaagde. Maar ik was m’n hele rol kwijt, ik kon niet meer uitstijgen boven het speelbal zijn en kende geen geloof, geen richting – ik liep over van onwaarachtigheid. En de menigte voelde dat feilloos aan, ze daagde me uit en bedreigde me nu en dan. Ook ik neigde tot geweld – maar begreep tegelijkertijd dat ik totaal machteloos was. En hoewel de menigte zich aan alle kanten opdrong, kwam het niet echt tot geweld.
Maar ik was onbeschermd.
Toen ik wakker werd, tolden de beelden nog door me heen, het gevoel dat het ‘maar een droom’ was geweest bracht geen redding. Toch voelde ik diepweg, vanuit een verre herinnering, dat die bescherming er wel was, dat ik me er alleen maar aan hoefde hoefde toe te vertrouwen.

“Want leed hoort natuurlijk bij de opgave van je leven. Het hoort erbij. En je wordt in je leven gekarnd, totdat je beseft dat je niet alleen die materie bent die gekarnd wordt, maar dat er iets is wat jou karnt. En dat je je daarin begeeft. Zodat de eigenlijke beweging tot je doordringt, en je niet alleen maar die zich traag verzettende materie blijft, die gekarnd wórdt.”
Maarten Houtman, Een gevoel waar het eigenlijk om gaat
WAT VOORAF GING:
Verdwaald in het bekende #1

Automania #3 | NV-GH-73| Het tweedehandsje

“Komt er soms een lamp, om onder de korenmaat of onder de rustbank gezet te worden of juist om op de standaard te worden geplaatst? Niets is verborgen dat niet openbaar gemaakt zal worden; en niets is geheim dat niet aan het licht zal komen. Als iemand oren heeft om te horen, hij luistere.”
Marcus 4, 21

Het begon eigenlijk allemaal bij Hanna Mobach, die – bijbelvast als ze was – Klaaske en mij soms streng toespraak en zei dat wij ‘ons licht onder de korenmaat plaatsten’…
En ze stond ons bij met raad en daad, om ons uit ons holletje te krijgen.
Toen ze hoorde dat ik overwoog een auto over te nemen, zei ze gelijk: “Het is veel te lang geleden dat je gereden hebt, ga eerst bij mij maar een paar proeflessen nemen.”
En zo reed ik achter het stuur van haar Renault Kango voor het eerst weer door de Amsterdamse dreven.

Hanna zorgde er ook voor dat ik als woonbootbewoner, met mijn studio aan de Jisperveldstraat weer vaste voet aan wal kregen. Zo reed ik niet lang daarna dagelijks met mijn auto op en neer door de IJtunnel, van de Binnenkant naar Amsterdam-Noord.

Een paar jaar later kochten we de flat op de Elpermeer en woonden beiden in Noord. Met vlak om de hoek de levensaders, de energiebanen waarlangs auto’s in een onophoudelijke stroom voorbijschieten – de eeuwig swingende snelwegen van deze aarde.

Wie ontkomt er aan die magie…
Toen ik op m’n 18e direct m’n rijbewijs haalde – ik kende Klaaske net – leek een wereld van onbegrensde vrijheid en van avontuur onder bereik.
Mijn vader gaf toen al gelijk aan dat daar grenzen aan zijn, ik mocht alleen onder zijn toezicht in zijn auto rijden … niet harder dan 80!
Ik vond het wel een beetje kinderachtig, maar ik kon diepweg zijn bezorgdheid begrijpen. En zo bleef autorijden een testcase.

Foto bovenaan: Klaaske bij de NV-GH-73 in de Franse Jura.

Het volgende autohoofdstuk kon pas beginnen, nadat ik volledig ‘ingeburgerd’ was in deze maatschappij en het inkomen had van een full time baan.
En zo toog ik op 10 november 1997 (de datum op het kentekenbewijs) met Maarten Houtman – die me op allerlei wijzen bijstond, sinds ik hem in 1981 leerde kennen – naar de Aambeeldstraat in Amsterdam-Noord, naar de vestiging van zijn Renault dealer. Die had hij me aanbevolen als betrouwbaar adres voor de aanschaf van een tweedehands auto. Daar waren Klaaske en ik wel aan toe, na die afdankertjes van onze familie…
Na ter plaatse het aanbod bekeken te hebben, zagen we uiteindelijk op het dak van de garage de Clio staan, waar de keuze op viel: een grijs chassis, met als kenteken NV-GH-73.
En zo kwam het dat ik even later, met Maarten als passagier, de ringweg A10 opdraaide om me in het verkeer te voegen.
“Nou, dat valt me mee…,” was zijn commentaar, toen hij zag hoe ik dat deed…
Daar keek ik natuurlijk wel even van op. Maar ik voelde me niet aangevallen, het was duidelijk dat hij me erop attent maakte dat ik een zekere onberekenbaarheid in me had, waardoor je niet wist hoe zoiets zou uitpakken. Dat moet mijn ingehouden gedrag geweest zijn, dat hem eerder het commentaar ontlokt had: “Jij bent niet secondair, je bent tertiair…” 
Je zou kunnen zeggen: er was bij mij sprake van een zekere remming. En ja, als die rem er dan in het verkeer plotseling af gaat… De risico’s zijn daar nu eenmaal groter, meer zichtbaar althans, dan in het menselijke verkeer.

Maar dat viel Maarten dus mee. Mijn onstuimigheid had ook bij Klaaske enige twijfel gezaaid, zei ze me nog onlangs. En die keten is nog langer, aan het begin ervan stond dus mijn vader…   
Zo bleek de auto van meet af aan óók een voertuig van zelfonthulling te zijn – naar mijzelf en mutatis mutandis naar anderen. 

Terug naar de weg – die al spoedig leidde naar onze favoriete vakantiebestemming: Frankrijk.
In Baume-de-Messieurs, in de Franse Jura, bezochten we een spectaculaire grot, de Cascade des tufs.

Toen we weer buiten kwamen, zagen we een inktzwarte lucht. ‘Direct naar de auto’, was het eerste instinct. Maar die bleek slechts beperkte bescherming te bieden… Hagelstenen zo groot als knikkers sloegen boven ons op het dak. Als de ruiten maar houden…, was onze grote schrik. Maar die bleven als door een wonder gespaard. Al zat het dak na afloop dan vol putjes. Toen we daar wegreden, zagen we om ons heen allemaal verbrijzelde autoruiten – wellicht had ons oude model, met z’n bijna loodrechte ramen, ons gered – wee al die Fransen, met hun panoramische ruiten… Toen we later weer door de campagne reden, zagen we ook daar een spoor van vernieling: ontbladerde bomen, platgeslagen gewas…

De autosleutels laten het formaat van de hagelstenen zien.

Terwijl je gaat ontstaat de weg

“De weg is eigenlijk alleen maar een richting. Het is geen weg die er al is, hij ontstaat achter je als het ware. Terwijl je gaat ontstaat de weg. Dat is het eigenlijk, hij is er niet, maar door jouw eigen richting ontstaat er een weg.
Dat is een heel groot wonder. Je ontdekt de samenhangen door te leven, niet door erover te fantaseren, maar door te leven. En in dat leven kan het gebeuren.”
Maarten Houtman, De innerlijke reis, Vijfdaagse juli 1993, vrijdagavond

Dat het gevoel van richting bij ons een bijna instinctief gegeven is, daar ben ik onlangs hard mee geconfronteerd toen ik een beschadiging aan mijn visuele cortex opliep door een infarct en ontdekte dat ik sindsdien m’n interne ‘kaart’ kwijt ben. Klaaske heeft me toen met veel geduld bij de hand genomen, om zelfs zogenaamd ‘bekende’ weggetjes weer leren lopen.

Daar is een opmerkelijke parallel het eindeloze geduld waarmee Maarten Houtman ons tijdens sessies in de jaren negentig, geleerd heeft onze weg in ons lichaam te vinden. Hij nam toen elke avond de Taoïstische energie-oefening met ons door – waarbij hij zijn inmiddels allang op de band opgenomen instructie daarvoor, ‘life’ met ons doornam. Alle betrokkenen namen het intussen op hun eigen wijze tot zich: sommigen zaten, anderen lagen, menigeen viel in slaap… “Geeft niks, joh, je vangt het wel op, het komt wel in je bewustzijn binnen,” zei hij dan. Zo werd ons toegestaan slapend onze weg in ons lichaam te vinden – tot we het wel konden dromen…