Dankzij Jeltje Musch zijn we weer een oed-speler rijker: de uit Libanon afkomstige Rabih Abou-Khalil, die het instrument vanaf z’n vierde jaar had leren bespelen – dat is daar een beetje zoals wij hier onze kinderen naar pianoles sturen. Khalil ontvluchtte in 1978 de niets ontziende burgeroorlog in Libanon en vond onderdak in München, waar hij een klassieke opleiding fluit volgde. Van daaruit zag hij de mogelijkheid zijn oed-achtergrond in de Westerse muziek te integreren. Hij zocht vervolgens de jazz scene op, zoals die beide Tunische oed-grootheden Anouar Brahem en Dhafer Youssef na hem ook deden. Ook bij Rabih Abou-Khalil levert deze clash of cultures verrassende, warme muziek op, waarin, ondanks de schwung, zijn Arabische oorsprong sfeerbepalend blijft en als een geheimzinnig accent met je meereist. Op latere video’s zie je dat hij zijn oed steeds meer als gitaar gaat bespelen.
Luister eens naar de animerende Lewenski March, waarin ook Abou-Khalil’s vaste kompaan, tuba speler Michel Godard is te horen. Als je je in dit koper-geweld als oed-speler weet te handhaven, moet je wel van goeden huize zijn…
Omdat we Rabih Abou-Khalil meer tegen zullen komen – ik heb inmiddels vijf plaatjes van hem gereserveerd bij de OBA – wat meer details. Er is om te beginnen zijn wondermooie website: www.rabihaboukhalil.com. Klik en zie hoe de kameel – die uit Arabische schrifttekens of arabesken is opgebouwd – één voor één zijn vrachtjes aflegt en daarna ontspannen met koptelefoon op meedeint met de muziek… Abou-Khalil blijkt ook een begenadigd beeldend kunstenaar te zijn, getuige alle prachtige covers in Oosterse sfeer die hij voor zijn albums bij platenlabel Enja Records ontwierp. De kameel keert terug op de cover van het album Blue Camel:
[klik om te vergroten]
Hieronder de ‘shake-muziek van de week’, het gelijknamige nummer van de cd Bukra (1994) – ‘Bukra’ betekent volgens nl.urbandictionary.com‘Arabic for tomorrow, often used in the same manner as the Spanish “mañana”‘.
De blog-auteur voor Airscape van JCJ Van der Heijden (2005), venster op de ‘planetaire stilte, de soevereine stilte van de sferen’ (foto Emilie van de Raa) [klik om te vergroten]
wat is er in de wereld nog echt behalve de stilte der sferen waar zon, maan en sterren onze blik ontmoeten
o maan, je bent zo ver weg voor mijn reikend verlangen je bent voor een sterfelijk wezen zo wezensvreemd
‘wat is er écht in je leven, dat is waar meditatie over gaat’ de zon, maan en sterren die onze blik ontmoeten
Schrijver Joost Zwagerman (1963-2015) werkte twee jaar aan een tentoonstelling rond het thema ‘stilte’, die hij de titel Silence out loud meegaf (vrij vertaald: Schreeuw het uit in stilte). Een paar maanden voor de opening – de tentoonstelling was rond, Zwagerman had zelf stad en land afgereisd om kunstwerken bijeen te brengen – pleegde hij zelfmoord. Niet alleen de betrokkenen, maar heel kunstminnend Nederland was geschokt. Kees Wieringa, directeur van museum Kranenbugh in Bergen, waar de tentoonstelling is ingericht, gaf het volgende, moedige, commentaar: “Wij betreuren het zeer dat Joost niet de verlangde stilte vond om zijn leven te kunnen aanvaarden. Wij wensen zijn geliefde, kinderen, familie en vrienden alle kracht en troost toe.” Maar men besloot de tentoonstelling door te zetten, als hommage aan Zwagerman. Ik heb daar uiteindelijk dankbaar gebruik van gemaakt, ik ben er drie keer langs geweest en heb genoten van de keuze van Joost.
Hendrik Kerstens, Bag [‘geïnspireerd door de stilte in het werk van Vermeer’] [klik om te vergroten]
Toch blijft de titel ‘Silence out loud’ intrigeren, zeker na Zwagerman’s zelfgekozen dood. In zijn artikel ‘De immense intensiteit van stilte’ (NRC, 12 december 2015) vertelt recensent Daan van Lent dat Wieringa en Zwagerman een gezamenlijke liefde bleken te hebben voor het werk van fotograaf Sannen Sannes. Wieringa hierover:
“Sannes is in 1967 tegen een boom gereden met drie fotomodellen in zijn auto. Joost was gefascineerd door het geluid ná zo’n klap. Dat deed hij na door hard met zijn vuist in zijn hand te slaan. En de stilte daarna te laten klinken. Zo ontstond het idee om een ‘gewelddadige tentoonstelling’ aan stilte te wijden. Bij stilte denk je aan sereniteit, maar dit is een luidruchtige stilte. Joost kwam direct met de titel: Silence out loud. Ook het openingsbeeld had hij al voor ogen: een still uit de video Relation Work & Detour, waarin Marina Abramovic en Ulay schreeuwend tegenover elkaar staan.”
Dan vraag je je af: was de stilte waar Zwagerman naar verlangde, misschien de vrede van de dood, als verlossing van een leven dat door hem als gewelddadig ervaren werd…
Als muzikale expressie van ‘stilte’ heb ik voor 4’33” gekozen, een compositie van John Cage, uitgevoerd door Reinbert de Leeuw tijdens DWDD van 13 dec 2010. Weliswaar verzuipen die 4½ minuut stilte bijna in het spraakwater van Matthijs van Nieuwkerk en Reinbert de Leeuw zelf, maar het doet Jan Mulder na afloop toch verzuchten: “Ik ben blij dat ik dit heb mogen meemaken…” Kijkcijfer-expert René van Dammen vertelde onlangs dat, waar de kijkcurve meestal een flinke deuk krijgt als de actie op het scherm stokt, deze uitzending na een korte neergang het omgekeerde effect liet zien, waarbij vooral jongere kijkers weer waren gaan kijken. Zouden ouderen zo slecht tegen stilte kunnen?
Silence out loud is nog tot 12 juni te bezichtigen in Museum Kranenburgh in Bergen.
De Limburgse heuvels deden me de zee even vergeten
Heimwee
Mist trekt over land, contouren vervagen nog even en ik mag weer naar zee om het onverschillige land te vergeten door generaties doorploegd en bezeten
De heuvels deden de zee even vergeten, ik shake hier offshore, weg van de kust ver weg van het geluid van de branding alleen onder de sterren, moederziel alleen
Het tweede deel van het Desert Blues Project uit Mali, met het Toeareg vrouwen-ensemble Tartit uit Timboektoe.
Alleen onder de sterren zou ik geen stap kunnen zetten als gij in uw grote wijsheid mij niet bij de hand nam mij in mijn onwetendheid onderwees er is niets wat ik zonder u doen kan.
Ben ik dat? Ik herken mezelf niet… Gij weet wel beter. Ge hebt de korrels geteld aan het strand de sterren gevormd met uw hand de mens geschapen naar uw beeld maar gij blijft het grote mysterie.
Timboektoe ligt nu midden in de woestijn, 13 km ten noorden van de Niger
We waren de vorige keer in Timboektoe beland. Hoe nu verder? We gaan op weg naar Bamako, hoofdstad van Mali! We volgen de Route National 6. De afstand is 1.008 km, de rijtijd 13,5 uur. Direct ten zuiden van Timboektoe steken we bij Kabara in een half uur met de pont de Niger over.
In Bamako aangekomen, duiken we in de muziek van het Desert Blues Project. We kwamen de naam ‘Desert Blues‘ al eerder tegen, voor die fantastische verzameling Afrikaanse muziek in drie albums, totaal 6 Cd’s. Hier is Desert Blues een muziekproject met Habib Koité, Afel Bocoum en het Toeareg vrouwen-ensemble Tartit uit Timboektoe. Het project brengt de uiteenlopende muzikale roots van het Afrikaanse land bijeen en strijdt voor een vreedzaam en verenigd Mali. Regisseur Michel Jaffrennou slaat in de film Desert Blues Musikprojekt aus Mali zijn bonte dagboek open en nodigt de kijker uit voor een fantastische reis naar het hart van Mali. Arte TV maakte er twee video’s van, waarvan de eerste hieronder staat (en onderstaande tekst aan ontleend is), de tweede volgt later. Alle aan Desert Blues deelnemende muzikanten zijn dichters. Ze bespelen traditionele instrumenten, zoals: – tinde (Touareg trommel); – tehardant (driesnarige luit, door mannen bespeeld); – balafoon (soort marimba); – imzad (eensnarig, gebogen instrument van kalebas, door Touareg vrouwen bespeeld). Maar de deelnemers maken ook gebruik van de elektrische gitaar. Op het podium vallen ze in bij elkaars liederen en vermengen zich de verschillende talen. Het ensemble Desert Blues combineert traditionele klanken met hedendaagse muziek. Op elk concert is voelbaar met welk enthousiasme ze de muziek in het hedendaagse Mali nieuw leven in blazen.
Gespeelde muziek: ‘Woulaba’, uit het album Baro (2001);
Onze huisbioscoop. Vandaag een bloedstollende Wallander…
Dag verjaagt nacht
Wie ben ik om de loop van de sterren te wijzigen ik schouw slechts hun ontzagwekkende schoonheid, bevroed de peilloze diepte van hun materie.
Dingen die me gebeuren
Ik ben niet meer dan een opening in het universum waardoorheen gij het peillood van de eeuwigheid neerlaat en ziet dat het goed is.
“Voor Europeanen, staat Timboektoe te boek als de meest afgelegen plek ter wereld. Maar in tijd van Leo Africanus was het een van de grootste ontmoetingsplekken in de geschiedenis.”
Deze BBC documentaire gaat over het leven van al-Hasan ibn Mohammed al-Fasi, beter bekend als Leo Africanus (ca. 1494 – ca. 1554). Hij was een Moors diplomaat, die opgroeide in Marokko en na een ontvoering door zeerovers aan het hof van paus Leo X terechtkwam. Hij is vooral bekend door zijn Descrittione dell’Africa, waarin hij onder meer verhaalt over zijn bezoeken aan Timboektoe.
All the way to Timbuktu
Timboektoe werd in het begin van de 12e eeuw een permanente nederzetting. Na een verlegging van handelsroutes, bloeide in de stad een handel in zout, goud, ivoor en slaven op. In het begin van de 14e eeuw werd Timboektoe deel van het Malinese Rijk. In 1468 werd de stad, na een korte overheersing door Toeareg stammen, ingelijfd bij het zich langs de rivier de Niger uitstrekkende Songhai Rijk, wat haar Gouden Eeuw inluidde. Daar kwam in 1591 een einde aan, toen een Marokkaanse leger de Songhai versloeg, dankzij de inzet van Vlaamse en Spaanse musketiers – Al-Ruma, ‘schieters’, in de plaatselijke taal. De invallers bleven er achter en werden de nieuwe heersende klasse, de Arma (verbastering van ‘Al-Ruma’), die na 1612 onafhankelijk werd van de Marokkaanse sultan. Maar de gouden eeuw van de stad was voorbij en er volgde een lange periode van verval, die duurde tot aan de Franse overname in 1893. In 1960 werd Timboektoe deel van de huidige Republiek Mali. De stad is op dit moment verarmd en lijdt onder de woestijnvorming. Na de inval van Toeareg rebellen in 2012 – zich sierend onder de naam Ansar Dine, ‘defenders of the faith’ – werden een aantal historische tomben vernield.
In haar Gouden Eeuw ontstond in Timboektoe een omvangrijke handel in boeken, door de aanwezigheid van talrijke islamitische geleerden en het uitgebreide handelsnetwerk. In combinatie met de campus van de Sankore Madrasah – de islamitische universiteit – maakte dit Timboektoe tot een wetenschappelijk centrum in Afrika. De verhalen van Leo Africanus leidden in Europa tot allerhande speculatie, waarna de reputatie van de stad verschoof van ‘rijk’ naar ‘mysterieus’. Zo verwerd de naam ‘Timboektoe’ in de westerse cultuur tot een synoniem voor een verre en bizarre plek.
Gisteren een warme wafel met slagroom en warme kersen in Grand-cafe ZeRa.
De vorige avond
Na een druilerige dag was het uitzicht tegen de avond als herboren. Een schoongewassen lucht, zon boven frisgroene velden, een blauwwitte schildering van de hemelse aquarellist. Stipjes bewegen langs de weg in de verte, met de boodschap dat alles nog hetzelfde is. Waar verdienen we het toch aan dat we elke dag vernieuwd worden?
De volgende ochtend
Op zoek naar de verste verte de diepste stilte de mooiste natuur was er die oogstrelende zonsopgang het suizen van de stilte in de oren tot niets verplichtende schoonheid – het is er al, waarnaar ben je op zoek?
De eerste wandeling. Klaaske: “Voor deze paadjes ben ik hier gekomen.”
“…dat je voor jezelf ziet dat bewustwording eigenlijk de enige zin is dat we op aarde zijn. Dat we tot bewustzijn komen, niet dat we goede dingen doen of dat we een doel bereiken of wat dan ook, maar dat we tot bewustzijn komen, in onze situatie. Daarmee vervallen alle regels, alle voorschriften, alle voorbeelden. Jij moet je bewust worden.” Maarten Houtman: De werkelijkheid begint bij voor jezelf zorgen, sessie december 1999
…datzelfde paadje wordt ook gebruikt door racefietsers. Dit is Limburg…
Dronken van het Limburgse landschap …
Vanaf het terras [klik om te vergroten]
… en van het shaken op de muziek van het album Melos (2008), met Anja Lechner, cello, Vassilis Strabropoulos, piano, en U.T. Gandhi, slagwerk. NB Het album als geheel was op YouTube niet te vinden, daarom hierbij de prachtige titelsong.
Wandelend langs de dreven, viel me in dat je niet kunt waarnemen zolang je geest iets wil. Dan wordt alles wat je meent te zien, vertekend door je streven.
Als je op je ademhaling probeert te letten, merk je al gauw dat je er iets mee wilt doen. Je wilt haar dieper laten worden of meer beneden laten komen – en merkt dat je haar alleen maar verstoort. Je doet iets, terwijl het de kunst is om niet te doen.
Uitzicht vanaf het terras
Uitzicht vanaf het terras bij nacht. Het wachten is op de sterren…
Album van de dag: Birds Requiem, 2013
Musici: Dhafer Youssef, zang; Hüsnü Senlendirici, klarinet; Aytaç Dogan, kanun; Nils Petter Molvaer, trompet; Eivind Aarset, guitaar; Kristjan Randalu, piano; Phil Donkin, contrabas; Chander Sardjoe, drums.
Hamza El Din (1929-2006) – die ik via onze Texelse zen-vriendin Jeltje Musch leerde kennen – over zijn jeugd:
“Nubia is a region of northeast Africa situated along the Nile in both southern Egypt (south of Aswan) and northern Sudan. Toshka, the village in which I was born and spent my early years, is in Egyptian Nubia, near the village of Abu Simbel, where the famous temples of Ramesses II were located prior to their being moved during the construction of the Aswandam. As a boy I was sent to live with my father in Cairo, where I studied oud and began my musical career.”
In de jaren 70 emigreerde Hamza El Din naar de Verenigde Staten, waar hij een cultstatus verwierf als pionier van de ‘wereld-muziek’, met zijn albums Escalay en Eclipse. Verder doceerde hij er ethnomusicologie en trad op, o.a. met de Grateful Dead en het Kronos Quartet. In de jaren 80 verbleef hij in Japan, om een vergelijkende studie te maken tussen de Arabische oud en de Japanse biwa. De New York Times schreef indertijd over hem:
Music doesn’t get much starker than the songs of the Nubian musician Hamza El Din …. He is a virtuoso, but one who uses his technique toward clarity rather than display.
Dat is precies wat Hamza El Din’s muziek zo indringend en fascinerend maakt, hij wil niet ‘amuseren’, niet ‘entertainen’, zijn muziek komt uit de diepe lagen van een oeroude traditie tot ons. Maar, “Hamza El Din doet meer dan de vlam van een traditie simpel levend houden. Wat speciaal is aan zijn werk is de volledige beheersing van de technische mogelijkheden van de oud, gecombineerd met nieuwe muzikale patronen en ideeën, die de vocale muziek en drum-traditie van het traditionele Nubië ontstijgen.” [Nonesuch] Dat is ook hoe het die beide hedendaagse, Tunesische oud spelers, Anouar Brahem en Dhafer Youssef, verging, die het amalgaan van Oosterse en Westerse tradities tot een thrill maakten voor het gehoor…
Musici: Youssou N’Dour et Le Super Etoile de Dakar
Oktober 1987. Een in een berg uitgehouwen openlucht amfitheater, met uitzicht op de twinkelende lichtjes van nachtelijk Athene. Duizenden mensen die uit hun dak gaan voor een jonge Senegalese zanger, waar ze kort tevoren nog nooit van gehoord hadden. Hoofdact artiest Peter Gabriel komt het toneel op om hem te introduceren: “Youssou N’Dour!” – net 28, maar al een grote ster in West-Afrika.
Is dit nu ‘Afrikaanse muziek’? Het is duidelijk dat de ruggengraat van Afrikaanse muziek wordt gevormd door de ritmiek. In de uitvoering draait het om slaginstrumenten – met de tam-tam speler van oudsherin zijn traditioneel ceremoniële functie. In onze contreien kenden we de tamboer als publieke figuur, die werd ingeschakeld als omroeper en als begeleider van begrafenissen. Dichtte Bilderdijk niet:
‘Befloerste trom noch rouwgebrom ga romm’lende om voor mijn gebeente.’
Omdat ik als weiger-officier tot tamboer bij het korps Limburgse Jagers werd gebombardeerd, heb ik met schuivende pas en omfloerste trom een aantal begrafenissen mogen doen – al was het dan geen oorlog, het zijn toch ruwe spelletjes die daar worden gespeeld. Zo’n muzikaal ceremonieel maakt diepe indruk, zeker als de ‘last post’ van de klaroenspeler klinkt. Toch lijkt de impact van de muzikale ceremonie in Afrika oneindig veel groter te zijn – ligt in haar ritmiek niet de trillende energie van het universum verscholen?
Tijdens mijn jaren als weekend-suppoost in Het Tropenmuseum – een studentenbaantje dat een living werd – had ik het voorrecht de Ghanese drummer Kofi Ayivor te leren kennen. Hij gaf daar achter het glas van de muziekstudio elke zondag een ‘class’ Afrikaans drummen – wat soms uitliep in een demonstratie buiten bij de ingang. Kofi vertegenwoordigde voor mij een wereld die me mateloos intrigeerde. Maar het eerste wat hij me vertelde was dat hij uit Stadskanaal kwam… Natuurlijk praatte hij daar met humor over, maar ik hoorde ook warmte in zijn stem. Pas later heb ik begrepen dat hij, na jaren van omzwervingen over de hele wereld – met de legendarisch Afro-rockband Osibisa, als ‘muzikaal assistent’ van Ingmar Bergman, als begeleider van een Iraakse buikdanseres – met zijn gezin daar in de Hollandse polder neergestreken was en eindelijk rust gevonden had.
Maar de mooiste momenten die ik met Kofi beleefde waren als hij als straatmuzikant voor het Amsterdamse Centraal Station speelde. Hij zat daar avond aan avond, zijn trommel werd regelmatig door de politie in beslag genomen. Dan moest hij weer naar het bureau om hem op te halen. Natuurlijk kankerde hij daarover. Maar toch, wat voelde hij zich daar happy op dat plein… Er waren dagen dat van verre de klanken van zijn drum onze woonboot aan de Binnenkant binnenwoeien. Dat had een magische uitwerking op me, ik toog dan naar het station en trof hem daar, temidden van een kring toehoorders of op z’n eentje trommelend. Ik las Kofi’s memoires – heel interessant als je belangstelt in de traditionele Afrikaanse muziekcultuur – op de website ‘Zeeburg Nieuws’, of all places. Daarin zegt hij over die tijd het volgende:
“And it turned out to be the best experience of my whole life. Playing in the street. Which I never did before. I had played on all the big stages of the world – in Madison Square Garden with Osibisa, for example – but the Central Station was the best stage I’ve ever been on. The most critical stage I have ever been on, playing alone without a guitar player, bass player, or drummer, trying to convince people that rhythm is just as important as chords and progressions, that rhythms are feeling. Some people say, “Oh that’s a nice rhythm but that’s not music!” But good rhythm is feeling rhythm. That’s why I was on the street. Playing alone and researching the kinds of rhythms people react to, the kinds of beats they feel and the kinds of beats they hear. To me the street is a laboratory where I make all the songs and rhythms that come to me. Rhythms come from my watching people. Their reactions. How they walk. Most people are kind of one, two, one, two. But a guy who was passing walked kind of majestically, you know, so I said this is nice, maybe I should try to play something for it.”
Ben ik blij dat ik daar iets van heb mogen proeven…
Kofi heeft me één keer gevraagd waarom ik geen les bij hem zou nemen. Maar dat bleek een station te ver. Ik merkte de weerstand die het in me opriep, al was het alleen al vanwege de types die zijn ‘classes’ bevolkten… Hij van zijn kant zag mij ook als ‘custodian’, zeg maar van dezelfde type als de agentjes die hem pestten… Zo bleef er een afstand bestaan.
Ik zag pas op zijn Facebook dat Kofi Ayivor (2746 vrienden) nu het Christendom van de Ghanese diaspora belijdt – zoals de één generatie jongere Youssou N’Dour in zijn album ‘Egypt’ (uit 2004) teruggaat naar zijn Islamitische wortels. De Afrikaanse identiteit is gecompliceerd, met al zijn uitheemse invloeden…
Tot slot dan een video van die heel andere Youssou N’Dour, in het nummer ‘Touba’. Touba is een stad in centraal Senegal, qua bewonersaantal de tweede na Dakar. Het is de heilige stad van het Mouridisme, een soefi orde wier stichter, Sheik Aamadu Bàmba Mbàkke, er begraven ligt. Naast zijn tombe staat een grote moskee, die in 1963 voltooid werd. Jaarlijks vindt er een pelgrimage plaats, waaraan miljoenen deelnemen – zie de beelden in de video: