Hoe groter de technologische vooruitgang, hoe meer we lijden

| recensie

Door Hans Achterhuis op 2 april 2026 | Filosofie Magazine

Volgens de Frans-Tunesische denker Mehdi Belhaj Kacem hebben we God zelf gemaakt en leidt techniek tot eindeloos veel kwaad.

Mag je een boek bespreken waarvan je twee hoofdstukken nauwelijks gelezen hebt? Kun je iets positiefs zeggen over een tekst waarmee je het radicaal oneens bent? Durf je een recensie aan van een boek waarvan je de naam van de auteur niet kende voordat je het in handen kreeg?

Mijn antwoord is driewerf ‘ja’. Om met het laatste ‘ja’ te beginnen, het verbaasde me dat ik van Mehdi Belhaj Kacem nog nooit had gehoord, terwijl ik de Franse filosofie toch redelijk denk te volgen. Dat deze Frans-Tunesische denker in Parijs als cultfilosoof gevierd wordt, was mij echter totaal ontgaan. Korte afstemming met Nederlandse collega’s maakte mij duidelijk dat hij in ons land inderdaad onbekend is. Omdat ik getroffen werd door de grootsheid van zijn filosofisch systeem en omdat ik de denkers waarop Kacem zich beroept – in de eerste plaats Heidegger – redelijk meen te kennen, durfde ik een recensie aan.

Tegelijkertijd moet ik erkennen dat ik, ondanks mijn intensieve lectuur, twee hoofdstukken nauwelijks kon volgen. Ze zijn gebaseerd op een filmverhaal en een literaire tekst die ik niet kende en die niet helder worden weergegeven. Toch blijven deze hoofdstukken intrigeren. De film is Total recall van Paul Verhoeven en in mijn jonge jaren als docent zou ik graag de film met studenten hebben bekeken en het commentaar van Kacem hebben bediscussieerd.

Mijn derde en nog resterende twijfel bij deze recensie was hoe je omgaat met een tekst waarmee je het radicaal oneens bent. Het grootse filosofische systeem dat Kacem optuigt loopt uit op het type speculaties over de toekomst dat we ook van de techbro’s uit Silicon Valley kennen, waarin verondersteld wordt dat techniek grenzeloze mogelijkheden geeft. Het techno-optimisme van Silicon Valley krijgt bij Kacem echter de vorm van een apocalyptisch ondergangsgeloof. Bij beide interpretaties van de ontwikkeling van techniek voel ik mij niet thuis, maar Kacems benadering geeft meer stof tot denken en dus ook tot gefundeerde tegenspraak dan het posthumanistische geloof dat ons tegenwoordig uit de Verenigde Staten toewaait.

Mensen en dieren

Wat maakt God, techniek en alwetendheid ondanks de bezwaren zo aantrekkelijk? Met behulp van de uitstekende inleiding van vertaler Pieter Lemmens waag ik enkele opmerkingen erover. In de eerste plaats gaat het om de durf om in onze tijd van filosofische interpretaties van bestaande teksten een nieuwe wijsgerige weg in te slaan. In Kacems complexe denksysteem draait het om de verschillende manieren waarop de natuur door mensen en dieren wordt toegeëigend. Belangrijk is het verschil daartussen. Beide zijnswijzen moeten zich het bestaande toe-eigenen om te overleven en dat gaat altijd gepaard met dood en lijden als een soort betaling daarvoor. De menselijke toe-eigening gaat echter verder dan die van dieren, omdat mensen zich met behulp van techniek ook de wetmatigheden van de natuur kunnen toe-eigenen. Maar naarmate de techniek meer mogelijkheden geeft, wordt ook de prijs die we ervoor betalen in de vorm van dood en lijden hoger. In de mogelijkheden van techniek schuilt ook het fenomeen van het kwaad. Voor Kacem, die niet aarzelt om het christelijke begrip ‘erfzonde’ te gebruiken, houdt kwaad in dat de techniek mensen in staat stelt om elkaar ook niet-noodzakelijk, buitensporig lijden toe te brengen.

Meer A.I. op ShakingLife

God als technisch hoogstandje

Robotbaby van het bedrijf Babyclon, ontwikkeld voor educatieve doeleinden. Barcelona, 2022© Olivia Arthur / Magnum Photos / ANP
Ga onderaan naar pag. 2 , voor het voorwoord van de vertaler, dr. P.C. Lemmens.
Dichters & Denkers
God als technisch hoogstandje
Door technologie kan de mens alle kennis die hij door de eeuwen heen verzamelde buiten zichzelf bewaren. Wat wij altijd God hebben genoemd, is volgens de filosoof Mehdi Belhaj Kacem niets anders dan dit alwetende geheugen.
Tom Grosfeld
15 april 2026 – verschenen in De Groene, nr. 16

De ideeën die de Frans-Tunesische filosoof en schrijver Mehdi Belhaj Kacem (1973) uitwerkt in zijn essay God, techniek en alwetendheid laten je wekenlang verpletterd achter. De meest provocerende gedachte: wat we altijd God noemden is in wezen niets anders dan de technologie. Kacem is in Nederland amper bekend (dit is de eerste vertaling van zijn werk), maar wordt in Frankrijk al jaren gezien als een enfant terrible, punk- en cultfilosoof en groot denker, stelt filosoof Pieter Lemmens in de inleiding. Na bijna dertig jaar schrijven verscheen in 2020 zijn magnum opus Système du pléonectique, waarin hij zijn groots opgezette filosofische systeem ontvouwt. Ook dit essay, gebaseerd op een lezing die hij in 2016 hield, vertrekt vanuit bovenstaande gedachte.

Kacem opent zijn essay met een bespreking van de ‘traumatische structuur’ van het menselijke geheugen. Daarmee doelt hij op het gegeven dat de mens zijn geheugen (alle kennis die hij door de eeuwen heen verzamelde) heeft geëxternaliseerd, buiten zichzelf bewaart. Dit steeds totaler wordende, bijna alwetende technologische geheugen, ontstaan door talloze uitvindingen zoals het schrift, inkt, papier, de boekdrukkunst en de computer, is in alle opzichten superieur aan het biologische en dus beperkte individuele geheugen van de mens.

De exponentieel toenemende wanverhouding die ontstaat tussen beide geheugens valt de mens zwaar, als een trauma dat elke dag groter wordt. Dit trauma ligt volgens Kacem aan de basis van het lijden van de mens en specifiek de toename van steeds ernstigere geheugenstoornissen zoals dyslexie, autisme, schizofrenie, psychose, neurose en depressie. Wat deze pathologieën gemeen hebben, schrijft hij, is dat ze proberen een teveel aan geheugen te ‘reguleren’ door het te sluiten, zoals een obsessief persoon bijvoorbeeld doet door zich uitsluitend te concentreren op één onderdeel van zijn geheugen, en iemand die in waanzin verkeert zich juist laat meevoeren door alle mogelijke denksporen en kan ervaren dat hij in staat is tot een exacte, totale en profetische voorspelling van de gehele toekomst, of juist paranoïde wordt en alles ‘weet’ wat andere geheugens achter zijn rug om weten. Kacem laat zien dat ons geheugen niet zo natuurlijk en vanzelfsprekend is als we denken. Het is gemaakt, technisch en daarmee ook precair en potentieel ontwrichtend.

Het vermogen van de mens om zijn lijden onnodig en buitensporig te vergroten, waarvan bovenstaande pathologieën voorbeelden zijn, noemt Kacem het Kwaad. Omdat de mens in zijn diepste kern een technologisch wezen is, dat wil bij Kacem zeggen een wezen dat in staat is tot technologische virtuositeit (en zich zo’n beetje de hele natuur en de wetmatigheden achter het zijn kan toe-eigenen), is het Kwaad gegeven met de zijnswijze van de mens. Dat is, oneerbiedig samengevat in één zinnetje, waar het pleonectisch systeem (afgeleid van de Oud-Griekse uitdrukking pleon echein, ‘meer hebben’, in de zin van hebzucht) van Kacem op neerkomt: de menselijke technologische virtuositeit waardoor we ons materieel en cognitief oneindig veel meer konden toe-eigenen dan zelfs de intelligentste dieren zich ooit kunnen voorstellen.

Permanente technologische innovatie is in die zin geen specifiek kenmerk van onze tijd, zoals sommige (techniek)filosofen beweren, maar al zo’n dertig- tot veertigduizend jaar aan de gang. Wat wel typerend is voor ons tijdvak, of althans voor het ‘techno-wetenschappelijke tijdperk van de pleonectiek’, is dat de mogelijkheden tot toe-eigening werkelijk onbeperkt worden. De mens neemt vandaag de dag op terminale wijze de gehele aardse gemeenschap over.

Maar niet alleen laat de ‘beloning’ van deze permanente innovatie, die een intensiteit en snelheid heeft bereikt die nooit is geëvenaard, nog altijd op zich wachten, schrijft Kacem, ze leidt ook onherroepelijk tot de exponentiële toename van buitensporig lijden – van de pest en cholera tot schizofrenie en autisme, van oorlog en marteling tot dakloosheid en armoede – dat voor ons nooit heeft bestaan. Toe-eigening gaat dus onherroepelijk gepaard met onteigening. Hoe meer herinneringen we ons toe-eigenen, hoe kwetsbaarder we worden. De externalisering en archivering van kennis die door techniek mogelijk is gemaakt is als een pharmakon, zowel gif als medicijn, zowel verrijkend als verwoestend.

En dan wordt het nu tijd om God erbij te halen. Wat is het idee van God? Volgens Kacem een volledig geheugen, een totale communicatie van alle informatie en kennis van wat is, geweest is en zal zijn, zonder beperkingen. Het idee van God wil een oplossing bieden voor de eindigheid van het menselijk geheugen. Vandaar zijn hypothese: wat als datgene wat we altijd God hebben genoemd de technologie zelf is?

Laat er geen misverstand over bestaan, schrijft Kacem, ‘ik formuleer hier niet de gangbare “prometheïsche” hypothese dat de mens, bedwelmd door zijn technologische macht, zichzelf uiteindelijk “voor God houdt”. Mijn stelling is veel radicaler. Ik stel dat datgene wat we altijd en overal, waar dan ook, in welke formulering dan ook, “God” hebben genoemd, niets anders is dan de technologie of preciezer gezegd: de technowetenschap. God kan om volledig aantoonbare redenen niets anders zijn, wat gelovigen, fideïsten en fundamentalisten van welke strekking er ook van vinden.’

Volgens Kacem kunnen alle predicaten die we altijd hebben toegeschreven ‘aan die ongrijpbare entiteit die we God noemen’, in ieder geval in theorie worden toegepast op de Technologie: een totaal geheugen, alwetendheid, almacht en, waarom niet, onsterfelijkheid en eeuwigheid. Zo’n onsterfelijke, eeuwige machine behoort niet alleen tot de orde van het mogelijke, maar zelfs tot die van het aannemelijke, schrijft hij. ‘De materialisering van dit totale geheugen ligt vandaag de dag binnen handbereik.’

God, het project van de mensheid, is met andere woorden bezig zichzelf te verwerkelijken. Hij wordt steen voor steen gebouwd, als de totaliteit van alle technische geheugens, en wij zijn allemaal zijn arbeiders. Leuke voetnoot: alleen al het idee van God zou, naast zo veel andere dingen, nooit in ons opgekomen zijn als we niet het dier van techno-mnemonische (technieken die het geheugen externaliseren en uitbreiden, zoals het schrift, computers, internet) virtuositeit waren, schrijft Kacem. ‘De intuïtie van God hebben we volledig te danken aan het technologische wonder dat ons lang geleden overkwam.’

Kacem richt zijn vizier in de tweede helft van zijn essay op het transhumanisme, de stroming die de koppeling tussen technowetenschap en God het dichtst benadert. Natuurlijk zeggen de transhumanisten van Silicon Valley (en inmiddels de meer mainstream programmeurs die aan een soort goddelijke kunstmatige intelligentie bouwen, zeg ik erbij) niet openlijk dat ze van plan zijn om God te maken, schrijft Kacem. ‘Een wetenschapper uit Silicon Valley die letterlijk zou zeggen wat hun ideologie in onzichtbare inkt zegt, namelijk God = technologie, zou waarschijnlijk zijn carrière in gevaar brengen.’

Toch is dat de transhumanistische hypothese: wij topwetenschappers kunnen God creëren, een superintelligentie, een supergeheugen, een entiteit die onsterfelijk en eeuwig is, almachtig en alwetend. Om dit gedachtegoed verder te detailleren voert Kacem de twintigste-eeuwse pater-filosoof Teilhard de Chardin op, de eigenlijke (niet erkende) grondlegger van het (zogenaamd atheïstische) transhumanisme. Deze denker interpreteerde het darwinisme, de geschiedenis van de evolutie van de soorten, als zeer lange voorbereiding op het ontstaan van de mens, die op zijn beurt weer uitsluitend op aarde zou zijn om (een technologische) God voor te bereiden.

Kacem sluit niet uit dat het de transhumanisten op een dag zal lukken, er zijn wel gekkere dingen gebeurd. En de mens blijft nu eenmaal een technologisch dier, in staat tot het volbrengen van wonderen. Dat zou wel betekenen dat we afkoersen op een wereld zonder mens. De eeuwigheid, onsterfelijkheid en eindigheid waar transhumanisten zo in geloven hebben enkel betrekking op de machine. Voor ons bestaat er geen dingmatige eeuwigheid. Toch blijven we innoveren en ernaar toewerken. We kunnen niet anders.

Net wanneer Kacem zich wel heel nadrukkelijk lijkt te voegen bij de traditie van het apocalyptisch ondergangsdenken dat zo kenmerkend is voor Silicon Valley, maakt hij, behoorlijk subtiel, duidelijk dat hij geen transhumanist in vermomming is, maar de mensheid juist probeert te behoeden voor dit toekomstscenario (en nee, niet door méér techniek of méér AI). Of misschien wil hij ons er alleen op attenderen. Ook goed. Alleen vraagt hij zich af: hopen we werkelijk dat we de macht van Silicon Valley kunnen beperken door aan ethiek te doen? ‘Daarmee zouden we de mensheid vragen niet langer na te streven wat ze altijd al boven alles heeft nagestreefd. Het is de ontologische machinerie van de pleonectiek.’ We weten niet hoe we deze manier van zijn kunnen beteugelen, onderbreken. We weten niet beter of de technologie is het instrumentarium voor onze hyper-toe-eigening. Dat is waarom alles soms zo onvermijdelijk voelt, waarom het fatalisme geneigd is de overhand te nemen. Dit is wie we zijn als mens. De machine draait op volle toeren.

Meer A.I. op ShakingLife

De Sterrenhemel van Bezem

Voordat ik Marinus Bezem  conceptueel aan het woord laat, eerst mijn eigen verhaal – dat eigenlijk het verhaal van Icarus is. Al zocht ik het niet de hoge hemel, maar bezocht ik een berg van acht meter hoog, hier in de buurt.

Overmoedig stormde ik het vertrouwde klinkerpaadje op, op weg naar de top – die bekroond wordt met het monument van Marinus Bezem.
Vroeger was die beklimming voor mij een makkie, daar draaide ik m’n hand niet voor om. Maar nu leek het handen- en voetenwerk te worden – tot ik halverwege omkeerde en meer glijdend dan stappend, eerder wankelend, aan de afdaling begon, met grote moeite mijn evenwicht bewarend. Ik voelde me een neerstortende Icarus, die van Brueghel, met de voortploegende boer op de voorgrond, als symbool van een onverschillige wereld.
Maar wat mij overkwam was precies het tegendeel daarvan: toen ik toch nog zonder ongelukken beneden aan belandde, stond daar als door een wonder bij de voet van het pad een klein jongetje – dat me met ernstige ogen aankeek en zei: “Oppassen…!”

Sterrenhemel

“Even achterover leunen en genieten van de sterrenhemel. Daar lijkt dit kunstwerk van Marinus Boezem een uitnodiging toe. In de figuurlijke zin dan, want liggen op een stoel van graniet is verre van comfortabel. Wie vergeten is waar de sterren zich bevinden: de sokkel toont een kaart van de Melkweg en Noordelijke sterrenhemel.”

Klik rechtsboven op afbeeldingen om ze te vergroten.

“Het Observatorium ligt acht meter boven parkniveau en is bereikbaar via een pad van klinkers. De granieten stoel vertoont gelijkenis met de ‘Chaisse Longue’ van de beroemde architect Le Corbusier. Niet vreemd in een wijk die geïnspireerd is op de moderne architectuur, waar Le Corbusier de grondlegger van was. Elementen zoals licht, lucht en beweging zijn leidende motieven in het werk van Marinus Boezem. Andere fascinaties zijn het heelal en gotische kathedralen. Het zijn metaforen voor het verlangen van de mens om in aanraking te komen met het goddelijke.”

“Als je het geluid van de A10 wegdenkt”



De Bossche plastische getallen

Bovenaan:
De pleiners op het terras van Multivlaai, v.l.n.r. Klaaske, Casta, Hans (foto Hein).

Onlangs raakte ik in gesprek met Hans Schotman op het Buikslotermeerplein, waar Klaaske en ik een ijsje zaten te eten op het terras van Multivlaai. Het ging over de Emmaüs Priorij in Maarssen, waar ik net net over aan ‘t schrijven ben, i.v.m. de vijfdaagse meditatie sessie, die Maarten Houtman daar in juli 2001 hield.
We kregen het over de architectuur van het klooster, dat gebouwd is in de stijl van de Bossche School. De menselijk maat is daarin leidend bij de getalsverhoudingen van de architectuur. Le Corbusier was daar ook een prominent voorbeeld van.
Na afloop stuurde Hans me uitvoerige documentatie over Le Corbusier en de Bossche school, zie onderaan.

“Priorij Emmaus was een klooster van de Kanunnikessen van het Heilig Graf in Maarssen in Nederlandse provincie Utrecht. Deze rooms-katholieke orde kocht in 1957 de zeventiende-eeuwse buitenplaats Doornburgh.
Enkele jaren later liet de orde door Jan de Jong, leerling van Dom van der Laan, achter het landhuis, bij de Vecht, een priorij met pandhof bouwen. Het ontwerp was in de stijl van de Bossche School. Het nieuwe klooster werd in 1966 ingewijd door kardinaal Alfrink. Het 17e-eeuwse buitenhuis Doornburgh werd sindsdien gebruikt als gastenhuis.”
Wikipedia
Afbeeldingen vergroten door rechtsboven te klikken.

De Emmaüs Priorij is altijd nauw verbonden geweest met het werk van Maarten Houtman. In de jaren zeventig van de vorige eeuw begon hij, met steun van Zr. Willibrord , de priores, daar met zijn groepen, waar ook inwonende zusters aan deel namen. Tot 2005 organiseerde Maarten maandelijkse groepsbijeenkomsten en meerdaagse sessies, die gehouden werden in de Kappittelzaal van het Klooster. Bij de lange sessies logeerden de deelnemers in de ‘Doornburgh’:

Doornburgh is een aan de rivier de Vecht gelegen 17e-eeuwse buitenplaats in het dorp Maarssen. Het huis is tezamen met onder meer het eromheen gelegen park, de toegangshekken, een timmermanswoning, een koetshuis en een ijskelder erkend als rijksmonument. Sinds 2017 wordt Doornburgh getransformeerd tot buitenplaats voor kunst en wetenschap.” (Wikipedia).  
Afbeeldingen vergroten door rechtsboven te klikken.

Hierboven nog wat plaatjes van de priorij.

Hans vertelde me over de verhoudingsgetallen, waar de architectuur van de van de Bossche School op gebaseerd is. Zoals trouwens ook bij Le Corbusier, bij wie Hans in Berlijn werkzaam geweest is, Casta en hij hebben daar toen enige jaren gewoond. Hij beloofde me documentatie toe te sturen over de architectonische verhoudingsgetallen, hieronder zie je het resultaat.



1. Le Corbusier

Le Corbusier, geboren als Charles-Edouard Jeanneret in 1887, was een Zwitserse en Franse architect. Hij nam zijn naam aan op 33-jarige leeftijd, gebaseerd op Lecorbesier, een naam uit zijn voorgeschiedenis. Hij was een van de sterkste voorstanders van de toepassing van Phi in het dagelijks leven. Aanvankelijk was hij sterk tegen het idee, maar nadat hij het grondiger had bestudeerd, raakte hij gefascineerd door het concept. Hij was al lange tijd geïnteresseerd in een basisstructuur in de kunst. Zijn interesse in de kunsten werd van jongs af aan gestimuleerd door muzikale opleiding.

Pythagoras was gedurende zijn leven zeer geïnteresseerd in harmonie die in wiskundige interesse werd gevonden. Le Corbusier deelde deze interesse. Hij wilde “een harmonische maat bieden voor de menselijke schaal, universeel toepasbaar op architectuur en mechanica.” Op het moment dat hij dit bestudeerde, werd ander werk over proportionele systemen breed beoordeeld. Het was een tijd waarin het idee dat wiskunde ingewikkelde dingen kon oplossen steeds meer geaccepteerd werd. In 1951 organiseerde de Milan Triennale een internationale bijeenkomst over proporties, en Le Corbusier werd gekozen als voorzitter.

Le Corbusiers zoektocht naar een proportioneel systeem om harmonie te creëren resulteerde in de Modulor tussen 1943 en 1955.

Modulor

De Modulor leek op de Vitruvian Man in de zin dat ze allebei met menselijke proporties te maken hadden. In een deel van het systeem werd een (schaal) man van zes voet hoog met een arm opgeheven tot 2,15 meter in een vierkant geplaatst. De hoogte van zijn navel was een gouden deel van zijn lengte. Ook stond de hoogte van de uitgestrekte arm in een gouden relatie met de hoogte van de pols die naar beneden hing.

Het Modulor-systeem was gebaseerd op de Fibonacci-serie. Het doel was om “overal de menselijke schaal te behouden.” In 1952 werd het gebouw Unite d’ in Marseille voltooid, volledig gebaseerd op de Modulor. Le Corbusier geloofde dat het harmonie kon brengen aan alles, van deurklinken en kasten tot gebouwen en andere stedelijke ruimtes.

Hij publiceerde Le Modulor in 1948 en Modulor II in 1955, wat aandacht trok van architectuurkringen en werd opgenomen in elke discussie over proportie. Het systeem is tegenwoordig terug te zien in de architectuur van de moderne Le Corbusier-appartementen.

In 1946 schonk hij Modulor aan Albert Einstein. Einstein zei: “Het is een schaal van proporties die het slechte moeilijk maakt en het goede makkelijk.”

Afbeeldingen vergroten door rechtsboven te klikken.

2. Dom van der Laan: Het plastische getal

Het plastische getal is bedacht door Dom Hans van der Laan (1904-1991).
Pater van der Laan studeerde architectuur bij professor Grandpré-Molière in Delft. In 1927 werd hij monnik in Oosterhout. In 1968 kwam hij naar de abdij van Vaals, waar hij op 19 augustus 1991 is gestorven.
Samen met zijn broer Nico gaf hij van 1945 tot 1973 een cursus “Kerkelijke architectuur”, die de herontdekking beoogde van de maatstaven en grondslagen van echte architectuur.

De abdijkerk van Vaals is de eerste rijpe vrucht van dit werk: een indrukwekkend geheel, bestaande uit bovenkerk, crypte en atrium, dat in 1968 voltooid werd. Sindsdien heeft Pater van der Laan verschillende andere kloosters gebouwd, alsook een privé-huis. In 1977 publiceerde hij zijn levenswerk “De architectonische ruimte”. Pater van der Laan heeft gezocht naar een systeem van maten met algemene geldigheid.

In tegenstelling tot de gulden snede, is het plastisch getal zowel in 2d als in 3d gerelateerd.

Van der Laan was niet geïnteresseerd in de afmetingen van de ruimtes zelf, maar in wat de verhouding tussen de afmetingen teweeg bracht bij de mens.
Hij maakte daarbij ook gebruik van andere verhoudingen dan de gulden snede, zoals 3 : 4, 4 : 7, 3 : 7 en 1 : 7, verhoudingen die we al terug vinden bij Romeinse bouwmeesters en die de mens herkent als volmaakt, omdat deze maten terug te vinden zijn in de natuur.

De kloosterkerk van Sint-Benedictusberg nabij Vaals in Zuid-Limburg. Aan beide zijden van de kerk is een galerij met 8 openingen met daarboven 14 ramen.
Hierdoor ontstaat de verhouding 8 : 14 = 4 : 7 (zie boven).

De plastische verdeling van een lijnstuk levert de twee nodige betrekkingen breedte/ hoogte= l/p en hoogte/ diepte= p/p^2 met l+p+p^2=p^5.

De term p kunnen we lezen als het plastische getal. Bij het oplossen van deze vergelijking geldt dat p gelijk is aan 1,324718.

Bij het beschouwen van ruimte zijn twee aspecten van belang. Namelijk het zien (de waarneming van de mens) en ons verstand (we maken er ons een voorstelling van). Dom Hans van der Laan zegt dat ruimte door de waarnemer beoordeeld wordt door zijn begrenzingen te meten, om zo inzicht te krijgen van de grootte van de ruimte. Dit meten is de manier waarop de mens van nature kennis neemt van zijn omgeving. Dat tellen gebeurt in eenheden van vergelijkbare grootte. Dom Hans van der Laan verwoordt deze eenheden met het begrip “type van grootte”. Dit begrip heeft geleid tot de totstandkoming van het stelsel van groottes en hun onderlinge verhouding volgens het plastische getal. Dit stelsel is gebaseerd op een reeks grootten, waarbij de verhouding tussen de termen van deze reeks constant is. In het geval van het plastische getal leverdt dit de meetkundige rij op met de acht lengte: 1, p, p^2, p^3, p^4, p^5, p^6 en p^7

Studies en voorbeelden van toepassingen van het plastische getal:

Meer informatie over de Sint-Benedictusberg op benedictusberg.nl


‘Verrijzenis Kerk’ in Enschede
waar Hans het altaar ontwierp

Afbeeldingen vergroten door rechtsboven te klikken.

De Verrijzeniskerk in Enschede is een moderne kerk uit 1967 van architect ir. Joh.H.Sluymer en ir. A. Middelhoek. Het gebouw is in gebruik geweest om zowel een protestantse kerk te huisvesten, als een katholieke geloofsgemeenschap. In het pand is ook een stiltekapel die dagelijks open is om even binnen te lopen.

Beeldenstorm

Bovenaan:
Hanna voor één van de reusachtige doeken op de tentoonstelling.

Juli 2012 toog ik met Hanna Mobach naar de Documenta in Kassel – toevallig zag ik dat ik daar op het Zenalsleefwijze Blog een stukje over geschreven had, dat ik hierbij presenteer op ShakingLife. Zie ook het hier eerder verschenen  Ai Wei Wei,  Beijing/Berlijn. 
Klik afb. rechtsboven voor vergroting

Enkele nabeelden van de 13e Documenta

Uit: Zen als leefwijze blog, 8 augustus 2012

We leven in een wereld van beelden, beelden die zich in ons vastzetten als meningen, principes, idealen en wereldbeschouwingen. En we koesteren het wereldbeeld dat we hebben en zijn bereid te vechten voor onze ver-beelding van de werkelijkheid, voor onze heilige huisjes …

Maar ook al zijn we in die zin ‘fundamentalisten’, soms kunnen we, ronddwalend in ons vertrouwde landschap, even zien hoezeer al die beelden onze horizont vervuilen en haast geen ruimte meer laten om waar te nemen – en we smachten naar de openheid van een nieuwe, onbelaste wereld …

Als je een aantal dagen rondloopt op de Documenta, de vijfjaarlijkse kunstmanifestatie in Kassel, word je natuurlijk overstelpt met nieuwe beelden. Onwillekeurig ga je op zoek naar beelden die niet toevoegen aan het bekende, maar een bevrijdende werking hebben …

De 13e aflevering van Documenta speelt zich niet alleen in Kassel af, maar wordt ‘fysiek en conceptueel’ ook op een aantal andere locaties gehouden, met name in Afganistan. Daarbij is de blik gericht op de omstandigheden waaronder kunstenaars werken. Kaboel en Bamiyan spelen daarin een centrale rol, “omdat kunstenaars hier, naast een toestand van hoop, veelvuldig een staat van beleg ervaren, samen met terugtrekking en blootstelling.”

Het gebeuren in Bamiyan, waar de Taliban in 2001 twee monumentale zesde-eeuwse zandstenen boeddha’s opbliezen, heeft destijds diepe indruk op me gemaakt. Het was het jaar waarin ook die andere tweevoudige beeldenstorm plaatsvond …

In het (kunst)klimaat dat door de tentoonstellingsmakers is geschapen, voltrekt zich een omkering van het beeld van het Afganistan dat zich de laatste decennia in je vastgelegd heeft: het land van de krijgs’heren’, van verdeeldheid en haat, voor een aanzienlijk deel door buitenlandse inmenging gezaaid, van islamitische cultuurbarbarij en vrouwenonderdrukking. Je merkt dat er nog iets heel anders bestaat dan politiek en oorlogsgeweld, dat er mensen leven die zich op hun situatie bezinnen en aan die reflectie uitdrukking proberen te geven. Waarmee ze tevens de boodschap afgeven dat ze de bewoners zijn van een land dat – in een historische context van voortdurend wisselende rijken en beschavingen – een onvoorstelbaar rijke culturele traditie kent. En dat laat je niet onberoerd, gaandeweg onstaat er een gevoel van verbondenheid met de bewoners van deze verdoemde plaats – waar je je allang voor afgesloten had.

De Documenta locatie ‘Ehemaliges Elisabeth Krankenhaus’ is geheel door Afgaanse kunstenaars ingericht. Daar heeft Zainab Haidary de muren van vrolijke, kleurrijke bloemschilderingen voorzien – om haar schilderingen vervolgens symbolisch grotendeels met bruine muurverf te bedekken …


In het Fridericianum, de hoofdvestiging van de Documenta in Kassel, zijn beelden te zien van steenhouwers die in de grotten van de Bamiyan vallei opgeleid worden voor het vele herstelwerk wat nog te doen is. Het zijn beelden die een groot optimisme uitstralen …

Een van degenen die zich ter plekke daarvoor ingezet hebben is Michael Rakowitz, een Amerikaan met joods-irakese wortels. Er is een zaal gereserveerd voor zijn What Dust Will Rise’een project waarin hij in metaforische zin de wonden van de geschiedenis tracht te helen. Daarbij creëert hij een paradoxaal verband tussen ruimte en tijd, tussen vernietiging en opbouw. De 33 stenen boeken waaruit zijn installatie bestaat, vormen een selectie uit de bibliotheek van de landgraven van Hessen-Kassel – destijds gevestigd in het Fridericianum – die door het Engelse bombardement op Kassel van 9 september 1941 in vlammen opging. Deze verloren banden werden met de hulp van steenhouwers uit Afganistan opnieuw gemaakt van travertijn, ontgonnen in de heuvels van Bamiyan.

In de Rotunda, de half-cirkelvormige schatkamer van het Fridericianum, worden bezoekers slechts mondjesmaat binnengelaten. Er is prachtige kunst te zien, zoals stillevens van Morandi.
Maar dan – bijna over het hoofd gezien – staan daar, in een bescheiden, liggende vitrine, een aantal figuurtjes die je naar adem doen happen: de ‘Bactrische Princessen’. Het zijn vier millennia oude, uit steen gehouwen, zittende vrouwenfiguurtjes, van nog geen 20 cm hoog. De hoofdjes en de fragiele ledematen zijn van wit calaciet, de robes – Mesopotamische ‘kaunakes’, mantels, gewoven in een patroon dat overlappende bloemblaadjes of veren suggereert – van groen chloriet.
Deze overrompelende kleinoden komen uit Bactrië, een beschaving die ooit het westelijke deel van Centraal Azië – Turkmenistan, Oezbekistan en noorderlijk Afghanistan – omvatte en die de naam draagt van de stad Baktra, het huidige Balch in noordoost Afganistan. Het is een beschaving die ver voorafging aan het rijk van Alexander de Grote en dat van de Greco-Bactrische koningen.

De boeddha’s van Bamiyan keren terug in The Haunted Lotus, vier panelen van Khalim Ali, een miniatuurschilder uit de Hazara-gemeenschap uit Centraal-Afghanistan, tentoongesteld in de Neue Galerie – zie bijgaande afbeeldingen. De boeddha’s bevonden zich in Khadim Ali’s thuisprovincie Hazarajat.

Naast het emotionele beeld van een ingekapselde boeddha – een verwijzing naar de bamboe structuur die in het kader van het UNESCO restauratieproject rond de overblijfselen opgetrokken is – bevatten de panelen ook beelden van een demon. Die is gebaseerd op een karakter uit de Shahnama, het nationale Perzische epos van Ferdowsi, rond 1000 geschreven aan het hof van de grote sultan Mahmud van Ghazni, Afghanistan. De held van de Shahnama, Rostam, is bekend aan generaties Afghaanse kinderen.

Khadim Ali was stomverbaasd toen hij ontdekte dat de half geletterde Taliban strijders, bekend om hun vijandigheid jegens deze cultuur, zich voordeden als op Rostam lijkende heilige strijders. Op zijn panelen stelt hij deze geïnverteerde Rostam voor als een ambigue figuur, gloriërend in zijn schoonheid, maar sinister. In een toespeling op de Taliban, hebben zijn opgeblazen demons gezichten van monsters, hoorns en geitenoren, en dansen zij over de verkoolde, maar nog steeds beladen ruimte waar de boeddha’s stonden.

Zo komen op de dOCUMENTA (13) engagement en pure schoonheid samen in een artistiek statement, dat – zonder te polariseren – getuigt van “de potentiële helende kracht die kunst kan hebben” en je aanspreekt op je mens zijn.

Hein Zeillemaker

Een lied van leegte


“Als je hier alleen was geweest en was blijven staan om even te luisteren, had je allicht gehoord hoe de lippen van de aarde smakten en stil het water dronken, opzogen en lepten, en hoe de laatste droefenis van de droge, woeste herfst oploste en verzoend wegzakte, alsof ze insliep tijdens het zogen.”

S. Yizhar, Het verhaal van Chirbet Chiz’a. Een lied van leegte.


Ook jij zou als je soldaat was gruwelijke dingen doen


COLUMN

MARJOLEINE DE VOS
Gepubliceerd op18 mei 2026 om 19:45

Marjoleine de Vos is schrijver, dichter, columnist en redacteur kunst bij NRC.

Hoe moeilijk het is om je van jezelf voor te stellen dat je ellendige en gruwelijke dingen zou doen. Fouten maken, achteloos zijn, ruw zelfs, ja, dat kan, dat gebeurt. Onredelijk zijn ook. Maar wreed, moorddadig, mensen vernederen, pijn doen, doden misschien zelfs wel? Nee, denk je, daartoe ben ik niet in staat.

De Israëlische soldaat die deelneemt aan de ontruiming van een Arabisch dorp, denkt dat ook. Hij wil dit niet, denkt-ie. Dat vindt hij niet zo sterk van zichzelf. ‘Je bent ook zo’n slappeling.’

Hij en zijn maten drijven de dorpelingen die ze ‘Araboesjiem’ noemen bijeen („Het zijn geen mensen” zegt iemand van zijn eenheid) en als ze ze door de modder zien sjokken, zeggen ze „Het zijn net beesten!” Ze vervelen zich, ze wachten, het is smerig, ze zijn nijdig op hun lot en uit nijd trappen ze iets kapot, schoppen een oude man, schieten op een hond.

De soldaat voelt zich ongemakkelijk, ja, natuurlijk, net als jij die dit leest. Niet dat je zulke dingen zou doen. Ook niet als het bevel daartoe was gegeven, met precieze instructies? Nou misschien, maar dan niet zo, maar vriendelijk, netjes. De instructies gaan daar ook van uit, die spreken over het ‘zuiveren’ van ‘vijandige elementen’ en de soldaat denkt: ‘nu blijkt hoeveel goede, oprechte hoop erin werd gesteld dat de uitvoerders van de opdracht tot al dit „verbranden-opblazen-gevangennemen-inladen-afvoeren” uiterst welgemanierd, beheerst en juist beschaafd te werk zouden gaan’.

De soldaat in kwestie is de verteller van het boekje Het verhaal van Chirbet Chiz’aEen lied van leegte, geschreven door S. Yizhar. Als je het leest ga je begrijpen hoe het kan – niet goedpraten! Niet rechtvaardigen! – dat soldaten zulke dingen doen. Deden. Altijd gedaan hebben en altijd zullen doen.

Jij ook, als je soldaat was.

Yizhar schreef het in 1949, en het gaat over een actie in 1948, tijdens de Nakba, de grote verdrijving van de Palestijnen. Yizhar had zelf als soldaat aan zulke acties deelgenomen, hij wist, en volgens het nawoord van Nathan Thrall wist iedereen dat destijds in Israël heel goed, dat de staat gebouwd was op dit onrecht, op dat ‘verbranden-opblazen-gevangennemen-inladen-afvoeren’.

Het inzicht dat er sprake is van onrecht jegens de Arabieren geldt nu al gauw als antisemitisch. In 1949 was het een algemeen besef

Het boek verscheen in het najaar van 1949 en werd een veelgeprezen bestseller.

Het inzicht dat er sprake is van onrecht jegens de Arabieren, onrecht in het verleden en onrecht in het heden, dat de Joodse staat gebouwd is ‘op de ruïnes van hun verlaten huizen’ zoals een dagbladcriticus toen onomwonden schreef, geldt nu al gauw als antisemitisch. Toen was het een algemeen besef, waarover je niet moest zeuren.

Hoewel dat verschrikkelijk is, zit de kracht van dit kleine boek er vooral in dat je begrijpt wat het is om dader te zijn en dat je het kúnt zijn, ook al zie je heel goed hoe die mensen daar zitten, bijeengedreven onder een boom, sommigen berustend, anderen bang of wanhopig, of die ene vol goed vertrouwen, „een zo mooie eigenschap, die nu zo meelijwekkend en dwaas was geworden aangezien jij (als het ware als God in de hemel) wist wat hij nog niet wist.”

Het boek is niet alleen waar, maar ook nog eens ongelooflijk goed geschreven, met een kracht en een schoonheid vergelijkbaar met die van Vassili Grossman (Leven en Lot), maar dan heel beknopt.

Je zou het bijna uit je hoofd willen leren, dan zou je jezelf en de mensen beter zien – niet het woord ‘begrijpen’ gebruiken. „Waar kwam toch dat gevoel vandaan dat ik werd aangeklaagd?”

Samenvatting

In de nadagen van de Arabisch-Israëlische oorlog van 1948 trekt een groep jonge Israëlische soldaten door een glooiend, lieflijk heuvellandschap naar het Palestijnse dorpje Chirbet Chiz’a. Hun opdracht is even duidelijk als meedogenloos: de bewoners bijeendrijven, hen op vrachtwagens laden en wegvoeren, en alle huizen in het dorp verbranden. Terwijl de missie vordert, begint één soldaat te twijfelen. Wat betekent het om bevelen op te volgen als die ingaan tegen alles wat menselijk is?

Toen Een lied van leegte in 1949 verscheen, zorgde het voor opschudding in Israël. Het stond jarenlang op het curriculum van middelbare scholen in Israël, maar is daar onder druk van de rechtse regering afgehaald. De novelle geldt nog altijd als een mijlpaal in de moderne Hebreeuwse literatuur. In een beeldrijke, bedwelmende stijl schetst S. Yizhar een confronterend beeld van de geboorte van Israël. Daarnaast vertelt Een lied van leegte een tijdloos verhaal over schuld en morele grenzen – en wat het betekent mens te blijven in tijden van oorlog.

Uitgeverij Cossee


Nawoord van mij.

Precies vandaag, nota bene nog vóórdat ik het boekje van Chirbet Chiz’a tegen was gekomen in de columns van NRC, probeerde ik me voor te stellen hoe het moet zijn om een IDF soldaat te zijn in Israël – zoals ik ooit hier ‘voor mijn nummer’ opgekomen ben en een jaar lang meegedraaid heb (ook al heb ik later dienst geweigerd).
Ik bedacht dat het in de kern van de zaak overal ter wereld hetzelfde liedje is: natiestaten hebben grenzen en die moeten verdedigd worden.
Ik kon me voorstellen dat het ook dáár een gruwelijk dilemma is – ook al zijn de omstandigheden geheel anders dan hier heden ten dage.
Al met al was dat voor mij een hoogst verrassende wending in mijn dagelijkse discours erover – zie de link onderaan naar ‘Meer Midden Oosten op ShakingLife.nl‘.
En toen las ik vervolgens diezelfde dag bovenstaande column in NRC.

Ik was blij en verrast door de coïncidentie, alsof het besproken boekje – dat hier net uitgekomen is, maar al breeduit werd besproken – een rimpeling in het collectieve onderbewuste veroorzaakt had… Precies met een thema dat velen hier obsedeert én tot woede en onbegrip leidt – en dat ons dagelijks confronteert met het lijden in die contreien.
Hein


Meer Midden Oosten op ShakingLife.nl

Wat Van Gogh schilderde in de laatste fase van zijn leven

ACHTERGROND
Van Gogh In het Van Gogh Museum opent ‘Van Gogh in Auvers’. In dat plaatsje bracht hij de laatste twee maanden van zijn leven door.

Arjen Ribbens
Gepubliceerd op 10 mei 2023

Vijftig jaar Van Gogh Museum. Dat vraagt om een bijzondere tentoonstelling. Louis van Tilborgh (66) en Teio Meedendorp (61), twee van de onderzoekers van het museum, bedachten het onderwerp voor de jubileum-expositie tien jaar geleden al. Vincent van Gogh in Auvers-sur-Oise, dat moest en zou het worden.

Auvers is een kunstenaarsdorp vlakbij Parijs. Daar trok de 37-jarige Van Gogh vol goede moed heen na een verblijf van een jaar in een inrichting in Saint-Rémy-de-Provence. In het noorden van Frankrijk hoopte de getroebleerde kunstenaar zich beter te kunnen verweren tegen zijn geestelijk lijden.

Op 20 mei 1890 stapte hij in Auvers uit de trein. Zeventig dagen werkte hij als een bezetene: hij maakte zeker 74 schilderijen en zo’n vijftig tekeningen. Daarna schoot hij zichzelf in de borst.

Op de tentoonstelling Van Gogh in Auvers. Zijn laatste maanden, die vrijdag in het Van Gogh Museum opent en in september doorreist naar Musée d’Orsay in Parijs, hangen liefst 46 schilderijen en ongeveer 30 tekeningen uit deze tijd. Nooit eerder was zo’n groot overzicht over deze periode te zien.

In wetenschappelijk opzicht was ‘Auvers’ een lacune in de kennis over Van Goghs oeuvre, zeggen Van Tilborgh en Meedendorp, beiden al vele jaren werkzaam bij het museum. Voor de tentoonstelling en de bijbehorende catalogus maakten ze, samen met collega’s, een beargumenteerd voorstel over de ontstaansvolgorde van de in Auvers gemaakte schilderijen. Die baseerden ze onder meer op Van Goghs brieven, oude weerrapporten en onderzoek naar de gebruikte schilderdoeken. Getracht werd ook de afgebeelde locaties te achterhalen. Door zo als het ware over Van Goghs schouder mee te kijken konden ze nog duidelijker maken hoe hij zijn directe omgeving gebruikte als materiaal voor zijn kunst.

Van Gogh was in Auvers een veel timidere man, concluderen de onderzoekers

Van Gogh was in Auvers een veel timidere man, concluderen de onderzoekers. De brieven aan zijn broer Theo waren korter en hij vertelde minder over wat hij had gemaakt. Zijn werkwijze veranderde ook enigszins. Aanvankelijk beet hij zich minder vast in één onderwerp, leefde artistiek gesproken meer bij de dag, twijfelde over een vaste koers en sprong wat onbegrijpelijk van kleine formaten naar grote – en omgekeerd.

Van Gogh kwam uit een gesloten instelling, verklaren de onderzoekers zijn gedrag. Een jaar lang had hij nauwelijks contact met de buitenwereld gehad, en in zijn nieuwe omgeving probeerde hij met man en macht zijn neerwaartse gevoelens en gedachten, het gevoel van falen, zoveel mogelijk te onderdrukken. 

Het wordt pas rustig in zijn hoofd nadat hij op 8 juli Korenveld met kraaien schildert, zegt Van Tilborgh. „Dat was vermoedelijk de rust van iemand die een beslissing heeft genomen. Een man die zichzelf als minderwaardig ziet, bang is dat andere mensen hem niet meer zien staan en vermoedelijk heeft besloten om suïcide te plegen.”

Meedendorp: „In een brief aan zijn moeder schreef hij dat hij Korenveld met kraaien ‘in een stemming van haast al te grote kalmte’ maakte. Theo had hem vlak daarvoor een emotionele brief geschreven. Hij wilde zijn leven omgooien, weggaan bij de kunsthandel waar hij werkte en voor zichzelf beginnen. Van die brief zal Vincent enorm geschrokken zijn.”

Op de vraag of de psychische nood aan de schilderijen is af te lezen, antwoorden de onderzoekers: deels wel, deels niet. Van Tilborgh: „Die hutten die Van Gogh in Auvers schilderde: dat gaat over geborgenheid. Ze zijn een verheerlijking van het landelijk leven – niet in de stad zitten maar op een plek waar het leven gezond is. Die hutjes schilderde hij ook al veel eerder. Het is oude iconografie. Maar nu als het ware obsessief geworden.”

TENTOONSTELLING
Van Gogh in Auvers. Zijn laatste maanden van 12 mei t/m 3 sept. in het Van Gogh Museum in Amsterdam. De gelijknamige catalogus (288 blz., Tijdsbeeld, € 34,95)

Meedendorp: „De uitzonderingen zijn de schilderijen van de stormen. Daarin zit een soort drama dat voor hem ongebruikelijk is. Of neem het schilderij van het gemeentehuis van Auvers op de 14de juli. De grootste feestdag van het jaar en er staat geen mens op. Dat doek maakte hij de dag voordat Theo met zijn gezin naar Nederland zou reizen, terwijl Vincent tevergeefs had geprobeerd hem naar Auvers te laten komen, naar het gezonde platteland. Als je over dat schilderij doorredeneert kom je in een soort psychologische leegte terecht. Verlatenheid, een feestje waar niemand komt opdagen.”

De onderzoekers hopen dat de tentoonstelling duidelijk maakt dat Van Gogh ook in zijn laatste periode een groots kunstenaar was, en nog even inventief en experimenteel als daarvoor. Ten onrechte, zeggen zij, is in het verleden wel gesteld dat Van Gogh in Auvers zijn discipline had verloren. Van Tilborgh: „In deze laatste periode zie je een schilder die zich nog steeds aan het ontwikkelen is. Die inventieve dingen doet en op een bondiger en compacter manier schildert. Al voelde hij zich oud, relatief gesproken was hij jong. En als kunstenaar zeker niet opgebrand. Eerder een kunstenaar die door zijn zelfverkozen einde in de knop is gebroken.”

Op verzoek becommentariëren Van Tilborgh en Meedendorp vier favoriete schilderijen uit de expositie. Al pingpongend vullen ze elkaar steeds aan. Meedendorp: „Zo werkten we de afgelopen veertien jaar ook samen.”

Dat Van Tilborgh deze maand met pensioen gaat betekent niet het einde van hun samenwerking. De liefde voor Van Gogh bindt hen, zeggen beiden. Net als de gedeelde intuïtie hoe kunsthistorische vraagstukken op te lossen. „Ik werk nog een beetje door”, zegt Van Tilborgh.

Bloeiende kastanjetakken
26 of 27 mei 1890

Elke foto rechtsboven klikken voor vergroting.

„Aan het eind van zijn verblijf in de inrichting van Saint-Rémy ging Van Gogh bloemstillevens schilderen. Commerciëlere doeken, die zouden verkopen, hoopte hij. Een paar dagen na aankomst in Auvers pakte hij het bloemmotief weer op. Vlakbij de herberg waar hij logeerde stonden hoge, oude kastanjebomen in bloei. Afgewaaide takken, na stormachtig weer op 24 en 25 mei, zullen de bloemenschilder in hem wakker hebben gemaakt. 

„Vergeleken met de bloemstillevens uit Saint-Rémy is dit doek veel gedurfder. Een spectaculaire, bijna levensgrote voorstelling, een prachtig beeld van de levenskracht en energie die de natuur uitstraalt in het voorjaar. Een beetje mysterieus ook. Pas bij goed kijken zie je de vaas in het midden. Die lijkt te zweven. Ook bijzonder hoe het oranje van de tafel op de voorgrond en het blauw van de achtergrond in elkaar overlopen. Dat op een grafische manier geschilderde blauw suggereert lucht. Gek, want het doek is geschilderd vanuit een hoog standpunt. Dat blauw is een vondst die puur en alleen maar kleur is. Bij dit stilleven zie je een schilder aan het werk die uit diverse repertoires kan putten.”

Boerderijen in Auvers-sur-Oise
mei-juni 1890

„Vanwege de losjes geschilderde lucht is dit doek in het verleden wel aangemerkt als Van Goghs laatste schilderij. Het zou onvoltooid zijn. Dat is beslist niet zo. Van Gogh doet hier iets nieuws: hij probeert wolken op een andere manier te schilderen. Op de grondering heeft hij eerst een witte laag aangebracht. Daarover schilderde hij met brede, blauwe toetsen de lucht. Een omgekeerd luchteffect dus: een witte lucht met blauwe wolken.

„Ook de compositie is bijzonder. Je ziet hoe hij in dit schilderij verschillende stijlen combineert. De lucht wijkt bijvoorbeeld sterk af van de grof geschilderde bloemen op de voorgrond. De contouren van de daken doen denken aan Japanse houtsneden. 

„Rudi Fuchs [de oud-directeur van het Stedelijk Museum] schreef eens mooi over dit doek. Door die botsende stijlen voorspelde dit schilderij voor hem de toekomst van de schilderkunst. Van Gogh zette volgens Fuchs een stap op weg naar de abstractie, richting Mondriaan. We begrijpen wat Fuchs bedoelde, maar wij denken dat Van Gogh in dit doek onderzocht hoe ver hij met die verschillende stijlen kon werken en tóch een harmonisch resultaat kon bereiken.”

Dokter Paul Gachet
6 en 7 juni 1890

„Zijn broer Theo adviseerde Van Gogh om in Auvers Paul Gachet te bezoeken. Die homeopathische arts meende hem misschien wel beter te kunnen maken, had Theo hem in al zijn optimisme doorgebriefd. Direct na aankomst ging Van Gogh bij de dokter langs. Hij deed daarna twee dingen: hij schilderde een portret van Gachet en hij liet Theo weten dat deze man hem niet zou kunnen genezen. Van Gogh herkende een zielsverwant in hem: een dokter die net zo melancholiek was als zijn patiënt. Net zo depressief, zouden we nu zeggen.

„Uit Parijs haalde Van Gogh schilderijen naar Auvers die hij in de inrichting in Saint-Rémy maakte. Allemaal doeken die iets duidelijk maakten over zijn ziekte. Dat moet wel haast geweest zijn om Gachet te tonen wie hij was, een kwetsbare persoon. De betekenis van dit portret? Het ligt in het verlengde van een uit Theo’s collectie meegenomen zelfportret dat Van Gogh in Saint-Rémy maakte: een soort van angstkreet. Een portret dat duidelijk maakt: deze dokter gaat mij niet redden, maar mij wellicht wel leren standvastig te zijn in het lijden. Kwetsbaar en onverzettelijk tegelijkertijd. 

„Aandoenlijk is de kledij. Gachet draagt een twintig jaar oud jasje uit de tijd dat hij nog ambulancemedewerker was. De pet is bewaard gebleven. Die zit in de collectie van Musée d’Orsay.”

Regen, Auvers-sur-Oise
18 juli 1890

„Natuur was voor Van Gogh een soort van religie. Elf jaar eerder, toen hij als lekenprediker in De Borinage werkte, ging hij eens in een veld staan om een geweldig onweer te beleven. De natuur, was zijn idee, moest bevrijdend werken. Die filosofie droeg hij uit in zijn brieven. Maar dat bevrijdende, levensmoed opwekkende gevoel was veel complexer geworden.

„Over Korenveld met kraaien, het landschap dat hij drie weken voor zijn dood schilderde, schreef hij dat het verschrikkelijke triestheid en eenzaamheid moest uitdrukken. Tegelijkertijd representeerde het voor hem ook het ongelooflijk goede van het platteland. Dat lijkt een tegenstrijdigheid, maar die dingen gaan bij Van Gogh duidelijk samen.

„Dit schilderij van Auvers in de regen is wel als sinister bestempeld. Maar net als de meeste van zijn landschappen is het licht: het is maar een buitje. We hebben kunnen vaststellen waar hij zijn ezel opstelde: bij een kalkgroeve in Méry-sur-Oise. En omdat Franse meteorologen zo punctueel zijn weten we vermoedelijk wanneer het buitje viel: op vrijdag 18 juli 1890. 

„Het grafisch effect van die lange regenstrepen verlenen het werk de eenvoud van een Japanse prent. Door verkleuring heeft het nu vooral blauw- en geeltinten. Oorspronkelijk was het waarschijnlijk paarsiger. Maar het is nog steeds een subliem schilderij.”

Online collectie
50 Jaar inspiratie


Meer Van Gogh op ShakingLife.nl

This is Surrealisme!

'Surrealisme' is een van de meest gebruikte termen van de afgelopen tijd. Wereldwijd leggen nieuwsredacties een link tussen de bizarre situatie waarin we leven en het surrealisme. Maar wat is surrealisme precies? Hoe ontstond deze beweging en aan welke denkbeelden wilden de surrealisten van het eerste uur uiting geven? Op deze vragen wordt antwoord gegeven in de tentoonstelling 'This is Surrealism!' met bijna veertig topstukken en diverse zeldzame boeken en tijdschriften uit de collectie van Museum Boijmans Van Beuningen, verdeeld over negen thematische clusters.

Cobra Museum Amstelveen
Museum Boijmans van Beuningen 

De veertig meest toonaangevende en belangrijkste werken uit de oorspronkelijke werkenlijst zijn gekozen om het verhaal over het surrealisme te vertellen. Bovendien is op de benedenverdieping van het museum een presentatie te zien met werk van Cobra-kunstenaars. De twee tentoonstellingen slaan een brug tussen de verzamelgebieden waar beide musea onder meer om bekend staan: surrealisme en Cobra. Deze bewegingen volgden elkaar niet alleen op in de tijd, de makers hielden er ook soortgelijke ideeën en idealen op na. Zowel de surrealisten als de kunstenaars gelieerd aan Cobra hoopten de maatschappij blijvend met hun kunst te veranderen. Hun kritische houding weerspiegelt het huidige tijdsgewricht waarin veel mensen van mening zijn dat we de samenleving anders moeten inrichten.

Klik 2x rechtsboven op een afbeelding om te vergroten.

Dalí zit hier achter zijn schildersezel met Gala, zijn vrouw en muze, boven het hoofd. Haar oogkassen vallen samen met de arcades van een gebouw, een typisch Dalíaans dubbelbeeld.

Alle werken in de tentoonstelling zijn afkomstig uit de wereldberoemde collectie surrealistische kunst van Museum Boijmans Van Beuningen. Deze verzameling, die bijeen is gebracht vanaf de jaren zestig, omvat meer dan 150 kunstwerken van kunstenaars als Salvador Dalí, René Magritte, Joan Miró, Man Ray en Max Ernst plus een grote hoeveelheid zeldzame boeken en tijdschriften. In 1970-1971 organiseerde Museum Boijmans Van Beuningen een grootschalige tentoonstelling over Salvador Dalí. Tijdens de voorbereidingen maakte conservator Renilde Hammacher-Van den Brande kennis met de rijke Britse dichter en verzamelaar Edward James die in de jaren dertig de belangrijkste opdrachtgever en mecenas was van Dalí. Toen James hoorde dat Hammacher de eerste Europese overzichtstentoonstelling over Dalí wilde organiseren, besloot hij talloze kunstwerken uit zijn collectie in bruikleen te geven aan het Rotterdamse museum. Na afloop van de tentoonstelling, die zeer succesvol was verlopen, besloot hij samen met het bestuur van zijn stichting om een aantal werken permanent in bruikleen te geven aan het museum. Toen de stichting niet veel later in geldnood verkeerde kreeg het museum de kans om maar liefst veertien belangrijke schilderijen en gouaches van Dalí en Magritte te kopen. Deze werken vormen nu het hart van de unieke surrealismeverzameling van Museum Boijmans Van Beuningen. De collectie wordt regelmatig met nieuwe aanwinsten verrijkt. Recent heeft het museum een aantal schilderijen en kunstwerken op papier verworven van Leonora Carrington, Eileen Agar en Joseph Cornell, waarvan een aantal voor het eerst tijdens This is Surrealism! is te zien.

De surrealismecollectie van Museum Boijmans Van Beuningen

Boijmans van Beuningen Collectie Surrealisme 


De verbeelding, het absurde en dromen, dat zijn de zaken die voorop staan in de surrealistische kunst. Waan je hier in de wondere wereld van het surrealisme.

In de jaren 20 van de vorige eeuw ontstaat de surrealistische beweging met uitingen in onder meer de beeldende kunst, de literatuur en het theater. De beeldende kunst van deze stroming is goed vertegenwoordigd in de collectie van Museum Boijmans Van Beuningen. Met topstukken van grootmeesters als Dalí, Magritte en Delvaux barst het er van de vreemde dingen.

Wat is surrealisme?

Soms kom je hele vreemde dingen tegen: op straat, in de popmuziek of als gebruiksvoorwerpen. Milou vraagt zich af waar die vervreemdende ideeën vandaan komen en bezoekt Museum Boijmans Van Beuningen. Daar ontdekt ze meer over het surrealisme en de werkwijze van surrealisten als Max Ernst, Salvador Dalí en Rene Magritte.

Europees surrealisme

De Franse schrijver Guillaume Appollinaire (Rome 1880 – Parijs 1918) introduceert het begrip ‘surrealisme’ in 1917. Hij gebruikt het woord om iets te omschrijven dat de realiteit overstijgt, ofwel iets dat ‘surreëel’ is. De Parijse surrealistische kunstenaars creëren in hun werk een realiteit die in werkelijkheid niet kan bestaan, maar wel in dromen en het domein van de verbeelding. Het surrealisme heeft grote invloed in Europa, en veel kunstenaars trekken naar Parijs: Max Ernst vanuit Duitsland, Salvador Dalí vanuit Spanje. In verschillende landen maken kunstenaars surrealistisch werk, zoals in België René Magritte en later Paul Delvaux, en in Italië Giorgio de Chirico.

Paul Delvaux (1973)

Skeletten, naakten en treinstations zijn veel voorkomende motieven in het oeuvre van Paul Delvaux. Vanwege de vervreemdende voorstellingen in een realistische stijl wordt Delvaux geschaard onder het Belgisch surrealisme, een stempel waarbij hij zich overigens zelf niet prettig voelde. In 1973 organiseerde Museum Boijmans Van Beuningen een overzichtstentoonstelling van Paul Delvaux. In dit bioscoopjournaal uit hetzelfde jaar is een korte registratie te zien.

Op de bank bij Freud

Een belangrijke inspiratiebron voor het surrealisme is de Oostenrijkse psychiater Sigmund Freud (Freiberg 1856 – Londen 1939). Begin vorig eeuw ontwikkelt Freud de psychoanalyse, de theorie van het onderbewustzijn van de mens. Volgens Freud wordt het gedrag van mensen in grote mate gestuurd door onderbewuste en irrationele driften.

De Franse schrijver André Breton, oprichter van de surrealistische beweging, leert Freuds theorieën kennen als hij in de Eerste Wereldoorlog als assistent in een psychiatrisch ziekenhuis werkt. Breton vindt dat de maatschappij bevrijd moet worden van het rationalisme, de logica en de burgerlijkheid. Als de verdrongen driften van de mens blootgelegd worden zal diens gekwelde geest bevrijd worden. Freuds theorieën vormen het uitgangspunt van Bretons ‘Manifeste du Surrealisme’ uit 1924, waarmee een heuse beweging ontstaat.

Manifest

In het ‘Manifeste du Surrealisme’ zet Breton zijn opvattingen over het surrealisme in relatie tot de kunst en de samenleving uiteen. Surrealisme is volgens hem een methode om het ware, essentiële denken te leren kennen en dit uit te drukken in woorden of in beelden. Om dit te bereiken moet het onderbewuste worden onderzocht. Dromen, krankzinnigheid en de kindertijd spelen hierbij een belangrijke rol.

Ook omschrijft hij methodes om het onderbewustzijn te verkennen door middel van kunst. Bijvoorbeeld de methode van de ‘écriture automatique’, het automatisch schrift. Impulsen uit het onderbewuste kunnen direct op papier gezet worden door onder andere half in slaap of onder invloed van drank en drugs te gaan tekenen. De bibliotheek van Museum Boijmans Van Beuningen bezit een exemplaar van Bretons invloedrijke manifest.

Surrealisme in Rotterdam

In 1965 is ‘Het paar’ van Max Ernst en ‘Op de drempel van de vrijheid’ van René Magritte aangekocht voor de collectie van Museum Boijmans Van Beuningen. Sindsdien is de verzameling surrealistische kunst aanzienlijk gegroeid. De grootste aankopen zijn gedaan tussen 1977 en 1979.

Wist je dat de bevlogenheid van Renilde Hammacher, de eerste conservator moderne kunst, de oorzaak is geweest van de nadruk op het surrealisme in het museum? 

Uit de verzameling van de dichter Edward James (West Dean 1907 – Sanremo 1984), tevens mecenas van Magritte en Dalí in de jaren 30, worden in die jaren twaalf werken van deze twee surrealisten aangekocht. Aldus is de collectie surrealisten een van de belangrijkste pijlers van de museumcollectie geworden.

Nog steeds verzamelt het museum surrealisme. In 2005 is de wereldberoemde ‘Mae West lippensofa’ van Salvador Dalí aangekocht, in 2007 ‘Landschap met roze wolken’ van Yves Tanguy en in 2009 een schaduwdoos van Joseph Cornell. De meest recente aankoop is het schilderij ‘Miroir Vivant’ uit het vroege oeuvre van Rene Magritte, dat in januari 2016 is aangekocht.

Surrealisme in Rotterdam

Dalí in Rotterdam

Renilde Hammacher-van den Brande, de allereerste hoofdconservator moderne kunst van Museum Boijmans Van Beuningen, organiseerde een succesvolle Dalí-tentoonstelling in de winter van 1970-1971. In twee maanden kwamen meer dan 200.000 bezoekers. Het Polygoonjournaal wijdde er een nieuwsuitzending aan.

Een Belgische surrealist

Museum Boijmans Van Beuningen bezit maar liefst vijftien werken van de Belgische surrealist René Magritte. Magritte streeft ernaar om het ‘mysterie van het alledaagse’ te verbeelden. Door de gewone dingen uit hun dagelijkse omgeving te halen kan dat mysterie zichtbaar gemaakt worden. Magritte wil dit bereiken zonder dat de toeschouwer het schilderij als onwaarschijnlijk fantasiebeeld kan afwijzen. Bij ieder voorwerp zoekt hij een tweede beeldelement dat er een verborgen verwantschap mee heeft.

In ‘Le modèle rouge III’ is een paar blote voeten te zien dat in schoenen overgaat. De voeten en schoenen worden daardoor in een vreemd daglicht gesteld.

Tijdschriften

In verschillende publicaties en tijdschriften verwoorden surrealisten hun visie op kunst en maatschappij. Van het tijdschrift La Révolution Surréaliste verschijnt het eerste nummer eind 1924. Op de eerste bladzijde van het eerste nummer staat een foto van een onherkenbaar object verpakt in lappen, een werk van Man Ray. Een reconstructie van ditzelfde voorwerp maakt deel uit van de collectie van Museum Boijmans Van Beuningen. De titel ‘Het raadsel van Isidore Ducasse’ verwijst naar het boek ‘Les Chants de Maldoror’ dat Ducasse schrijft onder het pseudoniem Comte de Lautréamont.

Man Ray maakte dit werk oorspronkelijk voor een foto. Het ging verloren en in 1971 maakte hij deze nieuwe versie. Even raadselachtig als het werk zelf is de titel, die verwijst naar de naam van de schrijver Isidor Ducasse, die werkte onder het pseudoniem Comte de Lautréamont. Hij schreef de door de surrealisten zeer gewaardeerde publicatie 'Les Chants de Maldoror' (1869). Dit boek beschouwden de surrealisten als een beginselverklaring, veel titels van hun werken zijn er aan ontleend.

Het raadsel van Isidore Ducasse (1920)

‘Les Chants de Maldoror’ is een cynische aanval op de westerse beschaving en daarom wordt Ducasse een held van de surrealisten. Eén citaat uit het boek wordt hun motto: ‘Mooi als de toevallige ontmoeting van een naaimachine en een paraplu op de snijtafel’. Met zijn in lappen verpakte object, een ingepakte naaimachine, verwijst Man Ray naar dit citaat.

In de jaren 30 wordt het tijdschrift Minotaure de belangrijkste spreekbuis van de surrealisten. Het blad, gesponsord door de rijke Edward James en met André Breton als redacteur, vestigt de aandacht op – op dat moment – nog onbekende kunstenaars als Hans Bellmer, Paul Delvaux en Alberto Giacometti (Borgonovo 1901 – Chur 1966).

Bevlogen mecenas

Edward James is een rijke Engelse aristocraat en een surrealistische dichter. In de jaren 30 ondersteunt hij zowel Magritte als Dalí door werk van hen aan te kopen. Magritte baseerde ‘Verboden af te beelden’ op een foto die hij maakte van Edward James die naar het werk ‘Op de drempel van de vrijheid’ staat te kijken.

Dalí krijgt twee jaar financiële steun van James en Magritte mag in zijn huis in Londen verblijven om een aantal schilderijen te maken. Daarnaast geeft hij financiële steun aan het tijdschrift Minotaure. James richt een van zijn huizen, het Monkton House te Londen, in als een surrealistische droom. In dit huis krijgt onder andere de ‘Mae West lippensofa’ van Dalí een plaats.

Verboden af te beelden

James zelf is op een aantal surrealistische schilderijen vereeuwigd. Magritte maakt bijvoorbeeld een raadselachtig portret van James in ‘La reproduction interdite (Verboden af te beelden)’ (1937) dat zich in de collectie van Museum Boijmans Van Beuningen bevindt.

Museum Boijmans Van Beuningen

Tentoonstelling op locatie

Deze tentoonstelling was te zien in het Cobra Museum Amstelveen, Sandbergplein 1, 1181 ZX Amstelveen. Toegang is alleen mogelijk met een online ticket. Voor informatie over de toegangstijden, entreeprijzen, etc.:

EINDE

Emilie 72

"Het getal 72 heeft in verschillende religies en overleveringen een symbolische of specifieke betekenis.
Islam: Het bekendste voorbeeld is het islamitische geloof over het hiernamaals. Hierin wordt gesproken over 72 maagden (huriyya) als beloning in het Paradijs. Dit is afkomstig uit specifieke overleveringen (hadith).
Christendom: In de Bijbel zond Jezus, naast de twaalf apostelen, nog eens 72 discipelen uit om het evangelie te verspreiden.
Jodendom: In de mystieke traditie (de Kabbala) kent God 72 namen. Deze worden gevormd uit letters uit het Bijbelboek Exodus.

Symboliek: In veel oude culturen en esoterische stromingen staat het getal 72 voor volmaaktheid, de kosmos en goddelijke harmonie.”
🕸️



Elke foto rechtsboven klikken voor vergroting.

Emilie bij op de Zwanenburgwal, om de hoek van het beeld van Spinoza. 
Op de sokkel van het beeld staat de tekst: "Het doel van de staat is de vrijheid”

Elke foto rechtsboven klikken voor vergroting.

En nog een ‘eigen’ video van Google Photo’s

EINDE

Trumps Griekse tragedie kent geen katharsis

 Iran 
Trump lijkt het Midden-Oosten door hoogmoed, verblinding en misrekening in een uitzichtloze oorlog te hebben gestort. Jos de Mul onderzoekt wat dit betekent voor Europeanen en trekt parallellen met de klassieke oudheid.

Jos de Mul is emeritus hoogleraar wijsgerige antropologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Dit essay is een update van zijn bespiegelingen over de Idee van Europa in Paniek in de Polder. Polytiek in tijden van populisme waarvan onlangs een vierde druk verscheen. 
Gepubliceerd op 8 mei 2026

Ondanks president Trumps voortdurende grootspraak over de militaire successen en spoedige overwinning, lijken de VS de grote verliezers van de oorlog in Iran. Bij het ingaan van de recente wapenstilstand was geen van de gestelde doelen bereikt en het eind van de oorlog is nog niet in zicht. Trump lijkt door hoogmoed, verblinding en misrekening in een Griekse tragedie zonder katharsis terecht te zijn gekomen.

Heel, heel lang geleden, toen Iran nog gewoon Perzië heette, was het een ware supermacht. De even wrede als wijze Sjah Dâriûsh (522-485 v.C.), in het Westen bekend als koning Darius de Grote, heerste over een immens rijk dat vrijwel de gehele ‘oude wereld’ omvatte en zich uitstrekte van Macedonië tot Oman en van Egypte tot Pakistan. Heel de oude wereld? Neen, alleen een klein moedig stadstaatje, Athene geheten, bood dapper weerstand. Sterker nog, het stichtte voortdurend kolonies in gebieden die tot het Perzische Rijk behoorden, zoals aan de Ionische kust in het huidige Turkije.

Erger nog: ze experimenteerden in Athene naar hartenlust met woke praktijken als democratisch zelfbestuur. Darius besloot de Atheners een lesje te leren en Griekenland binnen te vallen, toentertijd een verzameling stadsteden die de Griekse taal en mythologie deelden, maar onderling ook voortdurend overhoop lagen.

Darius veroverde met zijn gigantische leger meerdere Griekse eilanden in de Egeïsche zee en verwoestte de belangrijke handelsstad Eretria. Maar toen hij in 490 v.C. het vasteland van Attica binnentrok, werd hij in de beroemde slag bij Marathon verslagen door de Atheners. De behoedzame Darius keerde met de restanten van zijn leger terug naar huis. Wie sterfelijk is, moet zijn grenzen kennen.

Nu had Darius een eerzuchtige zoon, Khashayar – Grieks: Xerxes – die na de dood van zijn vader besloot het karwei af te maken en een regime change te bewerkstellingen door heel Griekenland te onderwerpen. Met twaalfhonderd triremen (enorme galeischepen met drie rijen roeiers boven elkaar), drieduizend andere schepen en tweehonderdduizend militairen trok hij op naar Griekenland. De Griekse geschiedschrijver Herodotus verhaalt in zijn Historiën hoe Xerxes een rijkversierde troon op de berg Aigaleos had laten plaatsen, van waar hij mooi kon toekijken hoe zijn armada de Griekse vloot van amper driehonderd schepen zou wegvagen.

In de nauwe zee-engte bij Salamis, waar in 480 v.C. de zeeslag plaatsvond, konden de logge triremen echter nauwelijks manoeuvreren, waardoor de kleine schepen van de Atheense vloot de triremen in de flanken konden aanvallen en vernietigen. Xerxes sneakte ijlings terug naar Perzië. Het gedemotiveerde leger dat hij achter liet, werd in 479 v.C. in de slag bij Plataeae definitief verslagen. Deze vernedering betekende het begin van het einde van het Perzische Rijk. Het bleef weliswaar nog een eeuw bestaan, maar werd allengs zwakker en werd in 331 v.C. veroverd door de Griek Alexander de Grote, die zich uitriep tot de nieuwe sjah van Perzië. Het kan verkeren in het leven.

Medelijden met de vijand

De tragedie Perzen van Aischylos, het oudst bewaarde drama uit de Europese literatuur, handelt over Xerxes’ nederlaag. Aischylos nam als infanterist deel aan alle drie de genoemde veldslagen en verloor net als Xerxes een van zijn broers op het slachtveld. Wat vooral fascineert aan deze tragedie, is dat het geen triomfantelijk verslag is van de Atheense overwinning, maar de slag bij Salamis beschrijft vanuit het perspectief van de Perzen en vooral medelijden met de vijand oproept. Het hoofdpersonage van de tragedie is koningin Atossa, de moeder van Xerxes, die in haar paleis steeds rampzaliger berichten krijgt van het front.

In de tragedie wordt Xerxes’ ondergang geweten aan diens hubris, hoogmoed, overmoed en arrogantie; hij waant zich onoverwinnelijk. Zijn eerzucht verleidt hem tot ate, verblinding – we zouden nu van tunnelvisie spreken – die hem blind maakt voor de risico’s van zijn onderneming, en tot hamartia, de fatale misrekening dat zijn armada de kleine Griekse vloot eenvoudig zou kunnen verslaan.

In de tragedie spreekt de schim van koning Darius, die vanuit de onderwereld aan zijn voormalige echtgenote verschijnt, dit oordeel uit, in de fraaie recente vertaling van Patrick Lateur:

Eerst vlijt Ate vriendelijk een mens en lokt hem in haar netten,
waaruit geen sterveling ontsnappen kan en vluchten 

En voor het oog der mensen blijven stapels lijken
getuigen zonder stem drie generaties ver:
wie sterflijk is, mag zich niet arrogant gedragen.
Gedijt de overmoed, haar vruchten vormen aren
van ondergang…

Dat Xerxes boven de goden denkt te staan en de aan de Griekse goden gewijde tempels vernietigt, rekent Darius hem ook zwaar aan:

Hij, sterveling dacht in zijn onverstand
te staan boven de goden allemaal,
ja, zelfs boven Poseidon. Ach mijn zoon
was geestelijk gestoord, hoe kan het anders.

Het koor dat, als een klassieke voorloper van de hedendaagse opiniepagina en talkshow, in de tragedie Xerxes’ ondergang becommentarieert, strooit nog wat zout in de wonde:

Het land weeklaagt
Om de jeugd van het land,
Door Xerxes gedood.
Hades volgepropt met Perzen

Aiaiai! Schreeuw en vraag hem uit.
Waar is de rest van de massa vrienden?
Waar blijven zij die u terzijde stonden?

De tragedie eindigt met een lange klaagzang van Xerxes, die „nat van tranen en erbarmelijk” beseft dat hij „een ramp is geworden voor stam en staat van onze vaderen”.

Dit inzicht leidt uiteindelijk tot katharsis, een zuivering van hoogmoed en verblinding, niet alleen bij Xerxes, maar ook bij de toeschouwers van de tragedie. In die zin is het treurspel een pedagogische les, met als boodschap: don’t do this at home!

Met deze wonderbaarlijke tragische sensibiliteit neemt ‘de Idee van Europa’ zijn aanvang.

Boven het orakel van Delphi stond de spreuk ‘Ken uzelve’. Dit jaar is het motto van de Maand van de Filosofie een variant daarop: ‘Ken onszelve’. De turbulente geopolitieke transformatie die zich momenteel wereldwijd en op extreem gewelddadige wijze voltrekt, stelt ons voor de vraag wat dit betekent voor ons, Europeanen, en voor onze identiteit. 

George Steiner argumenteert in zijn essay The Idea of Europe (2003) dat Europa op twee pijlers berust, die van meet af aan in een strijdige harmonie hebben verkeerd: de joods-christelijke traditie, verzinnebeeld in Jeruzalem, en de in de Griekse oudheid wortelende rationalistische traditie, verzinnebeeld in Athene. 

Wijsheid door schade en schande 

Voor dat idee valt het nodige te zeggen, maar het lijkt ook te wringen. In de eerste plaats omdat Jeruzalem buiten Europa ligt en Athene eeuwenlang deel uitmaakte van het Byzantijnse en Ottomaanse rijk. In de tweede plaats omdat volgens deze maatstaf de Verenigde Staten veel Europeser zijn dan Europa zelf. Tegenover het seculiere Europa ogen de VS als een bastion van christelijk fundamentalisme: daar is de religie steeds een dominante maatschappelijke kracht geweest, zeker met kruisvaarders als de huidige Amerikaanse minister van Oorlog Pete Hegseth. En wat het geloof in het eigen rationalistisch-technisch kunnen betreft, hebben de VS Europa ook ver achter zich gelaten.

Wat ‘het oude Europa’ vooral van de VS onderscheidt, is een derde pijler, die van de tragische sensibiliteit. Deze komt tot uitdrukking in de blijvende actualiteit van de Griekse en vroegmoderne tragedies, in de Europese roman- en filmtraditie en in de populaire kunst, van de Portugese fado (van fatum: noodlot) tot de Nederlandse smartlap. Maar ook, en niet in de laatste plaats, in politieke instituties die onverholen machtsuitoefening tegengaan, zoals democratisch zelfbestuur, trias politica en rechtsstatelijkheid, aandacht voor diplomatie en tact, maar ook in de op solidariteit en medemenselijkheid gevestigde Europese verzorgingsstaat.

Nu vergt niet alleen individuele, maar ook culturele katharsis tijd. Europa heeft voor zijn tragische wijsheid betaald met een lange geschiedenis van burgeroorlogen, van de Peloponnesische oorlogen tussen Athene en Sparta, via de grote godsdienstoorlogen van de 16de en 17de eeuw en de koloniale strooptochten naar de in Europa ontstoken wereldoorlogen in de 20ste eeuw. Tragische wijsheid verwerft men door schade en schande. Kenmerkend voor tragedies is dat de tragische ‘helden’ hun catastrofes nu juist veroorzaken omdat ze alle tragisch besef missen.

Tragische ‘helden’ veroorzaken hun catastrofes nu juist omdat ze alle tragisch besef missen

De geschiedenis herhaalt zich, maar altijd met een twist. President George Bush senior slaagde er tijdens de Golfoorlog (1990-1991) met goedkeuring van de VN-Veiligheidsraad in om de Iraakse troepen, die Koeweit hadden bezet, in enkele dagen te verdrijven en de militaire infrastructuur van Irak zwaar te beschadigen. Maar hij besloot niet op te trekken naar de hoofdstad Bagdad. Wellicht dacht de wijze Bush aan Vietnam. Wie sterfelijk is, moet zijn grenzen kennen.

Net als Darius had ook Bush een zoon. Nadat George Bush junior president van de VS was geworden, wilde ook hij het karwei van zijn vader afmaken. In 2003 vielen Amerikaanse troepen, nu op basis van leugens over Saddam Husseins massavernietigingswapens en zonder steun van de VN, opnieuw Irak binnen, teneinde onder het motto ‘We’re going to bring democracy to Iraq een regime change te bewerkstelligen. De wrede dictator Saddam werd gedood, maar de oorlog veroorzaakte ook de dood van honderdduizenden Iraakse burgers en duizenden Amerikaanse militairen. Bovendien leidde het machtsvacuüm tot langdurige instabiliteit en een burgeroorlog, waardoor Iran zich kon ontwikkelen tot een dominante macht in de regio.

Hubris is hardleers. Ook veel van de latere militaire interventies van de VS – Afghanistan (2001-2021), Libië (2011) en Syrië (2014) – bleken kapitale mislukkingen waarbij de gestelde doelen, zoals stabiliteit, democratisering of de vestiging van een pro-westers regime, niet werden behaald.

Ook Trumps hubris lijkt zijn wortels te hebben in een verlangen zijn vader – die hem voorging als vastgoedmagnaat in New York – te overtreffen. Maar omdat zijn vader het nooit tot president van de VS heeft geschopt, lijkt er voor Trump niets anders op te zitten dan zichzelf voortdurend te overtreffen. Aanvankelijk vooral met handelstarieven en -oorlogen, maar in machtsdronken hoogmoed besloot hij al snel de president van Venezuela te kidnappen (die van Cuba staat nog op zijn wensenlijstje) en te zeggen dat hij Groenland zal inlijven. En, verleid door ate in de gedaante van Nethanyahu, met een armada van vliegdekschepen en bommenwerpers een regime change in Iran te bewerkstelligen, de militaire infrastructuur van het land te vernietigen en het verrijkte uranium, dat Iran mogelijk tot atoommacht zal maken, in beslag te nemen. Toen dat niet lukte, dreigde Trump Iran terug in het stenen tijdperk te bombarderen en de hele Iraanse beschaving te vernietigen.

Hoogmoed en verblinding

Trump is de hypocrisie duidelijk voorbij, aangezien wie hypocriet is, zoals George Orwell opmerkte, in ieder geval nog de schijn ophoudt morele regels te respecteren. Trump bevindt zich niet alleen aan gene zijde van de moraal, maar is ook de waarheid voorbij. Hij lijkt niet in staat zijn hoogmoed en verblinding onder ogen te zien. Hij claimt zonder blikken of blozen de totale overwinning en zegt dat alle oorlogsdoelen zijn behaald. En door zich op zijn eigen sociale medium Truth Social als Jezus Christus te presenteren, stelt hij zich net als Xerxes gelijk aan de goden.

„Geestelijk gestoord, hoe kan het anders”, echoot de stem van Darius vanuit de onderwereld. Maar in tegenstelling tot Xerxes’ tragedie kent die van Trump geen katharsis, geen zuivering van hoogmoed en verblinding.

Wel probeert Trump net als Xerxes weg te sluipen als de realiteit zich niet wenst te buigen naar zijn zin. Niet voor het eerst. ‘Trump Always Chickens Out’, luidt het gezegde. Maar in geval van oorlog geldt: It takes two to TACO. De Islamitische Revolutionaire Garde, die alle macht in Iran naar zich toegetrokken heeft, werkt niet echt mee. Het Iraanse volk ziet in angst en beven een nog wredere tirannie tegemoet.

Met zijn bombardementen op civiele doelen en dreiging met genocide vervreemdt Trump zich van zijn voormalige bondgenoten. In de VS stelt hij veel MAGA-aanhangers teleur door het breken van zijn belofte uitsluitend oorlogen te zullen beëindigen en haken door zijn blasfemie ook veel evangelicals af.

Wordt de Straat van Hormuz Trumps Salamis, waarin hij niet alleen zijn eigen ondergang maar ook die van de VS als supermacht zal bewerkstelligen? China en Rusland kijken geamuseerd toe. Met een vijand als Trump, beseffen Poetin en Xi, heb je geen vrienden nodig.

Gedijt de overmoed, haar vruchten vormen aren
van ondergang…

Wat staat Europa te doen? Moet de Europese Unie, zoals Ursula von der Leyen als voorzitter van de Europese Commissie bepleit, streven naar een assertievere, geopolitieke EU die keiharde machtspolitiek bedrijft om economisch en militair niet achter te blijven? Moeten Europeanen zich met Mark Rutte blijven vernederen en met gevlei proberen Trump ervan te weerhouden de NAVO op te blazen?

Of is het veeleer de hoogste tijd te beslissen dat we ons niet bij schurkenstaten willen scharen, maar trouw willen blijven aan de idee van Europa als tragisch continent dat wel katharsis kent? En door net als de Spaanse premier Pedro Sánchez onomwonden afstand te nemen van de onrechtmatige en met oorlogsmisdaden verweven oorlogen tegen Iran, Gaza en Libanon. Door Trump een ultimatum te stellen: zich voegen naar de internationale rechtsorde, of de NAVO verlaten. En door op alle continenten bondgenoten te zoeken die deze orde verkiezen boven onverholen machtspolitiek en vernietigingsoorlogen.

Daarbij moeten we natuurlijk niet naïef zijn. Europa kent door zijn eigen geschiedenis het kwaad maar al te goed. Geconfronteerd met de agressie van Rusland, en nu ook de VS, zullen we ons ook militair teweer moeten stellen, om de idee van Europa te verdedigen en levend te houden. Dat impliceert dat we volkeren die zich verzetten tegen tirannen, zoals de Oekraïners, Palestijnen en Iraniërs, met alle daartoe geëigende middelen moeten blijven steunen in hun streven naar zelfbeschikking en een menswaardig bestaan. En ook dat we, in de voetsporen van Aischylos, moeten proberen de moeilijkste, maar ook meest heroïsche daad in tijden van oorlog te verrichten: medelijden op te brengen met de vijand en jezelf in hem te herkennen teneinde hem daarmee te ontvijanden.

Bovenaan:  De slag van Salamis van Wilhelm von Kaulbach (1805–1874).  MAXIMILIANEUM (BAYERISCHER LANDTAG) 

EINDE