Zwanger geworden na een bezoek aan deze Poolse hotelketen? Dan betalen zij het doopfeest

REPORTAGE

Demografie
Polen heeft een van de laagste geboortecijfers van Europa. Extra kinderbijslag en belastingvoordeel heeft daar geen verandering in gebracht. Een hoogleraar psychologie ziet diepgaande veranderingen in de Poolse samenleving die het kindertal laten dalen. 

Onder zijn imposante witte walrussnor verschijnt een glimlach als Wladyslaw Grochowski (73) zijn toekomstplannen voor Polen uitstippelt. „Mijn bedrijf heeft geld voor zo’n honderdduizend extra kinderen”, zegt de directeur van hotel- en vastgoedketen Arche op zijn kantoor in Warschau.

Het klinkt als een grap, maar ondernemer Grochowski is bloedserieus. Hij wil ervoor zorgen dat er meer kinderen in Polen geboren worden. De geboortecijfers in Polen behoren namelijk tot de laagste in de wereld. „Dit probleem bestaat al vijftien jaar, maar het lukt onze regeringen niet om het op te lossen”, zegt Grochowski. „Terwijl in de nabije toekomst bedrijven geen personeel zullen kunnen vinden en de mensheid wereldwijd ook uitsterft.”

Dus neemt Grochowski zelf het heft in handen. Via zijn hotelketen en vastgoedbedrijf, met in totaal 23 hotels in Polen, wil hij het geboortecijfer opkrikken. Hoe kan hij dat beter doen dan zijn hotelgasten belonen als ze een romantische avond in een van zijn hotelkamers beleven? Indien het hotelbezoek leidt tot een zwangerschap, krijgen zij een gratis (doop)feest voor tien personen. Daarvoor hoeven ze na de geboorte van hun kind alleen een rekening te overleggen die bewijst dat ze negen maanden eerder in het hotel verbleven.

„Er waren voorstellen om een feest voor vijftig personen te vergoeden, maar dat halen we financieel niet”, zegt Grochowski. „We hebben berekend dat een doopfeest voor tien personen ongeveer 1.000 zloty (240 euro) kost en we budget hebben om op deze manier een feest te organiseren voor honderdduizend kinderen.” Het bedrijf heeft 100 miljoen zloty (zo’n 24 miljoen euro) gereserveerd voor de actie. Ook krijgen de 2.500 medewerkers van zijn bedrijf eenmalig 10.000 zloty (2.400 euro) per geboren kind en organiseert zijn bedrijf partner- en kinderprogramma’s tijdens conferenties. „Zodat het gezin bij elkaar blijft en mensen niet met anderen het in bed duiken.”

Prognose: krimp met tien miljoen mensen

Natuurlijk is het een marketingstunt, erkent hotelbaas Grochowski, maar de ernst van het probleem is evident. Het geboortecijfer daalt al meer dan tien jaar en daar lijkt geen kentering in te komen. In 2023 kwam in Polen gemiddeld 1,2 kind per vrouw ter wereld, de verwachting is het dit jaar verder daalt naar 1,03. Dat is een stuk lager dan het EU-gemiddelde van 1,38 kind per vrouw in 2023, terwijl een cijfer van 2,1 nodig is om het aantal inwoners stabiel te houden.

Volgens de laatste prognoses van de regering zou de Poolse bevolking binnen vijftig jaar met tien miljoen mensen kunnen krimpen – van ruim 37 miljoen nu naar zo’n 28 miljoen in 2080 – en rond de eeuwwisseling zelfs zou kunnen halveren. Dat is een veel hardere daling dan verwacht.

Die cijfers staan in schril contrast met de urgentie waarmee de Poolse politiek de afgelopen jaren de vruchtbaarheidscrisis probeerde aan te pakken. Zo introduceerden de regeringen onder leiding van het nationaal-conservatieve PiS (2015-2023) een maandelijkse kinderbijslag van 500 zloty (zo’n 125 euro) per kind, die later werd verhoogd tot 800 zloty (zo’n 190 euro) en krijgen ouders met twee of meer kinderen binnenkort een forse belastingverlaging.

De maatregelen lijken weinig effect te sorteren. Economen en demografen vrezen dat Polen snel te maken krijgt met een onbetaalbare gezondheidszorg en een onhoudbaar pensioenstelsel. Ook de ambitie om de omvang van het Poolse leger te verdubbelen tot vierhonderdduizend militairen kan in de nabije toekomst onhaalbaar blijken. Hoewel het economisch succesvolle Polen steeds meer migranten – vooral Oekraïners – toelaat op de arbeidsmarkt, blijft migratie als oplossing voor bepaalde problemen in het land een politiek gevoelig onderwerp. De afgelopen jaren is het migratiedebat zo verhardt dat zelfs linkse partijen zich distantiëren van het onderwerp. 

Wat ligt er ten grondslag aan het dalende geboortecijfer in Polen, waar het economisch nog nooit zo goed is gegaan? En waarom voorspelt recent onderzoek dat de helft van de Poolse Gen-Z-generatie helemaal geen kinderen wil? 

Financiële cadeautjes voor ouders

Demografen in Polen wijzen naar oorzaken van de demografiecrisis die ook in veel andere landen voorkomen. In Polen is onder jonge mensen sprake van economische onzekerheid, gebrek aan betaalbare huisvesting, onvoldoende ondersteuning voor vrouwen in de gezondheidszorg en een verslechterde geestelijke gezondheid. In combinatie met een veranderde maatschappij waarin carrière en individuele vrijheid boven het gezinsleven staan, zorgt dat voor een lager geboortecijfer.

Sinds de coronapandemie en de oorlog in buurland Oekraïne zakte het geboortecijfer verder

Specifieker heeft de restrictieve abortuswetgeving in Polen, ingevoerd door PiS in 2021, geleid tot toenemend wantrouwen tegenover zorgverleners onder vrouwen – verschillende vrouwen stierven tijdens hun zwangerschap omdat dokters niet wilden overgaan tot een abortus. Ook stopte PiS de staatsfinanciering voor ivf-behandelingen. Sinds de coronapandemie en de oorlog in buurland Oekraïne zakte het geboortecijfer nog verder.

Bovendien krijgen vrouwen steeds later kinderen. In 1990 was de gemiddelde leeftijd waarop een vrouw haar eerste kind kreeg 22,7 jaar, dat is in 2024 gestegen naar 29,1 jaar. Ook vergrijst de Poolse bevolking steeds sneller. In 2024 was ongeveer een kwart van de bevolking pensioengerechtigd (60 jaar voor vrouwen, 65 jaar voor mannen), terwijl dat in 1990 slechts een achtste was.

Hoewel er niet één specifieke reden is die het lage geboortecijfer verklaart, blijkt wel dat financiële stimuleringsmaatregelen geen trendbreuk teweegbrengen. De kinderbijslag, waar de regering in 2016 mee begon, had slechts een tijdelijk effect. In de eerste jaren na de invoering steeg het geboortecijfer licht, om vanaf 2021 recorddieptes te bereiken.

Ook in Hongarije, dat zich opwerpt als een frontstaat in de strijd om meer geboortes, blijken financiële prikkels het geboortecijfer niet structureel te veranderen. Terwijl zo’n 5 procent van het bbp van het land besteed wordt aan geboortepolitiek – meer dan de Verenigde Staten uitgeven aan defensie. Zo krijgen Hongaarse grootouders verlof, betalen ouders een lagere hypotheekrente en zijn moeders van minimaal drie kinderen voor de rest van hun leven vrijgesteld van inkomstenbelasting.

Na de introductie van deze geboortepolitiek, zo’n vijftien jaar geleden, steeg het geboortecijfer van 1,25 tot 1,61 in 2021, maar daarna daalde het en belandde Hongarije in de Europese middenmoot. Critici zeggen dat de kosten de resultaten niet rechtvaardigen, terwijl voorstanders stellen dat elk extra geboren kind (volgens hun berekeningen tweehonderdduizend meer dan zonder de stimuleringsmaatregelen) winst is. Mogelijke redenen voor het dalende geboortecijfer zijn de stijgende prijzen, het gebrek aan betaalbare woningen en de slechte staat van de gezondheidszorg en het onderwijs in het EU-land.

Als een vrouw zegt dat ze niet meer wil schoonmaken en de man gefrustreerd raakt, dan hebben we een probleemDominika Maison hoogleraar psychologie

Vrouwen zijn veranderd, mannen niet

Tot zover de discussie onder de demografen. Hoogleraar psychologie Dominika Maison van de Universiteit van Warschau baarde vorig jaar opzien toen zij op basis van een enquête concludeerde dat de helft van de Gen-Z-generatie (mensen geboren tussen 1995 en 2012) in Polen helemaal geen kinderen wil. Ze doet al jarenlang onderzoek naar de Poolse demografie en stelt dat we moeten kijken naar de veranderingen onder moeders, vrouwen en de media.

„De meest genoemde oorzaken voor de lage cijfers zijn altijd materieel, zoals slechte huisvesting en instabiele werkgelegenheid”, zegt Maison – die een goed woordje Nederlands spreekt dankzij haar promotie-onderzoek in Tilburg – in een café in Warschau. „Maar als we degenen die geen kinderen hebben vragen waarom ze kinderloos zijn, noemen ze vooral het gebrek aan een geschikte partner.”

Volgens Maison is er in Polen sprake van een diepere sociale crisis. „We hebben te maken met een single-samenleving”, zegt Maison. Uit onderzoek blijkt dat het aantal echtscheidingen jaar op jaar stijgt, dat meer dan de helft van de 25 tot 34-jarigen nog bij hun ouders woont en het aantal singles toeneemt. Ongeveer een derde van de bevolking beschouwt zichzelf als single, onder de stedelingen is dat de helft.

„Natuurlijk zijn sommigen bewust single, maar uit onderzoek blijkt ook dat vrouwen in Polen veranderd zijn – ze werken meer, zijn onafhankelijk en accepteren de traditionele genderrollen niet meer. Terwijl de Poolse man geen gelijke tred houdt met die veranderingen”, zegt Maison. „Als een vrouw zegt dat ze niet meer wil schoonmaken en koken en de man gefrustreerd raakt omdat zij niet meer wil voldoen aan het stereotype beeld, dan hebben we een probleem.”

Ook zijn de Poolse moeders veranderd. Waar een vrouw van begin twintig zonder kinderen jaren geleden nog bestempeld werd als een ‘oude vrijster’, zeggen de Polen nu tegen hun dochters dat ze vooral niet te snel moeten beginnen met kinderen, blijkt uit onderzoek van Maison. „Dochters horen hun hele tiener- en twintigerleven van hun moeders dat er niets erger is dan zwangerschap op jonge leeftijd, dat je vooral moet wachten omdat je je hele leven nog voor je hebt”, zegt Maison. „Vervolgens worden de dochters dertig en verwachten moeders opeens een kleinkind. Terwijl de dochters sterk geïnternaliseerde negatieve emoties hebben over het ouderschap.”

Ze ziet nog meer ontwikkelingen die funest zijn voor het geboortecijfer. „De maatschappij is individualistischer geworden en een kind wordt gezien als een obstakel. Als er al een kind komt, dan moet de opvoeding perfect zijn met privéscholen, extra taal-, muziek- en sportlessen. En dat kost geld”, zegt Maison. „Bovendien lezen we in de media alleen maar artikelen over de lasten van het ouderschap en zelden over gelukkige grote gezinnen en familiewaarden.”

Hotelier Grochowski deelt de analyse van psycholoog Maison. „Geld lost het probleem niet op. Mensen zijn te veel gericht op consumeren en te weinig op onderlinge relaties”, zegt Grochowski. „Ze zouden minder moeten nemen en meer moeten nadenken over wat ze aan de maatschappij kunnen geven.”

Toch werkt zijn actie ook als een beloning. „Mensen vinden het nou eenmaal leuk om iets te krijgen”, verzucht Grochowski. Zijn actie sorteert al effect: het aantal boekingen in de hotelkamers is gestegen – in juni verwacht hij de eerste doopfeesten – evenals het aantal zwangerschappen onder zijn medewerkers.” Eén medewerker, die NRC probeerde te bellen tijdens het interview, bleek onderweg naar het ziekenhuis voor haar bevalling. Grochowski: „Ach, wat prachtig.”

Maison is minder optimistisch. „Je kunt wetten veranderen om te proberen het geboortecijfer op te krikken, maar een maatschappelijke mentaliteit veranderen is lastiger. Dat kost tijd.” Of het geboortecijfer ooit weer boven de 2,1 komt?
Hoogleraar Maison betwijfelt het – kijkend naar de geschiedenis – zegt ze lachend maar met een serieuze ondertoon: „Als dit zo doorgaat, zal het Poolse volk niet de eerste beschaving zijn die uitsterft.”

Franse econoom wil allerrijksten zwaarder belasten, ook in Nederland: ‘Miljardairs danken hun rijkdom niet alleen aan zichzelf’

INTERVIEW
Frankrijk De allerrijksten betalen relatief de minste belasting. Fiscaal ‘loodgieter’ Gabriel Zucman, econoom uit de school van Piketty, wil het gat dichten. Maandag spreekt hij in de Tweede Kamer. „De explosieve groei van de rijkdom van miljardairs is een van de belangrijkste trends in de wereldeconomie.”
NRC, Peter Vermaas vanuit Parijs. Gepubliceerd op 30 januari 2026
Econoom Gabriel Zucman na afloop van een hoorzitting over het belasten van de allerrijksten in het Franse parlement, 1 oktober 2025.


Alleen in Frankrijk gaan mensen de straat op om de naam van een econoom te scanderen. „Wij willen Zucman”, stond er afgelopen najaar op plakkaten en spandoeken tijdens demonstraties in Parijs. En: „Belast de rijken, Zucman-taks nu!”
Zucman, dat is Gabriel Zucman, 39 jaar oud, econoom uit de school van Thomas Piketty en, net als zijn leermeester, gespecialiseerd in vermogensongelijkheid. Hij is hoogleraar aan de Paris School of Economics – ja, in het Engels – en aan UC Berkeley in de Verenigde Staten. De belasting die hij heeft voorgesteld, in Frankrijk nu dus algemeen bekend als de Taxe Zucman, heeft als doel de allerrijksten te laten meebetalen aan de staatsuitgaven teneinde het hoge Franse begrotingstekort iets terug te dringen.
De demonstraties waar burgers ‘zijn’ belasting eisten hadden natuurlijk niets met zijn persoon te maken, zegt hij glimlachend in zijn spartaans ingerichte kantoor in Parijs. Dat zijn nu in het Nederlands vertaalde pamflet ”Miljardairs betalen geen inkomstenbelasting en daar gaan we een einde aan maken” (Atlas Contact) in Frankrijk een bestseller werd, is niet meer dan „een uiting van de grote roep om meer fiscale gerechtigheid die al langer onder de bevolking leeft”, zegt hij.
Vooral door aandelenconstructies met holdings, betalen de meeste miljardairs weinig tot geen inkomstenbelasting, liet Zucman in zijn onderzoek zien. Niet alleen in Frankrijk, maar in veel meer landen. Ook in Nederland. Daarom spreekt hij maandag in Den Haag met de vaste Kamercommissie voor Financiën. Wat hij wil: een heffing van 2 procent op het deel van het vermogen dat boven 100 miljoen euro ligt.

Die heffing, aanvankelijk door hem uitgedacht voor het Braziliaanse G20-voorzitterschap in 2024, was inzet van hoogoplopende discussie bij de onderhandelingen over de nieuwe Franse begroting de laatste maanden. Op zoek naar een meerderheid, ging de centrumrechtse premier Sébastien Lecornu langs bij de sociaaldemocratische Parti Socialiste (PS). Die had vooral één eis: de Zucman-taks. Voor president Macron ging deze ingreep te ver. Pas deze week, vele maanden later, kreeg Lecornu zijn begroting voor 2026 er doorheen. Om de PS alsnog te paaien komen er iets hogere belastingen voor bedrijven en iets hogere uitkeringen.
Frankrijk gaat door een „crisis in de overheidsfinanciën”, zegt de stereconoom. Sinds de jaren zeventig is geen regering erin geslaagd een sluitende begroting te presenteren. „We zitten nu op 5 procent tekort, en het lukt maar niet dat naar beneden te krijgen”, zegt Zucman. „Tegelijk hebben we in Frankrijk belastingen die op het hoogste niveau liggen sinds de Tweede Wereldoorlog.”
En dat terwijl, zo blijkt uit zijn cijfers, de vermogens van miljardairs flink toenemen. „Dat leidt tot een explosieve cocktail waarin een grote democratische roep ontstaat om meer gerechtigheid. Ik zie het als mijn taak om te leren van de geschiedenis en van internationale ervaringen met het belasten van vermogen, om tot werkende oplossingen te komen.” Plombier de la justice sociale, noemen Franse media hem: hij ziet zichzelf als een loodgieter die fiscale lekken dicht om tot meer sociale rechtvaardigheid te komen.

CV
Gabriel Zucman (1986) is econoom. Hij doceert en doet onderzoek naar economische ongelijkheid aan UC Berkeley in Californië en aan de Paris School of Economics. Hij is directeur van het EU Tax Observatory, dat zoekt naar nieuwe modellen van belastingheffing wereldwijd, en een van de drijvende krachten achter het World Inequality Lab. Dat verzamelt wereldwijd data over vermogens. In 2015 brak hij internationaal door met het boek The Hidden Wealth of Nations: The Scourge of Tax Havens. Zucman heeft de Franse en de Amerikaanse nationaliteit.


Zijn voorstel, zegt hij, gaat uit van het „eenvoudige principe dat extreme rijkdom onvermijdelijk verplichtingen met zich meebrengt voor de nationale solidariteit”. De drempel van 100 miljoen euro vermogen is niet willekeurig. Vanaf dat punt, laat hij zien, worden belastingstelsels in de meeste landen regressief: terwijl je inkomen of vermogen toeneemt, ga je relatief juist minder belasting betalen.

U wilt die extra belasting op vermogen, niet op inkomen. Waarom?
„Voor extreem rijke mensen is het makkelijk hun inkomen te manipuleren en zo belastingen te ontwijken. Neem het beroemde voorbeeld van Jeff Bezos van Amazon. Hij is een van de rijkste mannen ter wereld. Maar hij heeft een aantal jaren geen dollar inkomstenbelasting betaald. Sterker nog, hij gaf een jaar zo weinig inkomen op dat hij in aanmerking kwam voor een vorm van kinderbijslag – en die heeft hij nog gekregen ook. Vermogen manipuleren is veel moeilijker, dus om dit gelijk te trekken moet je naar een percentage van het vermogen kijken.”
In veel landen bestaat toch vermogensbelasting?
„Die werkt in geen enkel Europees land echt goed. Er zijn voor de allerrijksten altijd heel veel uitzonderingen. Dat zie je ook bij de discussie over box 3 in Nederland.”


U noemt box 3 in het Nederlandse voorwoord bij uw boek een „mislukte poging de rijken te belasten”. De Hoge Raad haalde een streep door box 3 omdat deze manier vermogens te belasten in strijd was met het eigendomsrecht uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het non-discriminatiebeginsel. Kan uw taks daar niet ook op stuklopen?
„Nee. Mijn voorstel is heel anders. Ik heb het niet over belasting op een hypothetisch rendement, maar op een werkelijk bestaand vermogen. Deze heffing zou slechts van toepassing zijn op de allerrijksten die nu minder dan 2 procent van hun vermogen aan inkomstenbelasting betalen. Ze moeten dus het verschil bijbetalen.”

Hoe kan het eigenlijk dat die miljardairs, zoals u zegt, nauwelijks belasting op inkomen betalen en sowieso een lagere belastingdruk dan gemiddeld hebben?
„Omdat ze zichzelf vaak geen salaris geven en dus geen inkomen hebben dat ze kunnen opgeven bij de belastingdienst. Maar het vermogen dat ze hebben is echt. Je kunt ermee lenen, je kunt er spullen mee kopen. Elon Musk had geen liquide middelen en kon een paar jaar terug toch voor vele miljarden Twitter overnemen. Of mensen hun vermogen nou in holdings zetten of op andere manieren belasting ontwijken, de allerrijksten betalen relatief de minste belasting. Daarmee is de belastingrevolutie die begin twintigste eeuw met de invoering van inkomstenbelastingen begon niet voltooid. Ik stel niets anders voor dan die revolutie nu wel af te maken. Als blijkt dat het geen zin heeft om de allerrijksten inkomstenbelasting op te leggen, dan moeten we maatwerk leveren en een belasting verzinnen die aangepast is aan die grote vermogens.”

Waarom nu?
„De bedragen waar het om gaat zijn enorm geworden. Dat is een van de belangrijkste trends in de ontwikkeling van de wereldeconomie van de afgelopen dertig jaar, met een versnelling sinds zo’n vijftien jaar: de explosieve groei van de rijkdom van miljardairs.”

En nog iets extremer in Frankrijk, schrijft u.
„In 1996 waren de vijfhonderd rijkste Franse huishoudens goed voor 6 procent van het bruto binnenlands product. Dat is nu 42 procent. Het vermogen groeide bij die mensen jaarlijks gemiddeld met zo’n 10 procent. Als we die mensen niet belasten, dan ontnemen we onszelf belangrijke inkomsten die weer nodig zijn om de samenleving aantrekkelijk te houden.”

Hoewel miljardairs weinig belasting betalen, groeit hun invloed op het publieke debat en de democratie


In Frankrijk zijn miljardairs de laatste jaren steeds zichtbaarder geworden. Terwijl in Parijs op de gekste plekken nieuwe boutiques van luxemerken openen, drukken de eigenaren van die merken ook op andere manieren hun stempel op de stad. Ze beginnen in prestigieuze panden hun eigen kunstmusea en tasten diep in de buidel om het Emily in Paris-beeld van de stad te bestendigen – bijvoorbeeld door de renovatie van de Notre-Dame te financieren. Hele straten zijn in handen van miljardairs, een beetje topindustrieel heeft tegenwoordig ook een krant of tv-station tot zijn beschikking.

Een demonstrant met een bord dat pleit voor de „Taxe Zucman” in Parijs in oktober 2025.


Tien jaar heeft Zucman in de VS gewoond, waar hij doceerde aan de universiteit van Berkeley. Hij hielp, met Emmanuel Saez, tevens een Franse econoom, de belastingparagraaf te schrijven van de programma’s van Democratische kandidaten als Bernie Sanders en Elizabeth Warren.

„Wat me het meest opviel toen ik terugkeerde in Frankrijk was de enorme greep die miljardairs op het medialandschap en daarmee op de politiek hebben gekregen”, zegt hij. „Het doel van een aantal van hen is het beheersen van de publieke opinie. En ondanks strikte regels, lukt hen dat steeds beter. Dus hoewel ze weinig belasting betalen, groeit hun invloed op het publieke debat en daarmee op de democratie.”
Niet zo vreemd, vindt hij, als je bedenkt dat die allerrijksten omgerekend 42 procent van het bbp waard zijn. „Dat wil zeggen dat ze met hun geld bijna de helft kunnen kopen van alles wat Frankrijk in een jaar produceert. Of concreter: dat hun bedrijven met bijna iedereen zakendoen. Daarmee hebben ze ook een enorme invloed op markten en alles wat zich in de Franse economie voordoet.”


Toen Macron president wilde worden, liet hij zich ontvallen dat jonge Fransen de ambitie moeten hebben „miljardair te worden”. Veel mensen vielen over hem heen. Is grote rijkdom nastreven iets on-Frans?
„Ik heb geen enkel probleem met miljardairs. Maar rijkdom vergaren is altijd ten dele te danken aan het collectief. Niemand wordt in zijn eentje miljardair, dat ben je ook dankzij de voorzieningen die de samenleving je biedt. Dat er een cultureel verschil zou zijn tussen Frankrijk en Angelsaksische landen kun je volgens mij niet stellen. De VS en het VK hadden, anders dan mensen denken, halverwege de twintigste eeuw juist progressievere belastingen voor hoge inkomens dan ooit in Frankijk of elders in continentaal Europa bestaan hebben.”

‘Mensen die psychotherapie krijgen knappen er meestal niet van op’

INTERVIEW
Ellen de Bruin, NRC. 22 januari 2026



Flip Jan van Oenen | therapeut 

Psychotherapie werkt vaker niet dan wel. Beperk daarom maar het aantal sessies, zegt Flip Jan van Oenen. „Iemand kan even met je meelopen en daarna zul je het zelf moeten doen.”

In Nederland is 1 op de 20 volwassenen in behandeling bij de geestelijke gezondheidszorg en 1 op de 10 jongeren doet een beroep op jeugdhulp. Bijna de helft van de Nederlanders heeft ooit een psychische aandoening gehad, ruim een kwart van de Nederlanders het afgelopen jaar – meestal een angst- of stemmingsstoornis. En psychotherapie werkt veel vaker niet dan wel.

Je hoort dat niet vaak; het gangbare idee is dat psychotherapie werkt, en hard nodig is. Maar juist dat idee ondermijnt de eigen vaardigheden om met psychische problemen om te leren gaan. Dat schreef therapeut Flip Jan van Oenen (69), inmiddels drie jaar gepensioneerd, al in zijn boek Het misverstand psychotherapie (2019). In zijn nieuwe boek Verdragen (2025) pleit hij voor een radicale herziening van de geestelijke gezondheidszorg (ggz), waarbij iedereen zeven sessies psychotherapie vergoed krijgt per twee jaar, zonder de garantie dat die helpen. Hij baseert zich op wetenschappelijk onderzoek en op vijfendertig jaar ervaring in de ggz. Geef mensen geen valse hoop, schrijft hij, maar moedig ze aan hoop te houden, actief te blijven en hun smart te delen tot hun klachten minder worden of te verdragen zijn. Ze zullen wel moeten; therapie en pillen helpen meestal toch niet.

„Pakweg 60 procent van de mensen is na psychotherapie niet opgeknapt”, vertelt Van Oenen thuis op zijn woonark in het centrum van Amsterdam. „En van de 40 procent die wel is opgeknapt, was dat bij 15 procent in diezelfde periode zonder therapie ook gebeurd. Ongeveer 25 procent van de mensen ervaart dus maar meerwaarde van de therapie.” Die laten bij minimaal de helft van hun klachten een verbetering zien op vragenlijsten, dus ze zijn ook absoluut niet altijd helemaal genezen.

„Als je dat bedenkt”, gaat hij er nog maar eens voor zitten, „in combinatie met het feit dat er tussen de 200 en 1.000 onderzochte therapiesoorten bestaan, die het allemaal niet beter doen dan de andere, dan moeten we volgens mij concluderen dat we een plafond bereikt hebben.” Dat moeten mensen weten, vindt hij. „Mensen denken nu: als ik maar in therapie kom, gaat het daarna beter. Dat ondermijnt de eigen veerkracht, blijkt uit onderzoek: mensen op een wachtlijst gaan minder vooruit dan mensen die niet op een wachtlijst staan. Dus moeten we mensen vertellen dat het effect van therapie beperkt is en dat ze hun problemen zélf aankunnen.”

U bent zelf therapeut. Hoe heeft uw denken hierover zich ontwikkeld?

„Ik ben begonnen als basisarts, als dienstweigeraar, en later opgeleid tot gezins- en relatietherapeut. Van daaruit ben ik in 1985 bij de crisisdienst begonnen, eerst heel klein, met vier mensen in een keldertje. Dat heb ik tot 2015 gedaan. De laatste zeven jaar heb ik me met vechtscheidings­problematiek beziggehouden.

„In het begin had ik het idee: alles kan en moet beter. Veel dingen schieten niet op, met cliënten. In de crisisdienst kom je heel veel mensen tegen die bij therapeuten lopen en dan toch in crisis raken. Dus daar kreeg ik al de indruk dat therapieën niet allemaal zo vlekkeloos verlopen als vaak gezegd wordt.”

Wat houdt dat in, ‘in crisis raken’?

„Als huisartsen en collega-hulpverleners niet weten wat ze ermee aan moeten als iemand heftig ontremd is, manisch, psychotisch, of suïcidaal of ernstig depressief, dan mogen ze naar ons – voormalig ons – verwijzen voor acute hulp, om de situatie weer hanteerbaar te krijgen. Dat gaf me een interessant inkijkje in allerlei geledingen van de ggz. Zelfs gerenommeerde behandelaars konden behoorlijk met hun handen in het haar zitten. Ook onze eigen kortetermijn­behandeling lukte deels wel, deels niet. Dan ga je al denken: is dit het nou?

„En er kwamen steeds nieuwe soorten behandelingen langs, waarvan je dan denkt: dat moet ik ook kunnen, dan zou ik een betere therapeut zijn. Veel therapeuten hoppen: ze zijn een tijd enthousiast over een methode, merken dan dat veel mensen er toch niet echt mee geholpen zijn, en gaan dan weer nieuwe methoden volgen.”

Hopte u zelf ook?

„Ja, zeker. In 2008 werd ik nog één keer heel enthousiast over een methode uit Amerika, feedback informed treatment. Daarbij vraag je aan het begin van de sessie expliciet hoe het met de cliënt gaat, en aan het eind hoe het gesprek ging, en dat breng je samen in een grafiek in kaart. Vanuit het idee dat de samenwerkingsrelatie tussen therapeut en cliënt de belangrijkste voorspeller is voor succes. Ik deed een training in Chicago, ik mocht de hele crisisdienst erin gaan trainen, en ik dacht: dan wil ik ook onderzoeken of het wérkt. Uiteindelijk ben ik daarop gepromoveerd.

„Maar het onthutsende was dat mensen in de controlegroep, zonder feedbackvragen aan het begin en eind, het na zes weken beter bleken te doen dan de groep bij de interventie mét feedback. Na twaalf weken was er geen verschil meer. Ik dacht: deze methode had nog iets kunnen toevoegen. En dat gebeurde dus niet.

„Voor dat onderzoek begon ik ook alle wetenschappelijke literatuur te bestuderen. Dat deed ik daarvoor niet. Mijn ervaring is dat therapeuten hoogstens lezen: deze methode is evidence based, hij werkt, meer hoef je niet te weten. Maar zo kwam ik erachter dat psychotherapie weinig effect heeft, al vijftig jaar niet verbeterd is, en dat veel methoden hetzelfde beperkte effect hebben. Dus die twijfel die je als therapeut altijd voelt – ik ben niet goed genoeg, ik moet meer cursussen volgen, niet iedereen wordt beter en dat ligt aan mij… – dat klopt niet. Het is gewoon onvermijdelijk gezien de stand van zaken. Toen ben ik die boeken gaan schrijven.”

Er is weinig onderzoek naar het natuurlijk beloop van stoornissen. Zomaar iemand volgen die niet behandeld wordt, gebeurt niet

Hoe reageerden collega’s?

„Het is een lastige boodschap. Het vraagt veel van therapeuten om deze kennis een plek te geven en toch met hart en ziel te blijven werken. Deels waren mensen bozig: je haalt het vak onderuit. Maar ik heb echt naar eer en geweten geprobeerd recht te doen aan wat volgens mij de conclusies uit de literatuur zijn. Deels waren ze opgelucht. Zowel therapeuten als cliënten, die natuurlijk ook vaak merken dat therapie niet werkt, zeiden: hèhè, het ligt niet aan mij, therapie is beperkt.”

U schrijft dat psychische problemen vaak vanzelf overgaan.

„Ja. Er is weinig onderzoek naar het natuurlijk beloop van stoornissen. Zomaar iemand volgen die niet behandeld wordt, gebeurt niet. Ik heb geprobeerd op basis van controlegroepen en bevolkingsonderzoeken te kijken hoe het met mensen gaat die niet behandeld worden. Er zijn sterke aanwijzingen dat bij de meesten na een periode de problematiek verdwijnt, of overgaat in een fase waarin iemand er beter mee kan omgaan.

„Dat is zwaar. Psychisch leed is geen aanstellerij, het is heel akelig. Maar je kunt er in de meeste gevallen op eigen kracht doorheen komen.”

FOTO MERLIJN DOOMERNIK

Ook zonder medicijnen?

„Het effect van praten en pillen, antidepressiva, is grofweg hetzelfde. Als pillen een steuntje in de rug geven, doe dat vooral, maar je zult het uiteindelijk zelf moeten doen. Voor de ernstige psychiatrische aandoeningen, zoals bipolaire stoornis en psychose, geldt dat pillen op de korte termijn rust in de tent kunnen brengen. Tegelijkertijd wijst ervaring uit: bijna iedereen die psychotisch is, stopt ermee zodra het beter gaat. En door lithium kunnen mensen met bipolaire stoornis stabieler zijn. Maar ook daar geldt helaas: die pillen nemen de stoornis niet weg, ze maken hem hanteerbaarder. Ook deze mensen zullen toch moeten verdragen.”

Therapie verhelpt misschien niet alle klachten, maar mensen zijn meestal wel tevreden over hun therapeut en de behandeling.

„Ja, therapeuten zijn ook vaak heel kundige, aardige mensen. Ze kunnen goed luisteren. Wanneer luistert nou eens iemand een aantal keer een uur lang zonder oordeel naar je? Dat is een fantastische ervaring. Die geeft een goede therapeut jou. Los daarvan kan therapie ook een soort cursus geestelijke zelfverrijking zijn. Dat het dan na die therapie niet beter gaat… mensen koppelen dat los van elkaar, denk ik.”

Is dat alles wat een therapeut doet?

„Wat de werkzame bestanddelen van psychotherapie zijn, is eigenlijk niet bekend. Zelf denk ik dat een therapeut vooral helpt de copingmechanismen van de cliënt te stimuleren, en dat zijn in mijn visie klagen, veranderen en verdragen. Klagen is maar heel kort prettig, veranderen lukt haast nooit. Dus we zijn aangewezen op verdragen, en de therapeut helpt daarbij. Door zelf niet ontredderd te raken door wat iemand vertelt, en door diegene te stimuleren hoop te houden, smart te delen en in beweging te blijven, dus dingen te blijven doen. Die laatste zijn de drie ‘verdraagmechanismen’ die ons naar mijn idee ten dienste staan.

„Daarbij moet een therapeut duidelijk zijn dat hij maar een bescheiden bijdrage levert. Dat kan het beste door geen lange therapie aan te bieden, of steeds door te verwijzen, want dat suggereert dat meer therapie beter is, terwijl daar geen aanwijzing voor is. Iemand kan even met je meelopen en daarna zul je het zelf moeten doen.”

Ik denk dat diagnoses in de ggz vaak vrij waardeloos zijn

Mensen zijn tegenwoordig ook vaak blij als ze een diagnose krijgen en weten wat er precies aan de hand is.

„Ik denk dat diagnoses in de ggz vaak vrij waardeloos zijn, want iedere behandeling die een beetje effectief is, wordt op alle diagnoses losgelaten. En diagnoses overlappen elkaar enorm. Er staan er nu zo’n 560 in het psychiatrisch handboek DSM-5 en die classificatie geeft geen enkel houvast voor de behandeling. En ook geen verklaring voor wat iemand mankeert. Dat beschreef Trudy Dehue zo mooi in haar boek De depressie-epidemie: dat we diagnoses als verklaring zijn gaan zien, je bent somber omdát je een depressie hebt. Dat slaat nergens op.

„Tegelijkertijd denk ik dat het voor individuele personen wel waarde kan hebben om te bedenken: er zijn groepen mensen die ook ongeveer ditzelfde conglomeraat van verschijnselen hebben, en daar gaat het over het algemeen ongeveer zo mee. Als dat je houvast geeft, kan ik me voorstellen dat dat fijn is. Maar in wezen is het ernstig dat we niet accepteren dat het een tijdje niet zo goed met iemand gaat en dat dat een naam moet hebben.”

U stelt een grote verandering van de ggz voor, waarna iedereen elke twee jaar zeven sessies psychotherapie vergoed krijgt, en dat is dan alles. Hoe gaan we dat bereiken?

„Dat is de hamvraag. Het is heel moeilijk, want geen enkele groep heeft er op korte termijn belang bij. Cliënten willen geholpen worden. Voor therapeuten is deze boodschap heel ontwrichtend, én het is hun werk en inkomen. Hetzelfde voor grote ggz-instellingen: als Arkin zegt dat ze iets niet kunnen bieden, ziet Parnassia een gat in de markt. Politici hebben er ook geen belang bij: met ‘wen maar aan je problemen’ word je niet verkozen.

„Ik denk dat de grote ggz-instellingen de belangrijkste rol moeten hebben. Die zouden bij wijze van spreken op de gevel moeten zetten: hierbinnen gaat het meestal over, daarbuiten ook. Individuele therapeuten zijn redelijk realistisch, denk ik. Die zeggen wel: ik heb geen toverstaf, we gaan samen kijken wat er kan. Maar het gaat juist om de stap daarvóór: moet je er wel naartoe?

„Huisartsen zouden kunnen zeggen: misschien is hier geen oplossing voor. Wel vind ik de praktijk­ondersteuner-ggz bij de huisarts een geweldige functie. Zo zou de hele ggz eruit moeten zien: laagdrempelig, paar gesprekken, iemand die je weer op gang helpt. Zoals de fysiotherapeut. Die omslag is gelukt: ooit ging je naar de fysiotherapeut om beter te worden, en dat duurde soms heel lang. Nu ga je een paar keer en dan kun je weer even verder. Zo’n omslag moet ook bij psychotherapie gebeuren.”

Voor iedereen, met ongeacht welke psychische problemen?

„Ja. Er is natuurlijk een groep mensen die heel kwetsbaar is en het zelf niet goed redt. Die kun je ondersteuning en bescherming bieden. In de vorm van opnames bijvoorbeeld, en activiteiten, een sociale werkplaats, ze helpen uit bed te komen. Maar dat onderscheid ik van therapie, van zeggen: u gaat herstellen.”

Wie zijn dat dan, die het ‘niet redden’?

„Ik denk vooral aan mensen met een psychotische kwetsbaarheid, en ernstige chronisch depressieve mensen. Maar het is belangrijk te benadrukken dat het echt een kleine groep is. De meerderheid zal zelf uit bed moeten komen.”

Een kleine groep mensen heeft ontzettende pech en zal een heel moeilijk leven houden

Maar de grens tussen ernstig en minder ernstig psychisch leed is heel moeilijk te bepalen, schrijft u zelf.

„Dat klopt. Daar heb ik ook geen oplossing voor. Kijk, als de zorg eenmaal veel terughoudender is, als het gelukt is om die verwachtingsomslag te maken, dan zal er dus een groep overblijven die ondanks allerlei beschermingspogingen een marginaal bestaan blijft leiden, en mensen die buiten overlast veroorzaken. Het klinkt harteloos, maar ik denk dat je dat moet verdragen. Als je zegt: we kunnen niet accepteren dat die niet behandeld worden, dan doe je alsof je iets te bieden hebt wat je niet te bieden hebt. Een kleine groep mensen heeft ontzettende pech en zal een heel moeilijk leven houden. Zowel op individueel niveau als op maatschappelijk niveau zullen we dus dingen moeten verdragen die niet maakbaar zijn. Maar het overgrote deel van de mensen redt zich; daar moet je ook op kunnen vertrouwen.”

U schrijft ook dat we suïcide moeten accepteren.

„Dat is een beetje een stokpaardje van me. De gedachte dat therapeuten mensen van suïcide kunnen weerhouden is ongefundeerd. De halve ggz wordt gegijzeld door de angst dat iemand zich suïcideert en dat er dan een klacht komt en dat het jouw schuld is. Deels is dat gewoon menselijk schuldgevoel: had ik iets anders kunnen doen? Maar er wordt ook eindeloos gevraagd: heb je het protocol wel gevolgd, is alles wel volgens de regels gegaan? Terwijl ik niet zou weten hoe je moet onderbouwen dat er enige relatie is tussen wat de therapeut doet en of iemand wel of niet blijft leven. Daarom moet je dat loslaten. Die vreselijke last gaat er dan ook een beetje af. Naasten en therapeuten voelen zich dodelijk schuldig, over het algemeen. Maar je kunt niet iemand behouden voor het leven die dat niet wil.”

Bent u niet bang dat als die maatschappelijke omslag lukt, de mensen die het kunnen betalen naar alternatieve kwakzalvers rennen voor therapie?

Flip Jan van Oenen: Verdragen. Over de hulp helpt-mythe. Uitgeverij Boom, 292 blz. € 29,25

„Ja, dat zal wel. Of naar therapeuten die de wetenschappelijke literatuur terzijde schuiven. Maar dat vind ik geen reden om te blijven doen wat we doen. En het akelige is natuurlijk dat het deels om geld gaat. Zodra dingen niet meer vergoed worden, gaan mensen er veel minder gebruik van maken. Ik wil het economische aspect niet te veel vooropstellen, maar wat zijn de keuzes? Je kunt als samenleving zeggen: het is een schande dat een heleboel mensen nog niet behandeld worden, we gaan koste wat kost zorgen dat het enorme ggz-aanbod waar mensen om vragen er komt. Maar dat is gewoon niet haalbaar. We hebben nu al gigantische tekorten van middelen en mensen.

„En je kunt niet tegen mensen zeggen: als we het geld hadden voor meer therapie zou het beter met u gaan. Dat is een verschrikkelijke boodschap die bovendien niet klopt. Dan is het zuiverder om te zeggen: we hebben de middelen niet, maar het is niet zo dat we u iets onthouden; de kans is groot dat therapie u niet beter maakt en dat u slechter af bent wanneer u het vertrouwen verliest dat u het zélf kunt. Dat vind ik als maatschappij een veel logischer stellingname.”

Hoe ‘gekke koningen’ als Trump al eeuwen voor problemen zorgen

Geschiedenis 
De laatste weken is diverse keren gesuggereerd dat Donald Trump geestelijk incapabel is. Onberekenbare leiders hebben in het verleden vaak voor geweld gezorgd – intern en extern.

Bart Funnekotter, NRC
Gepubliceerd op
21 januari 2026 om 13:12

De ontvoering van een staatshoofd, het goedpraten van de gewelddadige dood van een demonstrant, de juridische stalking van de baas van de Centrale Bank en het bedreigen van een bondgenoot omdat je een deel van zijn grondgebied begeert: Donald Trump is het jaar 2026 ontremd begonnen.

Nobelprijswinnend econoom Paul Krugman noemde in zijn nieuwsbrief de Amerikaanse president daarom vorige week een „Mad King”, en commentator Martin Wolf van de FT en New York Times-columnist Maureen Dowd vergeleken Trump al eerder met een gekke koning – en dat was nog vóór diens kattenbelletje aan de Noorse premier Jonas Gahr Støre, waarin de president zich op dreigende toon beklaagde over het feit dat hij de Nobelprijs voor de Vrede was misgelopen.

Voor Amerikaanse psychiaters geldt de zogenoemde Goldwater rule – je mag geen diagnose stellen zonder iemand persoonlijk te hebben onderzocht – maar Democratische politici zijn aan deze regel niet gebonden. De afgelopen dagen concludeerden meerdere afgevaardigden en senatoren dat Trump geestelijk niet in orde is en dat het kabinet een beroep moet doen op het 25ste amendement van de Grondwet. Deze bepaling voorziet in de mogelijkheid de president uit zijn ambt te zetten als hij niet langer in staat is het uit te voeren.

Dat Amerikanen grijpen naar een vergelijking met een gekke koning is niet vreemd. Theodore Roosevelt (regeerperiode 1901-1909) was zich goed bewust van de enorme macht die hij had. Hij schreef: „De president van de Verenigde Staten neemt een positie in van bijzonder belang. In de hele wereld is er geen heerser, zeker geen heerser die werkt onder vrije instituties, wiens macht te vergelijken is met die van hem. Alleen een despotische koning heeft meer macht.”

En het was nota bene uit een conflict met zo’n despotische koning dat in 1776 de Verenigde Staten werden geboren. George III van Groot-Brittannië was bovendien psychisch ziek. De oorzaak daarvan was niet de stofwisselingsziekte porifyrie, zoals bijvoorbeeld in de film The Madness of King George (1994) werd beweerd. Volgens biograaf Andrew Roberts leed George aan een bipolaire stoornis, waarbij periodes van depressie en manie elkaar afwisselden.

De koning wist van deze episodes dat hij op het punt stond af te dalen in een beangstigende wereld waarin hij geen controle meer had over zijn gedachten. Dat hij behandeld werd alsof hij gek was, noemt Roberts „monsterlijk”. Zijn zoon en belangrijke politici vochten tijdens George’ slechte periodes om de macht, wat zorgde voor instabiel beleid.

Nero vertoonde ernstig gestoord gedrag

Een blik op de geschiedenis leert dat dit vaker gebeurde wanneer er een mentaal wankel persoon aan het hoofd van een staat voor een machtsvacuüm zorgde. Het is daarbij wel van belang in de gaten te houden wie er opschreef dat een koning gek was. Zo’n auteur had vaak een appeltje te schillen met de vermeende patiënt. In het Oude Testament staat bijvoorbeeld dat de Babylonische koning Nebukadnezar II leed aan de verschijnselen van boantropie, een aandoening waarbij de patiënt denkt dat hij een rund is. Nebukadnezar stond er bij de Joden echter bijzonder slecht op omdat hij in 587 v.Chr. de tempel van Jeruzalem vernietigde en het Joodse volk in ballingschap voerde. Als straf voor zijn opschepperij hierover liet Jaweh hem zeven jaar lang leven als een dier – aldus het Boek Daniël

De Romeinse keizers van het Julio-Claudische huis zijn er in de geschiedschrijving ook niet goed van afgekomen. Tiberius (r. 14-37) en Caligula (r. 37-41) waren, aldus de bronnen, pervers en paranoïde, maar vooral Nero (r. 54-68) vertoonde volgens historici als Tacitus, Cassius Dio en Suetonius ernstig gestoord gedrag. Hij vermoordde onder meer kritische senatoren, zijn moeder en twee echtgenotes. In zijn biografie tracht John Drinkwater uit de antieke beschrijvingen te destilleren wat er nu écht mis was met Nero, met daarbij alle slagen om de arm dat zoiets 2.000 jaar later erg moeilijk is. Hij komt tot de conclusie dat de keizer niet ‘gekker’ was dan zijn tijdgenoten, maar wel persoonlijk zeer onzeker en als het moest politiek meedogenloos.

De koning dacht dat hij van glas was

Dichter bij het heden zijn de contemporaine beschrijvingen van ‘gekke koningen’ betrouwbaarder. Karel VI van Frankrijk (r. 1380-1422) beleefde in dertig jaar in totaal 44 psychotische episodes. Zijn wanen zorgden er onder meer voor dat hij zijn eigen mannen gewapend te lijf ging en zich maandenlang niet waste. Ook was er een periode waarin hij dacht dat hij van glas was. Volgens paus Pius II liet de koning toen ijzeren staven in zijn kleding bevestigen, zodat hij niet zou breken.

Karels ziekte maakte Frankrijk op een cruciaal moment in de Honderdjarige Oorlog tegen Engeland stuurloos. Verschillende facties aan het hof vochten om de macht, wat uitmondde in een burgeroorlog en een aantal desastreuze nederlagen tegen de Engelsen. Karel overleed in 1422, hetzelfde jaar dat in Engeland Hendrik VI aan de macht kwam. Toevallig (of juist niet, want ze waren aan elkaar verwant) was het nu de Engelse koning die mentale kwalen ontwikkelde. Hij vertoonde al een tijdje zorgwekkende symptomen toen hij op zijn 31ste in een ernstige crisis belandde. Volgens de kronieken zorgde „een plotselinge en onfortuinlijke schrik” ervoor dat hij anderhalf jaar lang „noch het gevoel noch het verstand had om de regering te leiden, en noch arts noch medicijn kon die zwakte genezen”.

Hendrik kwam uiteindelijk weer bij zinnen, maar kende hierna nog meerdere episodes waarin hij in totale lethargie verdween, stemmen hoorde en tijdens een veldslag lachend en zingend onder een boom ging zitten. Er is daarom wel geconcludeerd dat hij schizofreen was. Net zoals in Frankrijk leidde het onvermogen van de koning om te regeren tot een burgeroorlog, de zogenoemde Rozenoorlogen. Hendrik overleed uiteindelijk op 49-jarige leeftijd onder verdachte omstandigheden in de Tower van Londen.

Koning George III moest drie eeuwen later zijn periodes van waanzin niet met de dood bekopen en er brak in Groot-Brittannië geen burgeroorlog uit, maar er was dus wel sprake van ernstige interne politieke onrust en een revolutie in Amerika. Zijn tijdgenoot Christiaan VII van Denemarken (r. 1766-1808) zorgde in zijn koninkrijk ook voor problemen. Lijfarts Johann Friedrich Struensee – die vanwege zijn band met de vorst de facto optrad als regent – noteerde dat Christiaan in zichzelf mompelde, tics in zijn gezicht had en ongecontroleerde bewegingen maakte. Zijn kwaal is achteraf wel gediagnosticeerd als schizofrenie, terwijl andere wetenschappers een ernstig geval van het syndroom van Tourette vermoedden. In ieder geval zorgden ook in Denemarken de mentale problemen van de koning voor een richtingenstrijd aan het hof.

Koning Lodewijk II van Beieren – bouwer van het ‘sprookjeskasteel’ Neuschwanstein – was misschien wel de eerste vorst die een officiële diagnose kreeg. Hij werd in 1886 door de psychiater Bernhard von Gudden onderzocht omdat hij al jaren verontrustend gedrag vertoonde (dwangstoornissen, auditieve en visuele hallucinaties, urenlange scheldpartijen). Zijn arts concludeerde dat hij „in vergaande mate zielsgestoord” was en bovendien „paranoïde”. De koning werd uit zijn ambt gezet en opgevolgd door zijn broer Otto I, die zijn werk aan een regent moest overlaten omdat ook hij met ernstige mentale problemen te kampen had. Lodewijk zelf werd later in 1886 dood aangetroffen in een meer, samen met zijn psychiater. Of het een ongeval, moord of zelfmoord betrof is nooit met zekerheid vastgesteld.

Handboek van de psychiatrie

Van de mannen hierboven werd door hun tijdgenoten al geconstateerd dat er iets niet goed met ze was. Andere leiders – denk aan Dzjengis Khan en Vlad Dracula (en Stalin en Hitler) – werden door hun tegenstanders en slachtoffers gezien als kwaadaardig, maar niet per se als ‘gek’, terwijl ze anno 2026 hoog zouden scoren op een aantal categorieën in de DSM-5, het handboek van de psychiatrie.

In tijden van door God gegeven koningschap, zat het establishment met het probleem dat de heerser formeel niet uit zijn functie kon worden gezet. Een mad king zorgde daardoor voor instabiele en vaak gewelddadige situaties waarin hovelingen de macht naar zich toe probeerden te trekken. Dat probleem bestaat in een democratie niet, net zomin als het gevaar dat erfelijke heersers van generatie op generatie mentale kwetsbaarheden doorgeven.

En toch zitten de Verenigde Staten nu met een leider opgescheept die volgens zijn critici niet goed bij zijn hoofd is. In vroeger tijden leidde de heerschappij van zo’n gekke koning vaak tot geweld – intern en extern. Het is afwachten wat de (nabije) toekomst in petto heeft.

Kunstenaar William Kentridge: ‘Ongeacht of je zelf schuldig bent, je bent medeverantwoordelijk’

INTERVIEW

‘Vertrouw nooit een man van boven de vijftig die geen rimpels heeft. Dat betekent dat hij geen geweten heeft.” Het is een van de levenslessen die de Zuid-Afrikaanse kunstenaar William Kentridge meekreeg van zijn moeder. Ze was een vrouw met duidelijke meningen, vertelt hij. We spreken elkaar de middag voor zijn optreden bij Crossing Border in Den Haag en een dag later opnieuw, maar dan in het openbaar in het Amsterdamse filmmuseum Eye. Kentridge is in het land ter promotie van zijn boek Anatomie van het atelier. Dat hij iets van een popster heeft, blijkt wel uit de optredens bij Crossing Border en in Eye: de zaal zit twee keer bomvol, en hij heeft een manager die het tijdschema strak in de hand houdt. 

De zeventigjarige Kentridge is vooral bekend van zijn houtskooltekeningen en animatiefilms waarin vaak ‘processies’ voorbijkomen die een ander perspectief op de geschiedenis vormen. Daarnaast is hij werkzaam als opera- en theaterregisseur. Op de Biënnale in Venetië vorig jaar had hij succes met de filmserie Self-Portrait as a Coffee Pot, waarin hij voortdurend met zichzelf in gesprek is, werk uitveegt, soms een kopje koffie drinkt en meermaals op kaarten, in woordenboeken of in encyclopedieën schildert.

Heeft u wel eens overwogen om de wetboeken van uw vader te gebruiken om in te tekenen?

„Nee, dat heb ik geloof ik nooit overwogen. Dat is een nieuwe gedachte. Ik heb vast nog wel ergens oude wetboeken liggen of andere boeken uit die tijd, maar misschien zit er nog een soort supervisie van ouders om niet aan die boeken te komen. Het heeft natuurlijk ook met de kwaliteit van het papier te maken of je er met houtskool op kan tekenen.”

In uw boek staat een geestige passage over een historisch kookboek, waarin wordt gesteld dat Joden nostalgisch zijn aangelegd omdat ze graag gans eten. Los daarvan, denkt u dat nostalgie goed is voor elk mens of vooral voor kunstenaars?

„Dat hangt ervan af wat voor soort nostalgie. Je hebt de reactionaire nostalgie naar een wereld zoals die zou zijn geweest. De Britten die een Brexit willen en dan denken terug te kunnen keren naar de jaren twintig van de vorige eeuw. Dat is negatieve nostalgie. Maar je hebt ook nostalgie van het Griekse woord ‘nostos’, en dan gaat het om een actieve terugreis, waarbij je je bewust wil worden van waar je wortels liggen en wie je bent.”

En die laatste vorm heeft u?

„Ik denk dat iedereen die heeft. Vooruitkijken is immers ook terugkijken. Alle beelden die je vormt, zijn gebaseerd op wat je gezien hebt. Het is niet dat je ze opnieuw wil maken, maar je kan niet doen alsof ze er niet zijn. Dat je zou kunnen werken vanuit een neutraal beginpunt is een leugen. Dus, ik denk dat erkennen waar je vandaan komt en wie je geworden bent altijd essentieel is, of je nu een kunstenaar, een politicus of wie dan ook bent.”

De manier waarop u naar uzelf kijkt en vastlegt in zelfportretten is niet de standaard manier zoals we die kennen. Er is een groot verschil tussen iemand als Rembrandt en uw zelfportret als een koffiepot.

„Ik heb wel portretten gemaakt op een traditionele manier, dan tekende ik een gezicht in de hoop dat het op het mijne leek. Maar wat me meer interesseert, is er anders naar kijken. Een portret onthult niet zozeer wie je bent, wat je bijvoorbeeld wel of niet tekent of wel en niet leest, is even onthullend. En het is natuurlijk ook een grap: een koffiepot is geen zelfportret.”

Moet je als je een zelfportret maakt, in welke vorm ook, jezelf aardig of leuk vinden?

„Nee, beslist niet. Dat is niet een vraag waar je mee bezig bent. Rembrandt had wel wat compassie voor zichzelf in zijn portretten, maar dat is wat anders dan jezelf  leuk vinden. Je moet denk ik wel op je gemak zijn met jezelf.”

En u bent op uw gemak met uzelf?

„Nou, nee, of… Kijk, ik kan niet veranderen wie ik ben. Ik verwacht ook geen enorme veranderingen in mijn laatste levensjaren. Maar waar het om gaat is het grotere geheel, de grotere vragen: waar gaat het heen, wie ben ik uiteindelijk? Iedereen heeft dingen waar die trots op is en minder trots op is, dat is hoe je gevormd wordt.”

In  een documentaire van enkele jaren geleden vertelde u dat u als jongetje van vijf in de studeerkamer van uw vader foto’s vond van de demonstranten die doodgeschoten waren door de politie tijdens een demonstratie in Sharpeville.  In hoeverre hebben die foto’s u gevormd?

„Mijn vader verdedigde de families van de vermoorde demonstranten. Toen ik zijn kamer binnenging dacht ik dat het een doos chocolade was, en daarom opende ik hem. Dat bleek dus zo’n gele Kodakdoos te zijn met die foto’s. Ik had nog nooit foto’s van dode mensen gezien, en zeker niet die zo gewelddadig waren vermoord, dus dat was natuurlijk een schok. Eigenlijk zou je alle terreur en doden in de wereld moeten blijven bekijken vanuit de blik van een vijfjarige, zodat je blijft ervaren hoe schokkend dat is in plaats van dat je eraan gaat wennen. Maar goed, wat ook meespeelde is dat ik niet in die studeerkamer had mogen zijn, dus daar voelde ik me ook schuldig over: dit is wat je krijgt als je iets doet wat niet mag. Ja, het was een belangrijk moment, maar die foto’s speelden pas veel later een rol, toen ik een film maakte met daarin dode lichamen naast elkaar. Ik had toen niet door dat dit een weerslag was van wat ik als vijfjarige had gezien. Het grappige is dat mijn vader en ik zo’n 15 jaar geleden samen werden geïnterviewd in Duitsland. Dit verhaal kwam toen ter sprake en mijn vader zei dat híj zich schuldig voelde dat hij de doos op een plek had laten liggen waar een kind die kon vinden. Dat was een moment dat me bijbleef, want hij bood een perspectief waar ik nooit bij had stilgestaan.”

Wat zei u daarop?

„Ik hoefde niets te zeggen.”

Wat zei u dan na afloop tegen uw vader?

„Ik zei: ‘Dat was een goede conversatie.’ Hij zei: ‘Ja jongen, dat was een goed gesprek.’ Waarop ik zei: ‘Ik denk dat we dit vaker zouden moeten doen.’ Hij zei: ‘Nee, laten we het bij deze ene keer houden.’”

Als kind kreeg u van uw opa een boek over geschilderde landschappen. Kunt u landschappen met een nostalgische blik bekijken of zijn ze daarvoor te politiek?

„Net als de meeste mensen kan ik genieten van een landschap. Wat me intrigeert is of het genieten van een landschap voor iedereen hetzelfde is. Vindt iemand die altijd in de woestijn heeft gewoond het groen van Ierland bijvoorbeeld benauwend en afschuwelijk, of juist mooi?”

Wat ik bedoel is: uw ouders voelden zich medeverantwoordelijk voor wat er in Zuid-Afrika gebeurde en speelden een belangrijke rol. U neemt als kunstenaar ook een verantwoordelijkheid door onbekende geschiedenissen aan te kaarten. Maar is het landschap dan vooral mooi of juist ook schuldig?

„Ik heb daar nooit op die manier over nagedacht, maar je hebt ergens wel gelijk. Als je een landschap ziet, dan weet je dat er een beladen geschiedenis aan gekoppeld is. Ongeacht of het een geschiedenis is van mijnen of veroveringen: een landschap is geen neutrale plek. Ik denk dat een landschap het verleden kan tonen, maar geen verantwoordelijkheid hoeft te nemen voor wat er gebeurd is. Dat het landschap schuldig is voor wat er heeft plaatsvonden, nee, dat vind ik toch niet. Het is de mens die verantwoordelijk is voor wat daar gebeurd is.”

 Als een popster trok de Zuid-Afrikaanse kunstenaar William Kentridge volle zalen bij de presentaties van zijn boek Anatomie van het atelier. „Om een zelfportret te maken hoef je jezelf niet leuk te vinden. Je moet wel op je gemak zijn met jezelf.”

Voelt u zich verantwoordelijk?

„Ja, natuurlijk. Ik ben 35 jaar opgegroeid onder de apartheid en de andere 35 jaar is Zuid-Afrika een democratie. Dat je een witte Zuid-Afrikaan bent, of je het nu leuk vindt of niet, is reden dat je medeplichtig bent en alle soorten van privileges hebt gehad. Ongeacht of je zelf schuldig bent, je bent op een bepaalde manier medeverantwoordelijk. Je moet verantwoordelijkheid nemen voor de geschiedenis, voor de omstandigheden waarin je verkeert. Sommigen vertrokken uit Zuid-Afrika omdat ze de apartheid niet konden aanzien. Anderen bleven en werden zo medeplichtig aan het systeem. Er is geen goede oplossing voor wat je dan moet doen. Als je vertrok, kon je er niets doen om slachtoffers van de apartheid te helpen. Om Zuid-Afrika te begrijpen, moet je snappen dat elke oplossing ontoereikend was.”

Tijdens uw werk aan ‘Triumph and Lament’ in Rome (een animatie waarin een processie langs de Tiber werd opgevoerd over de geschiedenis van Italië in 2016) ontdekte u meer over de geschiedenis van de getto’s  in Rome. U besefte toen hoe weinig u van die geschiedenis wist, en schrijft daarover in uw boek dat u zich medeplichtig voelde door onwetendheid. Is elke onwetende medeschuldig?

„Er zijn verschillende vormen van onwetendheid. Dingen kunnen verborgen voor je zijn, waar je ook niet actief naar op zoek gaat. Er is ook onwetendheid omdat je geen verbanden hebt gelegd. Ik wist van de getto’s en ik weet veel van de Renaissance, maar ik had ze nooit gekoppeld. Je hebt dus alle informatie, maar je legt het verband niet. Dan ben je medeplichtig, omdat je dat bewust niet hebt gedaan omdat het je meestal beter uitkomt de verbanden niet te leggen.”

Dat werk in Rome ging ook over de soldaten uit de Afrikaanse koloniën die gevochten hebben tijdens de Eerste Wereldoorlog, maar toch geen plek kregen in de geschiedenisboeken. Zijn Europeanen medeschuldig aan het niet weten van die geschiedenis?

„Nee. Europeanen zijn medeschuldig omdat velen weigeren een verband te leggen tussen hun comfortabele leven en de koloniale geschiedenis. Alles wat in Europa als een gegeven wordt gezien – een goed zorgsysteem, goede infrastructuur, onderwijs – komt door de rijkdommen die in het verleden zijn vergaard. Om die enorme welvaart te begrijpen, moet je naar de bron van je rijkdom. In dat opzicht zijn Europeanen schuldig aan hun onwetendheid.”

CV William Kentridge

William Kentridge is in 1955 in Johannesburg geboren
Zijn ouders waren anti-apartheidsadvocaten, waarbij zijn vader een van de 156 mensen was die tussen 1956 en 1961 terechtstond in het Hoogverraadproces. Ook Nelson Mandela behoorde tot die 156 mensen die terechtstonden voor verraad tegen de Zuid-Afrikaanse staat.
Kentridge studeerde aan de Universiteit van Witwatersrand in Johannesburg en deed daar een bachelor Politieke en Afrikaanse Geschiedenis. Hij studeerde mime in Parijsen was verbonden aan het Junction Avenue Theatre, het eerste theater in Zuid-Afrika dat geen onderscheid maakte in huidskleur en dat in 1976 werd opgericht.
Halverwege de jaren zeventig maakte hij zijn eerste werken, die bekend werden onder de naam ‘Pit’ series. In de jaren negentig brak hij internationaal door met houtkoolanimaties. Later werden die animaties aangevuld met acteurs, muziek en collages. Zijn werk was meermaals te zien bij de kunstmanifestatie Documenta in Kassel en bij de Biënnale in Venetië.

William Kentridge, Ten Drawings for Projection – Felix in Exile (1994)
Through his animated films, theatrical productions, and graphic work, William Kentridge addresses the personal and social traumas that are the vestiges of South African apartheid. His ongoing series of short animated films Drawings for Projection (begun in 1989) feature two principal characters, who function as the artist’s alter egos: Soho Eckstein, an avaricious South African mining magnate in a pinstriped suit and tie, and Felix Teitlebaum, shown naked and vulnerable to apartheid’s devastating acts.
In Felix in Exile, the fifth film of the series made between September 1993 and February 1994, Kentridge depicts the barren East Rand landscape as witness to the exploitation of and violence against both natural and human resources. Isolated in a hotel room, Felix peruses the survey charts of Nandi, a young black woman who maps the history of the terrain. Figures and structures are subsumed into the landscape or night sky, allegories for how the land can bear the scars of crimes against humanity.
Guggenheim Museum
Bovenaan:   William Kentridge, Ten Drawings for Projection - Felix in Exile (1994) Beeld William Kentridge  

Succesvolle immigratie? Respecteer de gevestigde bevolking

Nooit was de Nederlandse samenleving zo soepel tegenover immigranten als nu, ziet Steije Hofhuis, terwijl culturele aanpassing volgens hem wel degelijk nodig is.

Gepubliceerd in NRC op
 19 september 2025
Bedreigt immigratie de Nederlandse cultuur? Al decennialang klinkt vanuit universiteiten en beleidskringen een geruststellende boodschap: migratie is van alle tijden. Ze leidt weliswaar tot culturele verandering, maar dat is nu eenmaal wat cultuur doet – ze verandert. We maken dus niets bijzonders mee. Verzet tegen die verandering ontstaat dan ook niet door immigratie of culturele diversiteit zelf, maar doordat de bevolking door intolerante krachten wordt opgestookt. De oplossing? Stemmingmakerij bestrijden en mensen op basis van ‘de feiten’ uitleggen hoe het zit. 

Steije Hofhuis is postdoctoraal onderzoeker aan het Wissenschaftszentrum Berlin, afdeling Migration und Diversität.

Maar na tientallen jaren is duidelijk dat deze strategie onvoldoende werkt. In vrijwel alle westerse landen blijft het rechts-populisme groeien en raakt het politiek debat rond migratie en culturele identiteit steeds verder ontspoord – de massale demonstratie in Londen afgelopen weekend biedt een tekenend voorbeeld. Dat is ook niet verrassend: de onderliggende analyse dat we niets bijzonders meemaken, klopt historisch gezien niet. 
Om de normaliteit van migratie te onderstrepen, wordt vaak verwezen naar onze eigen ‘Gouden Eeuw’. Immigranten kwamen uit alle windstreken, en aantallen lagen procentueel hoger dan nu. Historicus Geert Janssen stelt dat bestuurders een „accommoderende politiek” richting immigranten voerden, en dat werkte: integratie verliep soepel, grote conflicten bleven uit.

Nadelen ‘op de koop toe’

Ook toen was er ressentiment tegen nieuwkomers, maar volgens migratiehistoricus Leo Lucassen negeerden autoriteiten dit gewoon, aldus een artikel in de Volkskrant. In de Hollandse steden interesseerde het de overheden „eigenlijk heel weinig of mensen zich snel of minder snel aanpasten”, zei hij in 2015 in een college voor de Universiteit van Nederland. Nadelen van immigratie nam men „op de koop toe”, schrijft Lucassen in het boek Winnaars en verliezers twee jaar daarna.

Maar dat beeld klopt niet. Neem de komst van Joodse immigranten in Amsterdam. Onder de lokale bevolking ontstond onrust. Zouden ze niet aan de vrouwen zitten? Het stadsbestuur stelde de bevolking via maatregelen gerust: Joden mochten geen seks hebben met christelijke vrouwen, en ook niet te vrijmoedig met hen omgaan. Bestuursposten en de meeste gilden bleven voor hen gesloten en publieke kritiek op het christendom was verboden. Pas als beloning voor goed gedrag mocht een synagoge worden gebouwd. Hugo de Groot vond zulke maatregelen ook noodzakelijk: een te assertieve minderheid kon de religieuze en daarmee staatkundige eenheid ondermijnen.

De grootste immigrantengroep – lutheranen uit Duitsland en Scandinavië – werd eveneens strak aangelijnd. Kritiek op het hier dominante calvinisme leidde tot uitzettingen, lutherse kerken mochten aanvankelijk niet te opzichtig zijn, en toegang werd begrensd tot verzorgingsinstellingen, zoals weeshuizen en armenhulp. Migrantengemeenschappen moesten onderling opdraaien voor zorgkosten, wat hen ertoe aanzette kansarme immigratie zélf te beperken. Nadelen van immigratie nam men dus niet ‘op de koop toe’; stedelijke overheden voorkwamen juist dat de gevestigde bevolking ze te zeer ondervond.

Een ander geliefd historisch voorbeeld zijn de VS. In zijn boek Hoe migratie echt werkt (2023) schrijft migratiewetenschapper Hein de Haas dat de VS „van meet af aan een zeer diverse en multiculturele samenleving” waren, waar immigratie – in elk geval tot 1970 – prima samenging met sociale cohesie. Dat kwam door „politieke leiders en instituties die een pluralistische nationale identiteit wisten te smeden die is gebaseerd op het idee van e pluribus unum (een uit velen).” Een officieel integratiebeleid ontbrak, er heerste een ontspannen laissez-faire-houding.

De niet-ingevoerde lezer zal denken: waar maken mensen zich tegenwoordig eigenlijk zo druk om?

Maar ook dit beeld van de VS is te rooskleurig. Vooral in de vroege twintigste eeuw leefden brede zorgen dat recordaantallen migranten uit met name Zuid- en Oost-Europa de dominante Anglo-Amerikaanse identiteit zouden eroderen. De vrees was dat de VS als een soort Oostenrijk-Hongarije aan tribalisme ten onder zou gaan.

Boeken verbranden

Er volgden effectieve grensrestricties en een ingrijpende politiek van zogenoemde Americanization. Overheidsinstanties, onderwijs, welzijnswerk en het bedrijfsleven werkten eraan immigranten van hun herkomstidentiteit los te weken. Men leerde nieuwkomers hoe je als echte Anglo-Amerikaan sprak, at, werkte en patriottisch was. Rondom politieke loyaliteit werd dit grimmig: veel Duitse Amerikanen moesten in de Eerste Wereldoorlog onder dreiging van geweld dingen doen als Duitse boeken verbranden en de Amerikaanse vlag kussen.

Andere historische immigratiesamenlevingen tonen een vergelijkbaar beeld. In 1882 ging in Marseille het gerucht dat er vanuit een Italiaanse club naar marcherende Franse soldaten was gefloten. Het leidde tot dagenlange ‘Italianenjachten’, met vele gewonden. Franse daders kwamen er met lichte straffen vanaf. Inwoners van het Engelse Stockport sloegen in 1852 een processie van Ierse katholieken uiteen en plunderden hun huizen. Ook hier werden Engelse daders nauwelijks bestraft. En in het Duitse Roergebied waren rond 1900 uitingen van Pools nationalisme onder migranten verboden; een Polenüberwachungsstelle hield toezicht.

Lucassen wijst ook op dit soort voorbeelden, maar geeft daar een eigenaardige draai aan: migratie leidt tot conflict, maar geen zorg, uiteindelijk komt het goed. Met onze huidige spanningen zou er dan ook „weinig nieuws onder de zon” zijn.

Maar zijn eigen voorbeelden tonen samenlevingen die migranten spijkerhard hun plek toonden. In het Nederland van de afgelopen decennia zijn zulke bewakingscentra of onbestrafte migrantenjachten op straat ondenkbaar.

Dat is uiteraard positief, maar het betekent dat er aan de huidige situatie wel iets fundamenteel verschilt. Sinds de jaren zestig kennen we een continue, omvangrijke immigratiestroom, vaak uit regio’s met sterk afwijkende culturele achtergronden. Tegelijkertijd is de bereidheid van institutionele elites om de dominante cultuur en identiteiten te beschermen aanzienlijk afgenomen. Integendeel: migrantengemeenschappen worden vaak aangemoedigd en gesubsidieerd om culturele identiteiten te behouden, eerst onder de vlag van multiculturalisme, nu onder die van diversiteit en inclusie. Gevestigde Nederlandse cultuur wordt geregeld in een negatief daglicht gesteld of weggedrukt.

Een treffend voorbeeld: bij het 750-jarig bestaan van Amsterdam verspreidde de gemeente onder basisschoolleerlingen een boekje over feesten in de stad. Keti Koti, Holi Phagwa en Eid al-Fitr werden uitgelicht, traditionele Nederlandse feesten als Koningsdag, Kerst en Sinterklaas ontbraken.

Turkse cultuur verdient ook bescherming, maar daarvoor is Turkije de aangewezen plek

Deze nieuwe omgang met immigranten is in veel opzichten een vooruitgang. Het is goed dat brute aanpassingsmethodes zijn losgelaten. Maar is het experiment niet doorgeschoten? De aanhoudende

politieke spanningen rond migratie zijn niet louter te verklaren uit desinformatie of populistische ophitsing, hoe reëel die factoren ook zijn. Ze komen er ook uit voort dat de gevestigde belangen en culturele identiteiten onvoldoende worden beschermd, heel anders dan vroeger.

De Amerikaanse politicoloog Samuel Huntington waarschuwde in 2004 dat een democratische rechtsstaat een basis van culturele gemeenschappelijkheid nodig heeft. In de VS was dat volgens hem de Anglo-Amerikaanse cultuur. Doorlopende, omvangrijke immigratie en een gebrek aan bescherming van die cultuur zouden dat fundament eroderen en daarmee het politieke systeem ontwrichten. Huntington werd destijds weggezet als bekrompen oude man. Maar niet veel later raakte de Amerikaanse politiek wel degelijk ernstig uit balans, met spanningen rond migratie en identiteit als cruciale aandrijver.

Ook bij ons zijn de tekenen niet gunstig. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid constateerde in 2020 dat toenemende migrantenverscheidenheid correleert met afnemende sociale samenhang en thuisgevoel. Spanningen rond migratie en identiteit brengen ook onze politiek in steeds grotere moeilijkheden.

Complexe vraag

Op basis van historische informatie is het mijns inziens dan ook verstandig ons migratie-experiment voort te zetten, maar dan wel minder riskant. Dat betekent: open blijven staan voor immigratie en culturele diversiteit, maar tegelijk grip krijgen op de omvang en samenstelling van immigratie (zoals ik al eerder betoogde in NRC) én meer aandacht bieden voor culturele gemeenschappelijkheid, met Nederlandse en westerse cultuur als logische basis. Waarbij het natuurlijk een complexe vraag is wat we onder Nederlandse cultuur verstaan – het gaat dan doorgaans om zaken als de taal, bepaalde vrijheden, rechten, symbolen, tradities, normen en waarden, en historische ervaringen.

Concreet kan dat langs meerdere lijnen. Het Nederlands moet actief worden gehandhaafd als publieke taal, bijvoorbeeld door het te bevorderen als studie en door het meer centraal te stellen op universiteiten en in overheidsinformatie. Beheersing van de taal kan nadrukkelijker gekoppeld worden aan toegang tot sociale rechten. In onderwijs- en subsidiebeleid moet een deel van de aandacht verschuiven van diversiteit en inclusie, naar herwaardering van Nederlandse en westerse geschiedenis en cultuur. De eenzijdige focus op de schaduwzijden die ik waarneem in het publieke debat en de academische geschiedschrijving, biedt een slecht model om een samenleving overeind te houden. Het doet het verleden ook geen recht.

Een zeer gevoelig thema is de omgang met onderdrukkende interpretaties van de islam. Het is zorgwekkend dat censuur uit landen van herkomst via geweldsdreiging ook hier is opgelegd: wie durft nog een Mohammed-cartoon te tekenen? In mijn migratie-onderzoek zie ik dat immigrantengroepen door de geschiedenis heen vaak kijken hoever ze kunnen gaan. Bovengenoemde inperkingen zullen waarschijnlijk dus toenemen, tenzij ze actief worden tegengegaan – vroegere immigratiesamenlevingen zouden al in een veel vroeger stadium hard hebben ingegrepen. Een assertiever beleid is nodig: bijvoorbeeld door buitenlandse invloeden verder te beperken, opdringerige uitingen in het publieke domein te begrenzen, en seksuele vrijheden beter te beschermen. Denk aan het ontnemen van het asielrecht aan asielzoekers die met dreiging of geweld inbreuk maken op openlijke uitingen van homoseksualiteit of vrouwelijke seksuele vrijheden.

De nadruk op culturele aanpassing kan worden opgevat als superioriteitsdenken. Maar dat hoeft het niet te zijn. Nederlandse cultuur verdient bescherming, niet omdat ze superieur is, maar omdat dit Nederland is; de enige plek waar de Nederlandse cultuur kan bestaan. Turkse cultuur verdient ook bescherming, maar daarvoor is Turkije de aangewezen plek. Dat ons land een bijzonder populaire migrantenbestemming is, suggereert overigens wel dat Nederlandse cultuur positieve eigenschappen bezit, die ook intrinsiek het behouden waard zijn.

Bescherming bieden

Natuurlijk is cultuur geen statisch gegeven. Nederlandse cultuur ís al gevormd door immigratie; Joodse, Duitse, Indische, en Franse immigranten lieten vele sporen na, van oliebollen, kerstbomen, rijsttafels en kunst tot talloze woorden. Ook nu verrijken immigranten Nederlandse cultuur.

Maar juist als we van immigratie een positieve ervaring willen maken, is het nodig omstandigheden te scheppen die ontwrichting voorkomen. Daarvoor moeten we niet alleen recht doen aan migrantengemeenschappen – daarin is veel vooruitgang geboekt – maar óók bescherming bieden aan de belangen en identiteiten van de gevestigde bevolking. Het huidige migratie-experiment kan alleen slagen als het ook voor deze groep aantrekkelijk genoeg wordt gemaakt.

‘Het Van Gogh Museum dreigt met sluiting’

Bovenaan: Beeld van de afgelopen dubbeltentoonstelling van Anselm Kiefer Sag Mir so die Blumen Sind, in het Van Gogh en het Stedelijk Museum in Amsterdam (eigen foto)
Toen ik donderdag 15 mei j.l. in de Paulus Potterstraat uit de taxi stapte en het straatje naar het Van Gogh Museum insloeg, stond bij de ingang al een lange rij te wachten voor het tijdslot van 11 uur – nu moest ik nog in die mensenzee Emilie zien te vinden, met wie ik afgesproken had…
Toen we na de toegangscontrole eenmaal binnen stonden, was het op zaal van het zelfde laken een pak: bij elk zaalbreed werk van Kiefer stond het volgepakt (zie afbeelding boven).
Na dat museumavontuur, was ik desondanks verrast toen ik onderstaand artikel in NRC las: dat het Van Gogh Museum ‘uitgewoond’ dreigt te raken als gevolg van het massatoerisme.

(Hieronder het NRC bericht)

Hoe slecht is het gebouw er werkelijk aan toe?

Van Gogh Museum
Luchtbevochtigers, drogers, temperatuurregelaars, gasketels, klimaatbeheersing, kabels, liften en toiletten – ze laten het Van Gogh Museum in de steek. „Als de situatie aanhoudt zullen we het gebouw moeten sluiten.”
Auteurs Nina Eshuis en Sarah Ouwerkerk, NRC
Gepubliceerd op 28 augustus 2025

In de zalen van het Van Gogh Museum is niet te merken dat grote mankementen het museum achter de schermen teisteren. De muren waar de wereldberoemde werken aan hangen zijn geschilderd in Vincents kleuren. Cadmiumgeel, pruisisch blauw, vermiljoen. Bezoekers wijzen, luisteren aandachtig naar een audio-tour en buigen zich naar de werken toe. „Zo hoort het”, zegt Tamara ’t Hart, adviseur vastgoed van het museum, op fluistertoon. „De problemen achter de schermen mogen geen onderdeel zijn van de bezoekersbeleving.”

Nu het museum die schermen opzij moet schuiven doet dat pijn. „Ik heb er helemaal kippenvel van.”

Maar het ging niet langer. „Toekomst Van Gogh Museum in gevaar”, staat woensdag boven een persbericht op de website. Er is grootschalige en dure modernisatie nodig aan de klimaatsystemen, technische installaties en het gebouw zelf.

Daarvoor zegt het Van Gogh Museum 11 miljoen euro per jaar nodig te hebben, terwijl het museum nu 8,5 miljoen euro krijgt van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Dat bedrag is volgens het ministerie „hoog genoeg om het noodzakelijke onderhoud te bekostigen”. Het museum is het daarmee oneens. Sinds 2023 ruziën de twee partijen daarover.

Nu staan ze voor een impasse – met gevaar voor „de kunst en onze bezoekers”, stelde algemeen directeur Emilie Gordenker van het museum die deze week de publiciteit zocht via The New York Times. „Het is het laatste wat we willen – maar als de situatie aanhoudt zullen we het gebouw moeten sluiten.”

Erfenis en afspraak

Op 27 juli 1890 schoot de kunstenaar, 37 jaar oud, zichzelf in de borst. Twee dagen later overleed hij. Vincent kampte met grote psychische problemen – waarvan het afsnijden van zijn oor het gevolg was. Theo, zijn broer en erfgenaam stierf zes maanden later op 33-jarige leeftijd. Over de erfenis, die via de weduwe van Theo bij de neef van Van Gogh terechtkwam sloot zijn neef ‘de Ingenieur’ in 1962 een overeenkomst met de Nederlandse overheid.

Tijdens het leven van Van Gogh verkocht hij nauwelijks iets. Dus de hele collectie – tweehonderd schilderijen, vijfhonderd tekeningen en negenhonderd brieven – werden opgenomen in de Van Gogh Stichting om publiek te blijven. De staat verplichtte zich in deze overeenkomst een „blijvende huisvesting voor de verzamelingen in te richten” en de zorg voor de verzameling op zich te nemen „als waren die eigen goed”. Ook is in de overeenkomst opgenomen dat de staat de exploitatie van het museum voor eigen rekening neemt.

Zie je al die lichtkoepels? Die lekken. Dat houden we nu met plakband bij elkaar.
Jorden Hagenbeek, projectmanager renovatie

Sinds de opening in 1973 ontving het Van Gogh Museum bijna 57 miljoen bezoekers, afgelopen jaar waren dat er 1,8 miljoen. Het gebouw, eigendom van het Rijksvastgoedbedrijf, is volgens het museum „niet berekend op zulke aantallen”. Na ruim vijftig jaar „voldoet het niet langer aan de eisen van de moderne tijd”.

De luchtbevochtigers, drogers, temperatuurregelaars, gasketels, klimaatbeheersing, kabels, liften en toiletten – allemaal laten ze het Van Gogh Museum in de steek.

Eén van de twee toiletblokken is buiten werking. „Tot nu toe hebben we het geluk gehad dat de pompen één voor één uit zijn gevallen.”

Jorden Hagenbeek, projectmanager renovatie, somt in de ketelkamer op zolder het lijstje op. „Zie je deze gasketels, dat is allemaal echt old school technologie, niet meer van deze tijd.” Onder de ketels is de vloer verkruimeld en gebarsten. Hij wijst naar het dak. „En zie je al die lichtkoepels? Die lekken. Dat houden we nu met plakband bij elkaar.”

In de kelder van het museum, zeven meter onder zeeniveau, ratelen, brommen en sissen de machines die het klimaat van het Van Gogh Museum moeten reguleren. Deze systemen in gigantische machinekamers beschermen de Zonnebloemen, de Amandelbloesem en al die bekende zelfportretten. Maar deze technische installaties zijn oud en aan een grootschalige modernisering toe. „Hier, voel maar”, zegt Hagenbeek naast een briesende stalen constructie. „Voel je hoe het blaast? Dat is een lek in de behuizing. Dat is niet zo makkelijk op te lossen als het lijkt.”

‘Geen schending’

Het museum heeft een plan opgesteld voor een verbouwing van drie jaar, genaamd ‘Masterplan 2028’. De totale renovatiekosten bedragen 104 miljoen euro. Daarvan neemt het museum een deel voor eigen rekening: zo worden de gemiste inkomsten vanwege gedeeltelijke sluitingen gedekt vanuit het eigen vermogen. Daarvoor wordt sinds 2024 jaarlijks ruim 6 miljoen apart gezet, blijkt uit de jaarrekening van het museum.

Het dak van binnenuit gezien.

Het ministerie heeft „uitgebreid onderzoek door deskundigen” laten uitvoeren waaruit blijkt dat de 8,5 miljoen die het museum jaarlijks krijgt voldoende is om „het noodzakelijke onderhoud te kunnen uitvoeren”, laat een woordvoerder weten. Tegen het subsidiebesluit is het museum in 2023 in bezwaar gegaan, daar ging OCW niet in mee. Nu heeft het museum een beroepsprocedure aangespannen bij de rechter, die de zaak in februari 2026 behandelt. Volgens het ministerie is het „niet ongebruikelijk dat partijen een subsidiebesluit door de rechter laten toetsen.”

Ook heeft het museum de huurovereenkomst in 2024 niet getekend, blijkt uit een toelichting op de jaarrekening van dat jaar. Het museum betaalt nog wel huur. Het Rijk heeft aan het museum aangegeven „niet tot ontruiming over te gaan”.

Voor ons is het gebouw een levend wezen, een communicerend vat met de kunst van Van Gogh.
Jorden Hagenbeek projectmanager renovatie

Een onafhankelijke visitatiecommissie, die eens in de vier jaar langsgaat bij gesubsidieerde rijksmusea, schrijft in het visitatierapport „doordrongen” te zijn van de noodzaak van renovatie en vernieuwing. De commissie „roept het ministerie van OCW op hier nauwgezet naar te kijken en actie te ondernemen, zeker gezien de afspraken die hierover met de Stichting Vincent Van Gogh zijn gemaakt”. Het ministerie laat weten dat „van een schending” van de overeenkomst uit 1962 „geen sprake is”.

Het museum denkt daar anders over. Het gaat ze om het principiële punt dat de staat zorg voor de collectie moet dragen. „Het interpretatieverschil, daar zit de kern”, zegt Hagenbeek. In het persbericht stelt het museum dat de overheid zich in 1962 „contractueel verplicht” heeft tot „het bouwen en onderhouden van een museum voor de unieke Van Gogh-collectie.” Het werd gezien als „noodzaak”, waarbij „de financiële zaak als van minder belang werd gezien”. De oplossing is volgens het museum simpel, de overheid moet over de brug komen. „Want afspraak is afspraak, ook voor een overheid.”

Een levend wezen

Nu is het museum, tot er duidelijkheid is over de financiering, pleisters aan het plakken. Voor de lift staat een bordje ‘Buiten werking, niet gebruiken’. Een van de toiletblokken, naast de museumwinkel, is afgesloten: ‘Out of service’. Een rioollucht walmt voorbij. „Tot nu toe hebben we het geluk gehad dat de pompen één voor één uit zijn gevallen. Wanneer ze er tegelijkertijd mee stoppen, hebben we een groot probleem”, zegt Hagenbeek.

Het plan is om het museum tijdens de renovatie gedeeltelijk operationeel te laten. „In 2012, tijdens de vorige verbouwing, waren we tijdelijk gehuisvest in de Hermitage”, zegt Hagenbeek. Daar hebben ze van geleerd. „Het museum is zo’n internationale machine. Het maakt niet uit hoe en waar we het ook communiceerden, nog steeds stonden er elke dag bussen met toeristen voor de deur.”

Deze keer willen ze daarom een gefaseerde verbouwing uitvoeren. Eerst gaan de werken uit het nieuwere gebouw van architect Kisho Kurokawa naar het oudere Gerrit Rietveld-gebouw, en dan andersom. Per gebouw moeten dan alle systemen in een keer onder handen genomen worden. „Het is allemaal afhankelijk van elkaar”, zegt Hagenbeek. Hij wijst naar een cluster kabels – zwart, grijs, paars, oranje – die in een dikke bundel langs de muur lopen. „Dat móét eruit, het probleem is dat we niet weten welke kabels iets doen en welke niet.”

Het doet de medewerkers van het museum pijn de mankementen te zien. „Voor ons is het gebouw een levend wezen, een communicerend vat met de kunst van Van Gogh”, zegt Jorden Hagenbeek. „Het is een werktuig, een instrument dat ons kan helpen”, zegt Hagenbeek. „Maar dan moet het wel goed onderhouden zijn.”

De clusters van kabels liggen al zo lang, dat eigenlijk niemand meer weet welke kabel waar voor is – en of ze nog aangesloten zijn op iets.
Meer Van Gogh op ShakingLife.nl