Tom Poes zat de volgende morgen nog aan zijn ontbijt, toen Joost op de buitendeur klopte. ‘Ik ben zo vrij de Oude Schicht voor te rijden,’ sprak de trouwe knecht. ‘Het is nog war vroeg, maar tot mijn. Bevreemding kon ik vannacht niet slapen wegens bezorgdheid over heer Olivier. Men hecht soms meer aan een persoon dan men wel weet, ik stel voor om nu te gaan zoeken, al zal dat niet meevallen. Men weet niet welke richting men in moet slaan.’
Ook Heer Bommel merkte dat het nog mistte, toen hij de volgende morgen vanonder een steen naar boven kwam. De grijsaard stond hem op te wachten, met een grote vogel op zijn schouder. ‘Dit is mijn dochter Ima,’ stelde hij trots voor. ‘Ze zal je het water naar Parna’s opbrengen.’ ‘In de mist kun je graven,’ zei de vogel. Heer Bommel zocht vergeefs naar woorden. Hij begreep dat hij in de handen van zonderlingen gevallen was. En dat toegeven de beste houding zou zijn.
Met die gedachte bedankte hij de grijsaard voor zijn gastvrijheid en liep vervolgens op goed geluk achter de vogel aan. Het beest fladderde in een rechte lijn, alsof het een bepaalde richting volgde; maar toen heer Ollie boven de nevels een bekend gebouw zag oprijzen, hield hij halt. 'Daar!' riep hij uit. 'Dat is het stads-laboratorium! Nu kan ik te weten komen waar ik ben!’ 'De rivier gaat vlugger/ kraste de vogel. Heer Bommel sloeg echter links af zonder zich aan die opmerking te storen, terwijl het dier berustend op zijn schouder ging zitten.
Tot zijn grote opluchting bereikte hij nu eindelijk weer vertrouwd gebied, en hij stapte glimlachend de werkruimte van professor Prlwytzkofski binnen. Jammer genoeg trof hij het niet. De geleerde was juist doende om de plaats van de zon ten opzichte van het middelpunt in het uitdijend heelal te berekenen, en hij keek danig gestoord op toen hij zijn bezoeker zag.
'Ik ben dadig!' riep hij uit. 'Maakt u zich voort.' 'Maar ik ben voort,' zei heer Ollie verontschuldigend. 'Ik ben verdwaald, bedoel ik; en nu weet ik niet welke kant ik op moet. Waar ben ik precies?’ 'Ik ben ja dadig dat vast te stellen,' schalde de hoogleraar.'Waar is onzer zonnensysteem met betrekking tot der centrum des universums? zo vraag ik mij. En daar komt ener lomp met zijner parkiet mij vragen waar hij isj!' Hij zweeg, door ontroering overmand, en in de ingetreden stilte kraste de vogel: 'Der centrum des universums is waar men is.'