Dichters & Denkers
Zhuangzi is na de Daodejing het belangrijkste werk uit de daoïstische canon. Maar waar de Daodejing je aanspoort om het maatschappelijke leven de rug toe te keren, staan bij de Zhuangzi de wijzen midden in het sociale leven.
Arthur Eaton
Groene, 22 juli 2026 – verschenen in nr. 30

Het tijdperk van de ‘strijdende staten’ is een duistere periode in de Chinese geschiedenis. China – al heet het dan nog niet zo – is op dat moment een soort lappendeken van feodale leenstaten. In naam erkennen die nog het gezag van de Zhou-koning, maar de facto worden ze bestuurd door lokale vorsten. Onder hun bewind is er onophoudelijk terreur en oorlog.
Zhuang Zhou, die leefde in de 4e eeuw v.Chr., werkt in een lakboomtuin in de staat Song. In zo’n tuin wordt lak gemaakt uit hars om daarmee kunstwerken te vervaardigen. Meester Zhuang (‘Zhuang Zi’), zoals zijn vrienden hem noemen, leeft tussen de hoveniers en ambachtslui in een soort coöperatieve gemeenschap. In zijn vrije tijd werkt hij aan een boek met sprookjes, beschouwingen, tweespraken en mystieke gedichten. Het zal een caleidoscopisch werk worden: een van de belangrijkste boeken uit de Chinese literatuur. Een verzameling vertellingen over hoe je overeind blijft in een tijd van geweld en politieke onzekerheid.
Een nieuwe editie van de Zhuangzi – het boek van meester Zhuang – komt voor ons dus op het juiste moment. René Ransdorp, uit wiens nalatenschap deze nieuwe vertaling afkomstig is, leverde een kraakheldere versie af van dit daoïstische meesterwerk. Michel Dijkstra voorzag het manuscript van een fijn voorwoord, rijk aan context.
De periode van strijdende staten is naast een tijd van dood en verderf, ook een bloeiperiode van het Chinese denken. Onder de grote politieke druk ontstaan allerlei theorieën over rechtvaardigheid en goed bestuur, maar ook over fundamentelere zaken zoals de aard van de realiteit. Er ontspruiten, zogezegd, ‘honderd scholen’ in de filosofie, met uiteenlopende standpunten en ideeën. Confucianisten pleiten voor een terugkeer naar oude rituelen en tradities; mohisten voor een soort meritocratische communes; legalisten voor wet en vergelding; en daoisten, onder wie dus meester Zhuang, ontwikkelen ideeën over mystieke eenwording met het onzichtbare en onzegbare: de Weg, de dao (vroeger schreef je ‘tao’).
De dao is een verondersteld grondpatroon der dingen, een soort natuurlijk ritme in alles en iedereen. Klassiek Chinees denken beschrijft die beweeglijkheid vaak met begrippen als yin en yang, tegengestelde maar aanvullende tendensen, en ch’i: de vitale materie-energie waaruit alle verschijnselen bestaan.
De dao kan niet worden beschreven (daoïsten zijn mystici), maar wordt wel vergeleken met een rivier, of een onbewerkt stuk hout. De dao beweegt zich in alles, en daoïsten gaan er ook van uit dat de werkelijkheid altijd in beweging is: niets blijft hetzelfde. Uit die zienswijze volgt een ethiek en politiek: er zijn geen absolute waarden. Goed en kwaad zijn, net als yin en yang, relationeel. Iemand die zich committeert aan één zienswijze, of zichzelf of anderen probeert vast te leggen in een beschrijving, beweegt tegen de dao in.
Het ideaal van een wijs mens, iemand die de dao volgt, is dus iemand die oprecht, spontaan, vrijgevig en onthecht is. De kunst van leven ligt in eenvoud, niet-dominant handelen, met de dingen meebewegen, spel, en: de zachte krachten zullen zeker winnen op het eind. Daoïsten worden vaak beschreven als de eerste anarchisten.
De Zhuangzi is na de Daodejing het belangrijkste werk uit de daoïstische canon. Maar waar de Daodejing – van ‘oude meester’ Lao Zi – zijn boodschap verkondigt in vrome verzen (‘De weg die je kunt nemen, is niet de werkelijke weg/ de naam die je kunt noemen is niet de werkelijke naam’), knettert de tekst van meester Zhuang van de bamboelatjes. Het boek is duidelijk verwant aan dat van Lao Zi, maar de vorm is anders: de Zhuangzi is meerstemmig, grappig, fantastisch. Er zijn reusachtige vissen die in vogels veranderen, sprekende bomen en veel twistgesprekken met starre confucianisten. Sommige kenners denken dat delen van het boek ouder zijn dan de Daodejing.
En daar beginnen de moeilijkheden. Want er is nogal wat onduidelijkheid over het auteurschap en de datering van de Zhuangzi. Er zijn zelfs kenners – onder wie Michel Dijkstra in de inleiding bij deze editie – die in twijfel trekken of de meester en zijn lakboomtuin ooit echt hebben bestaan. Nu was wel al langer duidelijk dat Zhuang Zhou waarschijnlijk niet de auteur kon zijn van álle delen van het boek, maar de suggestie dat de gehele tekst niet door hem geschreven zou zijn, of dat hij zelfs een soort legende zou zijn geweest, gaat wel erg ver. De meester zelf zou er ongetwijfeld om hebben gegniffeld.
Zhuang Zhous kernboodschap laat zich zo samenvatten: de wijze mens identificeert zich niet met één standpunt, één ritueel of verhaal. Hij zoekt liever de lege plek in zichzelf op – de ‘duistere waterplaats’ – van waaruit zij de wervelstorm aan meningen en ideologieën in de wereld voorbij ziet trekken. Maar hoe vind je die stille plek? Door ‘het vasten van het hart’, dus door je af te stemmen op je eigen ware natuur en op die van een ander. Wie zijn geest leegmaakt, als een spiegel, ziet het oorspronkelijke ontwerp van alles, en kan zo meebewegen met de flux en flow van het bestaan. Maar wie ertegenin gaat, wie de ware weg negeert, stort zichzelf en zijn omgeving in diepe ellende.
De wereld van Zhuang Zhou was in beweging. Het was een tijd van oorlogen, ontwrichtende technologische verandering en instabiliteit. Hij zegt dus: als de wereld zo beweeglijk is, zo complex en vijandig, volstaan oude verhalen en conceptuele categorieën niet meer. Dan moeten we een open geest betrachten, en meebewegen met wat voorhanden is. Niemand weet werkelijk wat de juiste manier van leven is, niemand kan het je vertellen, en we doen er goed aan om het voor onszelf in het moment te bepalen. De reden dat er zoveel verhalen en personages in de Zhuangzivoorkomen, is dat hij ons voorbeelden wil aanreiken van hoe mensen reageren op hun omstandigheden.
De vertaling van Ransdorp is kloek: ‘Toen ik nog maar begon ossen te snijden’, vertelt een kok aan een koning, ‘zag ik niets anders dan ossen. Nu sta ik er in geestelijk contact mee en zie niet meer met mijn ogen: het zintuiglijke weten is stilgevallen en de strevingen van mijn geest zijn in beweging gekomen. Ik volg de natuurlijke lijnen, snij door de grote spleten en leid het mes door de grote holtes, me baserend op wat er feitelijk is. Aderen en pezen worden niet geraakt, laat staan de grote beenderen.’ Waarop de koning zegt: ‘Voortreffelijk! Nu ik de woorden van de kok gehoord heb, vat ik hoe men het leven voedt.’
Hoe revolutionair: de kok toont de koning hoe te leven. Maak je geest leeg en werk met wat er is. De wijsheid ligt dus niet bij filosofen en politici, maar bij de handwerkers en kunstenaars. Ze keren de sociale wereld niet de rug toe, maar zijn er ook niet door gevangen. Er wordt wel gezegd dat Zhuang Zhou een quiëtist was, iemand die het wereldse verwerpt, maar dat klopt niet helemaal. In de Daodejing van Lao Zi klinkt veel sterker het ideaal door van terugtrekking, eenvoud en niet-ingrijpen. Dat is een tekst die je aanspoort om het maatschappelijke leven de rug toe te keren en je terug te trekken in een commune op het land. Dat zie je niet terug in de Zhuangzi. De wijzen staan daar midden in het sociale leven.
Toch is er één bezwaar aan deze nieuwe editie: er ís al een erg mooie vertaling, met uitstekende inleiding, van wijlen Kristofer Schipper. Bovendien bevat Schippers versie meer verhalen. Deze nieuwe uitgave van Dijkstra en Ransdorp beperkt zich tot de ‘innerlijke hoofdstukken’. Traditioneel werd gedacht dat deze door de meester zelf waren geschreven, terwijl de andere hoofdstukken door latere volgelingen zouden zijn verzameld. Maar als onderzoekers nu betwijfelen of de meester überhaupt heeft bestaan, rijst des te sterker de vraag waarom je niet gewoon alle hoofdstukken zou opnemen. Dat lijkt mij het voornaamste probleem van deze nieuwe editie. Hoe dan ook: de vertaling van Ransdorp doet niet onder voor die van Schipper, en dat is op zich al een prestatie.
In een van de latere, apocriefe – niet in deze versie opgenomen – hoofdstukken, wordt verteld dat als Zhuang Zhou op sterven ligt, zijn leerlingen hem een uitbundige begrafenis willen bezorgen. Maar Zhuang Zhou zegt: ‘Ik zal de hemel en aarde hebben als mijn binnen- en buitenkist, de zon en maan als mijn jade schijven, de sterren als mijn parels en juwelen, en de tienduizend dingen als mijn weeklagers in de stoet. Zijn de benodigdheden voor mijn begrafenis dan niet al prima geregeld? Wat wil een mens nog meer?’ De leerlingen proberen nog: ‘We zijn bang dat de kraaien en wouwen u zullen opeten.’ Maar de meester besluit met: ‘Boven de grond word ik opgegeten door kraaien en wouwen, onder de grond door krekels en mieren. De een iets afpakken om het aan een ander te geven, is dat niet wat partijdig?
| EINDE |
