Techno aan het einde der tijden in het zintuiglijke en apocalyptische ‘Sirât’

RECENSIE

Arthouse
In ‘Sirât’ zoekt een vader zijn dochter die is vertrokken met een ravekaravaan in de Marokkaanse woestijn. Het is een film die met niets is te vergelijken: zowel spannend als spiritueel, zowel apocalyptisch als bevrijdend.

Dana linssen
Gepubliceerd op17 februari 2026

De gebutste en gehavende rave-nomaden in ‘Sirât’. “Ik hou van ze, omdat ze met hun wonden leven”, zegt regisseur Oliver Laxe.

Arthouse

Sirât.Regie: Oliver Laxe. Met: Sergi López, Bruno Núñez Arjona, Jade Oukid, Stefania Gadda, Tonin Janvier, Richard ‘Bigui’ Bellamy. Lengte: 115 minuten.  

Beoordeling: 5 van de 5.

●●●●●

Echte ravers hoef je het niet uit te leggen. Dance is trance. Of zoals mediatheoreticus McKenzie Wark schreef in haar boek Raving (2023): misschien eerder ‘re-associëren’ dan dissociëren. Dat ’terug in verbinding komen’ ligt dicht bij de tradities in het soefisme, de ‘spirituele islam’ waar regisseur Oliver Laxe (1982) zich mee verwant voelt. De bekende soefistische werveldans is bijvoorbeeld een vorm van actieve meditatie. En als je naar de ravers in Laxes nieuwe film Sirât kijkt dan zie je dat: geen escapisme, maar een andersoortige, transcendente zoektocht. De titel verwijst dan ook naar de brug die volgens de islam over de hel leidt, en die iedereen op de dag des oordeels moet oversteken om het paradijs te bereiken.

Na de mysterieuze pyromanenfilm Fire Will Come is Sirât verreweg de vreemdste en meest onthutsende film die Laxe gemaakt heeft. Die er sowieso is gemaakt. De zoektocht van een vader en een zoontje naar hun dochter en zus die is vertrokken met een rave-karavaan in de Marokkaanse woestijn is spiritueel en apocalyptisch, gruwelijk en bevrijdend tegelijk. De film roept met beeld en geluid emoties op die met geen woorden te beschrijven zijn. Vorig jaar bij zijn wereldpremière in Cannes werd hij bekroond met de Juryprijs en nu is Sirât genomineerd voor een Oscar voor beste internationale film en voor beste geluid.

Dat laatste ligt bij een film die zich afspeelt in de technoscene voor de hand. Je moet die drang om te dansen wel voelen als je in je bioscoopstoel zit. En dat gebeurt. Dit is zintuiglijke, intuïtieve cinema op z’n best. De filmmuziek van de Franse avantgarde technoproducer Kangding Ray (David Lettelier) pulseert en resoneert met de rotsen als klankkast. De muziek is gemixt met zandstormen en de huilende wind. De zoektocht van vader Luis wordt gaandeweg een queeste in zichzelf. Naarmate hij dieper met de ravers de woestijn in trekt, verandert zijn reis ook in een vlucht, voor de gevaren van het gebied. De (deels nog steeds bezette) Westelijke Sahara is sinds de dekolonisatie in de jaren zeventig geplaveid met landmijnen en een giftige zandbak vol (illegale) fosfaatmijnen.

De ‘techno aan het einde der tijden’ van Sirât doet sterk denken aan de Japanse cultfilm Eli, Eli, lema, sabachthani (2005) (‘Mijn God, waarom heeft U mij verlaten’, de laatste woorden van Christus aan het kruis) waarin de wereld is overvallen door een wanhoopspandemie. Een noisegitarist denkt dat hij op de juiste frequentie die wereld weer in z’n voegen kan laten vibreren. Films als Sirât doen dat ook. Het is een film die aan de dood raakt, in het ravijn staart, maar ook een ontsnappingsroute biedt dwars door de scheuren in de werkelijkheid.