‘Alles wat verwijst naar Palestijnse identiteit of geschiedenis wordt uitgewist in Israël’

INTERVIEW
Areej Sabbagh-Khoury | socioloog

Veel Palestijnen zijn Israëlisch staatsburger. Hun positie wordt steeds meer ondermijnd. „Er worden tientallen wetten aangenomen die afbreuk doen aan hun rechten.”


Sjoerd de Jong

Gepubliceerd op

Eenmaal terug in Israël wil Areej Sabbagh-Khoury graag verder met haar interviews met Palestijnen in het land over hun strijd tegen de apartheid die ze er ervaren, ondanks hun formele status als staatsburgers. Voor een academisch boek dat Decolonizing Palestine moet gaan heten. „Ik wil de politieke ervaringen van Palestijnen in Israël onder woorden brengen aan de hand van hun getuigenissen. Dat heeft op die manier nog niemand gedaan en het zou een goed vervolg zijn op mijn eerste boek.”

Tot die tijd verblijft Sabbagh-Khoury nog in Nederland als fellow van het Netherlands Institute for Advanced Studies (NIAS) in Amsterdam, waar de Palestijnse socioloog – die Israëlisch burger is – op dinsdag 3 maart de jaarlijkse Wertheim-lezing van de Universiteit van Amsterdam geeft over haar onderzoek naar de positie van Palestijnen in Israël.

Sabbagh-Khoury (1979), verbonden aan de Hebrew University in Jeruzalem en aan de University of California in Berkeley, maakte naam met Colonizing Palestine: the Zionist Left and the Making of the Palestinian Nakba (Stanford University Press, 2023), een gedetailleerde studie van vroege contacten tussen kolonisten en inwoners van enkele Palestijnse dorpen. Ze laat zien dat die naast elkaar leefden en contacten onderhielden, maar dat tegelijk landaankoop en verdrijving al op gang kwamen. De Nakba (‘catastrofe’) van 1948 was geen harde breuk door het uitbreken van oorlog, aldus het boek, maar de culminatie van een lang proces van onteigening, segregatie en etnische zuivering. Origineel is dat ze de rol belicht van het socialistisch zionisme in dat historische proces, dat vaak wordt toegeschreven aan zionistisch rechts. 

Er worden tientallen wetten aangenomen die afbreuk doen aan hun rechten, op allerlei terreinen

Naast haar studie van het zionisme onderzoekt ze de positie van Palestijnen binnen Israël, ongeveer twee miljoen mensen die vaak worden vergeten in de Gaza-protesten of bij de versnelde annexatie van de Westelijke Jordaanoever. Dit zijn Palestijnen die bij het uitroepen van de staat Israël in het land verbleven of kort daarop naar het gebied al dan niet heimelijk terugkeerden. Ook voor haar persoonlijk had het weinig gescheeld. Sabbagh-Khoury werd geboren in Mi’ilya, een Palestijns dorp waarvan de inwoners werden verdreven maar na interventie van de paus alsnog mochten terugkeren – het is een Grieks-katholiek dorp.

De Palestijnen in Israël zijn grotendeels Israëlische burgers, formeel met alle bijbehorende rechten (niet de inwoners van Oost-Jeruzalem, ingelijfd na de oorlog van 1967, die alleen ‘ingezetenen’ zijn). Officieel worden ze aangeduid als ‘Arabische Israëliërs’. „De naam Palestijn is officieel taboe, die identiteit moet worden uitgewist. Zo wordt een gekoloniseerd volk door de staat gereduceerd tot een minderheid, losgekoppeld van hun historicsche band met het land. ”

Ondanks die formele gelijkheid voor de wet wordt de rechtspositie van de Palestijnen in Israël volgens Sabbagh-Khoury in de praktijk al jaren – en steeds heviger – ondermijnd. „Er worden tientallen wetten aangenomen die afbreuk doen aan hun rechten, op allerlei terreinen. Een symbolisch hoogtepunt was natuurlijk de Wet op de natiestaat van 2018, die Israël omschrijft als ‘thuisland van het Joodse volk’. Die wet heeft het afbrokkelen van democratische rechten van Palestijnen in Israël gelegitimeerd, en ook de confiscatie van hun eigendommen. Een bekende Israëlische historicus heeft al eens openlijk gezegd dat [de eerste Israëlische premier] Ben-Gurion in 1948 een fout heeft gemaakt door ze niet allemaal te verdrijven.”

Naast wetgeving is er de praktijk. „Scholen van Palestijnen in Israël krijgen veel minder geld, de voorzieningen zijn overal slechter, in sommige wijken heerst wetteloosheid omdat de politie zich er gewoon niet laat zien. Er is geen ordehandhaving. Dan krijg je gang violence, met alle gebruikelijke methoden: afpersing, beschermingsgeld moeten betalen. De laatste tien jaar zijn daar meer dan 1.440 Palestijnen bij omgekomen, de laatste drie jaar alleen al 720, om precies te zijn. 80 procent van de doden die in Israël in 2025 vielen door misdaad zijn Palestijnen, die maar ongeveer 20 procent van de bevolking zijn. De staat laat het begaan.”

Sabbagh-Khoury ziet de „oorlog tegen Palestijnen” nu ook in Israël zelf woeden. „Alles wat naar Palestijnse identiteit of geschiedenis verwijst moet worden uitgewist. Ik noem het socio-politicide, het systematisch ontmantelen van de mogelijkheden van een gemeenschap om als een coherente politieke entiteit te bestaan. Dat gebeurt door marginalisatie, onteigening, criminalisering en onderdrukking van kennis. Je zag het op andere manieren in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever, maar het geweld slaat nu ook naar binnen, in Israël zelf. Dat is confronterend voor linkse Israëli’s die zich medeplichtig maakten aan de oorlog in Gaza door hun mond te houden. Zij hebben nu een probleem, het geweld komt in hun omgeving. Ik hoop dus dat ze hun privileges opgeven en samen met Palestijnen in verzet komen tegen de apartheid waaronder die leven.”

De massamoord van 7 oktober was een waterscheiding

Dat het Palestijnse leiderschap tot op het bot verdeeld is, maakt het nog erger. „De massamoord van 7 oktober was een waterscheiding”, zegt Sabbagh-Khoury. „Voor Palestijnen in Israël was die een schok. We zijn eraan gewend geraakt slachtoffers te zijn. Nu waren we opeens daders. Ik noem het een bloedbad, of de aanval nu gericht was tegen kolonisten of niet. Dit was in strijd met het internationaal recht. Natuurlijk heb je binnen elke bevrijdingsbeweging uiteenlopende visies, maar dit was een rode lijn. Dat vind ik als Palestijn die strijdt voor bevrijding vanuit een moreel standpunt, en als feminist.”

Wat kunnen Palestijnen dan doen? „Blijven bestaan. Er zijn en blijven, hoe moeilijk dat ook is. Hun morele rechten als inheemse bewoners van van het land articuleren, om niet weggedrukt te worden.”

Dat noemt ze in een artikel voor het tijdschrift Sociological Theory de paradox van „vestigingskoloniaal burgerschap”. Een inheemse bevolking die is opgenomen in de natiestaat van een kolonisator heeft enerzijds burgerrechten, maar krijgt anderzijds te maken met de dreiging van onderdrukking, marginalisatie of zelfs verdrijving. Het is óók de paradox van Israël dat tegelijk een Joodse én democratische staat wil zijn. Kan beide tegelijk? Sabbagh-Khoury: „Voor Palestijnen in Israël is het nu democratie voor de Joodse Israëli’s en een Joodse staat voor de Palestijnen.”

Na haar verblijf in Nederland keert ze terug naar Israël, waar haar gezin woont, al ligt ze daar geregeld onder vuur om haar publicaties en engagement. „Mensen vinden dat ik een risico neem, maar ik wil daar zijn en mijn rol spelen als Palestijnse academicus en intellectueel. Al is de toekomst ongewis, ja.”

De Wertheim-lezing van Areej Sabbagh-Khoury vindt plaats op dinsdag 3 maart om 17.30-19.00 in de Lutherse kerk te Amsterdam. Toegang vrij.
Aanmelden via nias.knaw.nl.

Techno aan het einde der tijden in het zintuiglijke en apocalyptische ‘Sirât’

RECENSIE

Arthouse
In ‘Sirât’ zoekt een vader zijn dochter die is vertrokken met een ravekaravaan in de Marokkaanse woestijn. Het is een film die met niets is te vergelijken: zowel spannend als spiritueel, zowel apocalyptisch als bevrijdend.

Dana linssen
Gepubliceerd op17 februari 2026

De gebutste en gehavende rave-nomaden in ‘Sirât’. “Ik hou van ze, omdat ze met hun wonden leven”, zegt regisseur Oliver Laxe.

Arthouse

Sirât.Regie: Oliver Laxe. Met: Sergi López, Bruno Núñez Arjona, Jade Oukid, Stefania Gadda, Tonin Janvier, Richard ‘Bigui’ Bellamy. Lengte: 115 minuten.  

Beoordeling: 5 van de 5.

●●●●●

Echte ravers hoef je het niet uit te leggen. Dance is trance. Of zoals mediatheoreticus McKenzie Wark schreef in haar boek Raving (2023): misschien eerder ‘re-associëren’ dan dissociëren. Dat ’terug in verbinding komen’ ligt dicht bij de tradities in het soefisme, de ‘spirituele islam’ waar regisseur Oliver Laxe (1982) zich mee verwant voelt. De bekende soefistische werveldans is bijvoorbeeld een vorm van actieve meditatie. En als je naar de ravers in Laxes nieuwe film Sirât kijkt dan zie je dat: geen escapisme, maar een andersoortige, transcendente zoektocht. De titel verwijst dan ook naar de brug die volgens de islam over de hel leidt, en die iedereen op de dag des oordeels moet oversteken om het paradijs te bereiken.

Na de mysterieuze pyromanenfilm Fire Will Come is Sirât verreweg de vreemdste en meest onthutsende film die Laxe gemaakt heeft. Die er sowieso is gemaakt. De zoektocht van een vader en een zoontje naar hun dochter en zus die is vertrokken met een rave-karavaan in de Marokkaanse woestijn is spiritueel en apocalyptisch, gruwelijk en bevrijdend tegelijk. De film roept met beeld en geluid emoties op die met geen woorden te beschrijven zijn. Vorig jaar bij zijn wereldpremière in Cannes werd hij bekroond met de Juryprijs en nu is Sirât genomineerd voor een Oscar voor beste internationale film en voor beste geluid.

Dat laatste ligt bij een film die zich afspeelt in de technoscene voor de hand. Je moet die drang om te dansen wel voelen als je in je bioscoopstoel zit. En dat gebeurt. Dit is zintuiglijke, intuïtieve cinema op z’n best. De filmmuziek van de Franse avantgarde technoproducer Kangding Ray (David Lettelier) pulseert en resoneert met de rotsen als klankkast. De muziek is gemixt met zandstormen en de huilende wind. De zoektocht van vader Luis wordt gaandeweg een queeste in zichzelf. Naarmate hij dieper met de ravers de woestijn in trekt, verandert zijn reis ook in een vlucht, voor de gevaren van het gebied. De (deels nog steeds bezette) Westelijke Sahara is sinds de dekolonisatie in de jaren zeventig geplaveid met landmijnen en een giftige zandbak vol (illegale) fosfaatmijnen.

De ‘techno aan het einde der tijden’ van Sirât doet sterk denken aan de Japanse cultfilm Eli, Eli, lema, sabachthani (2005) (‘Mijn God, waarom heeft U mij verlaten’, de laatste woorden van Christus aan het kruis) waarin de wereld is overvallen door een wanhoopspandemie. Een noisegitarist denkt dat hij op de juiste frequentie die wereld weer in z’n voegen kan laten vibreren. Films als Sirât doen dat ook. Het is een film die aan de dood raakt, in het ravijn staart, maar ook een ontsnappingsroute biedt dwars door de scheuren in de werkelijkheid.

Israëlische de facto annexatie van de Westelijke Jordaanoever vraagt om acute ingreep

COMMENTAAR

Israël-Palestina

Gepubliceerd op4

Dit is het dagelijkse commentaar van NRC. Het bevat meningen, interpretaties en keuzes. Ze worden geschreven door een groep redacteuren, geselecteerd door de hoofdredacteur. In de commentaren laat NRC zien waar het voor staat. Commentaren bieden de lezer een handvat, een invalshoek, het is ‘eerste hulp’ bij het nieuws van de dag.  

Met drie tamelijk technische kabinetsmaatregelen heeft Israël de afgelopen weken grote stappen gezet op weg naar annexatie van de bezette Westelijke Jordaanoever. Eerst was daar het besluit dat Israël in Palestijnse dorpen en steden voortaan het beheer verzorgt van gemeentelijke diensten en taken. Daarbij kwam de aankondiging dat het kadaster voortaan openbaar is, waardoor Israëlische kolonisten rechtstreeks Palestijnse landeigenaren kunnen benaderen om hun grond over te kopen.

Afgelopen zondag besloot het Israëlische kabinet tot een derde administratieve maatregel. Palestijnen in Gebied C, het door Israël beheerde gebied van de Westelijke Jordaanoever, moeten eigendomspapieren van hun land kunnen overleggen. Kunnen ze dat niet, dan verklaart Israël hun grond tot staatseigendom – ook als hun familie er al generaties woont.

Vergeleken met de openlijke geweldpleging door kolonisten, de verjaging van herdersgemeenschappen en de massale kap van Palestijnse olijfbomen  stelt het drietal besluiten op het oog niet veel voor. Dat is schijn: met deze maatregelen sluit Israël langzaamaan het net rond de Palestijnen in bezet gebied. Ze passen bij de agenda van het extreemrechtse Israëlische kabinet om de Westelijke Jordaanoever helemaal Israëlisch te maken, liefst zonder al te veel Palestijnen erop. Wie er ondanks alle intimidatie toch blijft wonen, dient het hoofd te buigen voor Israël.

De administratieve maatregelen stuitten op terechte weerstand van Europese en Arabische landen. Samen luiden de besluiten het einde in van de in de jaren negentig nog zo hoopvol onthaalde Oslo-akkoorden. Die waren bedoeld om de Palestijnen geleidelijk aan meer zelfbestuur te geven, waarna ze uiteindelijk een eigen staat zouden krijgen.

Het omgekeerde is gebeurd: de Palestijnen kregen minder en minder zeggenschap, mochten zich op steeds kleinere stukjes land bewegen, en een eigen staat is volledig uit beeld geraakt. Op dat laatste feit is de Israëlische regering buitengewoon trots. Voor premier Benjamin Netanyahu en zijn collega’s is het verhinderen van een Palestijnse staat het hoogste doel.

In VN-resolutie 2803, gebaseerd op het twintigpuntenplan voor Gaza van de Amerikaanse president Donald Trump, is sprake van een „geloofwaardig pad” naar een Palestijnse staat. Even was er de verwachting dat Trump zou ingrijpen toen Netanyahu vorige week in Washington op bezoek was.g

Nu van Trump weinig te verwachten valt, is het aan de Europese Unie om meer te doen dan slechts haar veroordeling uit te spreken 

Maar de Amerikaanse president speelt een semantisch spel: hij zegt geregeld dat Netanyahu heus niets met de Westelijke Jordaanoever van plan is, en dat het daarom niet nodig is om hem tot de orde te roepen. Intussen zijn er in een jaar tijd 86 nieuwe buitenposten bij illegale Israëlische nederzettingen gesticht en zetten hordes losgeslagen kolonisten Palestijnse dorpen in brand. „Een handjevol kinderen”, noemdeNetanyahu hen bagatelliserend.

Nu er van Trump op dit vlak weinig te verwachten valt, is het aan de Europese Unie om meer te doen dan slechts haar veroordeling uit te spreken. Israël kan steviger tot de orde geroepen worden, bijvoorbeeld met sancties, of het intrekken van handelsvoordeeltjes. Terwijl Europa toekeek, heeft Israël een levensvatbare Palestijnse staat allang onmogelijk gemaakt. Nog langer aan de zijlijn staan betekent dat het Palestijnse volk, na de vernietiging van Gaza, straks ook niet meer op de Westelijke Jordaanoever terecht kan.

Bovenaan:  De grensovergang Rafah tussen de Gazastrook en Egypte. 
De grensovergang is cruciaal voor zowel burgers als humanitaire hulp.
Sinds mei 2024 is de overgang grotendeels gesloten geweest, met slechts beperkte heropeningen voor specifiek vervoer.
In januari en februari 2026 is de grensovergang gedeeltelijk heropend voor voetgangers onder toezicht van een inspectiemechanisme.

LAATSTE NIEUWS
18 februari 2026 om 9:00
Coalitie van 85 VN-lidstaten veroordeelt uitbreidende Israëlische kolonisatie van Westelijke Jordaanoever
Palestijnse mannen op het puin van een door Israël gesloopte Palestijnse woning in Shuqba, ten westen van Ramallah (9 februari 2026).)
 FOTO ZAIN JAAFAR/AFP

In het enige Joods-Palestijnse dorp van Israël wordt elkaar begrijpen steeds moeilijker

REPORTAGE

Samenleven 


NRC-redacteur Guus Valk keerde terug naar het Israëlische ‘vredesdorp’ Wahat as-Salam/Neve Shalom waar hij als correspondent een jaar had gewoond. Een inwoner: „Voor 7 oktober wist ik: er kunnen oorlogen of aanslagen komen, maar wij zijn verenigd. Nu weet ik niets meer zeker.” > 

13 februari 2026 om 16:09

De bewoners van het Israëlische dorp Wahat as-Salam/Neve Shalom hebben een appgroep. Er wordt vaak over geklaagd. Sommige bewoners delen er te veel in, vinden anderen. Ping! Een hond loopt los rond. Ping! Een haan kraait te hard. Ping! De elektriciteit is uitgevallen.

De appgroep van het dorp (ruim driehonderd inwoners) zwijgt soms ook. Neriya Mark (37) kwam daar eind 2023 achter. Een Palestijnse buurvrouw had bij een Israëlisch bombardement op Gaza in één klap meer dan veertig familieleden verloren. Neriya wist het niet, ze hoorde het pas veel later van iemand anders.

Wat betekent het, vraagt Neriya Mark zich af, dat zelfs hier, in deze oase van vrede, iemand zich niet veilig voelt om zoiets groots te delen? En wat zegt het dat Joodse dorpsbewoners zich na 7 oktober 2023 meldden als reservist in het Israëlische leger, en dat óók niet vertelden aan hun Palestijnse buren? De appgroep bleef stil als het écht belangrijk werd. De oorlog heeft een diep onderling wantrouwen aan het licht gebracht, zegt Neriya Mark, een Joodse Israëliër, in haar woonkamer. ,,Voor 7 oktober wist ik: er kunnen oorlogen of aanslagen komen, maar wij, inwoners, zijn verenigd. We zijn voor dezelfde vrede, tegen hetzelfde geweld.”

En nu? ,,Nu weet ik niets meer zeker.”

Wereldberoemd dorpje

Wahat as-Salam/Neve Shalom is gebouwd tegen een heuveltop tussen Jeruzalem en Tel Aviv. Het dorp bestaat uit ruim honderd vrijstaande huizen, een school, een hotel en een klein winkeltje. De huizen geven iets prijs over de bewoners: sommige zijn gebouwd in minimalistische kibboets-stijl, met een rood schuin dak en gepleisterde muren. Andere zijn gebouwd volgens Arabische architectuur, met sierlijke bogen en wit marmer. De huizen zijn soms moeilijk te zien door de cipressen, cactussen en pijnbomen. 

Dit is de enige plek in Israël waar Joodse Israëliërs en Palestijnen uit vrije wil samenleven. Het gaat om Palestijnse Israëliërs die in 1948 niet zijn verdreven buiten Israëls grenzen, deze groep maakt ongeveer 20 procent van de bevolking uit. Er wonen iets meer dan driehonderd mensen. De helft van de bevolking is Joods, de andere helft Palestijns, zowel islamitisch als christelijk.

Bijna een jaar lang woonde ik hier met mijn gezin, tussen 2010 en 2011, twee huizen bij Neriya Mark vandaan. Ik was correspondent in Israël en Palestina, kende het wereldberoemde dorpje al van een eerder bezoek, en kreeg de kans een huis onder te huren van een Palestijnse familie. Na mijn vertrek naar de Verenigde Staten in 2011 kwam ik met enige regelmaat terug in het dorp. Nu, in januari, ben ik er een week.

Als journalist ben ik altijd gefascineerd door de spanning tussen politieke idealen en dagelijkse praktijk. Ik kon geen betere plek verzinnen om dat te zien gebeuren. Bijvoorbeeld op de School voor Vrede in het hart van het dorp, waar kinderen in het Hebreeuws én het Arabisch les krijgen. Voor de klas staan daarom twee onderwijzers, een Joodse en een Palestijnse. De kinderen lopen door een poort in regenboogkleuren naar binnen.

De bewoners kiezen heel bewust voor deze plek, merkte ik toen. Ze geloven dat samen leven leidt tot beter wederzijds begrip. Met hun dorp willen ze ook een voorbeeld zijn. Het levert ze vaak onbegrip en soms haat op in eigen Joodse of Palestijnse kring. En ook in het dorp zelf is het samenleven ingewikkeld, ook dat merkte ik toen al. Politiek, maar ook cultureel. Joodse Israëliërs houden vaak van honden. Palestijnen zijn vaak juist bang voor honden. Joodse Israëliërs gaan op hun achttiende het leger in, Palestijnen niet. Dat de ruim driehonderd dorpsbewoners het toch blijven proberen, tegen alle druk in, fascineerde me.

Palestijns-Joods dorp aan de rand van de groene lijn

Aanvallen

Een paar keer had Eldad Joffe (70) het dorp bezocht. Als student in de jaren tachtig, op een retraite van zijn werk, twee decennia later. En hij wist: hier wil ik wonen. In de euforie van de Oslo-akkoorden van 1993 was hij met zijn vrouw Imi en drie kinderen vanuit de Verenigde Staten teruggekeerd in Israël. Vrede tussen Israël en de Palestijnen leek eindelijk mogelijk. Het lukte pas in 2017. Joffe werd gekozen tot burgemeester en had grote plannen: hij wilde het dorp zichtbaarder in eigen land maken, een toonbeeld van co-existentie tussen Joden en Palestijnen in een steeds rechtser land.

Zijn eerste werkdag was op vrijdag 6 oktober 2023.

Een dag later, op de vroege zaterdagochtend, viel Hamas vanuit Gaza Israël binnen. Bij deze terroristische aanvallen vielen ruim 1.200 Israëlische doden, duizenden gewonden. Hamas nam 251 gijzelaars mee naar Gaza. 

Joffe wist meteen dat zijn baan een heel andere zou worden. Hij maakte zich zorgen over de veiligheid van de circa driehonderd dorpsbewoners. De laatste jaren was het dorp drie keer door radicale kolonisten uit de bezette Westelijke Jordaanoever aangevallen. Er was brand gesticht, auto’s waren beschadigd en er waren racistische leuzen op huizen gespoten, zoals ‘dood aan de Arabieren.’ Zoiets zou weer kunnen gebeuren, of erger.

De eerste werkdag van ldad Joffe als burgemeester was op vrijdag 6 oktober 2023. Een dag later viel Hamas vanuit Gaza Israël binnen. FOTO MICHAL FATTAL

Ik bezocht het dorp opnieuw in oktober 2023, twee weken later. Het toegangshek was overdag gesloten, dat was nooit eerder gebeurd. Inwoners hadden op initiatief van Joffe een burgerwacht gevormd, en reden in groepjes rond. Mensen bleven thuis, wachtend op het ergste.

Er liepen soms ongure, gewapende types langs het dorp, zegt Eldad Joffe. Verder bleef het rustig. De toegangspoort ging na een paar maanden weer open. Wat hij en zijn dorpsgenoten niet wisten, was dat de ingrijpendste gevolgen van ‘7 oktober’ niet van buitenaf kwamen, maar van binnenuit. Joffe: ,,Onze missie, het bevorderen van wederzijds begrip, was opeens ver weg. Maar de moeilijkheid was vooral: hoe gaan we hier verder met samenleven?”

De moeilijkheid was vooral: hoe gaan we hier verder met samenleven?Eldad Joffe inwoner Wahat as-Salam/Neve Shalom

Het idee van een gezamenlijk dorp voor Joden en Palestijnen kwam van Bruno Hassar (1911-1996), een Joodse immigrant die in Egypte was geboren. Het was een paar jaar na de Zesdaagse Oorlog van 1967, Israël had onder meer de Westelijke Jordaanoever, Oost-Jeruzalem en Gaza bezet. Hassar zag het naoorlogse Israël als ,,een mozaïek van religieuze, nationale en culturele gemeenschappen, totaal onverschillig jegens elkaar, als ze al geen oorlog voeren”, schreef hij. 

Hassar, tot het christendom bekeerd en monnik geworden, besloot in Israël zijn leven te wijden aan het overbruggen van haat. mocht een heuveltop, in bezit van een kloosterorde, in gebruik nemen. De heuvel ligt exact op de Groene Lijn, de bestandsgrens uit de oorlog van 1948, tussen Israël en de inmiddels bezette Westelijke Jordaanoever. Op deze heuveltop stichtte hij een Oase van Vrede, met Hebreeuwse én Arabische naam.

Hij geloofde in radicale gelijkheid. De Joodse en Palestijnse groepen moesten precies even groot zijn, zodat geen groep zou domineren. Conflicten moesten worden uitgepraat in de dorpsraad of in kringgesprekken. Geen taal of cultuur mocht sterker worden dan de andere.

A story of Guus Valk: A inscription of peace in Neve Shalom (Oasis of Peace’), a cooperative village in Israel, founded by Israeli Jews and Arabs as a place of coexistence. Photo by Michal FattalFOTO MICHAL FATTAL

Belangrijke dagen, ook de pijnlijke, herdenkt het dorp gezamenlijk, zoals de Israëlische Onafhankelijkheidsdag of de Palestijnse Nakba (‘catastrofe’, de vlucht en verdrijving van 700.000 Palestijnen rond 1948). Veel inwoners van Wahat as-Salam/Neve Shalom hadden de stille hoop dat het dorp niet de enige plek van vreedzaam samenleven zou blijven.

In staat van shock

De buitenwereld ziet Wahat as-Salam/Neve Shalom vaak als een idylle, zegt Samah Salaime (50). Daarom laten politici en artiesten uit het buitenland zich er graag fotograferen. De Palestijnse schrijfster en activiste woont in een kleine caravan in het midden van het dorp. Ze voedde met haar man drie kinderen op in het dorp, ze leven sinds kort gescheiden. Hij bleef in het huis, zij in de caravan in de tuin. Ze zegt: ,,Het dorp is nooit idyllisch of harmonieus geweest. Maar dat is goed. Het gaat erom dat iedereen gelijkwaardig is, niet dat er geen ruzie mag zijn.”

De eerste dagen na 7 oktober 2023 verkeerde het dorp in een staat van shock. Veel Joodse bewoners hadden familieleden, vrienden of collega’s verloren. Links Israël was extra zwaar getroffen door de terreur, omdat de linksige kibboetsen rondom Gaza zwaar getroffen waren. Salaime: ,,Iedereen in de gemeenschap had behoefte aan menselijk contact. Er was verdriet, we hadden gespreksbijeenkomsten voor Joodse en Palestijnse inwoners. Iedereen had trauma ervaren.” 

Joodse inwoners van Wahat as-Salam/Neve Shalom voelden zich eenzaam, merkte ze, ze hadden steun nodig. ,,Ze kregen in eigen kring te horen: waarom verraad jij je volk door met Palestijnen te wonen?” Salaime zat 39 dagen in onzekerheid over het lot van haar vriendin Vivian Silver, een 74-jarige vredesactivist uit kibboets Be’eri. Na ruim een maand bleek dat ze die zaterdagochtend al was vermoord. Salaime schreef op +972 Magazine, een progressief Joods-Palestijns blog, een herinnering aan haar vriendin: ,,Zelfs zij onder ons die deze oorlog overleven, Palestijnen en Israëliërs, zullen er verpletterd van verdriet uitkomen.”

De weken erna zag ze Israël geel kleuren: gele lintjes, gele spandoeken en geel beschilderde muren, uit solidariteit met de Israëlische gijzelaars. Ook in het dorp hingen sommige inwoners een geel lintje aan hun auto. 

Zelfs zij onder ons die deze oorlog overleven, Palestijnen en Israëliërs, zullen er verpletterd van verdriet uitkomenSamah Salaime inwoner Wahat as-Salam/Neve Shalom

Vanaf de heuveltop van Wahat as-Salam/Neve Shalom kon ze de verwoesting van Gaza meemaken: de flitsen en doffe dreunen waren zichtbaar en hoorbaar. Straaljagers vlogen laag over voor nieuwe luchtaanvallen op Gaza. Israël veranderde. ,,Links Israël ging ten onder in de oorlog. Demonstreren voor een staakt-het-vuren werd al gezien als verraad.” ‘Shalom’, vrede, werd een verdacht woord onder Joodse Israëliërs, een woord dat ook progressief-Joodse Israëliërs niet graag in de mond namen, behalve als begroeting.

Palestijnen werden bang. Samah Salaime kreeg het verzoek van haar moeder om de Palestijnse vlag van haar sociale media te verwijderen. Dat weigerde ze. ,,Iedereen weet toch al hoe ik erover denk.” Naar demonstraties gaan vond ze te gevaarlijk. Salaime merkte dat ze niet meer werd uitgenodigd op de Israëlische televisie, wat ze daarvoor vaak deed, om het Palestijnse perspectief uit te leggen. Ze wist: ,,De meeste Joodse Israëliërs geven niets om wat er gebeurt in Gaza. Ze horen er vrijwel niets over. Het verhaal is uitgewist.”

In Wahat as-Salam/Neve Shalom is dat anders. De meeste bewoners lezen de kritische krant Ha’aretz of alternatieve Israëlische media. En voor blinde vlekken is er de Palestijnse kinderarts Raed Haj Yehia (59). Hij werkt voor Artsen voor Mensenrechten Israël en kwam jarenlang in Gaza. Zijn laatste bezoek was in september 2023. Gaza is sindsdien voor hem gesloten. 

Arts Raed Haj Yehia verloor veel collega’s en vrienden in Gaza. FOTO MICHAL FATTAL

Lijden in stilte

Raed Haj Yehia verloor tientallen collega’s en vrienden in Gaza, of hun naasten. Daar praat hij niet gemakkelijk over, en al helemaal niet in de appgroep van het dorp. Wat hij daar wel begon te delen, waren filmpjes en berichten van vrienden uit Gaza. Als hij iets hoort van artsen ter plekke, geeft hij het door in de appgroep. Vandaag nog , vertelt hij. Hij laat niet alles zien. ,,Ik kan je een video laten zien waarin een bevriende arts het been van zijn gewonde dochter amputeert. Zonder verdoving, zonder medicijnen, op de keukentafel. Hij handelde als dokter, maar deed het ergste dat een vader kan doen.” 

Hay Yehia, gehard en ervaren als arts, heeft na het zien van alle beelden een psychologische crisis doorgemaakt. ,,Ik werd angstig en kreeg paniek. Ik ben bij een psycholoog geweest. Inmiddels kan ik de beelden weer bekijken.” Hij weet dat hij ze niet met dorpsbewoners kan delen. Hij ziet ze wel, en lijdt in stilte.

Samah Salaime kreeg , naarmate de eerste schok van 7 oktober verdween, steeds vaker vragen van Joodse Israëliërs. Ook in het dorp. Veroordeelde ze Hamas wel? Wilde ze óók dat de Israëlische gijzelaars terugkomen? Dat maakte haar woedend. Ze had decennialang duidelijk gemaakt waar ze stond, maar sommige Joodse Israëliërs zagen haar als verdacht. ,,Zij kunnen óók immoreel zijn, wreed en onmenselijk. Het Israëlische leger heeft een genocide in Gaza gepleegd, er is seksueel geweld in Israëlische gevangenissen. Ik wil niet als dader gezien worden, maar als slachtoffer.” 

Neriya Mark en Ido Even Pas. ”Ik merk dat activisme ook in kleine dingen kan zitten.”MICHAL FATTAL

Sommige Joodse dorpsbewoners zijn zich na 7 oktober openlijker zionist gaan noemen. Zionisme, de politieke overtuiging dat er een Joods thuisland in het Bijbelse Israël moet zijn, was vóór 7 oktober in het dorp een beladen term, vertelt Ido Even Paz (42), de man van Neriya Mark. ,,Er werd hier raar opgekeken als iemand openlijk zei: ik ben zionist. En dat terwijl 99 procent van de Joodse Israëliërs zich zo noemt.”

Zionisme

Ido Even Paz heeft een groot deel van zijn leven besteed aan activisme. Als twintiger ging hij werken bij Breaking the Silence, een organisatie van oud-militairen die de gevolgen van bezetting en oorlogsgeweld wil laten zien. Nu leidt hij een kleine organisatie die jongvolwassen Israëliërs laat kennismaken met Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever.

Over zionisme of Joods-zijn werd in zijn links-activistische kringen nauwelijks gepraat, zegt hij. Het was ook niet nodig. ,,Ik word in Israël omringd door Joden. Pas als ik in het buitenland ben, ga ik nadenken over mijn Joods-zijn. Veel Joodse Israëliërs, zeker ook de linkse, kwamen er de laatste twee jaar achter dat ze veel Joodser en zionistischer zijn dan ze altijd hadden willen toegeven.”

Ook Samah Salaime, Palestijn, hoort Joodse dorpsgenoten openlijker over hun zionistische overtuigingen praten. ,,Ik zie het als mijn taak ze daarvan te genezen”, zegt ze. ,,Ik hoor bij de derde generatie Palestijnen na de Nakba, de verdrijving uit wat nu Israël is. Het gaat in Israël steeds over Gaza. Nooit gaat het over de vraag: hoe komt het eigenlijk dat die plek zo overbevolkt is? Hebben wij daar misschien iets mee te maken? Alsof het Palestijnse volk pas begon te bestaan op 7 oktober.” 

Het gaat in Israël steeds over Gaza. Nooit gaat het over de vraag: hoe komt het eigenlijk dat die plek zo overbevolkt is?Samah Salaime inwoner Wahat as-Salam/Neve Shalom

Een gezamenlijke begraafplaats in Wahat as-Salam/Neve Shalom. 
FOTO MICHAL FATTA

Vorig jaar verloor opnieuw een Palestijns gezin in het dorp tientallen familieleden in Gaza bij een Israëlisch bombardement. Neriya Mark en Ido Even Paz gingen voor condoleances naar hun familiehuis in Rahat, een Israëlische stad waar veel Palestijnen wonen. Daar zou, gebruikelijk voor Palestijnen, een rouwtent zijn, dachten ze.

Eenmaal aangekomen raakten ze in verwarring: er was helemaal geen tent. Ze werden snel naar binnen getrokken om daar, ongezien, te kunnen condoleren. ,,Ze wisten dat de Israëlische politie families van omgekomen mensen in Gaza in de gaten houdt. Openlijk rouw tonen zou betekenen dat mensen in gevaar zouden worden gebracht.”

De gebeurtenis maakte diepe indruk. Terug in Wahat as-Salam/Neve Shalom begon Neriyah Mark twee keer een gesprekskring met dorpsbewoners over het verlies van vrienden en familieleden, Joods en Palestijns. Ze nodigde arts Raed Haj Yehia uit om te vertellen over Gaza. Dorpsbewoners vertelden, schoorvoetend, het werd emotioneel. De Palestijnse buurvrouw was er ook bij, en was na afloop opgelucht.

De pijn is er nog, zegt Neriya Mark. ,,De buurvrouw had er met geen woord over gepraat. Niet op haar werk, niet in het dorp. Zelfs haar familiehuis was niet veilig. Ik zag de pijn van iemand die nergens zichzelf mag zijn.”

Op politiek én op persoonlijk niveau moest Wahat as-Salam/Neve Shalom met zichzelf in gesprek. Dorpsbewoners vertellen hoe moeilijk dat is, al kunnen ze goed praten. Nieuwe bewoners werden lange tijd psychologisch gekeurd op hun vredelievende karakter. Ze moesten tests invullen en met een psycholoog praten. Dorpsbewoners kwamen vanaf 7 oktober veel samen. Er werden professionele begeleiders ingehuurd om het gesprek op gang te houden.

In één van die groepen was het idee ontstaan om met een soort manifest te komen, waarin het dorp het geweld van Israël in Gaza zou veroordelen. Dat hadden ze eerder gedaan. Er werd lang gepraat. Hoe moest het geweld genoemd worden? Hoeveel aandacht kregen de Israëlische gijzelaars? De dorpelingen kwamen er niet uit. Er kwam geen tekst. Burgemeester Eldad Joffe: ,,Het ging gewoon niet. Ik denk dat het ook niet helpt voor de verhoudingen in het dorp als we ons te veel in het nationale debat mengen. We moeten er in de eerste plaats voor elkaar zijn.”

Er zou een soort manifest te komen, waarin het dorp het geweld van Israël in Gaza zou veroordelen. De dorpelingen kwamen er niet uit. Er kwam geen tekst

Per definitie slachtoffer

Eldad Joffe ziet dat het gesprek over Gaza soms stroef loopt. Niet alleen tussen Joodse en Palestijnse dorpsbewoners, want de meningen zijn soms binnen de groepen ook verdeeld. ,,Het gesprek gaat sterk langs post-koloniale lijnen. Voor een deel van het dorp is Israël een koloniaal project. En wij, de Joden, worden daarom per definitie gezien als kolonisten. De Palestijnen zijn per definitie het slachtoffer. De Joden doen het per definitie verkeerd.”

Joffe is het daar ,,niet per see mee oneens”. Maar de gevolgen ervan zijn merkbaar. ,,Het gaat hier vaak over ongelijkheid tussen Joden en Palestijnen. De ene groep is altijd machtig, en de andere altijd machteloos. De ene groep altijd schuldig, de andere onschuldig. Ik heb daar moeite mee. Mensen worden zo niet meer als individu gezien, maar als deel van een groep.”

Joden en Palestijnen zijn zich meer met hun eigen groep verbonden gaan voelen na 7 oktober, ook in Wahat as-Salam/Neve Shalom. Maar de bedoeling van het project was ooit anders, zegt Rayek Rizek (70), een christelijke Palestijn die in 1984 met zijn vrouw Dyana in Wahat as-Aalam/Neve Shalom ging wonen. Twee periodes was hij burgemeester, nu heeft hij een koffie- en cadeauwinkeltje. Rizeks belangrijkste bezigheid: hij verzorgt meer dan twintig zwerfkatten in het dorp. Ze achtervolgen hem overal, van de winkel tot aan zijn huis.

Oud-burgemeester Rayek Rizek in zijn winkel. Hij verzorgt ruim twintig zwerfkatten in het dorp. 
FOTO MICHAL FATTAL

Rayek Rizek zit, omringd door katten, op zijn terras. Wahat as-Salam/Neve Shalom is een politiek, maar ook een sociaal experiment, zegt hij. Joden en Palestijnen moeten met elkaar in gesprek om dagelijkse problemen op te lossen. Dat weet hij uit de tijd dat hij burgemeester was. ,,Als twee buren met een conflict bij mij kwamen, ging het om een dak dat te hoog was of een blaffende hond. Dat is geen gesprek tussen een Jood tegen een Palestijn. Dat is een gesprek tussen mensen.”

Identiteit, zegt Rayek, verliest in het dagelijks leven van een dorp haar waarde. Hij is een overtuigd socialist, hij gelooft dat er een beter mens kan worden gebouwd. In zijn winkeltje hangen portretten van Che Guevara, Nelson Mandela en Martin Luther King.

Interreligieus

Het dorp is geprivatiseerd in de jaren tachtig. Toch is de hang naar gelijkheid nog overal zichtbaar, ook in de manier waarop het dorp is gebouwd. Er is geen synagoge, moskee of kerk. Op een afgelegen plek staat een interreligieus stiltehuis. Het is een koepelvormig gebouw, waar alle inwoners hun geloof kunnen belijden.

Maar politiek laat zich niet buiten de slagboom houden. Toen het openluchtzwembad vorig jaar mei heropend werd en burgemeester Eldad Joffe een feestelijke opening aankondigde, waren Palestijnse inwoners boos: hoe kun je nou feestvieren in tijden van genocide?

In 2007 kwam een jonge inwoner van Wahat as-Salam/Neve Shalom, Tom, Kitain, om het leven bij een helikopterongeluk. Hij diende in het Israëlische leger. Zijn ouders wilden een monument in het dorp voor hem oprichten, de Palestijnse inwoners protesteerden. Waarom een Israëlische militair eren op ons grondgebied? Na jaren discussie is er een compromis uitgekomen. Naast het basketbalveld waar hij graag speelde, is een zo neutraal mogelijke tekst opgehangen: ‘Ter herinnering aan onze Tom Kitain, een kind van vrede dat werd gedood in oorlog.’

Hoe diep de vriendschappen ook zijn: zodra ze achttien worden, gaan de levens van Joodse en Palestijnse kinderen uit elkaar lopen. Dienst weigeren betekent voor Joodse dienstplichtigen vrijwel altijd een gevangenisstraf. Sommigen zullen op militaire controleposten in bezet gebied terechtkomen. Er is nog niet één blijvende relatie ontstaan tussen een Joodse en Palestijnse inwoner, er zijn evenmin gemengde huwelijken.

Een muur bij de school van Wahat as-Salam/Neve Shalom. 
MICHAL FATTAL

Buiten het dorp zijn Joodse en Palestijnse levens nog veel verder uit elkaar gaan lopen. Nog maar een paar decennia geleden konden Joodse Israëliërs naar het strand van Gaza-Stad, en konden Palestijnen uit Gaza en de Westelijke Jordaanoever werken in Israël. Er was nog geen afscheidingsmuur, die werd vanaf 2003 gebouwd. En er was iets meer belangstelling voor elkaars leven, elkaars cultuur.

Wat er in de buitenwereld gebeurde – oorlog, kbezetting, aanslagen – heeft altijd zijn weerslag gehad op de verhoudingen ín het dorp. Daarom hebben dorpelingen het vaak moeilijk met de verheven status die de buitenwereld hun toedicht, de bezoekjes en photo ops van celebrities, de dure woorden. Alsof zij buiten de werkelijkheid staan, terwijl ze er juist deel van uitmaken. 

Luider verzetten

Neriya Mark en Ido Even Paz hebben de laatste jaren ,,een tegengestelde route afgelegd”, zegt Ido Even Paz. Hij is zich steeds intensiever met activisme tegen de bezetting en ongelijkheid gaan bezighouden. Zij is juist minder activistisch geworden. Neriya Mark groeide op in het dorp en koos voor radicaal activisme. Ze zegt: ,,Ik was cynisch geworden over dit dorp. Mensen wonen in hun mooie huizen en vinden dat ze iets belangrijks voor de wereld doen. Nu heb ik twee kleine kinderen, en merk ik dat activisme ook in kleine dingen kan zitten: een gesprek op gang brengen, het dorp bij elkaar houden, hier wonen, ook dat is opstaan tegen deze extreem-rechtse regering.”

Samah Salaime zegt dat ze bij ,,de gekken” hoort die geloven dat Joden en Palestijnen wel degelijk met elkaar kunnen leven. Daar is ze trots op, ondanks dat de laatste jaren moeilijk waren. ,,Ik heb wijsheid verworven. We hebben alles overleefd. Oorlogen, twee Palestijnse opstanden, eindeloos geweld. We zijn er nog, de vredesmensen. We moeten alleen leren minder schattig te doen. We moeten ons veel luider verzetten. We blijven, we gaan niet weg.”

Vrede als hobby

ESSAY
Van Auschwitz naar Gaza Op zoek naar de lijn tussen de Holocaust en de genocide in Gaza, is Arnon Grunberg in Israël en de VS. „Het Joodse slachtofferschap van na de Holocaust heeft geleidelijk aan, met name vanaf de jaren negentig ziekelijke vormen aangenomen.”

Arnon Grunberg
Gepubliceerd op
6 februari 2026
Over dit artikel
Dit is het vierde en laatste deel van een maandelijkse serie waarin schrijver Arnon Grunberg plaatsen bezoekt die een historische betekenis hebben voor de aanloop naar de genocide in Gaza.

Zie ook onderaan.

Café Yafa in Jaffa, iets ten zuiden van Tel Aviv, is deze zonnige maandagochtend in januari vrijwel leeg. Ooit was Jaffa een voornamelijk Arabische stad. Volgens een Palestijnse socioloog is op het puin van Jaffa de nieuwe staat Israël gebouwd.

Ik wacht hier op Israel Frey, hij is een chassied, dat wil zeggen een ultraorthodoxe Jood, en tot voort kort was hij ook een journalist. Frey is verscheidene keren met de Israëlische politie in aanraking gekomen na beschuldigingen van opruiing. Zo had hij op X laten weten dat een Palestijn die Israëlische soldaten doodt geen terrorist is. In 2025 schreef hij op X, nadat een aantal Israëlische soldaten door een bermbom in Gaza om het leven was gekomen, dat de wereld een betere plaats is zonder hen. Vanwege dit bericht bracht hij een tijdje door in de gevangenis.

Frey is eind dertig, hij draagt een wit overhemd, eronder bungelen de tsietsiet, de draden die aan vier punten van het gebedskleed hangen dat vrome Joden van het mannelijk geslacht onder hun kleding dragen. Zijn blik zou je spottend kunnen noemen, of misschien ook licht extatisch. Omdat Frey geen Engels spreekt en mijn Hebreeuws rudimentair is, maken we gebruik van een tolk. We gaan op het terras zitten, het weer staat dat net toe

Ik zeg: „Ik wilde met je praten omdat de combinatie van orthodox jodendom en links activisme uitzonderlijk is.”

Frey antwoordt: „Ik beschouw mezelf niet als links, ik geloof dat ik me in het centrum bevind. Gelijkheid en rechtvaardigheid voor iedereen die in dit land leeft, is niet een radicaal idee, maar hier vindt men dat heel merkwaardig.” Dan kijkt hij op en vraagt: „Gaat jouw artikel over mij of ben ik gewoon een instrument om dingen beter te begrijpen?”

„Je zit hier tegenover me als persoon”, zeg ik.

„Ik ben liever een instrument”, antwoordt Frey, en hij kijkt me ironisch aan. „Jullie in het westen hebben geleerd het individu op een troon te zetten. Maar waar ik vandaan kom, is het individu niet belangrijk. Wij werken naar ideeën toe.”

„Goed dan,” zeg ik, „ik ben de westerling, jij bent de ander. Je hebt vanwege je berichten op sociale media in de gevangenis gezeten, je hebt je baan verloren, je hebt misschien nog meer dan dat verloren, was het het waard?”

Weer die blik.

„Een goede interviewer,” antwoordt Frey, „begint niet met het stellen van moeilijke vragen, hij begint met het stellen van hele simpele vragen en dan plotseling, zonder dat de geïnterviewde het merkt, komen de moeilijke vragen, maar om je vraag te beantwoorden: ik heb geen spijt. En verder: ideeën over rechtvaardigheid kunnen overwinnen onder moeilijke omstandigheden, ook in tijden van het huidige fascistische regime.”

„Je neemt het woord fascisme in de mond”, zeg ik. „Deze Israëlische regering wordt gesteund door religieus-Joodse partijen en religieuze kiezers. Hoe kon in de buik van de Joodse religie het fascisme groeien?”

„Vriend Arnon”, antwoordt Frey en hij leunt achterover. Even moet ik denken aan mijn jeugd toen ik elke woensdag- en zondagavond naar de synagoge in de Amsterdamse Lekstraat werd gestuurd, naar een zogenoemde misjnaschool, waar ik en mijn klasgenoten onder leiding van een rabbijn discussieerden over Joodse wetten. „Vanuit het niet-individuele perspectief bestaan er geen vergissingen”, gaat Frey verder. „Deze plek is gefundeerd op Joodse raciale superioriteit en aanvankelijk ging het om betrekkelijk vriendelijke superioriteit in een poging de onderdrukking subtiel te laten verlopen. De nieuwe Jood, de Israëli, was een geseculariseerde, nationalistische Jood. Maar om de Joodse superioriteit demografisch te ondersteunen waren meer mensen nodig, Joden die niet uit Europa kwamen, maar uit Irak, Jemen, Marokko, de zogenoemde Mizrachim. Zij moesten ook nieuwe Joden worden. En toen ging er iets mis. Te veel groepen in de Joodse, Israëlische samenleving kregen niet wat hun beloofd was. Ze zouden deel uitmaken van de meerderheid, ze zouden genieten van welvaart, maar ze bleken toch weer de minderheid te zijn en de welvaart viel tegen. Dat gold niet alleen voor de Mizrachim, maar ook voor de inmiddels behoorlijk talrijke chassidim. Zij sloegen hun handen ineen om de macht over te nemen van de oude elites die het land hebben opgebouwd. En zij jagen de oorspronkelijke elites angst aan, want hun superioriteitsgevoel is religieuze, recht-voor-je-raap superioriteit. Niet meer de liberale, Europese superioriteit die voor subtiel kan doorgaan.”

Uitverkoren

Frey stelt voor elders op het terras te gaan zitten, omdat hij meent dat we worden afgeluisterd.

Aan de andere kant het terras vraag ik: „Denk je dat de Joodse superioriteit begon met het zionisme?”

„Luister,” zegt Frey, „dat je in een sjtetl [dorp of stadje waar veel orthodoxe Joden wonen] in de negentiende eeuw in Oost-Europa zegt: ‘wij zijn speciaal, wij zijn uitverkoren’, dat is begrijpelijk. Je moet de onderdrukking voor jezelf en voor je kinderen verklaren. Maar als je vervolgens een natiestaat wordt met echte macht en je doet alsof je nog in de negentiende eeuw zit in een sjtetl – dan wordt het een probleem. Dat is het verschil tussen de folklore van het overleven en flirten met het nazisme.”

„Heeft het zionisme dan gefaald?”

„Wij zijn mensen die met ideeën spelen. Wij willen geloven dat we in de goedheid geloven. Of in iets anders. Maar in de kapitalistische werkelijkheid van macht en geld zijn wij niets dan stof langs de kant van de weg. Gefaald? Het zionisme heeft de meest natuurlijke vooruitgang geboekt die maar mogelijk is. Het heeft zich breed gemaakt, het is groot geworden, heeft zwakkeren overwoekerd. De vroege zionisten leefden in een tijd dat je nog nationale ideeën kon verkopen en tegelijkertijd kon geloven dat je progressief was. De vroege zionisten hoopten op beschaafde, geseculariseerde, Europese superioriteit. En ze kregen Ben-Gvir [minister van Nationale Veiligheid van de extremistische religieus-zionistische partij Otsma Jehudit]. They fucked up.”

Ik heb het gevoel een ochtend met een mysticus te hebben doorgebracht, eentje van het provocerende, ironische soort, maar toch

Daarna vertelt Frey nog dat hij inderdaad nog meer kwijt is dan zijn baan. Zijn vrouw is hij kwijt en eigenlijk ook zijn kinderen. Uit angst voor geweld van extremistische, nationalistische Israëliërs heeft hij geen vaste verblijfplaats. Hij vertelt dit zonder zelfmedelijden of zelfverheerlijking. Er zijn immers geen vergissingen.

Als ik mijn opschrijfboekje opberg en weer opkijk is Frey al verdwenen. Ik heb het gevoel een ochtend met een mysticus te hebben doorgebracht, eentje van het provocerende, ironische soort, maar toch. Op mijn appjes met vervolgvragen komt geen antwoord meer.

Monsters

De volgende dag regent het in Tel Aviv zo hard dat de straten blank staan. Ik reis naar Jeruzalem waar het nog harder regent en waar in de oude stad de straten rivieren zijn geworden. Ik tolereer de regen om Amos Goldberg te ontmoeten, historicus, hoogleraar Holocaust-geschiedenis aan de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem. Van hem wil ik weten hoe we kunnen ontsnappen aan de mythes en de ketenen van de negentiende eeuw.

Hij nodigt me uit voor een late lunch in het betrekkelijk troosteloze café van de universiteit. Goldberg is een frêle man van begin zestig met zachte stem die zich kleedt alsof het zijn grootste wens is om niet op te vallen.

„Zijn wij, zijn de Joden slaven van het verleden?”, vraag ik als ik mijn salade op heb.

Goldberg antwoordt: „Als je het hebt over slaven van het verleden, heb je het over slachtofferschap. Het Joodse slachtofferschap van na de Holocaust heeft geleidelijk aan, met name vanaf de jaren negentig ziekelijke vormen aangenomen. Maar wij zijn niet alleen slachtoffers. Wij Israëliërs begrepen hoe het slachtofferschap getransformeerd kan worden tot moreel en politiek gereedschap dat ons in staat stelde bijna alle politieke doelen te bereiken. Zelfs als die erg gewelddadig zijn, zelfs als die genocidaal zijn.

„Dat de zionistische kolonisten hier aanvankelijk vluchtelingen waren die antisemitisme en de Holocaust ontvluchtten, maakt de onderneming niet per se goedaardig”, zegt Goldberg. „In de Palestijns-Israëlische context kunt je niet over het ene, de Holocaust, spreken zonder over het andere, de Nakba, te spreken. Anders loop je het risico een monster te worden.”

„Dan zijn er veel monsters onder ons”, zeg ik. „Er zijn mensen die vinden dat de Holocaust en de Nakba niet met elkaar in verband mogen worden gebracht. Dat zijn vaak ook mensen die vragen: waarom krijgt Gaza zoveel meer aandacht dan Soedan?”

„De Holocaust voorzag niet alleen de Joden en de Duitsers van identiteit, maar eigenlijk het hele Westen en tot op zekere hoogte de wereld. Mijn goede vriend en collega Alon Confino, die helaas niet meer leeft, betoogde dat de Holocaust de Franse Revolutie als de centrale gebeurtenis van deze tijd verving. ‘Vrijheid, gelijkheid, broederschap’ werd ‘Nooit meer Auschwitz’.”

„Ik begrijp het”, zeg ik. „De belofte van broederschap werd de gecultiveerde herinnering aan een trauma.”

Goldberg knikt en hij gaat met zachte stem verder: „De internationale rechtsorde is niet stukgelopen op Soedan maar op Gaza. De kinderen van de Verlichting werden de kinderen van Auschwitz. Maar als Auschwitz ook niet meer betekent wat het betekende kun je je afvragen, wie zijn de kinderen van het Westen dan nog?”

Het eigen gevoelde slachtofferschap moet altijd begrensd worden door het slachtofferschap van de anderAmos Goldberg historicus

„Mag ik een banale vraag stellen?”, vraag ik, om dan te vragen: „Zijn er oplossingen?”

„Ik zit niet in de business van concrete oplossingen”, antwoordt Goldberg. „Ik doe aan ideeën, analyses, begrip. Maar ik kan je dit zeggen, ik heb geen hoop maar ik voel de verplichting te spreken en te handelen. En dit: het eigen gevoelde slachtofferschap moet altijd begrensd worden door het slachtofferschap van de ander, zeker als de ander het slachtoffer is van jouw misdaden.”

Ik lach. „De grens van mijn vrijheid is niet langer de vrijheid van de ander, maar mijn slachtofferschap grenst aan dat van de ander. In die tijd leven we.”

„Ik moet college geven”, zegt Goldberg en hij begeleidt me naar de uitgang. De regen is overgegaan in hagel, uitzonderlijk in Jeruzalem. Ik heb het nooit zo koud gehad als deze dinsdag.

De ‘vredesbusiness’

De kinderen van de Verlichting werden de kinderen van Auschwitz, de hoop van vrijheid, gelijkheid en broederschap werd de belofte dat iedereen zich kon vastgrijpen aan zijn eigen trauma. 

Het lijkt me goed te spreken met iemand voor wie hoop lange tijd iets uiterst concreets was, iemand die naar eigen zeggen in de „vredesbusiness” zat. Eind jaren negentig en begin jaren nul adviseerde Robert Malley, een Amerikaanse diplomaat, president Bill Clinton tijdens de vredesonderhandelingen tussen de Israëlische premier Ehud Barak en de Palestijnse leider Yasser Arafat. Barack Obama huurde hem later weer in alsadviseur over IS, en Joe Biden als Iran-adviseur. In 2023 startte de FBI een onderzoek naar Malley, omdat hij slordig zou zijn omgegaan met vertrouwelijke informatie en zich omringd zou hebben met Iraniërs die de Amerikaanse buitenlandse politiek wilden beïnvloeden. Hij verloor zijn toegang tot vertrouwelijke en staatsgeheime informatie. Tegenwoordig doceert hij aan Yale.

Malley zit in een chic café van de universiteit – we zijn inmiddels in Amerika, ooit een stralende stad op de heuvel in de woorden van Ronald Reagan. Het land waarvan ik, misschien tegen beter weten in, burger wil worden. Malley draagt een coltrui en praat met een gemak dat de diplomaat verraadt die hij ooit is geweest.

„Waren de Oslo-akkoorden [in 1993 en 1995 sloten Israël en de Palestijnen overeenkomsten die tot vrede hadden moeten leiden] echt een moment van hoop?”, vraag ik.

„Over Oslo is al genoeg gezegd”, zegt Malley. „Het was een pleister, en een halve pleister. Wij, het Amerikaanse team, beschouwden het Israëlisch-Palestijnse conflict als een conflict over gebied, over onroerend goed zou je kunnen zeggen. Wij onderschatten de emoties. Het waren de laatste zes maanden van het presidentschap van Clinton toen hij Barak en Arafat naar Camp David liet komen. Ik had misschien tegen Clinton moeten zeggen: ‘Dit gaat niet in twee weken lukken’. Of hij naar me had geluisterd, waag ik te betwijfelen. Hij wilde erg graag.”

De volgende anekdote staat niet in het boek van Malley, hij zegt volgens mij veel over Clinton. Toen de vredesbesprekingen mislukten, belde Clinton Arafat en zei: „Ik ben een mislukking en jij hebt van mij een mislukking gemaakt.”

Trumps plan is feitelijk een variant op de economische vredeRobert Malley Amerikaanse diplomaat

„Toch nog even naar Trump en zijn vredesplan voor Gaza”, zeg ik. „Misschien ondanks alles iets van hoop?”

„Tijdens het eerste presidentschap van Trump werd ik benaderd door [diens schoonzoon] Jared Kushner, ik was natuurlijk gevleid. Hij begreep niet dat de Palestijnen niet akkoord wilden gaan met meer welvaart als ze daarvoor alleen maar hun droom van een eigen staat moesten opgeven. Trumps plan is feitelijk een variant op de economische vrede. De Gazanen worden vazallen van Israël in ruil voor welvaart, ze worden volledig gedepolitiseerd – en dat gaat niet gebeuren. Maar misschien heb ik ongelijk en is dit de toekomst, misschien zegt Trump tegen de inwoners van Groenland, zoveel zijn het er niet: ‘Jullie krijgen straks allemaal een half miljoen dollar per persoon en dan kiezen jullie voor Amerika’.”

„Goed,” zeg ik, „geen hoop. Daar kun jij niets aan doen.”

„Israël heeft de oorlog gewonnen”, antwoordt Malley. Ja, Israël is nog nooit zo’n paria geweest en nog nooit was er zoveel sympathie voor de Palestijnse zaak, maar er is geen bank waar de Palestijnen die sympathie kunnen verzilveren. En Israël vindt vrede een groter risico dan oorlog, omdat Israël denkt toch nooit geaccepteerd te zullen worden. Als je denkt dat de tegenpartij elk moment een aanval kan uitvoeren, lijkt het voeren van oorlog minder bedreigend omdat je dan tenminste zelf het initiatief hebt. Daarnaast is de twee-statenoplossing gebaseerd op de grenzen van 1967 ook een Westerse uitvinding.

„En wat vindt Amerika van Israëls never ending war? Amerika, het enige land waarvan wordt gezegd dat het echt invloed kan uitoefenen op Israël.”

Malley glimlacht. „Vrede tussen Israël en Palestina was nooit een wezenlijk Amerikaans belang, het was nooit een wezenlijk belang van welk land dan ook. Het was een hobby van sommige Amerikaanse presidenten en politici. In mijn boek zegt iemand over de voormalige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken John Kerry: ‘Geef die man een Nobelprijs voor de Vrede voor zijn inspanningen, dan hoeft hij wat minder heen en weer te vliegen’.”

„Als vrede een hobby is, dan wordt het nooit wat met die vrede. Wimbledon kan je ook niet winnen als je tennissen als hobby beschouwt”, zeg ik. 

„Waar gaat je artikel eigenlijk over?”, vraagt Malley plotseling.

Ik aarzel. „Over Auschwitz en Gaza”, zeg ik. Terwijl ik die woorden uitspreek denk ik aan de titel van het boek dat Malley met de adviseur van Arafat, Hussein Agha, scheef over het mislukte vredesproces:  Tomorrow is Yesterday. Precies dat is wat weemoed is, dat morgen gisteren is.

Swingers party

In de trein naar New York kijk ik in mijn agenda wat ik de komende dagen zal gaan doen. Naar een groep chassidim gaan die het chassidisme willen vernieuwen door middel van drugsgebruik en swingers parties? De geschiedenis komt me voor als een grote swingers party.

Ik denk aan Israel Frey die zei dat we met al onze ideeën stof langs de kant van de weg zijn. En aan Amos Goldberg die sprak over het risico een monster te worden.

Voor de swingers party begint, zal een chassied van het vooruitstrevende soort in een koosjer restaurant in Brooklyn tegen me zeggen: „Waarvoor hebben we Israël nodig? Waarvoor hebben we Europa nodig? Waarvoor hebben we Amerika nodig? We hebben New York.”

En in de krant zal ik lezen dat de nogal conservatieve New York Times-columnist Tom Friedman ICE-agenten met Hamas-strijders vergelijkt. De wreedheid van de staat, zelfs de Amerikaanse, en de wreedheid van de terroristische bewegingen, die altijd ook weer door sommigen als bevrijdingsbewegingen worden gezien, ontlopen elkaar niet veel. Dat zelfs een behoudende columnist als Friedman agenten van de Amerikaanse federale overheid met Hamas-strijders vergelijkt, geeft de omvang van de wanhoop aan, niet alleen geografisch.

De noodtoestand is de normale toestand. En morgen is gisteren. Vooruitgang? Hoe word je geen monster?

Het stof langs de kant van de weg waait op en dwarrelt weer neer.


Lees de oorafgaande artikelen in NRC:

3. De catastrofe in Gaza begon met afgewezen mannen in Wenen
2. Wachten op de bevrijding
1. Arnon Grunberg wil weten hoe na Auschwitz de genocide in Gaza kon gebeuren

Voorzitter Rode Kruis: ‘Wat we in Gaza hebben gezien, overschrijdt alle wettelijke, ethische, morele en humane normen’

Derk Walters vanuit Maastricht
Gepubliceerd op 6 februari 2026

 INTERVIEW
Mirjana Spoljaric Egger | voorzitter Rode Kruis

Nu zelfs hulpverleners in conflictgebieden soms doelgericht worden gedood, heeft de uitholling van het internationaal humanitair recht alle grenzen overschreden, zegt Mirjana Spoljaric Egger, voorzitter van het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC). „Als je de basisregels wegneemt, is het nergens meer veilig.”
Halverwege het gesprek is Mirjana Spoljaric Egger zichtbaar geëmotioneerd. De voorzitter van het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC) heeft zojuist in meer abstracte termen over het internationaal humanitair recht verteld, maar nu gaat het over haar vijftien collega’s in Gaza die Israël met ambulance en al onder het zand begroef. En dan is de schending van dat recht ineens heel concreet.  

„Het was moeilijk om naar de foto’s van die gebeurtenis te kijken. Meer dan moeilijk, ik kon er niet naar kijken, ik ben er kapot van. Misschien ook omdat ik mijn collega’s daar tijdens de vijandelijkheden aan het werk heb gezien. Dit is iets wat nooit had mogen gebeuren.”

Het is, kortom, „niet de beste tijd” om voorzitter van het Rode Kruis te zijn, verzucht Spoljaric Egger. In Maastricht, waar ze eind januari een eredoctoraat in ontvangst nam, zet de Kroatisch-Zwitserse voormalige diplomaat uiteen wat er vanuit het perspectief van een humanitaire instelling allemaal de verkeerde kant op gaat in de wereld.

„Er zijn twee keer zo veel conflicten als vijftien jaar geleden, en ze zijn vaker grensoverschrijdend, tussen landen met zeer krachtige legers. Nieuwe technologieën, met name AI, versterken de vernietigende kracht van wapens, vooral voor burgers. Er zijn enorm veel meer onredelijke, agressievere aanvallen op de bevolking. Opzettelijke aanvallen op hele gezondheidszorgstelsels om de bevolking te verdrijven. En totale vernietiging van hele gebieden, zoals Gaza.”

Naleving internationaal recht is in verval
Het internationaal humanitair recht „staat op knappen”, concludeerde de Academie voor internationaal humanitair recht en mensenrechten in Genève deze week. Het onderzoekscentrum wijst onder meer op zeker honderdduizend gedode burgers in zowel 2024 als 2025, plus het straffeloos plegen van verkrachtingen en martelingen.

CV Mirjana Spoljaric Egger

1972 Geboren in Kroatië. Verhuisde op jonge leeftijd naar Zwitserland
2000 Ging werken voor het Zwitserse ministerie van Buitenlandse Zaken, onder meer in Bern, New York en Caïro

2010 Adviseur bij UNRWA, de VN-organisatie voor Palestijnse vluchtelingen, in Amman

2012 VN-ambassadeur namens Zwitserland

2018 Hoge ambtenaar bij de VN

2022 Voorzitter van het Internationaal Comité van het Rode Kruis

Gaza, zegt Spoljaric Egger, leverde misschien wel het meest tastbare bewijs voor de afkalving van het internationaal recht. „Ik heb Gaza twee keer bezocht in twaalf maanden tijd. De vijandelijkheden hielden nooit op. Er was geen minuut dat je geen schoten hoorde. Dat je lichaam de beschietingen niet voelde.”

De tweede keer dat ze er was, herkende ze de plek waar ze een jaar eerder was niet meer. „Ik kon me niet meer oriënteren. De eerste keer werden individuele gebouwen aangevallen. Elke wijk werd getroffen, maar niet volledig verwoest. Toen ik terugkwam, was er niets meer over.”

Zelfs als hulpverleners van het Rode Kruis groen licht krijgen, lopen ze nog het risico onder vuur te komen te liggen


Hoe oordeelt u daarover, vanuit het perspectief van het internationaal humanitair recht?
„Wat we in Gaza hebben gezien, overschrijdt alle wettelijke, ethische, morele en humane normen. We kunnen geen oorlogvoering accepteren die tot deze situatie leidt.”

Wat vindt u van de argumenten die Israël aandraagt, bijvoorbeeld het recht op zelfverdediging?
„Dat is geen excuus om de wet te overtreden. Je hebt dezelfde situatie in je nationale rechtsstelsel. Wanneer iemand een familielid van je vermoordt, geeft dat jou niet het recht om zijn familieleden te doden. Zo werkt het gewoon niet. Het is precies hetzelfde principe.”



Kunt u een voorbeeld noemen van een principe dat niet langer nageleefd wordt?
„Neem het recht op veilige doorgang. Wanneer mensen onder vuur komen te liggen, bemiddelen wij om hun een veilige aftocht te bieden. Maar in het huidige conflict is het niet langer mogelijk om te vertrouwen op een veilige doorgang. Zelfs als hulpverleners van het Rode Kruis groen licht krijgen, lopen ze nog het risico onder vuur te komen te liggen. Dit is een nieuwe situatie, die helaas niet beperkt is tot Gaza. Het gebeurt ook in Soedan, in Myanmar.”

Conferentie over menselijkheid in de oorlog

In september 2024 lanceerde het Internationaal Comité van het Rode Kruis een initiatief met Brazilië, China, Frankrijk, Jordanië, Kazachstan en Zuid-Afrika om politieke betrokkenheid bij het internationaal humanitair recht te stimuleren. Eind dit jaar is Jordanië gastheer van een conferentie over menselijkheid in de oorlog. Inmiddels hebben 99 landen zich bij het initiatief aangesloten.

Spoljaric Egger: „We proberen politiek momentum te genereren rond het idee dat als we de uitholling van het internationaal humanitair recht niet stoppen, we onze eigen bevolking onveilig maken. Je kunt zeggen dat Soedan ver weg is en dat dit nooit invloed op je zal hebben. Maar drones worden tegenwoordig bestuurd door mensen die zich duizenden kilometers verderop bevinden. Dus als we met iemand onderhandelen over bijvoorbeeld veilige doorgang, kunnen we er niet zeker van zijn dat die doorgang veilig is. Want degene die de trekker overhaalt, zit honderden kilometers verderop. En degene die ons groen licht geeft, heeft geen controle over die andere persoon.”

Het ICRC – een losstaande zusterorganisatie van het Nederlandse Rode Kruis – afficheert zichzelf als neutraal. Vanwege die neutraliteit kan bijvoorbeeld ook China voor zo’n conferentie benaderd worden; zolang dat land zich opstelt vóór het internationaal humanitair recht, is het welkom. Over het beleid van de Chinese regering heeft het Rode Kruis verder geen mening.

Die opstelling komt de organisatie ook op kritiek te staan. Als je in een conflict geen kant kiest, faciliteer je dan niet de agressor? Zo kreeg de organisatie bijvoorbeeld kritiek dat ze Rusland hielp door steun te verlenen tijdens het deporteren van Oekraïners.

Neutrale statements van het Rode Kruis vallen niet altijd goed. Onlangs uitte de organisatie kritiek op Russische én Oekraïense aanvallen op de energie-infrastructuur, omdat die miljoenen mensen in de kou laten zitten. Hierop beschuldigde de Oekraïense minister Andri Sybiha (Buitenlandse Zaken) de organisatie van „foute morele gelijkwaardigheid”: het Rode Kruis zou een agressor en een land dat zichzelf verdedigt op één lijn stellen.

Andere hulporganisaties kijken anders naar dit soort kwesties. Zo scheidden enkele Franse artsen zich, uit onvrede met die verregaande neutraliteit, in 1971 van het Rode Kruis af en richtten Artsen zonder Grenzen op. In tegenstelling tot het Rode Kruis schroomt die organisatie niet om kant te kiezen tegen agressors.

‘Het Rode Kruis is een gemakkelijk doelwit’
Spoljaric Egger is kritiek wel gewend: „Israël gaf ons de schuld omdat we de gijzelaars niet bezochten. Hamas gaf ons de schuld omdat we geen humanitaire hulp brachten. De Oekraïners geven ons de schuld omdat we geen oorlogsgevangenen bezoeken. Het Rode Kruis is al honderdzestig jaar altijd op het slagveld aanwezig. Het is een gemakkelijk doelwit.”

Wat zegt u tegen de critici?
„Wij zijn een onafhankelijke, neutrale en onpartijdige internationale organisatie. We zouden ons werk nooit kunnen doen als we partij zouden kiezen.”

Het Rode Kruis is afhankelijk van toegang tot slachtoffers. U moet dus met overheden praten. Stelt u in die gesprekken ook het humanitaire recht aan de orde?
„Ja, maar in stilte. Niet omdat we lafaards zijn, maar omdat we geloven dat dat de beste manier is om zo veel mogelijk mensen te helpen. Mijn collega’s over de hele wereld stellen elke dag uitgebreid allerlei kwesties aan de orde en werken soms in uiterst ingewikkelde omstandigheden, met als doel om mensen te beschermen. Kijk maar eens naar de foto’s van de vrijlating van Israëlische gijzelaars door Hamas. Je ziet onze ongewapende collega’s, omringd door duizenden gewapende strijders. En toch vertellen ze iedereen hoe ze zich moeten gedragen om ervoor te zorgen dat degenen die bescherming nodig hebben, met respect worden behandeld.”

Ik bespeur een groeiende trend om de vijand te ontmenselijken


Kunt u verklaren waarom hulpverleners kennelijk niet langer onschendbaar zijn?
„Ik bespeur een groeiende trend om de vijand te ontmenselijken. Dit is naar mijn mening een van de gevaarlijkste ontwikkelingen in de recente oorlogsvoering. Wat we vandaag horen, ook in debatten in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, heb ik nooit gehoord toen ik twintig jaar geleden mijn diplomatieke carrière begon, en ik ben verbaasd dat delegaties in de zaal blijven, niet reageren, geen verontwaardiging tonen. Wanneer een officiële vertegenwoordiger van een land de bevolking van een ander land openlijk ontmenselijkt, moet de internationale gemeenschap reageren. Als je mensen er vrijuit over laat praten, is het een kwestie van tijd voordat mijn collega’s die ontmenselijking in de praktijk gebracht zien worden op de slagvelden.”

Zwanger geworden na een bezoek aan deze Poolse hotelketen? Dan betalen zij het doopfeest

REPORTAGE

Demografie
Polen heeft een van de laagste geboortecijfers van Europa. Extra kinderbijslag en belastingvoordeel heeft daar geen verandering in gebracht. Een hoogleraar psychologie ziet diepgaande veranderingen in de Poolse samenleving die het kindertal laten dalen. 

Onder zijn imposante witte walrussnor verschijnt een glimlach als Wladyslaw Grochowski (73) zijn toekomstplannen voor Polen uitstippelt. „Mijn bedrijf heeft geld voor zo’n honderdduizend extra kinderen”, zegt de directeur van hotel- en vastgoedketen Arche op zijn kantoor in Warschau.

Het klinkt als een grap, maar ondernemer Grochowski is bloedserieus. Hij wil ervoor zorgen dat er meer kinderen in Polen geboren worden. De geboortecijfers in Polen behoren namelijk tot de laagste in de wereld. „Dit probleem bestaat al vijftien jaar, maar het lukt onze regeringen niet om het op te lossen”, zegt Grochowski. „Terwijl in de nabije toekomst bedrijven geen personeel zullen kunnen vinden en de mensheid wereldwijd ook uitsterft.”

Dus neemt Grochowski zelf het heft in handen. Via zijn hotelketen en vastgoedbedrijf, met in totaal 23 hotels in Polen, wil hij het geboortecijfer opkrikken. Hoe kan hij dat beter doen dan zijn hotelgasten belonen als ze een romantische avond in een van zijn hotelkamers beleven? Indien het hotelbezoek leidt tot een zwangerschap, krijgen zij een gratis (doop)feest voor tien personen. Daarvoor hoeven ze na de geboorte van hun kind alleen een rekening te overleggen die bewijst dat ze negen maanden eerder in het hotel verbleven.

„Er waren voorstellen om een feest voor vijftig personen te vergoeden, maar dat halen we financieel niet”, zegt Grochowski. „We hebben berekend dat een doopfeest voor tien personen ongeveer 1.000 zloty (240 euro) kost en we budget hebben om op deze manier een feest te organiseren voor honderdduizend kinderen.” Het bedrijf heeft 100 miljoen zloty (zo’n 24 miljoen euro) gereserveerd voor de actie. Ook krijgen de 2.500 medewerkers van zijn bedrijf eenmalig 10.000 zloty (2.400 euro) per geboren kind en organiseert zijn bedrijf partner- en kinderprogramma’s tijdens conferenties. „Zodat het gezin bij elkaar blijft en mensen niet met anderen het in bed duiken.”

Prognose: krimp met tien miljoen mensen

Natuurlijk is het een marketingstunt, erkent hotelbaas Grochowski, maar de ernst van het probleem is evident. Het geboortecijfer daalt al meer dan tien jaar en daar lijkt geen kentering in te komen. In 2023 kwam in Polen gemiddeld 1,2 kind per vrouw ter wereld, de verwachting is het dit jaar verder daalt naar 1,03. Dat is een stuk lager dan het EU-gemiddelde van 1,38 kind per vrouw in 2023, terwijl een cijfer van 2,1 nodig is om het aantal inwoners stabiel te houden.

Volgens de laatste prognoses van de regering zou de Poolse bevolking binnen vijftig jaar met tien miljoen mensen kunnen krimpen – van ruim 37 miljoen nu naar zo’n 28 miljoen in 2080 – en rond de eeuwwisseling zelfs zou kunnen halveren. Dat is een veel hardere daling dan verwacht.

Die cijfers staan in schril contrast met de urgentie waarmee de Poolse politiek de afgelopen jaren de vruchtbaarheidscrisis probeerde aan te pakken. Zo introduceerden de regeringen onder leiding van het nationaal-conservatieve PiS (2015-2023) een maandelijkse kinderbijslag van 500 zloty (zo’n 125 euro) per kind, die later werd verhoogd tot 800 zloty (zo’n 190 euro) en krijgen ouders met twee of meer kinderen binnenkort een forse belastingverlaging.

De maatregelen lijken weinig effect te sorteren. Economen en demografen vrezen dat Polen snel te maken krijgt met een onbetaalbare gezondheidszorg en een onhoudbaar pensioenstelsel. Ook de ambitie om de omvang van het Poolse leger te verdubbelen tot vierhonderdduizend militairen kan in de nabije toekomst onhaalbaar blijken. Hoewel het economisch succesvolle Polen steeds meer migranten – vooral Oekraïners – toelaat op de arbeidsmarkt, blijft migratie als oplossing voor bepaalde problemen in het land een politiek gevoelig onderwerp. De afgelopen jaren is het migratiedebat zo verhardt dat zelfs linkse partijen zich distantiëren van het onderwerp. 

Wat ligt er ten grondslag aan het dalende geboortecijfer in Polen, waar het economisch nog nooit zo goed is gegaan? En waarom voorspelt recent onderzoek dat de helft van de Poolse Gen-Z-generatie helemaal geen kinderen wil? 

Financiële cadeautjes voor ouders

Demografen in Polen wijzen naar oorzaken van de demografiecrisis die ook in veel andere landen voorkomen. In Polen is onder jonge mensen sprake van economische onzekerheid, gebrek aan betaalbare huisvesting, onvoldoende ondersteuning voor vrouwen in de gezondheidszorg en een verslechterde geestelijke gezondheid. In combinatie met een veranderde maatschappij waarin carrière en individuele vrijheid boven het gezinsleven staan, zorgt dat voor een lager geboortecijfer.

Sinds de coronapandemie en de oorlog in buurland Oekraïne zakte het geboortecijfer verder

Specifieker heeft de restrictieve abortuswetgeving in Polen, ingevoerd door PiS in 2021, geleid tot toenemend wantrouwen tegenover zorgverleners onder vrouwen – verschillende vrouwen stierven tijdens hun zwangerschap omdat dokters niet wilden overgaan tot een abortus. Ook stopte PiS de staatsfinanciering voor ivf-behandelingen. Sinds de coronapandemie en de oorlog in buurland Oekraïne zakte het geboortecijfer nog verder.

Bovendien krijgen vrouwen steeds later kinderen. In 1990 was de gemiddelde leeftijd waarop een vrouw haar eerste kind kreeg 22,7 jaar, dat is in 2024 gestegen naar 29,1 jaar. Ook vergrijst de Poolse bevolking steeds sneller. In 2024 was ongeveer een kwart van de bevolking pensioengerechtigd (60 jaar voor vrouwen, 65 jaar voor mannen), terwijl dat in 1990 slechts een achtste was.

Hoewel er niet één specifieke reden is die het lage geboortecijfer verklaart, blijkt wel dat financiële stimuleringsmaatregelen geen trendbreuk teweegbrengen. De kinderbijslag, waar de regering in 2016 mee begon, had slechts een tijdelijk effect. In de eerste jaren na de invoering steeg het geboortecijfer licht, om vanaf 2021 recorddieptes te bereiken.

Ook in Hongarije, dat zich opwerpt als een frontstaat in de strijd om meer geboortes, blijken financiële prikkels het geboortecijfer niet structureel te veranderen. Terwijl zo’n 5 procent van het bbp van het land besteed wordt aan geboortepolitiek – meer dan de Verenigde Staten uitgeven aan defensie. Zo krijgen Hongaarse grootouders verlof, betalen ouders een lagere hypotheekrente en zijn moeders van minimaal drie kinderen voor de rest van hun leven vrijgesteld van inkomstenbelasting.

Na de introductie van deze geboortepolitiek, zo’n vijftien jaar geleden, steeg het geboortecijfer van 1,25 tot 1,61 in 2021, maar daarna daalde het en belandde Hongarije in de Europese middenmoot. Critici zeggen dat de kosten de resultaten niet rechtvaardigen, terwijl voorstanders stellen dat elk extra geboren kind (volgens hun berekeningen tweehonderdduizend meer dan zonder de stimuleringsmaatregelen) winst is. Mogelijke redenen voor het dalende geboortecijfer zijn de stijgende prijzen, het gebrek aan betaalbare woningen en de slechte staat van de gezondheidszorg en het onderwijs in het EU-land.

Als een vrouw zegt dat ze niet meer wil schoonmaken en de man gefrustreerd raakt, dan hebben we een probleemDominika Maison hoogleraar psychologie

Vrouwen zijn veranderd, mannen niet

Tot zover de discussie onder de demografen. Hoogleraar psychologie Dominika Maison van de Universiteit van Warschau baarde vorig jaar opzien toen zij op basis van een enquête concludeerde dat de helft van de Gen-Z-generatie (mensen geboren tussen 1995 en 2012) in Polen helemaal geen kinderen wil. Ze doet al jarenlang onderzoek naar de Poolse demografie en stelt dat we moeten kijken naar de veranderingen onder moeders, vrouwen en de media.

„De meest genoemde oorzaken voor de lage cijfers zijn altijd materieel, zoals slechte huisvesting en instabiele werkgelegenheid”, zegt Maison – die een goed woordje Nederlands spreekt dankzij haar promotie-onderzoek in Tilburg – in een café in Warschau. „Maar als we degenen die geen kinderen hebben vragen waarom ze kinderloos zijn, noemen ze vooral het gebrek aan een geschikte partner.”

Volgens Maison is er in Polen sprake van een diepere sociale crisis. „We hebben te maken met een single-samenleving”, zegt Maison. Uit onderzoek blijkt dat het aantal echtscheidingen jaar op jaar stijgt, dat meer dan de helft van de 25 tot 34-jarigen nog bij hun ouders woont en het aantal singles toeneemt. Ongeveer een derde van de bevolking beschouwt zichzelf als single, onder de stedelingen is dat de helft.

„Natuurlijk zijn sommigen bewust single, maar uit onderzoek blijkt ook dat vrouwen in Polen veranderd zijn – ze werken meer, zijn onafhankelijk en accepteren de traditionele genderrollen niet meer. Terwijl de Poolse man geen gelijke tred houdt met die veranderingen”, zegt Maison. „Als een vrouw zegt dat ze niet meer wil schoonmaken en koken en de man gefrustreerd raakt omdat zij niet meer wil voldoen aan het stereotype beeld, dan hebben we een probleem.”

Ook zijn de Poolse moeders veranderd. Waar een vrouw van begin twintig zonder kinderen jaren geleden nog bestempeld werd als een ‘oude vrijster’, zeggen de Polen nu tegen hun dochters dat ze vooral niet te snel moeten beginnen met kinderen, blijkt uit onderzoek van Maison. „Dochters horen hun hele tiener- en twintigerleven van hun moeders dat er niets erger is dan zwangerschap op jonge leeftijd, dat je vooral moet wachten omdat je je hele leven nog voor je hebt”, zegt Maison. „Vervolgens worden de dochters dertig en verwachten moeders opeens een kleinkind. Terwijl de dochters sterk geïnternaliseerde negatieve emoties hebben over het ouderschap.”

Ze ziet nog meer ontwikkelingen die funest zijn voor het geboortecijfer. „De maatschappij is individualistischer geworden en een kind wordt gezien als een obstakel. Als er al een kind komt, dan moet de opvoeding perfect zijn met privéscholen, extra taal-, muziek- en sportlessen. En dat kost geld”, zegt Maison. „Bovendien lezen we in de media alleen maar artikelen over de lasten van het ouderschap en zelden over gelukkige grote gezinnen en familiewaarden.”

Hotelier Grochowski deelt de analyse van psycholoog Maison. „Geld lost het probleem niet op. Mensen zijn te veel gericht op consumeren en te weinig op onderlinge relaties”, zegt Grochowski. „Ze zouden minder moeten nemen en meer moeten nadenken over wat ze aan de maatschappij kunnen geven.”

Toch werkt zijn actie ook als een beloning. „Mensen vinden het nou eenmaal leuk om iets te krijgen”, verzucht Grochowski. Zijn actie sorteert al effect: het aantal boekingen in de hotelkamers is gestegen – in juni verwacht hij de eerste doopfeesten – evenals het aantal zwangerschappen onder zijn medewerkers.” Eén medewerker, die NRC probeerde te bellen tijdens het interview, bleek onderweg naar het ziekenhuis voor haar bevalling. Grochowski: „Ach, wat prachtig.”

Maison is minder optimistisch. „Je kunt wetten veranderen om te proberen het geboortecijfer op te krikken, maar een maatschappelijke mentaliteit veranderen is lastiger. Dat kost tijd.” Of het geboortecijfer ooit weer boven de 2,1 komt?
Hoogleraar Maison betwijfelt het – kijkend naar de geschiedenis – zegt ze lachend maar met een serieuze ondertoon: „Als dit zo doorgaat, zal het Poolse volk niet de eerste beschaving zijn die uitsterft.”

Franse econoom wil allerrijksten zwaarder belasten, ook in Nederland: ‘Miljardairs danken hun rijkdom niet alleen aan zichzelf’

INTERVIEW
Frankrijk De allerrijksten betalen relatief de minste belasting. Fiscaal ‘loodgieter’ Gabriel Zucman, econoom uit de school van Piketty, wil het gat dichten. Maandag spreekt hij in de Tweede Kamer. „De explosieve groei van de rijkdom van miljardairs is een van de belangrijkste trends in de wereldeconomie.”
NRC, Peter Vermaas vanuit Parijs. Gepubliceerd op 30 januari 2026
Econoom Gabriel Zucman na afloop van een hoorzitting over het belasten van de allerrijksten in het Franse parlement, 1 oktober 2025.


Alleen in Frankrijk gaan mensen de straat op om de naam van een econoom te scanderen. „Wij willen Zucman”, stond er afgelopen najaar op plakkaten en spandoeken tijdens demonstraties in Parijs. En: „Belast de rijken, Zucman-taks nu!”
Zucman, dat is Gabriel Zucman, 39 jaar oud, econoom uit de school van Thomas Piketty en, net als zijn leermeester, gespecialiseerd in vermogensongelijkheid. Hij is hoogleraar aan de Paris School of Economics – ja, in het Engels – en aan UC Berkeley in de Verenigde Staten. De belasting die hij heeft voorgesteld, in Frankrijk nu dus algemeen bekend als de Taxe Zucman, heeft als doel de allerrijksten te laten meebetalen aan de staatsuitgaven teneinde het hoge Franse begrotingstekort iets terug te dringen.
De demonstraties waar burgers ‘zijn’ belasting eisten hadden natuurlijk niets met zijn persoon te maken, zegt hij glimlachend in zijn spartaans ingerichte kantoor in Parijs. Dat zijn nu in het Nederlands vertaalde pamflet ”Miljardairs betalen geen inkomstenbelasting en daar gaan we een einde aan maken” (Atlas Contact) in Frankrijk een bestseller werd, is niet meer dan „een uiting van de grote roep om meer fiscale gerechtigheid die al langer onder de bevolking leeft”, zegt hij.
Vooral door aandelenconstructies met holdings, betalen de meeste miljardairs weinig tot geen inkomstenbelasting, liet Zucman in zijn onderzoek zien. Niet alleen in Frankrijk, maar in veel meer landen. Ook in Nederland. Daarom spreekt hij maandag in Den Haag met de vaste Kamercommissie voor Financiën. Wat hij wil: een heffing van 2 procent op het deel van het vermogen dat boven 100 miljoen euro ligt.

Die heffing, aanvankelijk door hem uitgedacht voor het Braziliaanse G20-voorzitterschap in 2024, was inzet van hoogoplopende discussie bij de onderhandelingen over de nieuwe Franse begroting de laatste maanden. Op zoek naar een meerderheid, ging de centrumrechtse premier Sébastien Lecornu langs bij de sociaaldemocratische Parti Socialiste (PS). Die had vooral één eis: de Zucman-taks. Voor president Macron ging deze ingreep te ver. Pas deze week, vele maanden later, kreeg Lecornu zijn begroting voor 2026 er doorheen. Om de PS alsnog te paaien komen er iets hogere belastingen voor bedrijven en iets hogere uitkeringen.
Frankrijk gaat door een „crisis in de overheidsfinanciën”, zegt de stereconoom. Sinds de jaren zeventig is geen regering erin geslaagd een sluitende begroting te presenteren. „We zitten nu op 5 procent tekort, en het lukt maar niet dat naar beneden te krijgen”, zegt Zucman. „Tegelijk hebben we in Frankrijk belastingen die op het hoogste niveau liggen sinds de Tweede Wereldoorlog.”
En dat terwijl, zo blijkt uit zijn cijfers, de vermogens van miljardairs flink toenemen. „Dat leidt tot een explosieve cocktail waarin een grote democratische roep ontstaat om meer gerechtigheid. Ik zie het als mijn taak om te leren van de geschiedenis en van internationale ervaringen met het belasten van vermogen, om tot werkende oplossingen te komen.” Plombier de la justice sociale, noemen Franse media hem: hij ziet zichzelf als een loodgieter die fiscale lekken dicht om tot meer sociale rechtvaardigheid te komen.

CV
Gabriel Zucman (1986) is econoom. Hij doceert en doet onderzoek naar economische ongelijkheid aan UC Berkeley in Californië en aan de Paris School of Economics. Hij is directeur van het EU Tax Observatory, dat zoekt naar nieuwe modellen van belastingheffing wereldwijd, en een van de drijvende krachten achter het World Inequality Lab. Dat verzamelt wereldwijd data over vermogens. In 2015 brak hij internationaal door met het boek The Hidden Wealth of Nations: The Scourge of Tax Havens. Zucman heeft de Franse en de Amerikaanse nationaliteit.


Zijn voorstel, zegt hij, gaat uit van het „eenvoudige principe dat extreme rijkdom onvermijdelijk verplichtingen met zich meebrengt voor de nationale solidariteit”. De drempel van 100 miljoen euro vermogen is niet willekeurig. Vanaf dat punt, laat hij zien, worden belastingstelsels in de meeste landen regressief: terwijl je inkomen of vermogen toeneemt, ga je relatief juist minder belasting betalen.

U wilt die extra belasting op vermogen, niet op inkomen. Waarom?
„Voor extreem rijke mensen is het makkelijk hun inkomen te manipuleren en zo belastingen te ontwijken. Neem het beroemde voorbeeld van Jeff Bezos van Amazon. Hij is een van de rijkste mannen ter wereld. Maar hij heeft een aantal jaren geen dollar inkomstenbelasting betaald. Sterker nog, hij gaf een jaar zo weinig inkomen op dat hij in aanmerking kwam voor een vorm van kinderbijslag – en die heeft hij nog gekregen ook. Vermogen manipuleren is veel moeilijker, dus om dit gelijk te trekken moet je naar een percentage van het vermogen kijken.”
In veel landen bestaat toch vermogensbelasting?
„Die werkt in geen enkel Europees land echt goed. Er zijn voor de allerrijksten altijd heel veel uitzonderingen. Dat zie je ook bij de discussie over box 3 in Nederland.”


U noemt box 3 in het Nederlandse voorwoord bij uw boek een „mislukte poging de rijken te belasten”. De Hoge Raad haalde een streep door box 3 omdat deze manier vermogens te belasten in strijd was met het eigendomsrecht uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het non-discriminatiebeginsel. Kan uw taks daar niet ook op stuklopen?
„Nee. Mijn voorstel is heel anders. Ik heb het niet over belasting op een hypothetisch rendement, maar op een werkelijk bestaand vermogen. Deze heffing zou slechts van toepassing zijn op de allerrijksten die nu minder dan 2 procent van hun vermogen aan inkomstenbelasting betalen. Ze moeten dus het verschil bijbetalen.”

Hoe kan het eigenlijk dat die miljardairs, zoals u zegt, nauwelijks belasting op inkomen betalen en sowieso een lagere belastingdruk dan gemiddeld hebben?
„Omdat ze zichzelf vaak geen salaris geven en dus geen inkomen hebben dat ze kunnen opgeven bij de belastingdienst. Maar het vermogen dat ze hebben is echt. Je kunt ermee lenen, je kunt er spullen mee kopen. Elon Musk had geen liquide middelen en kon een paar jaar terug toch voor vele miljarden Twitter overnemen. Of mensen hun vermogen nou in holdings zetten of op andere manieren belasting ontwijken, de allerrijksten betalen relatief de minste belasting. Daarmee is de belastingrevolutie die begin twintigste eeuw met de invoering van inkomstenbelastingen begon niet voltooid. Ik stel niets anders voor dan die revolutie nu wel af te maken. Als blijkt dat het geen zin heeft om de allerrijksten inkomstenbelasting op te leggen, dan moeten we maatwerk leveren en een belasting verzinnen die aangepast is aan die grote vermogens.”

Waarom nu?
„De bedragen waar het om gaat zijn enorm geworden. Dat is een van de belangrijkste trends in de ontwikkeling van de wereldeconomie van de afgelopen dertig jaar, met een versnelling sinds zo’n vijftien jaar: de explosieve groei van de rijkdom van miljardairs.”

En nog iets extremer in Frankrijk, schrijft u.
„In 1996 waren de vijfhonderd rijkste Franse huishoudens goed voor 6 procent van het bruto binnenlands product. Dat is nu 42 procent. Het vermogen groeide bij die mensen jaarlijks gemiddeld met zo’n 10 procent. Als we die mensen niet belasten, dan ontnemen we onszelf belangrijke inkomsten die weer nodig zijn om de samenleving aantrekkelijk te houden.”

Hoewel miljardairs weinig belasting betalen, groeit hun invloed op het publieke debat en de democratie


In Frankrijk zijn miljardairs de laatste jaren steeds zichtbaarder geworden. Terwijl in Parijs op de gekste plekken nieuwe boutiques van luxemerken openen, drukken de eigenaren van die merken ook op andere manieren hun stempel op de stad. Ze beginnen in prestigieuze panden hun eigen kunstmusea en tasten diep in de buidel om het Emily in Paris-beeld van de stad te bestendigen – bijvoorbeeld door de renovatie van de Notre-Dame te financieren. Hele straten zijn in handen van miljardairs, een beetje topindustrieel heeft tegenwoordig ook een krant of tv-station tot zijn beschikking.

Een demonstrant met een bord dat pleit voor de „Taxe Zucman” in Parijs in oktober 2025.


Tien jaar heeft Zucman in de VS gewoond, waar hij doceerde aan de universiteit van Berkeley. Hij hielp, met Emmanuel Saez, tevens een Franse econoom, de belastingparagraaf te schrijven van de programma’s van Democratische kandidaten als Bernie Sanders en Elizabeth Warren.

„Wat me het meest opviel toen ik terugkeerde in Frankrijk was de enorme greep die miljardairs op het medialandschap en daarmee op de politiek hebben gekregen”, zegt hij. „Het doel van een aantal van hen is het beheersen van de publieke opinie. En ondanks strikte regels, lukt hen dat steeds beter. Dus hoewel ze weinig belasting betalen, groeit hun invloed op het publieke debat en daarmee op de democratie.”
Niet zo vreemd, vindt hij, als je bedenkt dat die allerrijksten omgerekend 42 procent van het bbp waard zijn. „Dat wil zeggen dat ze met hun geld bijna de helft kunnen kopen van alles wat Frankrijk in een jaar produceert. Of concreter: dat hun bedrijven met bijna iedereen zakendoen. Daarmee hebben ze ook een enorme invloed op markten en alles wat zich in de Franse economie voordoet.”


Toen Macron president wilde worden, liet hij zich ontvallen dat jonge Fransen de ambitie moeten hebben „miljardair te worden”. Veel mensen vielen over hem heen. Is grote rijkdom nastreven iets on-Frans?
„Ik heb geen enkel probleem met miljardairs. Maar rijkdom vergaren is altijd ten dele te danken aan het collectief. Niemand wordt in zijn eentje miljardair, dat ben je ook dankzij de voorzieningen die de samenleving je biedt. Dat er een cultureel verschil zou zijn tussen Frankrijk en Angelsaksische landen kun je volgens mij niet stellen. De VS en het VK hadden, anders dan mensen denken, halverwege de twintigste eeuw juist progressievere belastingen voor hoge inkomens dan ooit in Frankijk of elders in continentaal Europa bestaan hebben.”

‘Mensen die psychotherapie krijgen knappen er meestal niet van op’

INTERVIEW
Ellen de Bruin, NRC. 22 januari 2026



Flip Jan van Oenen | therapeut 

Psychotherapie werkt vaker niet dan wel. Beperk daarom maar het aantal sessies, zegt Flip Jan van Oenen. „Iemand kan even met je meelopen en daarna zul je het zelf moeten doen.”

In Nederland is 1 op de 20 volwassenen in behandeling bij de geestelijke gezondheidszorg en 1 op de 10 jongeren doet een beroep op jeugdhulp. Bijna de helft van de Nederlanders heeft ooit een psychische aandoening gehad, ruim een kwart van de Nederlanders het afgelopen jaar – meestal een angst- of stemmingsstoornis. En psychotherapie werkt veel vaker niet dan wel.

Je hoort dat niet vaak; het gangbare idee is dat psychotherapie werkt, en hard nodig is. Maar juist dat idee ondermijnt de eigen vaardigheden om met psychische problemen om te leren gaan. Dat schreef therapeut Flip Jan van Oenen (69), inmiddels drie jaar gepensioneerd, al in zijn boek Het misverstand psychotherapie (2019). In zijn nieuwe boek Verdragen (2025) pleit hij voor een radicale herziening van de geestelijke gezondheidszorg (ggz), waarbij iedereen zeven sessies psychotherapie vergoed krijgt per twee jaar, zonder de garantie dat die helpen. Hij baseert zich op wetenschappelijk onderzoek en op vijfendertig jaar ervaring in de ggz. Geef mensen geen valse hoop, schrijft hij, maar moedig ze aan hoop te houden, actief te blijven en hun smart te delen tot hun klachten minder worden of te verdragen zijn. Ze zullen wel moeten; therapie en pillen helpen meestal toch niet.

„Pakweg 60 procent van de mensen is na psychotherapie niet opgeknapt”, vertelt Van Oenen thuis op zijn woonark in het centrum van Amsterdam. „En van de 40 procent die wel is opgeknapt, was dat bij 15 procent in diezelfde periode zonder therapie ook gebeurd. Ongeveer 25 procent van de mensen ervaart dus maar meerwaarde van de therapie.” Die laten bij minimaal de helft van hun klachten een verbetering zien op vragenlijsten, dus ze zijn ook absoluut niet altijd helemaal genezen.

„Als je dat bedenkt”, gaat hij er nog maar eens voor zitten, „in combinatie met het feit dat er tussen de 200 en 1.000 onderzochte therapiesoorten bestaan, die het allemaal niet beter doen dan de andere, dan moeten we volgens mij concluderen dat we een plafond bereikt hebben.” Dat moeten mensen weten, vindt hij. „Mensen denken nu: als ik maar in therapie kom, gaat het daarna beter. Dat ondermijnt de eigen veerkracht, blijkt uit onderzoek: mensen op een wachtlijst gaan minder vooruit dan mensen die niet op een wachtlijst staan. Dus moeten we mensen vertellen dat het effect van therapie beperkt is en dat ze hun problemen zélf aankunnen.”

U bent zelf therapeut. Hoe heeft uw denken hierover zich ontwikkeld?

„Ik ben begonnen als basisarts, als dienstweigeraar, en later opgeleid tot gezins- en relatietherapeut. Van daaruit ben ik in 1985 bij de crisisdienst begonnen, eerst heel klein, met vier mensen in een keldertje. Dat heb ik tot 2015 gedaan. De laatste zeven jaar heb ik me met vechtscheidings­problematiek beziggehouden.

„In het begin had ik het idee: alles kan en moet beter. Veel dingen schieten niet op, met cliënten. In de crisisdienst kom je heel veel mensen tegen die bij therapeuten lopen en dan toch in crisis raken. Dus daar kreeg ik al de indruk dat therapieën niet allemaal zo vlekkeloos verlopen als vaak gezegd wordt.”

Wat houdt dat in, ‘in crisis raken’?

„Als huisartsen en collega-hulpverleners niet weten wat ze ermee aan moeten als iemand heftig ontremd is, manisch, psychotisch, of suïcidaal of ernstig depressief, dan mogen ze naar ons – voormalig ons – verwijzen voor acute hulp, om de situatie weer hanteerbaar te krijgen. Dat gaf me een interessant inkijkje in allerlei geledingen van de ggz. Zelfs gerenommeerde behandelaars konden behoorlijk met hun handen in het haar zitten. Ook onze eigen kortetermijn­behandeling lukte deels wel, deels niet. Dan ga je al denken: is dit het nou?

„En er kwamen steeds nieuwe soorten behandelingen langs, waarvan je dan denkt: dat moet ik ook kunnen, dan zou ik een betere therapeut zijn. Veel therapeuten hoppen: ze zijn een tijd enthousiast over een methode, merken dan dat veel mensen er toch niet echt mee geholpen zijn, en gaan dan weer nieuwe methoden volgen.”

Hopte u zelf ook?

„Ja, zeker. In 2008 werd ik nog één keer heel enthousiast over een methode uit Amerika, feedback informed treatment. Daarbij vraag je aan het begin van de sessie expliciet hoe het met de cliënt gaat, en aan het eind hoe het gesprek ging, en dat breng je samen in een grafiek in kaart. Vanuit het idee dat de samenwerkingsrelatie tussen therapeut en cliënt de belangrijkste voorspeller is voor succes. Ik deed een training in Chicago, ik mocht de hele crisisdienst erin gaan trainen, en ik dacht: dan wil ik ook onderzoeken of het wérkt. Uiteindelijk ben ik daarop gepromoveerd.

„Maar het onthutsende was dat mensen in de controlegroep, zonder feedbackvragen aan het begin en eind, het na zes weken beter bleken te doen dan de groep bij de interventie mét feedback. Na twaalf weken was er geen verschil meer. Ik dacht: deze methode had nog iets kunnen toevoegen. En dat gebeurde dus niet.

„Voor dat onderzoek begon ik ook alle wetenschappelijke literatuur te bestuderen. Dat deed ik daarvoor niet. Mijn ervaring is dat therapeuten hoogstens lezen: deze methode is evidence based, hij werkt, meer hoef je niet te weten. Maar zo kwam ik erachter dat psychotherapie weinig effect heeft, al vijftig jaar niet verbeterd is, en dat veel methoden hetzelfde beperkte effect hebben. Dus die twijfel die je als therapeut altijd voelt – ik ben niet goed genoeg, ik moet meer cursussen volgen, niet iedereen wordt beter en dat ligt aan mij… – dat klopt niet. Het is gewoon onvermijdelijk gezien de stand van zaken. Toen ben ik die boeken gaan schrijven.”

Er is weinig onderzoek naar het natuurlijk beloop van stoornissen. Zomaar iemand volgen die niet behandeld wordt, gebeurt niet

Hoe reageerden collega’s?

„Het is een lastige boodschap. Het vraagt veel van therapeuten om deze kennis een plek te geven en toch met hart en ziel te blijven werken. Deels waren mensen bozig: je haalt het vak onderuit. Maar ik heb echt naar eer en geweten geprobeerd recht te doen aan wat volgens mij de conclusies uit de literatuur zijn. Deels waren ze opgelucht. Zowel therapeuten als cliënten, die natuurlijk ook vaak merken dat therapie niet werkt, zeiden: hèhè, het ligt niet aan mij, therapie is beperkt.”

U schrijft dat psychische problemen vaak vanzelf overgaan.

„Ja. Er is weinig onderzoek naar het natuurlijk beloop van stoornissen. Zomaar iemand volgen die niet behandeld wordt, gebeurt niet. Ik heb geprobeerd op basis van controlegroepen en bevolkingsonderzoeken te kijken hoe het met mensen gaat die niet behandeld worden. Er zijn sterke aanwijzingen dat bij de meesten na een periode de problematiek verdwijnt, of overgaat in een fase waarin iemand er beter mee kan omgaan.

„Dat is zwaar. Psychisch leed is geen aanstellerij, het is heel akelig. Maar je kunt er in de meeste gevallen op eigen kracht doorheen komen.”

FOTO MERLIJN DOOMERNIK

Ook zonder medicijnen?

„Het effect van praten en pillen, antidepressiva, is grofweg hetzelfde. Als pillen een steuntje in de rug geven, doe dat vooral, maar je zult het uiteindelijk zelf moeten doen. Voor de ernstige psychiatrische aandoeningen, zoals bipolaire stoornis en psychose, geldt dat pillen op de korte termijn rust in de tent kunnen brengen. Tegelijkertijd wijst ervaring uit: bijna iedereen die psychotisch is, stopt ermee zodra het beter gaat. En door lithium kunnen mensen met bipolaire stoornis stabieler zijn. Maar ook daar geldt helaas: die pillen nemen de stoornis niet weg, ze maken hem hanteerbaarder. Ook deze mensen zullen toch moeten verdragen.”

Therapie verhelpt misschien niet alle klachten, maar mensen zijn meestal wel tevreden over hun therapeut en de behandeling.

„Ja, therapeuten zijn ook vaak heel kundige, aardige mensen. Ze kunnen goed luisteren. Wanneer luistert nou eens iemand een aantal keer een uur lang zonder oordeel naar je? Dat is een fantastische ervaring. Die geeft een goede therapeut jou. Los daarvan kan therapie ook een soort cursus geestelijke zelfverrijking zijn. Dat het dan na die therapie niet beter gaat… mensen koppelen dat los van elkaar, denk ik.”

Is dat alles wat een therapeut doet?

„Wat de werkzame bestanddelen van psychotherapie zijn, is eigenlijk niet bekend. Zelf denk ik dat een therapeut vooral helpt de copingmechanismen van de cliënt te stimuleren, en dat zijn in mijn visie klagen, veranderen en verdragen. Klagen is maar heel kort prettig, veranderen lukt haast nooit. Dus we zijn aangewezen op verdragen, en de therapeut helpt daarbij. Door zelf niet ontredderd te raken door wat iemand vertelt, en door diegene te stimuleren hoop te houden, smart te delen en in beweging te blijven, dus dingen te blijven doen. Die laatste zijn de drie ‘verdraagmechanismen’ die ons naar mijn idee ten dienste staan.

„Daarbij moet een therapeut duidelijk zijn dat hij maar een bescheiden bijdrage levert. Dat kan het beste door geen lange therapie aan te bieden, of steeds door te verwijzen, want dat suggereert dat meer therapie beter is, terwijl daar geen aanwijzing voor is. Iemand kan even met je meelopen en daarna zul je het zelf moeten doen.”

Ik denk dat diagnoses in de ggz vaak vrij waardeloos zijn

Mensen zijn tegenwoordig ook vaak blij als ze een diagnose krijgen en weten wat er precies aan de hand is.

„Ik denk dat diagnoses in de ggz vaak vrij waardeloos zijn, want iedere behandeling die een beetje effectief is, wordt op alle diagnoses losgelaten. En diagnoses overlappen elkaar enorm. Er staan er nu zo’n 560 in het psychiatrisch handboek DSM-5 en die classificatie geeft geen enkel houvast voor de behandeling. En ook geen verklaring voor wat iemand mankeert. Dat beschreef Trudy Dehue zo mooi in haar boek De depressie-epidemie: dat we diagnoses als verklaring zijn gaan zien, je bent somber omdát je een depressie hebt. Dat slaat nergens op.

„Tegelijkertijd denk ik dat het voor individuele personen wel waarde kan hebben om te bedenken: er zijn groepen mensen die ook ongeveer ditzelfde conglomeraat van verschijnselen hebben, en daar gaat het over het algemeen ongeveer zo mee. Als dat je houvast geeft, kan ik me voorstellen dat dat fijn is. Maar in wezen is het ernstig dat we niet accepteren dat het een tijdje niet zo goed met iemand gaat en dat dat een naam moet hebben.”

U stelt een grote verandering van de ggz voor, waarna iedereen elke twee jaar zeven sessies psychotherapie vergoed krijgt, en dat is dan alles. Hoe gaan we dat bereiken?

„Dat is de hamvraag. Het is heel moeilijk, want geen enkele groep heeft er op korte termijn belang bij. Cliënten willen geholpen worden. Voor therapeuten is deze boodschap heel ontwrichtend, én het is hun werk en inkomen. Hetzelfde voor grote ggz-instellingen: als Arkin zegt dat ze iets niet kunnen bieden, ziet Parnassia een gat in de markt. Politici hebben er ook geen belang bij: met ‘wen maar aan je problemen’ word je niet verkozen.

„Ik denk dat de grote ggz-instellingen de belangrijkste rol moeten hebben. Die zouden bij wijze van spreken op de gevel moeten zetten: hierbinnen gaat het meestal over, daarbuiten ook. Individuele therapeuten zijn redelijk realistisch, denk ik. Die zeggen wel: ik heb geen toverstaf, we gaan samen kijken wat er kan. Maar het gaat juist om de stap daarvóór: moet je er wel naartoe?

„Huisartsen zouden kunnen zeggen: misschien is hier geen oplossing voor. Wel vind ik de praktijk­ondersteuner-ggz bij de huisarts een geweldige functie. Zo zou de hele ggz eruit moeten zien: laagdrempelig, paar gesprekken, iemand die je weer op gang helpt. Zoals de fysiotherapeut. Die omslag is gelukt: ooit ging je naar de fysiotherapeut om beter te worden, en dat duurde soms heel lang. Nu ga je een paar keer en dan kun je weer even verder. Zo’n omslag moet ook bij psychotherapie gebeuren.”

Voor iedereen, met ongeacht welke psychische problemen?

„Ja. Er is natuurlijk een groep mensen die heel kwetsbaar is en het zelf niet goed redt. Die kun je ondersteuning en bescherming bieden. In de vorm van opnames bijvoorbeeld, en activiteiten, een sociale werkplaats, ze helpen uit bed te komen. Maar dat onderscheid ik van therapie, van zeggen: u gaat herstellen.”

Wie zijn dat dan, die het ‘niet redden’?

„Ik denk vooral aan mensen met een psychotische kwetsbaarheid, en ernstige chronisch depressieve mensen. Maar het is belangrijk te benadrukken dat het echt een kleine groep is. De meerderheid zal zelf uit bed moeten komen.”

Een kleine groep mensen heeft ontzettende pech en zal een heel moeilijk leven houden

Maar de grens tussen ernstig en minder ernstig psychisch leed is heel moeilijk te bepalen, schrijft u zelf.

„Dat klopt. Daar heb ik ook geen oplossing voor. Kijk, als de zorg eenmaal veel terughoudender is, als het gelukt is om die verwachtingsomslag te maken, dan zal er dus een groep overblijven die ondanks allerlei beschermingspogingen een marginaal bestaan blijft leiden, en mensen die buiten overlast veroorzaken. Het klinkt harteloos, maar ik denk dat je dat moet verdragen. Als je zegt: we kunnen niet accepteren dat die niet behandeld worden, dan doe je alsof je iets te bieden hebt wat je niet te bieden hebt. Een kleine groep mensen heeft ontzettende pech en zal een heel moeilijk leven houden. Zowel op individueel niveau als op maatschappelijk niveau zullen we dus dingen moeten verdragen die niet maakbaar zijn. Maar het overgrote deel van de mensen redt zich; daar moet je ook op kunnen vertrouwen.”

U schrijft ook dat we suïcide moeten accepteren.

„Dat is een beetje een stokpaardje van me. De gedachte dat therapeuten mensen van suïcide kunnen weerhouden is ongefundeerd. De halve ggz wordt gegijzeld door de angst dat iemand zich suïcideert en dat er dan een klacht komt en dat het jouw schuld is. Deels is dat gewoon menselijk schuldgevoel: had ik iets anders kunnen doen? Maar er wordt ook eindeloos gevraagd: heb je het protocol wel gevolgd, is alles wel volgens de regels gegaan? Terwijl ik niet zou weten hoe je moet onderbouwen dat er enige relatie is tussen wat de therapeut doet en of iemand wel of niet blijft leven. Daarom moet je dat loslaten. Die vreselijke last gaat er dan ook een beetje af. Naasten en therapeuten voelen zich dodelijk schuldig, over het algemeen. Maar je kunt niet iemand behouden voor het leven die dat niet wil.”

Bent u niet bang dat als die maatschappelijke omslag lukt, de mensen die het kunnen betalen naar alternatieve kwakzalvers rennen voor therapie?

Flip Jan van Oenen: Verdragen. Over de hulp helpt-mythe. Uitgeverij Boom, 292 blz. € 29,25

„Ja, dat zal wel. Of naar therapeuten die de wetenschappelijke literatuur terzijde schuiven. Maar dat vind ik geen reden om te blijven doen wat we doen. En het akelige is natuurlijk dat het deels om geld gaat. Zodra dingen niet meer vergoed worden, gaan mensen er veel minder gebruik van maken. Ik wil het economische aspect niet te veel vooropstellen, maar wat zijn de keuzes? Je kunt als samenleving zeggen: het is een schande dat een heleboel mensen nog niet behandeld worden, we gaan koste wat kost zorgen dat het enorme ggz-aanbod waar mensen om vragen er komt. Maar dat is gewoon niet haalbaar. We hebben nu al gigantische tekorten van middelen en mensen.

„En je kunt niet tegen mensen zeggen: als we het geld hadden voor meer therapie zou het beter met u gaan. Dat is een verschrikkelijke boodschap die bovendien niet klopt. Dan is het zuiverder om te zeggen: we hebben de middelen niet, maar het is niet zo dat we u iets onthouden; de kans is groot dat therapie u niet beter maakt en dat u slechter af bent wanneer u het vertrouwen verliest dat u het zélf kunt. Dat vind ik als maatschappij een veel logischer stellingname.”

Hoe ‘gekke koningen’ als Trump al eeuwen voor problemen zorgen

Geschiedenis 
De laatste weken is diverse keren gesuggereerd dat Donald Trump geestelijk incapabel is. Onberekenbare leiders hebben in het verleden vaak voor geweld gezorgd – intern en extern.

Bart Funnekotter, NRC
Gepubliceerd op
21 januari 2026 om 13:12

De ontvoering van een staatshoofd, het goedpraten van de gewelddadige dood van een demonstrant, de juridische stalking van de baas van de Centrale Bank en het bedreigen van een bondgenoot omdat je een deel van zijn grondgebied begeert: Donald Trump is het jaar 2026 ontremd begonnen.

Nobelprijswinnend econoom Paul Krugman noemde in zijn nieuwsbrief de Amerikaanse president daarom vorige week een „Mad King”, en commentator Martin Wolf van de FT en New York Times-columnist Maureen Dowd vergeleken Trump al eerder met een gekke koning – en dat was nog vóór diens kattenbelletje aan de Noorse premier Jonas Gahr Støre, waarin de president zich op dreigende toon beklaagde over het feit dat hij de Nobelprijs voor de Vrede was misgelopen.

Voor Amerikaanse psychiaters geldt de zogenoemde Goldwater rule – je mag geen diagnose stellen zonder iemand persoonlijk te hebben onderzocht – maar Democratische politici zijn aan deze regel niet gebonden. De afgelopen dagen concludeerden meerdere afgevaardigden en senatoren dat Trump geestelijk niet in orde is en dat het kabinet een beroep moet doen op het 25ste amendement van de Grondwet. Deze bepaling voorziet in de mogelijkheid de president uit zijn ambt te zetten als hij niet langer in staat is het uit te voeren.

Dat Amerikanen grijpen naar een vergelijking met een gekke koning is niet vreemd. Theodore Roosevelt (regeerperiode 1901-1909) was zich goed bewust van de enorme macht die hij had. Hij schreef: „De president van de Verenigde Staten neemt een positie in van bijzonder belang. In de hele wereld is er geen heerser, zeker geen heerser die werkt onder vrije instituties, wiens macht te vergelijken is met die van hem. Alleen een despotische koning heeft meer macht.”

En het was nota bene uit een conflict met zo’n despotische koning dat in 1776 de Verenigde Staten werden geboren. George III van Groot-Brittannië was bovendien psychisch ziek. De oorzaak daarvan was niet de stofwisselingsziekte porifyrie, zoals bijvoorbeeld in de film The Madness of King George (1994) werd beweerd. Volgens biograaf Andrew Roberts leed George aan een bipolaire stoornis, waarbij periodes van depressie en manie elkaar afwisselden.

De koning wist van deze episodes dat hij op het punt stond af te dalen in een beangstigende wereld waarin hij geen controle meer had over zijn gedachten. Dat hij behandeld werd alsof hij gek was, noemt Roberts „monsterlijk”. Zijn zoon en belangrijke politici vochten tijdens George’ slechte periodes om de macht, wat zorgde voor instabiel beleid.

Nero vertoonde ernstig gestoord gedrag

Een blik op de geschiedenis leert dat dit vaker gebeurde wanneer er een mentaal wankel persoon aan het hoofd van een staat voor een machtsvacuüm zorgde. Het is daarbij wel van belang in de gaten te houden wie er opschreef dat een koning gek was. Zo’n auteur had vaak een appeltje te schillen met de vermeende patiënt. In het Oude Testament staat bijvoorbeeld dat de Babylonische koning Nebukadnezar II leed aan de verschijnselen van boantropie, een aandoening waarbij de patiënt denkt dat hij een rund is. Nebukadnezar stond er bij de Joden echter bijzonder slecht op omdat hij in 587 v.Chr. de tempel van Jeruzalem vernietigde en het Joodse volk in ballingschap voerde. Als straf voor zijn opschepperij hierover liet Jaweh hem zeven jaar lang leven als een dier – aldus het Boek Daniël

De Romeinse keizers van het Julio-Claudische huis zijn er in de geschiedschrijving ook niet goed van afgekomen. Tiberius (r. 14-37) en Caligula (r. 37-41) waren, aldus de bronnen, pervers en paranoïde, maar vooral Nero (r. 54-68) vertoonde volgens historici als Tacitus, Cassius Dio en Suetonius ernstig gestoord gedrag. Hij vermoordde onder meer kritische senatoren, zijn moeder en twee echtgenotes. In zijn biografie tracht John Drinkwater uit de antieke beschrijvingen te destilleren wat er nu écht mis was met Nero, met daarbij alle slagen om de arm dat zoiets 2.000 jaar later erg moeilijk is. Hij komt tot de conclusie dat de keizer niet ‘gekker’ was dan zijn tijdgenoten, maar wel persoonlijk zeer onzeker en als het moest politiek meedogenloos.

De koning dacht dat hij van glas was

Dichter bij het heden zijn de contemporaine beschrijvingen van ‘gekke koningen’ betrouwbaarder. Karel VI van Frankrijk (r. 1380-1422) beleefde in dertig jaar in totaal 44 psychotische episodes. Zijn wanen zorgden er onder meer voor dat hij zijn eigen mannen gewapend te lijf ging en zich maandenlang niet waste. Ook was er een periode waarin hij dacht dat hij van glas was. Volgens paus Pius II liet de koning toen ijzeren staven in zijn kleding bevestigen, zodat hij niet zou breken.

Karels ziekte maakte Frankrijk op een cruciaal moment in de Honderdjarige Oorlog tegen Engeland stuurloos. Verschillende facties aan het hof vochten om de macht, wat uitmondde in een burgeroorlog en een aantal desastreuze nederlagen tegen de Engelsen. Karel overleed in 1422, hetzelfde jaar dat in Engeland Hendrik VI aan de macht kwam. Toevallig (of juist niet, want ze waren aan elkaar verwant) was het nu de Engelse koning die mentale kwalen ontwikkelde. Hij vertoonde al een tijdje zorgwekkende symptomen toen hij op zijn 31ste in een ernstige crisis belandde. Volgens de kronieken zorgde „een plotselinge en onfortuinlijke schrik” ervoor dat hij anderhalf jaar lang „noch het gevoel noch het verstand had om de regering te leiden, en noch arts noch medicijn kon die zwakte genezen”.

Hendrik kwam uiteindelijk weer bij zinnen, maar kende hierna nog meerdere episodes waarin hij in totale lethargie verdween, stemmen hoorde en tijdens een veldslag lachend en zingend onder een boom ging zitten. Er is daarom wel geconcludeerd dat hij schizofreen was. Net zoals in Frankrijk leidde het onvermogen van de koning om te regeren tot een burgeroorlog, de zogenoemde Rozenoorlogen. Hendrik overleed uiteindelijk op 49-jarige leeftijd onder verdachte omstandigheden in de Tower van Londen.

Koning George III moest drie eeuwen later zijn periodes van waanzin niet met de dood bekopen en er brak in Groot-Brittannië geen burgeroorlog uit, maar er was dus wel sprake van ernstige interne politieke onrust en een revolutie in Amerika. Zijn tijdgenoot Christiaan VII van Denemarken (r. 1766-1808) zorgde in zijn koninkrijk ook voor problemen. Lijfarts Johann Friedrich Struensee – die vanwege zijn band met de vorst de facto optrad als regent – noteerde dat Christiaan in zichzelf mompelde, tics in zijn gezicht had en ongecontroleerde bewegingen maakte. Zijn kwaal is achteraf wel gediagnosticeerd als schizofrenie, terwijl andere wetenschappers een ernstig geval van het syndroom van Tourette vermoedden. In ieder geval zorgden ook in Denemarken de mentale problemen van de koning voor een richtingenstrijd aan het hof.

Koning Lodewijk II van Beieren – bouwer van het ‘sprookjeskasteel’ Neuschwanstein – was misschien wel de eerste vorst die een officiële diagnose kreeg. Hij werd in 1886 door de psychiater Bernhard von Gudden onderzocht omdat hij al jaren verontrustend gedrag vertoonde (dwangstoornissen, auditieve en visuele hallucinaties, urenlange scheldpartijen). Zijn arts concludeerde dat hij „in vergaande mate zielsgestoord” was en bovendien „paranoïde”. De koning werd uit zijn ambt gezet en opgevolgd door zijn broer Otto I, die zijn werk aan een regent moest overlaten omdat ook hij met ernstige mentale problemen te kampen had. Lodewijk zelf werd later in 1886 dood aangetroffen in een meer, samen met zijn psychiater. Of het een ongeval, moord of zelfmoord betrof is nooit met zekerheid vastgesteld.

Handboek van de psychiatrie

Van de mannen hierboven werd door hun tijdgenoten al geconstateerd dat er iets niet goed met ze was. Andere leiders – denk aan Dzjengis Khan en Vlad Dracula (en Stalin en Hitler) – werden door hun tegenstanders en slachtoffers gezien als kwaadaardig, maar niet per se als ‘gek’, terwijl ze anno 2026 hoog zouden scoren op een aantal categorieën in de DSM-5, het handboek van de psychiatrie.

In tijden van door God gegeven koningschap, zat het establishment met het probleem dat de heerser formeel niet uit zijn functie kon worden gezet. Een mad king zorgde daardoor voor instabiele en vaak gewelddadige situaties waarin hovelingen de macht naar zich toe probeerden te trekken. Dat probleem bestaat in een democratie niet, net zomin als het gevaar dat erfelijke heersers van generatie op generatie mentale kwetsbaarheden doorgeven.

En toch zitten de Verenigde Staten nu met een leider opgescheept die volgens zijn critici niet goed bij zijn hoofd is. In vroeger tijden leidde de heerschappij van zo’n gekke koning vaak tot geweld – intern en extern. Het is afwachten wat de (nabije) toekomst in petto heeft.