Kunstenaar William Kentridge: ‘Ongeacht of je zelf schuldig bent, je bent medeverantwoordelijk’

INTERVIEW

‘Vertrouw nooit een man van boven de vijftig die geen rimpels heeft. Dat betekent dat hij geen geweten heeft.” Het is een van de levenslessen die de Zuid-Afrikaanse kunstenaar William Kentridge meekreeg van zijn moeder. Ze was een vrouw met duidelijke meningen, vertelt hij. We spreken elkaar de middag voor zijn optreden bij Crossing Border in Den Haag en een dag later opnieuw, maar dan in het openbaar in het Amsterdamse filmmuseum Eye. Kentridge is in het land ter promotie van zijn boek Anatomie van het atelier. Dat hij iets van een popster heeft, blijkt wel uit de optredens bij Crossing Border en in Eye: de zaal zit twee keer bomvol, en hij heeft een manager die het tijdschema strak in de hand houdt. 

De zeventigjarige Kentridge is vooral bekend van zijn houtskooltekeningen en animatiefilms waarin vaak ‘processies’ voorbijkomen die een ander perspectief op de geschiedenis vormen. Daarnaast is hij werkzaam als opera- en theaterregisseur. Op de Biënnale in Venetië vorig jaar had hij succes met de filmserie Self-Portrait as a Coffee Pot, waarin hij voortdurend met zichzelf in gesprek is, werk uitveegt, soms een kopje koffie drinkt en meermaals op kaarten, in woordenboeken of in encyclopedieën schildert.

Heeft u wel eens overwogen om de wetboeken van uw vader te gebruiken om in te tekenen?

„Nee, dat heb ik geloof ik nooit overwogen. Dat is een nieuwe gedachte. Ik heb vast nog wel ergens oude wetboeken liggen of andere boeken uit die tijd, maar misschien zit er nog een soort supervisie van ouders om niet aan die boeken te komen. Het heeft natuurlijk ook met de kwaliteit van het papier te maken of je er met houtskool op kan tekenen.”

In uw boek staat een geestige passage over een historisch kookboek, waarin wordt gesteld dat Joden nostalgisch zijn aangelegd omdat ze graag gans eten. Los daarvan, denkt u dat nostalgie goed is voor elk mens of vooral voor kunstenaars?

„Dat hangt ervan af wat voor soort nostalgie. Je hebt de reactionaire nostalgie naar een wereld zoals die zou zijn geweest. De Britten die een Brexit willen en dan denken terug te kunnen keren naar de jaren twintig van de vorige eeuw. Dat is negatieve nostalgie. Maar je hebt ook nostalgie van het Griekse woord ‘nostos’, en dan gaat het om een actieve terugreis, waarbij je je bewust wil worden van waar je wortels liggen en wie je bent.”

En die laatste vorm heeft u?

„Ik denk dat iedereen die heeft. Vooruitkijken is immers ook terugkijken. Alle beelden die je vormt, zijn gebaseerd op wat je gezien hebt. Het is niet dat je ze opnieuw wil maken, maar je kan niet doen alsof ze er niet zijn. Dat je zou kunnen werken vanuit een neutraal beginpunt is een leugen. Dus, ik denk dat erkennen waar je vandaan komt en wie je geworden bent altijd essentieel is, of je nu een kunstenaar, een politicus of wie dan ook bent.”

De manier waarop u naar uzelf kijkt en vastlegt in zelfportretten is niet de standaard manier zoals we die kennen. Er is een groot verschil tussen iemand als Rembrandt en uw zelfportret als een koffiepot.

„Ik heb wel portretten gemaakt op een traditionele manier, dan tekende ik een gezicht in de hoop dat het op het mijne leek. Maar wat me meer interesseert, is er anders naar kijken. Een portret onthult niet zozeer wie je bent, wat je bijvoorbeeld wel of niet tekent of wel en niet leest, is even onthullend. En het is natuurlijk ook een grap: een koffiepot is geen zelfportret.”

Moet je als je een zelfportret maakt, in welke vorm ook, jezelf aardig of leuk vinden?

„Nee, beslist niet. Dat is niet een vraag waar je mee bezig bent. Rembrandt had wel wat compassie voor zichzelf in zijn portretten, maar dat is wat anders dan jezelf  leuk vinden. Je moet denk ik wel op je gemak zijn met jezelf.”

En u bent op uw gemak met uzelf?

„Nou, nee, of… Kijk, ik kan niet veranderen wie ik ben. Ik verwacht ook geen enorme veranderingen in mijn laatste levensjaren. Maar waar het om gaat is het grotere geheel, de grotere vragen: waar gaat het heen, wie ben ik uiteindelijk? Iedereen heeft dingen waar die trots op is en minder trots op is, dat is hoe je gevormd wordt.”

In  een documentaire van enkele jaren geleden vertelde u dat u als jongetje van vijf in de studeerkamer van uw vader foto’s vond van de demonstranten die doodgeschoten waren door de politie tijdens een demonstratie in Sharpeville.  In hoeverre hebben die foto’s u gevormd?

„Mijn vader verdedigde de families van de vermoorde demonstranten. Toen ik zijn kamer binnenging dacht ik dat het een doos chocolade was, en daarom opende ik hem. Dat bleek dus zo’n gele Kodakdoos te zijn met die foto’s. Ik had nog nooit foto’s van dode mensen gezien, en zeker niet die zo gewelddadig waren vermoord, dus dat was natuurlijk een schok. Eigenlijk zou je alle terreur en doden in de wereld moeten blijven bekijken vanuit de blik van een vijfjarige, zodat je blijft ervaren hoe schokkend dat is in plaats van dat je eraan gaat wennen. Maar goed, wat ook meespeelde is dat ik niet in die studeerkamer had mogen zijn, dus daar voelde ik me ook schuldig over: dit is wat je krijgt als je iets doet wat niet mag. Ja, het was een belangrijk moment, maar die foto’s speelden pas veel later een rol, toen ik een film maakte met daarin dode lichamen naast elkaar. Ik had toen niet door dat dit een weerslag was van wat ik als vijfjarige had gezien. Het grappige is dat mijn vader en ik zo’n 15 jaar geleden samen werden geïnterviewd in Duitsland. Dit verhaal kwam toen ter sprake en mijn vader zei dat híj zich schuldig voelde dat hij de doos op een plek had laten liggen waar een kind die kon vinden. Dat was een moment dat me bijbleef, want hij bood een perspectief waar ik nooit bij had stilgestaan.”

Wat zei u daarop?

„Ik hoefde niets te zeggen.”

Wat zei u dan na afloop tegen uw vader?

„Ik zei: ‘Dat was een goede conversatie.’ Hij zei: ‘Ja jongen, dat was een goed gesprek.’ Waarop ik zei: ‘Ik denk dat we dit vaker zouden moeten doen.’ Hij zei: ‘Nee, laten we het bij deze ene keer houden.’”

Als kind kreeg u van uw opa een boek over geschilderde landschappen. Kunt u landschappen met een nostalgische blik bekijken of zijn ze daarvoor te politiek?

„Net als de meeste mensen kan ik genieten van een landschap. Wat me intrigeert is of het genieten van een landschap voor iedereen hetzelfde is. Vindt iemand die altijd in de woestijn heeft gewoond het groen van Ierland bijvoorbeeld benauwend en afschuwelijk, of juist mooi?”

Wat ik bedoel is: uw ouders voelden zich medeverantwoordelijk voor wat er in Zuid-Afrika gebeurde en speelden een belangrijke rol. U neemt als kunstenaar ook een verantwoordelijkheid door onbekende geschiedenissen aan te kaarten. Maar is het landschap dan vooral mooi of juist ook schuldig?

„Ik heb daar nooit op die manier over nagedacht, maar je hebt ergens wel gelijk. Als je een landschap ziet, dan weet je dat er een beladen geschiedenis aan gekoppeld is. Ongeacht of het een geschiedenis is van mijnen of veroveringen: een landschap is geen neutrale plek. Ik denk dat een landschap het verleden kan tonen, maar geen verantwoordelijkheid hoeft te nemen voor wat er gebeurd is. Dat het landschap schuldig is voor wat er heeft plaatsvonden, nee, dat vind ik toch niet. Het is de mens die verantwoordelijk is voor wat daar gebeurd is.”

 Als een popster trok de Zuid-Afrikaanse kunstenaar William Kentridge volle zalen bij de presentaties van zijn boek Anatomie van het atelier. „Om een zelfportret te maken hoef je jezelf niet leuk te vinden. Je moet wel op je gemak zijn met jezelf.”

Voelt u zich verantwoordelijk?

„Ja, natuurlijk. Ik ben 35 jaar opgegroeid onder de apartheid en de andere 35 jaar is Zuid-Afrika een democratie. Dat je een witte Zuid-Afrikaan bent, of je het nu leuk vindt of niet, is reden dat je medeplichtig bent en alle soorten van privileges hebt gehad. Ongeacht of je zelf schuldig bent, je bent op een bepaalde manier medeverantwoordelijk. Je moet verantwoordelijkheid nemen voor de geschiedenis, voor de omstandigheden waarin je verkeert. Sommigen vertrokken uit Zuid-Afrika omdat ze de apartheid niet konden aanzien. Anderen bleven en werden zo medeplichtig aan het systeem. Er is geen goede oplossing voor wat je dan moet doen. Als je vertrok, kon je er niets doen om slachtoffers van de apartheid te helpen. Om Zuid-Afrika te begrijpen, moet je snappen dat elke oplossing ontoereikend was.”

Tijdens uw werk aan ‘Triumph and Lament’ in Rome (een animatie waarin een processie langs de Tiber werd opgevoerd over de geschiedenis van Italië in 2016) ontdekte u meer over de geschiedenis van de getto’s  in Rome. U besefte toen hoe weinig u van die geschiedenis wist, en schrijft daarover in uw boek dat u zich medeplichtig voelde door onwetendheid. Is elke onwetende medeschuldig?

„Er zijn verschillende vormen van onwetendheid. Dingen kunnen verborgen voor je zijn, waar je ook niet actief naar op zoek gaat. Er is ook onwetendheid omdat je geen verbanden hebt gelegd. Ik wist van de getto’s en ik weet veel van de Renaissance, maar ik had ze nooit gekoppeld. Je hebt dus alle informatie, maar je legt het verband niet. Dan ben je medeplichtig, omdat je dat bewust niet hebt gedaan omdat het je meestal beter uitkomt de verbanden niet te leggen.”

Dat werk in Rome ging ook over de soldaten uit de Afrikaanse koloniën die gevochten hebben tijdens de Eerste Wereldoorlog, maar toch geen plek kregen in de geschiedenisboeken. Zijn Europeanen medeschuldig aan het niet weten van die geschiedenis?

„Nee. Europeanen zijn medeschuldig omdat velen weigeren een verband te leggen tussen hun comfortabele leven en de koloniale geschiedenis. Alles wat in Europa als een gegeven wordt gezien – een goed zorgsysteem, goede infrastructuur, onderwijs – komt door de rijkdommen die in het verleden zijn vergaard. Om die enorme welvaart te begrijpen, moet je naar de bron van je rijkdom. In dat opzicht zijn Europeanen schuldig aan hun onwetendheid.”

CV William Kentridge

William Kentridge is in 1955 in Johannesburg geboren
Zijn ouders waren anti-apartheidsadvocaten, waarbij zijn vader een van de 156 mensen was die tussen 1956 en 1961 terechtstond in het Hoogverraadproces. Ook Nelson Mandela behoorde tot die 156 mensen die terechtstonden voor verraad tegen de Zuid-Afrikaanse staat.
Kentridge studeerde aan de Universiteit van Witwatersrand in Johannesburg en deed daar een bachelor Politieke en Afrikaanse Geschiedenis. Hij studeerde mime in Parijsen was verbonden aan het Junction Avenue Theatre, het eerste theater in Zuid-Afrika dat geen onderscheid maakte in huidskleur en dat in 1976 werd opgericht.
Halverwege de jaren zeventig maakte hij zijn eerste werken, die bekend werden onder de naam ‘Pit’ series. In de jaren negentig brak hij internationaal door met houtkoolanimaties. Later werden die animaties aangevuld met acteurs, muziek en collages. Zijn werk was meermaals te zien bij de kunstmanifestatie Documenta in Kassel en bij de Biënnale in Venetië.

William Kentridge, Ten Drawings for Projection – Felix in Exile (1994)
Through his animated films, theatrical productions, and graphic work, William Kentridge addresses the personal and social traumas that are the vestiges of South African apartheid. His ongoing series of short animated films Drawings for Projection (begun in 1989) feature two principal characters, who function as the artist’s alter egos: Soho Eckstein, an avaricious South African mining magnate in a pinstriped suit and tie, and Felix Teitlebaum, shown naked and vulnerable to apartheid’s devastating acts.
In Felix in Exile, the fifth film of the series made between September 1993 and February 1994, Kentridge depicts the barren East Rand landscape as witness to the exploitation of and violence against both natural and human resources. Isolated in a hotel room, Felix peruses the survey charts of Nandi, a young black woman who maps the history of the terrain. Figures and structures are subsumed into the landscape or night sky, allegories for how the land can bear the scars of crimes against humanity.
Guggenheim Museum
Bovenaan:   William Kentridge, Ten Drawings for Projection - Felix in Exile (1994) Beeld William Kentridge  

Succesvolle immigratie? Respecteer de gevestigde bevolking

Nooit was de Nederlandse samenleving zo soepel tegenover immigranten als nu, ziet Steije Hofhuis, terwijl culturele aanpassing volgens hem wel degelijk nodig is.

Gepubliceerd in NRC op
 19 september 2025
Bedreigt immigratie de Nederlandse cultuur? Al decennialang klinkt vanuit universiteiten en beleidskringen een geruststellende boodschap: migratie is van alle tijden. Ze leidt weliswaar tot culturele verandering, maar dat is nu eenmaal wat cultuur doet – ze verandert. We maken dus niets bijzonders mee. Verzet tegen die verandering ontstaat dan ook niet door immigratie of culturele diversiteit zelf, maar doordat de bevolking door intolerante krachten wordt opgestookt. De oplossing? Stemmingmakerij bestrijden en mensen op basis van ‘de feiten’ uitleggen hoe het zit. 

Steije Hofhuis is postdoctoraal onderzoeker aan het Wissenschaftszentrum Berlin, afdeling Migration und Diversität.

Maar na tientallen jaren is duidelijk dat deze strategie onvoldoende werkt. In vrijwel alle westerse landen blijft het rechts-populisme groeien en raakt het politiek debat rond migratie en culturele identiteit steeds verder ontspoord – de massale demonstratie in Londen afgelopen weekend biedt een tekenend voorbeeld. Dat is ook niet verrassend: de onderliggende analyse dat we niets bijzonders meemaken, klopt historisch gezien niet. 
Om de normaliteit van migratie te onderstrepen, wordt vaak verwezen naar onze eigen ‘Gouden Eeuw’. Immigranten kwamen uit alle windstreken, en aantallen lagen procentueel hoger dan nu. Historicus Geert Janssen stelt dat bestuurders een „accommoderende politiek” richting immigranten voerden, en dat werkte: integratie verliep soepel, grote conflicten bleven uit.

Nadelen ‘op de koop toe’

Ook toen was er ressentiment tegen nieuwkomers, maar volgens migratiehistoricus Leo Lucassen negeerden autoriteiten dit gewoon, aldus een artikel in de Volkskrant. In de Hollandse steden interesseerde het de overheden „eigenlijk heel weinig of mensen zich snel of minder snel aanpasten”, zei hij in 2015 in een college voor de Universiteit van Nederland. Nadelen van immigratie nam men „op de koop toe”, schrijft Lucassen in het boek Winnaars en verliezers twee jaar daarna.

Maar dat beeld klopt niet. Neem de komst van Joodse immigranten in Amsterdam. Onder de lokale bevolking ontstond onrust. Zouden ze niet aan de vrouwen zitten? Het stadsbestuur stelde de bevolking via maatregelen gerust: Joden mochten geen seks hebben met christelijke vrouwen, en ook niet te vrijmoedig met hen omgaan. Bestuursposten en de meeste gilden bleven voor hen gesloten en publieke kritiek op het christendom was verboden. Pas als beloning voor goed gedrag mocht een synagoge worden gebouwd. Hugo de Groot vond zulke maatregelen ook noodzakelijk: een te assertieve minderheid kon de religieuze en daarmee staatkundige eenheid ondermijnen.

De grootste immigrantengroep – lutheranen uit Duitsland en Scandinavië – werd eveneens strak aangelijnd. Kritiek op het hier dominante calvinisme leidde tot uitzettingen, lutherse kerken mochten aanvankelijk niet te opzichtig zijn, en toegang werd begrensd tot verzorgingsinstellingen, zoals weeshuizen en armenhulp. Migrantengemeenschappen moesten onderling opdraaien voor zorgkosten, wat hen ertoe aanzette kansarme immigratie zélf te beperken. Nadelen van immigratie nam men dus niet ‘op de koop toe’; stedelijke overheden voorkwamen juist dat de gevestigde bevolking ze te zeer ondervond.

Een ander geliefd historisch voorbeeld zijn de VS. In zijn boek Hoe migratie echt werkt (2023) schrijft migratiewetenschapper Hein de Haas dat de VS „van meet af aan een zeer diverse en multiculturele samenleving” waren, waar immigratie – in elk geval tot 1970 – prima samenging met sociale cohesie. Dat kwam door „politieke leiders en instituties die een pluralistische nationale identiteit wisten te smeden die is gebaseerd op het idee van e pluribus unum (een uit velen).” Een officieel integratiebeleid ontbrak, er heerste een ontspannen laissez-faire-houding.

De niet-ingevoerde lezer zal denken: waar maken mensen zich tegenwoordig eigenlijk zo druk om?

Maar ook dit beeld van de VS is te rooskleurig. Vooral in de vroege twintigste eeuw leefden brede zorgen dat recordaantallen migranten uit met name Zuid- en Oost-Europa de dominante Anglo-Amerikaanse identiteit zouden eroderen. De vrees was dat de VS als een soort Oostenrijk-Hongarije aan tribalisme ten onder zou gaan.

Boeken verbranden

Er volgden effectieve grensrestricties en een ingrijpende politiek van zogenoemde Americanization. Overheidsinstanties, onderwijs, welzijnswerk en het bedrijfsleven werkten eraan immigranten van hun herkomstidentiteit los te weken. Men leerde nieuwkomers hoe je als echte Anglo-Amerikaan sprak, at, werkte en patriottisch was. Rondom politieke loyaliteit werd dit grimmig: veel Duitse Amerikanen moesten in de Eerste Wereldoorlog onder dreiging van geweld dingen doen als Duitse boeken verbranden en de Amerikaanse vlag kussen.

Andere historische immigratiesamenlevingen tonen een vergelijkbaar beeld. In 1882 ging in Marseille het gerucht dat er vanuit een Italiaanse club naar marcherende Franse soldaten was gefloten. Het leidde tot dagenlange ‘Italianenjachten’, met vele gewonden. Franse daders kwamen er met lichte straffen vanaf. Inwoners van het Engelse Stockport sloegen in 1852 een processie van Ierse katholieken uiteen en plunderden hun huizen. Ook hier werden Engelse daders nauwelijks bestraft. En in het Duitse Roergebied waren rond 1900 uitingen van Pools nationalisme onder migranten verboden; een Polenüberwachungsstelle hield toezicht.

Lucassen wijst ook op dit soort voorbeelden, maar geeft daar een eigenaardige draai aan: migratie leidt tot conflict, maar geen zorg, uiteindelijk komt het goed. Met onze huidige spanningen zou er dan ook „weinig nieuws onder de zon” zijn.

Maar zijn eigen voorbeelden tonen samenlevingen die migranten spijkerhard hun plek toonden. In het Nederland van de afgelopen decennia zijn zulke bewakingscentra of onbestrafte migrantenjachten op straat ondenkbaar.

Dat is uiteraard positief, maar het betekent dat er aan de huidige situatie wel iets fundamenteel verschilt. Sinds de jaren zestig kennen we een continue, omvangrijke immigratiestroom, vaak uit regio’s met sterk afwijkende culturele achtergronden. Tegelijkertijd is de bereidheid van institutionele elites om de dominante cultuur en identiteiten te beschermen aanzienlijk afgenomen. Integendeel: migrantengemeenschappen worden vaak aangemoedigd en gesubsidieerd om culturele identiteiten te behouden, eerst onder de vlag van multiculturalisme, nu onder die van diversiteit en inclusie. Gevestigde Nederlandse cultuur wordt geregeld in een negatief daglicht gesteld of weggedrukt.

Een treffend voorbeeld: bij het 750-jarig bestaan van Amsterdam verspreidde de gemeente onder basisschoolleerlingen een boekje over feesten in de stad. Keti Koti, Holi Phagwa en Eid al-Fitr werden uitgelicht, traditionele Nederlandse feesten als Koningsdag, Kerst en Sinterklaas ontbraken.

Turkse cultuur verdient ook bescherming, maar daarvoor is Turkije de aangewezen plek

Deze nieuwe omgang met immigranten is in veel opzichten een vooruitgang. Het is goed dat brute aanpassingsmethodes zijn losgelaten. Maar is het experiment niet doorgeschoten? De aanhoudende

politieke spanningen rond migratie zijn niet louter te verklaren uit desinformatie of populistische ophitsing, hoe reëel die factoren ook zijn. Ze komen er ook uit voort dat de gevestigde belangen en culturele identiteiten onvoldoende worden beschermd, heel anders dan vroeger.

De Amerikaanse politicoloog Samuel Huntington waarschuwde in 2004 dat een democratische rechtsstaat een basis van culturele gemeenschappelijkheid nodig heeft. In de VS was dat volgens hem de Anglo-Amerikaanse cultuur. Doorlopende, omvangrijke immigratie en een gebrek aan bescherming van die cultuur zouden dat fundament eroderen en daarmee het politieke systeem ontwrichten. Huntington werd destijds weggezet als bekrompen oude man. Maar niet veel later raakte de Amerikaanse politiek wel degelijk ernstig uit balans, met spanningen rond migratie en identiteit als cruciale aandrijver.

Ook bij ons zijn de tekenen niet gunstig. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid constateerde in 2020 dat toenemende migrantenverscheidenheid correleert met afnemende sociale samenhang en thuisgevoel. Spanningen rond migratie en identiteit brengen ook onze politiek in steeds grotere moeilijkheden.

Complexe vraag

Op basis van historische informatie is het mijns inziens dan ook verstandig ons migratie-experiment voort te zetten, maar dan wel minder riskant. Dat betekent: open blijven staan voor immigratie en culturele diversiteit, maar tegelijk grip krijgen op de omvang en samenstelling van immigratie (zoals ik al eerder betoogde in NRC) én meer aandacht bieden voor culturele gemeenschappelijkheid, met Nederlandse en westerse cultuur als logische basis. Waarbij het natuurlijk een complexe vraag is wat we onder Nederlandse cultuur verstaan – het gaat dan doorgaans om zaken als de taal, bepaalde vrijheden, rechten, symbolen, tradities, normen en waarden, en historische ervaringen.

Concreet kan dat langs meerdere lijnen. Het Nederlands moet actief worden gehandhaafd als publieke taal, bijvoorbeeld door het te bevorderen als studie en door het meer centraal te stellen op universiteiten en in overheidsinformatie. Beheersing van de taal kan nadrukkelijker gekoppeld worden aan toegang tot sociale rechten. In onderwijs- en subsidiebeleid moet een deel van de aandacht verschuiven van diversiteit en inclusie, naar herwaardering van Nederlandse en westerse geschiedenis en cultuur. De eenzijdige focus op de schaduwzijden die ik waarneem in het publieke debat en de academische geschiedschrijving, biedt een slecht model om een samenleving overeind te houden. Het doet het verleden ook geen recht.

Een zeer gevoelig thema is de omgang met onderdrukkende interpretaties van de islam. Het is zorgwekkend dat censuur uit landen van herkomst via geweldsdreiging ook hier is opgelegd: wie durft nog een Mohammed-cartoon te tekenen? In mijn migratie-onderzoek zie ik dat immigrantengroepen door de geschiedenis heen vaak kijken hoever ze kunnen gaan. Bovengenoemde inperkingen zullen waarschijnlijk dus toenemen, tenzij ze actief worden tegengegaan – vroegere immigratiesamenlevingen zouden al in een veel vroeger stadium hard hebben ingegrepen. Een assertiever beleid is nodig: bijvoorbeeld door buitenlandse invloeden verder te beperken, opdringerige uitingen in het publieke domein te begrenzen, en seksuele vrijheden beter te beschermen. Denk aan het ontnemen van het asielrecht aan asielzoekers die met dreiging of geweld inbreuk maken op openlijke uitingen van homoseksualiteit of vrouwelijke seksuele vrijheden.

De nadruk op culturele aanpassing kan worden opgevat als superioriteitsdenken. Maar dat hoeft het niet te zijn. Nederlandse cultuur verdient bescherming, niet omdat ze superieur is, maar omdat dit Nederland is; de enige plek waar de Nederlandse cultuur kan bestaan. Turkse cultuur verdient ook bescherming, maar daarvoor is Turkije de aangewezen plek. Dat ons land een bijzonder populaire migrantenbestemming is, suggereert overigens wel dat Nederlandse cultuur positieve eigenschappen bezit, die ook intrinsiek het behouden waard zijn.

Bescherming bieden

Natuurlijk is cultuur geen statisch gegeven. Nederlandse cultuur ís al gevormd door immigratie; Joodse, Duitse, Indische, en Franse immigranten lieten vele sporen na, van oliebollen, kerstbomen, rijsttafels en kunst tot talloze woorden. Ook nu verrijken immigranten Nederlandse cultuur.

Maar juist als we van immigratie een positieve ervaring willen maken, is het nodig omstandigheden te scheppen die ontwrichting voorkomen. Daarvoor moeten we niet alleen recht doen aan migrantengemeenschappen – daarin is veel vooruitgang geboekt – maar óók bescherming bieden aan de belangen en identiteiten van de gevestigde bevolking. Het huidige migratie-experiment kan alleen slagen als het ook voor deze groep aantrekkelijk genoeg wordt gemaakt.

‘Het Van Gogh Museum dreigt met sluiting’

Bovenaan: Beeld van de afgelopen dubbeltentoonstelling van Anselm Kiefer Sag Mir so die Blumen Sind, in het Van Gogh en het Stedelijk Museum in Amsterdam (eigen foto)
Toen ik donderdag 15 mei j.l. in de Paulus Potterstraat uit de taxi stapte en het straatje naar het Van Gogh Museum insloeg, stond bij de ingang al een lange rij te wachten voor het tijdslot van 11 uur – nu moest ik nog in die mensenzee Emilie zien te vinden, met wie ik afgesproken had…
Toen we na de toegangscontrole eenmaal binnen stonden, was het op zaal van het zelfde laken een pak: bij elk zaalbreed werk van Kiefer stond het volgepakt (zie afbeelding boven).
Na dat museumavontuur, was ik desondanks verrast toen ik onderstaand artikel in NRC las: dat het Van Gogh Museum ‘uitgewoond’ dreigt te raken als gevolg van het massatoerisme.

(Hieronder het NRC bericht)

Hoe slecht is het gebouw er werkelijk aan toe?

Van Gogh Museum
Luchtbevochtigers, drogers, temperatuurregelaars, gasketels, klimaatbeheersing, kabels, liften en toiletten – ze laten het Van Gogh Museum in de steek. „Als de situatie aanhoudt zullen we het gebouw moeten sluiten.”
Auteurs Nina Eshuis en Sarah Ouwerkerk, NRC
Gepubliceerd op 28 augustus 2025

In de zalen van het Van Gogh Museum is niet te merken dat grote mankementen het museum achter de schermen teisteren. De muren waar de wereldberoemde werken aan hangen zijn geschilderd in Vincents kleuren. Cadmiumgeel, pruisisch blauw, vermiljoen. Bezoekers wijzen, luisteren aandachtig naar een audio-tour en buigen zich naar de werken toe. „Zo hoort het”, zegt Tamara ’t Hart, adviseur vastgoed van het museum, op fluistertoon. „De problemen achter de schermen mogen geen onderdeel zijn van de bezoekersbeleving.”

Nu het museum die schermen opzij moet schuiven doet dat pijn. „Ik heb er helemaal kippenvel van.”

Maar het ging niet langer. „Toekomst Van Gogh Museum in gevaar”, staat woensdag boven een persbericht op de website. Er is grootschalige en dure modernisatie nodig aan de klimaatsystemen, technische installaties en het gebouw zelf.

Daarvoor zegt het Van Gogh Museum 11 miljoen euro per jaar nodig te hebben, terwijl het museum nu 8,5 miljoen euro krijgt van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Dat bedrag is volgens het ministerie „hoog genoeg om het noodzakelijke onderhoud te bekostigen”. Het museum is het daarmee oneens. Sinds 2023 ruziën de twee partijen daarover.

Nu staan ze voor een impasse – met gevaar voor „de kunst en onze bezoekers”, stelde algemeen directeur Emilie Gordenker van het museum die deze week de publiciteit zocht via The New York Times. „Het is het laatste wat we willen – maar als de situatie aanhoudt zullen we het gebouw moeten sluiten.”

Erfenis en afspraak

Op 27 juli 1890 schoot de kunstenaar, 37 jaar oud, zichzelf in de borst. Twee dagen later overleed hij. Vincent kampte met grote psychische problemen – waarvan het afsnijden van zijn oor het gevolg was. Theo, zijn broer en erfgenaam stierf zes maanden later op 33-jarige leeftijd. Over de erfenis, die via de weduwe van Theo bij de neef van Van Gogh terechtkwam sloot zijn neef ‘de Ingenieur’ in 1962 een overeenkomst met de Nederlandse overheid.

Tijdens het leven van Van Gogh verkocht hij nauwelijks iets. Dus de hele collectie – tweehonderd schilderijen, vijfhonderd tekeningen en negenhonderd brieven – werden opgenomen in de Van Gogh Stichting om publiek te blijven. De staat verplichtte zich in deze overeenkomst een „blijvende huisvesting voor de verzamelingen in te richten” en de zorg voor de verzameling op zich te nemen „als waren die eigen goed”. Ook is in de overeenkomst opgenomen dat de staat de exploitatie van het museum voor eigen rekening neemt.

Zie je al die lichtkoepels? Die lekken. Dat houden we nu met plakband bij elkaar.
Jorden Hagenbeek, projectmanager renovatie

Sinds de opening in 1973 ontving het Van Gogh Museum bijna 57 miljoen bezoekers, afgelopen jaar waren dat er 1,8 miljoen. Het gebouw, eigendom van het Rijksvastgoedbedrijf, is volgens het museum „niet berekend op zulke aantallen”. Na ruim vijftig jaar „voldoet het niet langer aan de eisen van de moderne tijd”.

De luchtbevochtigers, drogers, temperatuurregelaars, gasketels, klimaatbeheersing, kabels, liften en toiletten – allemaal laten ze het Van Gogh Museum in de steek.

Eén van de twee toiletblokken is buiten werking. „Tot nu toe hebben we het geluk gehad dat de pompen één voor één uit zijn gevallen.”

Jorden Hagenbeek, projectmanager renovatie, somt in de ketelkamer op zolder het lijstje op. „Zie je deze gasketels, dat is allemaal echt old school technologie, niet meer van deze tijd.” Onder de ketels is de vloer verkruimeld en gebarsten. Hij wijst naar het dak. „En zie je al die lichtkoepels? Die lekken. Dat houden we nu met plakband bij elkaar.”

In de kelder van het museum, zeven meter onder zeeniveau, ratelen, brommen en sissen de machines die het klimaat van het Van Gogh Museum moeten reguleren. Deze systemen in gigantische machinekamers beschermen de Zonnebloemen, de Amandelbloesem en al die bekende zelfportretten. Maar deze technische installaties zijn oud en aan een grootschalige modernisering toe. „Hier, voel maar”, zegt Hagenbeek naast een briesende stalen constructie. „Voel je hoe het blaast? Dat is een lek in de behuizing. Dat is niet zo makkelijk op te lossen als het lijkt.”

‘Geen schending’

Het museum heeft een plan opgesteld voor een verbouwing van drie jaar, genaamd ‘Masterplan 2028’. De totale renovatiekosten bedragen 104 miljoen euro. Daarvan neemt het museum een deel voor eigen rekening: zo worden de gemiste inkomsten vanwege gedeeltelijke sluitingen gedekt vanuit het eigen vermogen. Daarvoor wordt sinds 2024 jaarlijks ruim 6 miljoen apart gezet, blijkt uit de jaarrekening van het museum.

Het dak van binnenuit gezien.

Het ministerie heeft „uitgebreid onderzoek door deskundigen” laten uitvoeren waaruit blijkt dat de 8,5 miljoen die het museum jaarlijks krijgt voldoende is om „het noodzakelijke onderhoud te kunnen uitvoeren”, laat een woordvoerder weten. Tegen het subsidiebesluit is het museum in 2023 in bezwaar gegaan, daar ging OCW niet in mee. Nu heeft het museum een beroepsprocedure aangespannen bij de rechter, die de zaak in februari 2026 behandelt. Volgens het ministerie is het „niet ongebruikelijk dat partijen een subsidiebesluit door de rechter laten toetsen.”

Ook heeft het museum de huurovereenkomst in 2024 niet getekend, blijkt uit een toelichting op de jaarrekening van dat jaar. Het museum betaalt nog wel huur. Het Rijk heeft aan het museum aangegeven „niet tot ontruiming over te gaan”.

Voor ons is het gebouw een levend wezen, een communicerend vat met de kunst van Van Gogh.
Jorden Hagenbeek projectmanager renovatie

Een onafhankelijke visitatiecommissie, die eens in de vier jaar langsgaat bij gesubsidieerde rijksmusea, schrijft in het visitatierapport „doordrongen” te zijn van de noodzaak van renovatie en vernieuwing. De commissie „roept het ministerie van OCW op hier nauwgezet naar te kijken en actie te ondernemen, zeker gezien de afspraken die hierover met de Stichting Vincent Van Gogh zijn gemaakt”. Het ministerie laat weten dat „van een schending” van de overeenkomst uit 1962 „geen sprake is”.

Het museum denkt daar anders over. Het gaat ze om het principiële punt dat de staat zorg voor de collectie moet dragen. „Het interpretatieverschil, daar zit de kern”, zegt Hagenbeek. In het persbericht stelt het museum dat de overheid zich in 1962 „contractueel verplicht” heeft tot „het bouwen en onderhouden van een museum voor de unieke Van Gogh-collectie.” Het werd gezien als „noodzaak”, waarbij „de financiële zaak als van minder belang werd gezien”. De oplossing is volgens het museum simpel, de overheid moet over de brug komen. „Want afspraak is afspraak, ook voor een overheid.”

Een levend wezen

Nu is het museum, tot er duidelijkheid is over de financiering, pleisters aan het plakken. Voor de lift staat een bordje ‘Buiten werking, niet gebruiken’. Een van de toiletblokken, naast de museumwinkel, is afgesloten: ‘Out of service’. Een rioollucht walmt voorbij. „Tot nu toe hebben we het geluk gehad dat de pompen één voor één uit zijn gevallen. Wanneer ze er tegelijkertijd mee stoppen, hebben we een groot probleem”, zegt Hagenbeek.

Het plan is om het museum tijdens de renovatie gedeeltelijk operationeel te laten. „In 2012, tijdens de vorige verbouwing, waren we tijdelijk gehuisvest in de Hermitage”, zegt Hagenbeek. Daar hebben ze van geleerd. „Het museum is zo’n internationale machine. Het maakt niet uit hoe en waar we het ook communiceerden, nog steeds stonden er elke dag bussen met toeristen voor de deur.”

Deze keer willen ze daarom een gefaseerde verbouwing uitvoeren. Eerst gaan de werken uit het nieuwere gebouw van architect Kisho Kurokawa naar het oudere Gerrit Rietveld-gebouw, en dan andersom. Per gebouw moeten dan alle systemen in een keer onder handen genomen worden. „Het is allemaal afhankelijk van elkaar”, zegt Hagenbeek. Hij wijst naar een cluster kabels – zwart, grijs, paars, oranje – die in een dikke bundel langs de muur lopen. „Dat móét eruit, het probleem is dat we niet weten welke kabels iets doen en welke niet.”

Het doet de medewerkers van het museum pijn de mankementen te zien. „Voor ons is het gebouw een levend wezen, een communicerend vat met de kunst van Van Gogh”, zegt Jorden Hagenbeek. „Het is een werktuig, een instrument dat ons kan helpen”, zegt Hagenbeek. „Maar dan moet het wel goed onderhouden zijn.”

De clusters van kabels liggen al zo lang, dat eigenlijk niemand meer weet welke kabel waar voor is – en of ze nog aangesloten zijn op iets.