Religie Christelijke zionisten speculeerden al in de negentiende eeuw over het einde der tijden in het Midden-Oosten. In de VS hebben predikers en techmiljardairs de Apocalyps ontdekt.
Sjoerd de Jong, NRC
Gepubliceerd op5 maart 2026 om 15:22.
Brengt de ‘epische woede’, zoals de Amerikaanse aanval op Iran is gedoopt, het einde der tijden nabij – en dus de terugkeer van Christus? Sommige evangelische predikers geloven het. Israël en het Midden-Oosten zijn voor hen het projectiescherm van eindtijdfantasieën en speculaties over een Nieuwe Aarde.
Ook in het Amerikaanse leger, dat van Trumps zelfverklaard ‘minister van oorlog’ Pete Hegseth een leger van „krijgers” moet worden, duiken die apocalyptische overtuigingen op. Bij de Military Religious Freedom Foundation kwamen, zo bericht The Guardian, ruim tweehonderd klachten binnen van militairen die klagen dat hun superieuren de aanval op Iran uitleggen als onderdeel van Gods plan of als opmaat naar de eindstrijd met Satan bij Armageddon.
Dat zal gesneden koek zijn voor evangelisten als de Texaanse dominee John Hagee. In zijn Cornerstone Church in San Antonio verkondigt hij al jaren dat oorlog in het Midden-Oosten, na de terugkeer van het Joodse volk naar het Heilige Land, de wederkomst van Jezus zal voortbrengen. Een vredesregeling tussen Israël en de Palestijnen, die dat in de weg zou staan, noemde hij in 2023 dan ook het werk van de antichrist, de tegenhanger van Jezus. De eindstrijd moet er komen, in of om Israël – de Joden zijn in dat programma niet meer dan een instrument.
Die christelijk-zionistische overtuiging, nu vooral wijdverbreid in de VS, heeft lange historische wortels. Op basis van passages in de Bijbel speculeerden Britse dominees al vanaf de zeventiende eeuw over de terugkeer van het uitverkoren volk naar Israël (Zion) als prelude van de Eindtijd en de terugkeer van Christus. Invloedrijk was de aristocraat en sociaal hervormer Anthony Shaftesbury (1801-1885), politiek strijder tegen kinderarbeid en dierenmishandeling. Uit religieuze motieven ijverde hij voor Joodse vestiging in het destijds Ottomaanse Palestina, in de verwachting dat de Apocalyps nabij was. Ook in Nederland leefde dit christenzionisme, vooral in orthodox-gereformeerde kring. Het kreeg een impuls door de stichting van Israël in 1948 en de daaropvolgende oorlogen met Arabische buurlanden.
De apocalyptische verwachtingen (van het Griekse apokalupsis, ‘onthulling’ of ‘openbaring’) zijn gebaseerd op Bijbelteksten die een eindstrijd met Satan en de wederkomst van Jezus voorspellen. In de Openbaring van Johannes wordt die geplaatst bij Armageddon, de vlakte bij het Noord-Israëlische plaatsje Megiddo, waar in de oudheid veel veldslagen plaatsvonden. Wat er staat te gebeuren vermeldt ook de tweede brief van Paulus aan de Thessalonicenzen (2:3-4): „Want de dag [van de Heer] komt niet, tenzij eerst de afval gekomen is en de mens van de wetteloosheid, de zoon van het verderf, geopenbaard is. De tegenstander, die zich ook verheft boven al wat God genoemd of als God vereerd wordt, zodat hij als God in de tempel van God gaat zitten en zichzelf als God voordoet.”
Satan daalt af naar de aarde, illustratie van Gustave Doré.FOTO GETTY IMAGES
Een doctrinair onderscheid is dan nog dat tussen ‘premillenialisten’, die geloven dat Jezus zal terugkomen om zelf Satan te verslaan en het Duizendjarig Rijk te vestigen, en ‘postmillenialisten’, die ervan uitgaan dat eerst dat Rijk moet worden gevestigd voordat Jezus zijn opwachting maakt. De eerste variant leeft sterk onder evangelisch christenen in de VS. Evenals de theologisch omstreden notie van rapture, de opname van de ware gelovigen in de hemel voordat de eindstrijd uitbreekt.
Binnen het christendom zijn dit randbewegingen, die vaak haaks staan op de kerkleer en theologie, maar wel invloedrijke. Populaire uitwerking kregen Eindtijd-thema’s in de VS vanaf de jaren tachtig in christian fiction, romans over religieus leven, bekering en verlossing. In de bestseller-reeks Left Behind (1995-2007) van de evangelisten Tim LaHaye en Jerry Jenkins vecht een groep op aarde achtergebleven gelovigen (de uitverkorenen zijn opgenomen in de rapture) in het Midden-Oosten de Eindstrijd uit met de antichrist, de ‘wetteloze mens’ uit de Bijbel die de plaats van God inneemt. In de reeks (die liep tijdens de Irak-oorlog) is dat de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, die in een legervoertuig de troepen van Satan aanvoert. Aan het einde van de cyclus keert Jezus glorieus terug om de strijd te beslechten.
Dat klinkt bizar, maar afkeer van een ‘totalitaire wereldregering’ is een diep cultureel thema in de VS, een natie die per slot van rekening werd geboren uit afscheiding van een wereldrijk, het Britse. Religieus vertaald leeft het onder de christelijk-nationalisten in de VS, die een belangrijke schakel zijn in Trumps MAGA-coalitie. Zij zien in de zondaar Trump, een man die onbesmuikt erkent zijn vijanden niet lief te hebben maar te haten, een breekijzer om een gevallen samenleving recht te zetten en het Rijk Gods naderbij te brengen.
Ambassade in Jeruzalem
Voor een deel van zijn bewonderaars geldt dat op wereldschaal. Trumps verplaatsing in 2018 van de Amerikaanse ambassade in Israël van Tel Aviv naar Jeruzalem, de heilige christelijke stad, was voor hen meer dan politiek. Het was een symbolische stap in de spirituele oorlog tegen Satan. Ook de Republikeinse senator Ted Cruz van Texas verdedigde de eerdere aanval van Israël op Iran vorig jaar op Bijbelse gronden. „Wie Gods zegen zoekt, moet Israël steunen”, aldus Cruz.
Maar lang niet iedereen in de MAGA-coalitie denkt er zo over. Trumps leus was immers niet voor niets America First. Cruz werd direct gekapitteld door tv-ster Tucker Carlson die, net als veel MAGA-aanhangers van het eerste uur, wars is van buitenlandse avonturen.
Op sommige christelijke sites is uitleg te vinden hoe de aanval op Iran al dan niet zou passen in de Bijbelse boodschap
In Nederland is de noodzaak om ‘geestelijke strijd’ te leveren tegen Satan onder meer te vinden bij Christenen voor Israël. De stichting streeft ernaar Nederlanders „bewust te maken van de betekenis van het Joodse volk in Gods handelen met deze wereld, Gods liefde voor Zijn volk en Zijn komende koninkrijk”. Ook bij de messianistische vereniging Hadderech, die Joden en christendom wil samenbrengen, leven Eindtijd-verwachtingen. Zo zag Eppo Bruins, actief in de vereniging en later minister van Onderwijs, in zijn Pesach-lezingHoe heerlijk zal dat zijn (2022) tekenen dat „de beloofde wederkomst nabij is”, na tweeduizend jaar „verblind te zijn geweest door Griekse gedachten en Romeinse instituties”.
Ook geven sommige niet-kerkgebonden christelijke sites uitleg hoe de aanval op Iran zou passen in de Bijbelse boodschap. De site Cvandaagziet duidelijk parallellen maar tekent ook aan: „De Bijbel gebruikt geschiedenis niet als blauwdruk voor geopolitieke voorspellingen. Christenen doen er goed aan parallellen te herkennen als symbolische echo’s, niet als exacte herhalingen.” Bij de parallellen gaat het vooral om het oudtestamentische verhaal van Esther, die in Perzië uitroeiing van de Joden door de boosaardige Haman listig wist te voorkomen. De nederlaag van Haman wordt gevierd in het Poerim-feest, dit jaar net rond de aanval op Iran. Cvandaaghaalt predikant Oscar Lohuis van Christenen voor Israël aan, die als reactie op de oorlog verzekert dat „alle Hamans roemloos ten onder zullen gaan”.
Techmiljardairs
In de VS zijn het intussen niet alleen christelijk-nationalisten die bevlogen raken door de hoop dat alles anders zal worden na een vurige periode van chaos en ontwrichting. Fascinatie met de apocalyps heerst ook onder techmiljardairs uit Silicon Valley als Elon Musk en Peter Thiel, die koortsdromen koesteren over de toekomst van de mensheid. Religieus gezag en technologische innovatie, menen zij, moeten de overbevolkte wereld van de ondergang redden – althans hún wereld. Sociaal criticus en schrijver Naomi Klein trekt in opiniestukken en interviews van leer tegen wat zij het „eindtijdfascisme” noemt,onder een flinterdunne elite van kapitalistische superrijken.
Miljardair Thiel, medeoprichter van PayPal en Palantir en ooit mentor van vicepresident JD Vance, is daarvan het meest frappante voorbeeld. Thiel zette zijn eschatologische, „onorthodoxe christendom” eind vorig jaar uiteen in vier meanderende lezingen in San Francisco, een stoofpot van apocalyptisch christendom, rechts-revolutionaire filosofie, complottheorieën en sciencefiction. Thiel beriep zich onder meer op de Bijbel, Tolkiens The Lord of the Rings en de Duitse jurist Carl Schmitt (1888-1985) die Hitlers dictatuur rechtvaardigde en het universele idee van ‘de mensheid’ afdeed als een liberale illusie.
Thiel neemt van Schmitt ook het aan de Bijbel ontleende idee over van de katechon, een mens of kracht die de dreigende wereldheerschappij van Satan zo lang mogelijk moet tegenhouden, in afwachting van de komst van Jezus. Ook Thiel denkt dat de antichrist in aantocht is. Die zal, verwacht hij, anno 2026 niet aantreden als VN-secretaris-generaal maar eerder als een Luddiet, een valse profeet die zich verzet tegen technologische vooruitgang zoals de Britse textielarbeiders in de negentiende eeuw weefmachines kapotsloegen (ze vernoemden zich naar een legendarische arbeidersheld, Ned Ludd).
Over wie hebben we het dan? Greta Thunberg natuurlijk. Thiel verwees eerder al eens naar de 23-jarige Zweedse klimaatactivist als geschikte kandidaat voor de positie van antichrist, omdat zij de mensheid angst aanjaagt voor klimaatrampen en technologie, het soort dat Thiel levert. In zijn lezingen in San Francisco kwam hij daar een beetje op terug. Thunberg was wie weet „een soort schaduw van de antichrist”, maar hij wilde haar niet „te veel vleien”. Over de Joden merkte hij op dat hun „koppigheid” tegenover de boodschap van Jezus – een klassiek antisemitisch thema: Joden als Christus-weigeraars – straks misschien juist goed van pas komt in de strijd tegen de antichrist. Zij konden wel eens „de kern van het verzet” worden.
Achter zulke quasi-christelijke oprispingen schuilt niet alleen een miljardair met voldoende vrije tijd om aan ‘filosofie’ te doen en met een goed gevoel voor pop culture (Thiel verwijst ook volop naar films en videogames). Ze drukken volgens Naomi Klein de angst uit van een achter hoge muren verschanste kaste superrijken die veel te verliezen heeft bij een ‘wereldregering’ of bij groter democratisch toezicht op hun investeringen en vermogens. Aantasting daarvan zou voor hen pas echt het einde der tijden zijn.
RECENSIE Beeldende kunst Het museum voor modern realisme in Gorssel toont Italiaanse schilderkunst uit het midden van de vorige eeuw: lichter en kleurrijker dan het Nederlandse realisme, maar ook met een ongemakkelijke zweem van fascisme.
Gijsbert van der Wal 4 maart 2026 vanuit Gorssel
Afbeeldingen vergroten door te klikken Giorgio de Chirico: Italian Square with Pool, (1938). BEELD PALAZZO MAFFEI FONDAZIONE CARLON, VERONA
Het is lekker druk in Museum MORE, en je begrijpt wel waarom. Het particuliere museum, gevestigd in een groot en licht nieuw gebouw in Gorssel bij Zutphen, begon ruim tien jaar geleden als een officieuze opvolger van het in de kredietcrisis gesneuvelde Scheringa Museum voor Realisme. In die tien jaar is het uitgegroeid tot een museum voor moderne figuratieve kunst in brede zin, van het interbellumrealisme van Jan Mankes, Pyke Koch en Carel Willink tot de recente tekeningen op groot formaat van Marijn Akkermans, Jans Muskee en Raquel Maulwurf, de wiebelige keramiekstillevens van Koos Buster en een flinke verzameling zelfportretten, met uiteenlopende hedendaagse kunstenaars als Levi van Veluw, Matthijs Röling, Rineke Dijkstra en Anton Valens. Op de begane grond is een leuke keuze uit die vaste collectie gepresenteerd – thematisch, niet chronologisch, zodat duidelijk blijkt dat de figuratieve kunst van de afgelopen eeuw één samenhangend verhaal van leesbare beelden is, één grote weergave van de zichtbare wereld. Zo liefdevol en zorgvuldig als hier wordt het eigen bezit van een museum niet vaak geëxposeerd.
De zalen op de eerste verdieping zijn bestemd voor tijdelijke tentoonstellingen en om de zoveel jaar biedt MORE daar een internationale context bij de Nederlandse kunst beneden. Eerder waren er tentoonstellingen te zien over Brits en Europees realisme uit de jaren twintig en dertig, naïef realisme wereldwijd en figuratieve kunst uit het vroegere Tsjecho-Slowakije. Nu wordt er in Magico! een overzicht geboden van de Italiaanse realistische schilderkunst uit de eerste helft van de twintigste eeuw, met een beetje uitloop naar de jaren vijftig en zestig.
De aankleding is ijssalon-achtig, met wanden en banieren in zachte kleuren en kleurbanen. Op de bordjes staat af en toe een bekende naam: Gino Severini’s gitaarspelende Pulcinella uit Museum Boijmans Van Beuningen is present en van Giorgio de Chirico hangt er een landschap met de voor hem typerende combinatie van naïef perspectief en verfijnde schaduwen. Maar verder is Magico! een tentoonstelling als een eerste ontmoeting, want de meeste getoonde Italianen zijn in ons land onbekend. Toch doet hun stijl van schilderen regelmatig vertrouwd aan. De eenvoudige stillevens in verstofte kleuren van Edita Broglio doen aan die van onze Wim Schuhmacher denken, Gregorio Sciltians portretten zijn verwant aan die van Carel Willink en Antonio Donghi had met zijn illustratief geschilderde ouderwetse speelgoedwereld een Italiaanse achterneef van Hermanus Berserik kunnen zijn.
Cagnaccio di San Pietro: Vrouw voor de spiegel (1927). BEELD FONDAZIONE CARIVERONA
Ongemakkelijke, kille verhevenheid
Waardoor onderscheiden de Italiaanse realisten zich van hun Nederlandse tijd- en soortgenoten? Soms natuurlijk door het zuidelijke licht: zie de harde schaduwen bij De Chirico, en zie ook Ada in de tuin (1927) van Stanis Dessy. Het model staat in de schaduw, maar in die schaduw worden nog weer diepere schaduwen getekend door het felle zonlicht daarbuiten, en datzelfde zonlicht reflecteert in haar ogen. Verder lijkt het Italiaanse interbellumrealisme wat uitgesprokener van kleur dan het Nederlandse. Een stilleventje als dat in Vrouw voor de spiegel (1927) van Cagnaccio di San Pietro, met vuurrode make-upspullen op een knalblauw tafeltje, zul je bij Mankes, Schuhmacher of Hynckes niet tegenkomen.
Op een ander verschil is moeilijker de vinger te leggen: de zweem van fascisme, waar een aantal van de Italiaanse realisten niet onwelwillend tegenover stond. Misschien zie je het alleen omdat je het weet. Er wordt niet met vlaggen gezwaaid en er zijn geen uniformen of portretten van Mussolini te zien, maar er spreekt een ongemakkelijke, kille verhevenheid uit de neo-classicistische decors, de verbeten, strak belijnde koppen, de visionaire blikken, de smetteloze schildertrant.
Carlo Levi: Francesca (1927). BEELD FONDAZIONE CARLO LEVI / PICTORIGHT
Francesca (1927) van Carlo Levi zit in rustig strijklicht te poseren op een stoeltje op een tapijt met veel blauwen en roden; haar rode vest oogt lekker warm tegen een wat gedempter rode achterwand die ook al warm is – maar met haar valse poppenblik en haar helmachtige kapsel (met strakke middenscheiding) wint ze geheid iedere auditie voor een hoofdrol in een horrorfilm. Een door Mario Reviglione geportretteerde theoloog, helemaal in het zwart en met een strenge blik onder de zwarte hoed, is ook op een filmische manier griezelig.
Hoogst curieus is Sciltians Bacchus in de herberg (1936) uit het museum voor moderne kunst in Rome. Vier jonge mannen aan een gedekte tafel worden verrast door de halfnaakte Bacchus, god van wijn en dronkenschap. De compositie met evenwichtig verdeeld geel, rood, groen en blauw, het theatrale licht, de blikken en houdingen en de stillevens op en om de tafel doen allemaal aan Caravaggio denken – en toch blijkt uit bijvoorbeeld de kleding en de kapsels meteen dat we in de jaren dertig van de twintigste eeuw zijn. Het desolate stadsgezicht achter Bacchus heeft Sciltian van De Chirico geleend. Uiteindelijk is het een tamelijk lelijk, geforceerd schilderij. Make Italy great again. Maar je blijft toch een tijd staan kijken, want boeiend is het wel. En daarin is het representatief voor Magico! Er zullen weinig bezoekers wildenthousiast over het Italiaanse realisme naar buiten lopen, maar het is een welkome, leerzame tentoonstelling die je in geen enkel ander Nederlands museum te zien krijgt.
Ubaldo Oppi: The Artist’s Wife with Venice in the Background, (1921Felice Casorati: Beethoven, (1928)Eigen toevoegingen over Carlo Levi _____________
_____________
Carlo Levi, detail ‘Lucania ‘61’, 1961 – uit ‘Christus kwam niet verder dan Eboli’ Carlo Levi ’s drieluik ‘Lucania ‘61’ (321x1865cm), Musei nazionali di Matera.
Christus kwam niet verder dan Eboli (1945) – Carlo Levi’s autobiografie.
In het zuiden van Italië ligt een onherbergzaam gebied, waarvan de inwoners zich in barre omstandigheden door het leven moeten zien te slaan. In 1935 werd arts, auteur en schilder Carlo Levi (1902-1975) naar het Siberië van Italië verbannen wegens antifascistische activiteiten. Hij genoot er een beperkte bewegingsvrijheid, maar werd vanwege zijn beroep door de notabelen als een der hunnen gezien. De gewone dorpelingen hoopten vooral dat Levi hun medische zorg zou kunnen bieden. Cristo si è fermato a Eboli is een Italiaanse dramafilm uit 1979, gebaseerd op de roman van Carlo Levi.
Eboli ligt bij Amalfi (rode stip), westelijk Tricarico en Matera (Musei nazionale).
Westelijke Jordaanoever Een 28-jarige Palestijnse man is zaterdag doodgeschoten door een kolonist in het dorpgebied van Masafer Yatta. Afgelopen maandag werden ook al twee Palestijnse broers door een kolonist doodgeschoten.
Gepubliceerd op
Or Goldenberg, NRC
Twee rouwende mannen zitten buiten het mortuarium van een ziekenhuis waar de lichamen van de Palestijnse broers Mohammad en Faheem Mo’mar, naartoe zijn gebracht. Volgens het Palestijnse ministerie van Volksgezondheid werden zij maandag door Israëlische kolonisten doorgeschoten in hun dorp Qaryut. FOTO MAJDI MOHAMMED/ AP
Een Israëlische kolonist heeft zaterdag een 28-jarige Palestijnse man, Amir Shnaran, doodgeschoten in het dorpgebied van Masafer Yatta, ten zuiden van de Palestijnse stad Hebron. De broer van Amir Shnaran, de 33-jarige Khaled Shnaran, zou ernstig gewond zijn geraakt. Dat meldt het officiële Palestijnse persbureau Wafa, gebaseerd op lokale medici en activisten. Het aantal Palestijnen dat sinds het begin van dit jaar door kolonisten zijn gedood is na vandaag opgelopen tot vier.
De Israëlische politie en militaire politie zegt het incident te onderzoeken, aldus de Israëlische krant Haaretz. Volgens het leger is de schutter een kolonist die als reservist ter plaatse kwam nadat hij een melding kreeg over confrontaties tussen kolonisten en Palestijnen. Masafer Yatta wordt regelmatig aangevallen door Israëlische kolonisten. Dat werd ook vastgelegd door Israëlische en Palestijnse filmmakers in de Oscar-winnende documentaire No Other Land.
Afgelopen maandag werden twee Palestijnse broers, Muhammad (52) en Fahim Taha Muammar (48) door een Israëlische kolonist doodgeschoten in Qaryut, een Palestijns dorpje in de buurt van de stad Nablus ten noorden van de illegaal bezette Westelijke Jordaanoever. Volgens Haaretz wordt ook dit incident onderzocht door de militaire politie van het Israëlische leger. Volgens getuigen begon de escalatie toen Joodse kolonisten met bulldozers de olijfboomgaarden van de dorpsbewoners betraden. Na de schietpartij nam het Israëlische leger de bulldozer in beslag. Het IDF veroordeelde volgens de Israëlische krant de schietpartij en zei dat het „het incident uiterst serieus neemt”.
Vorige week zaterdag, vlak nadat Israël en de Verenigde Staten de oorlog tegen Iran afkondigden, sloot het Israëlische leger alle controleposten in de Westelijke Jordaanoever. Volgens het Palestijns-Israëlische nieuwsmedium +972Magazinedeelden soldaten afgelopen zondag pamfletten uit aan Palestijnen. Daarop stond dat het leger „een preventieve veiligheidscordon” zou hebben ingesteld „rond het hele gebied van Judea en Samaria”. Het gebruik van de Bijbelse benaming voor de Westelijke Jordaanoever, Judea en Samaria, is niet onomstreden omdat het volgens internationaal recht om door Israël bezet gebied gaat. Bovendien werd het verkeer tussen verschillende delen op de Westelijke Jordaanoever volgens dat pamflet „tot nadere orders” verboden.
Rembrandt Het Rijksmuseum Amsterdam presenteerde maandagochtend een nieuwe Rembrandt: Het visioen van Zacharias in de tempel (1633). Het schilderij was eerder afgeschreven als een Rembrandt, en 65 jaar lang niet in het openbaar getoond.
Merlijn Schoonenboom 2 maart 2026
Drie keer eerder werd het schilderij afgeschreven, 65 jaar lang is het niet meer in het openbaar te zien geweest, maar nu weet het Rijksmuseum in Amsterdam het zeker: Het visioen van Zacharias in de tempel (1633) „is een echte Rembrandt”. Maandagochtend presenteerde het museum op een persconferentie het schilderij als ontdekking van twee eigen onderzoekers.
Het schilderij, eigendom van een particulier die anoniem wil blijven, zal vanaf deze week als langdurig bruikleen in het Rijksmuseum komen te hangen. Het schilderij werd in 1898 ook al in het museum getoond, op de eerste overzichtstentoonstelling van Rembrandt ter gelegenheid van de inauguratie van koningin Wilhelmina. In 1960 werd het de eerste keer afgeschreven als zijnde een Rembrandt, en nadat het in 1961 was verkocht, was het niet meer door experts onderzocht.
Een paar dagen voor de persconferentie staat Het visioen van Zacharias in de tempel op een schildersezel in het restauratieatelier van het Rijksmuseum. Relatief klein is het, 60 bij 50 centimeter, olieverf op hout, met een tafereel uit de Bijbel, waarin Zacharias van de aartsengel Gabriël te horen krijgt dat hij en zijn vrouw ondanks hun hoge leeftijd een zoon krijgen, de latere Johannes de Doper. De twee onderzoekers, conservator en Rembrandt-kenner Jonathan Bikker en Petria Noble, hoofd van het restauratieatelier, staan ernaast, en laten via een powerpoint hun bewijzen zien dat de schilder de 27-jarige Rembrandt van Rijn moet zijn geweest.
In 2023 kreeg het museum een foto toegestuurd van de zoon van de koper uit 1961, met het verzoek het werk te onderzoeken. „Zijn vraag was niet, is dit van Rembrandt? Maar: is dit van Salomon Koning of Jan Lievens”, zegt Bikker. Het schilderij werd in 1961 wél gekocht als een Rembrandt, maar in de belangrijke catalogi sinds die tijd ontbrak het. In 1960 bestempelde een Duitse Rembrandt-deskundige het als een ‘Jan Lievens’, in 1969 schreef een andere onderzoeker het ook af, en het Rembrandt Research Project, tussen 1968 en 2014 dé Rembrandt-autoriteit, deed dat ook.
Petria Noble (r), hoofd van het restauratieatelier van het Rijksmuseum, onderzoekt het schilderij.FOTO RIJKSMUSEUM
Vroeger alleen zwart-witfoto’s of slechte reproducties
Maar Bikker vermoedt dat die eerdere onderzoekers het echte schilderij nooit hebben gezien, en alleen „zwart-witfoto’s of slechte reproducties” hadden om te beoordelen. Dat is nu anders, zegt hij: het Rijksmuseum had niet alleen de beschikking over het schilderij zelf, maar ook over hogeresolutiefoto’s, scanners en andere apparatuur waarmee ook De Nachtwacht de afgelopen jaren is onderzocht en gerestaureerd.
Het tweejarige onderzoek begon bij het materiaal: het hout van het paneel stamt volgens Bikker en Noble uit de periode waarin Rembrandt werkte, de verf is dezelfde als die hij in andere schilderijen gebruikte, en vergelijkingen met een ander, bijna identiek schilderij in een museum in het Duitse Schwerin laten zien dat dit het origineel moet zijn en die in Schwerin de kopie. Natuurlijk, zegt Bikker, alleen op basis van de informatie van het materiaal had het schilderij ook door een leerling of medewerker van Rembrandt geschilderd kunnen zijn, maar dat geldt volgens hem niet voor de „verfopbouw”, die „typisch is voor Rembrandt”, voor de handtekening die aanwijsbaar op de natte verf is aangebracht, en vooral: voor de stijl.
Petria Noble loopt naar het doek en wijst op een geschilderde plooi in het altaarkleed, die op de powerpointpresentatie op de laptop ernaast is uitvergroot: „Hier komt de onderliggende schets tevoorschijn, het is typisch voor Rembrandt om dat open te laten.” Bikker wijst op de kleine stipjes lichte verf die de stoffen en het wierookvat uitlichten; op de ogen van Zacharias die slechts puntjes zijn, maar voldoende om de emotie van ongeloof op het gezicht van Zacharias op te roepen. Ook loven de onderzoekers de compositie, die volgens hen „het spannendste moment van het verhaal” uitbeeldt: het moment dat Zacharias het nieuws te horen krijgt. Rechtsboven doet een lichtbron de engel vermoeden, maar je ziet hem niet – anders dan op andere, buitenlandse uitbeeldingen van dit thema; Rembrandt was de eerste in de Nederlanden die dit verhaal koos. „Ontroerend” noemt museumdirecteur Taco Dibbits de voorstelling in het persbericht.
Afbeeldingen vergroten door te klikkenRembrandt: Het visioen van Zacharias in de tempel (1633).FOTO RIJKSMUSEUM
‘Oordeel van Rijks niet zomaar een mening’
Maar kan het Rijksmuseum wel zo zeker zijn? Ja, zeggen Bikkers en Noble. De onderzoekers verwijzen naar twee kleine portretten die het museum in 2023 ook als herontdekte Rembrandts presenteerde: Jan Willemsz. van der Pluym en zijn echtgenote Jaapgen Caerlsdr. Volgens hen laten die portretjes en het nieuwe schilderij zien dat er nog steeds Rembrandts uit particuliere collecties kunnen opduiken. Maar de discussie die na de presentatie van ‘Jan en Jaapgen’ onder kunsthistorici over deze toeschrijving werd gevoerd, laat óók zien dat dergelijke recente herontdekkingen vaak omstreden zijn. Niet alleen de wetenschappelijke maar zeker ook de commerciële belangen zijn enorm: de naam Rembrandt voegt vele miljoenen aan de waarde toe.
Bikker sluit niet uit dat er nu ook discussie ontstaat, maar benadrukt wel dat het oordeel van het Rijksmuseum niet zomaar een mening is. Het is weliswaar geen „museumbeleid” om nu als een soort nieuw Rembrandt Research Project stempels van echtheid uit te gaan delen, zegt hij, maar „persoonlijk vind ik dat wij de enigen zijn met de kennis, de expertise en de apparatuur in huis”. Een commercieel belang heeft het museum daarbij niet, zegt hij: „Wij doen dit puur uit interesse. En om dichter bij Rembrandt te komen.”
De ontdekking – of eigenlijk: herontdekking – bevestigt volgens Bikker en Noble dat de jonge Rembrandt anders moet worden gezien dan kunsthistorici lang deden. Lang werd gezegd dat de schilder in zijn jonge jaren „fijn en netjes” schilderde, en dat hij pas op latere leeftijd grover, schetsmatiger en met minder kleuren ging werken. Maar dat klopt niet, zegt Bikker. Een ander Rembrandt-schilderij uit datzelfde jaar 1633, dat in het Getty Museum in Los Angeles onder de titel Daniel and Cyrus before the Idol Bel hangt, heeft dezelfde stijl. Al maakte Rembrandt toen nog vooral naam als portretschilder, het zijn taferelen die de schilder volgens Bikker ook op jonge leeftijd al het liefst maakte.
INTERVIEW Areej Sabbagh-Khoury | socioloog Veel Palestijnen zijn Israëlisch staatsburger. Hun positie wordt steeds meer ondermijnd. „Er worden tientallen wetten aangenomen die afbreuk doen aan hun rechten.”
Sjoerd de Jong
Gepubliceerd op
Eenmaal terug in Israël wil Areej Sabbagh-Khoury graag verder met haar interviews met Palestijnen in het land over hun strijd tegen de apartheid die ze er ervaren, ondanks hun formele status als staatsburgers. Voor een academisch boek dat Decolonizing Palestine moet gaan heten. „Ik wil de politieke ervaringen van Palestijnen in Israël onder woorden brengen aan de hand van hun getuigenissen. Dat heeft op die manier nog niemand gedaan en het zou een goed vervolg zijn op mijn eerste boek.”
Tot die tijd verblijft Sabbagh-Khoury nog in Nederland als fellow van het Netherlands Institute for Advanced Studies (NIAS) in Amsterdam, waar de Palestijnse socioloog – die Israëlisch burger is – op dinsdag 3 maart de jaarlijkse Wertheim-lezing van de Universiteit van Amsterdam geeft over haar onderzoek naar de positie van Palestijnen in Israël.
Sabbagh-Khoury (1979), verbonden aan de Hebrew University in Jeruzalem en aan de University of California in Berkeley, maakte naam met Colonizing Palestine: the Zionist Left and the Making of the Palestinian Nakba (Stanford University Press, 2023), een gedetailleerde studie van vroege contacten tussen kolonisten en inwoners van enkele Palestijnse dorpen. Ze laat zien dat die naast elkaar leefden en contacten onderhielden, maar dat tegelijk landaankoop en verdrijving al op gang kwamen. De Nakba (‘catastrofe’) van 1948 was geen harde breuk door het uitbreken van oorlog, aldus het boek, maar de culminatie van een lang proces van onteigening, segregatie en etnische zuivering. Origineel is dat ze de rol belicht van het socialistisch zionisme in dat historische proces, dat vaak wordt toegeschreven aan zionistisch rechts.
Er worden tientallen wetten aangenomen die afbreuk doen aan hun rechten, op allerlei terreinen
Naast haar studie van het zionisme onderzoekt ze de positie van Palestijnen binnen Israël, ongeveer twee miljoen mensen die vaak worden vergeten in de Gaza-protesten of bij de versnelde annexatie van de Westelijke Jordaanoever. Dit zijn Palestijnen die bij het uitroepen van de staat Israël in het land verbleven of kort daarop naar het gebied al dan niet heimelijk terugkeerden. Ook voor haar persoonlijk had het weinig gescheeld. Sabbagh-Khoury werd geboren in Mi’ilya, een Palestijns dorp waarvan de inwoners werden verdreven maar na interventie van de paus alsnog mochten terugkeren – het is een Grieks-katholiek dorp.
De Palestijnen in Israël zijn grotendeels Israëlische burgers, formeel met alle bijbehorende rechten (niet de inwoners van Oost-Jeruzalem, ingelijfd na de oorlog van 1967, die alleen ‘ingezetenen’ zijn). Officieel worden ze aangeduid als ‘Arabische Israëliërs’. „De naam Palestijn is officieel taboe, die identiteit moet worden uitgewist. Zo wordt een gekoloniseerd volk door de staat gereduceerd tot een minderheid, losgekoppeld van hun historicsche band met het land. ”
Ondanks die formele gelijkheid voor de wet wordt de rechtspositie van de Palestijnen in Israël volgens Sabbagh-Khoury in de praktijk al jaren – en steeds heviger – ondermijnd. „Er worden tientallen wetten aangenomen die afbreuk doen aan hun rechten, op allerlei terreinen. Een symbolisch hoogtepunt was natuurlijk de Wet op de natiestaat van 2018, die Israël omschrijft als ‘thuisland van het Joodse volk’. Die wet heeft het afbrokkelen van democratische rechten van Palestijnen in Israël gelegitimeerd, en ook de confiscatie van hun eigendommen. Een bekende Israëlische historicus heeft al eens openlijk gezegd dat [de eerste Israëlische premier] Ben-Gurion in 1948 een fout heeft gemaakt door ze niet allemaal te verdrijven.”
Naast wetgeving is er de praktijk. „Scholen van Palestijnen in Israël krijgen veel minder geld, de voorzieningen zijn overal slechter, in sommige wijken heerst wetteloosheid omdat de politie zich er gewoon niet laat zien. Er is geen ordehandhaving. Dan krijg je gang violence, met alle gebruikelijke methoden: afpersing, beschermingsgeld moeten betalen. De laatste tien jaar zijn daar meer dan 1.440 Palestijnen bij omgekomen, de laatste drie jaar alleen al 720, om precies te zijn. 80 procent van de doden die in Israël in 2025 vielen door misdaad zijn Palestijnen, die maar ongeveer 20 procent van de bevolking zijn. De staat laat het begaan.”
Sabbagh-Khoury ziet de „oorlog tegen Palestijnen” nu ook in Israël zelf woeden. „Alles wat naar Palestijnse identiteit of geschiedenis verwijst moet worden uitgewist. Ik noem het socio-politicide, het systematisch ontmantelen van de mogelijkheden van een gemeenschap om als een coherente politieke entiteit te bestaan. Dat gebeurt door marginalisatie, onteigening, criminalisering en onderdrukking van kennis. Je zag het op andere manieren in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever, maar het geweld slaat nu ook naar binnen, in Israël zelf. Dat is confronterend voor linkse Israëli’s die zich medeplichtig maakten aan de oorlog in Gaza door hun mond te houden. Zij hebben nu een probleem, het geweld komt in hun omgeving. Ik hoop dus dat ze hun privileges opgeven en samen met Palestijnen in verzet komen tegen de apartheid waaronder die leven.”
De massamoord van 7 oktober was een waterscheiding
Dat het Palestijnse leiderschap tot op het bot verdeeld is, maakt het nog erger. „De massamoord van 7 oktober was een waterscheiding”, zegt Sabbagh-Khoury. „Voor Palestijnen in Israël was die een schok. We zijn eraan gewend geraakt slachtoffers te zijn. Nu waren we opeens daders. Ik noem het een bloedbad, of de aanval nu gericht was tegen kolonisten of niet. Dit was in strijd met het internationaal recht. Natuurlijk heb je binnen elke bevrijdingsbeweging uiteenlopende visies, maar dit was een rode lijn. Dat vind ik als Palestijn die strijdt voor bevrijding vanuit een moreel standpunt, en als feminist.”
Wat kunnen Palestijnen dan doen? „Blijven bestaan. Er zijn en blijven, hoe moeilijk dat ook is. Hun morele rechten als inheemse bewoners van van het land articuleren, om niet weggedrukt te worden.”
Dat noemt ze in een artikel voor het tijdschrift Sociological Theory de paradox van „vestigingskoloniaal burgerschap”. Een inheemse bevolking die is opgenomen in de natiestaat van een kolonisator heeft enerzijds burgerrechten, maar krijgt anderzijds te maken met de dreiging van onderdrukking, marginalisatie of zelfs verdrijving. Het is óók de paradox van Israël dat tegelijk een Joodse én democratische staat wil zijn. Kan beide tegelijk? Sabbagh-Khoury: „Voor Palestijnen in Israël is het nu democratie voor de Joodse Israëli’s en een Joodse staat voor de Palestijnen.”
Na haar verblijf in Nederland keert ze terug naar Israël, waar haar gezin woont, al ligt ze daar geregeld onder vuur om haar publicaties en engagement. „Mensen vinden dat ik een risico neem, maar ik wil daar zijn en mijn rol spelen als Palestijnse academicus en intellectueel. Al is de toekomst ongewis, ja.”
De Wertheim-lezing van Areej Sabbagh-Khoury vindt plaats op dinsdag 3 maart om 17.30-19.00 in de Lutherse kerk te Amsterdam. Toegang vrij. Aanmelden via nias.knaw.nl.
Arthouse In ‘Sirât’ zoekt een vader zijn dochter die is vertrokken met een ravekaravaan in de Marokkaanse woestijn. Het is een film die met niets is te vergelijken: zowel spannend als spiritueel, zowel apocalyptisch als bevrijdend.
Dana linssen Gepubliceerd op17 februari 2026
De gebutste en gehavende rave-nomaden in ‘Sirât’. “Ik hou van ze, omdat ze met hun wonden leven”, zegt regisseur Oliver Laxe.
Arthouse
Sirât.Regie: Oliver Laxe. Met: Sergi López, Bruno Núñez Arjona, Jade Oukid, Stefania Gadda, Tonin Janvier, Richard ‘Bigui’ Bellamy. Lengte: 115 minuten.
Beoordeling: 5 van de 5.
●●●●●
Echte ravers hoef je het niet uit te leggen. Dance is trance. Of zoals mediatheoreticus McKenzie Wark schreef in haar boek Raving (2023): misschien eerder ‘re-associëren’ dan dissociëren. Dat ’terug in verbinding komen’ ligt dicht bij de tradities in het soefisme, de ‘spirituele islam’ waar regisseur Oliver Laxe (1982) zich mee verwant voelt. De bekende soefistische werveldans is bijvoorbeeld een vorm van actieve meditatie. En als je naar de ravers in Laxes nieuwe film Sirât kijkt dan zie je dat: geen escapisme, maar een andersoortige, transcendente zoektocht. De titel verwijst dan ook naar de brug die volgens de islam over de hel leidt, en die iedereen op de dag des oordeels moet oversteken om het paradijs te bereiken.
Na de mysterieuze pyromanenfilm Fire Will Comeis Sirât verreweg de vreemdste en meest onthutsende film die Laxe gemaakt heeft. Die er sowieso is gemaakt. De zoektocht van een vader en een zoontje naar hun dochter en zus die is vertrokken met een rave-karavaan in de Marokkaanse woestijn is spiritueel en apocalyptisch, gruwelijk en bevrijdend tegelijk. De film roept met beeld en geluid emoties op die met geen woorden te beschrijven zijn. Vorig jaar bij zijn wereldpremière in Cannes werd hij bekroond met de Juryprijs en nu is Sirât genomineerd voor een Oscar voor beste internationale film en voor beste geluid.
Dat laatste ligt bij een film die zich afspeelt in de technoscene voor de hand. Je moet die drang om te dansen wel voelen als je in je bioscoopstoel zit. En dat gebeurt. Dit is zintuiglijke, intuïtieve cinema op z’n best. De filmmuziek van de Franse avantgarde technoproducer Kangding Ray (David Lettelier) pulseert en resoneert met de rotsen als klankkast. De muziek is gemixt met zandstormen en de huilende wind. De zoektocht van vader Luis wordt gaandeweg een queeste in zichzelf. Naarmate hij dieper met de ravers de woestijn in trekt, verandert zijn reis ook in een vlucht, voor de gevaren van het gebied. De (deels nog steeds bezette) Westelijke Sahara is sinds de dekolonisatie in de jaren zeventig geplaveid met landmijnen en een giftige zandbak vol (illegale) fosfaatmijnen.
De ‘techno aan het einde der tijden’ van Sirât doet sterk denken aan de Japanse cultfilm Eli, Eli, lema, sabachthani (2005) (‘Mijn God, waarom heeft U mij verlaten’, de laatste woorden van Christus aan het kruis) waarin de wereld is overvallen door een wanhoopspandemie. Een noisegitarist denkt dat hij op de juiste frequentie die wereld weer in z’n voegen kan laten vibreren. Films als Sirât doen dat ook. Het is een film die aan de dood raakt, in het ravijn staart, maar ook een ontsnappingsroute biedt dwars door de scheuren in de werkelijkheid.
Dit is het dagelijkse commentaar van NRC. Het bevat meningen, interpretaties en keuzes. Ze worden geschreven door een groep redacteuren, geselecteerd door de hoofdredacteur. In de commentaren laat NRC zien waar het voor staat. Commentaren bieden de lezer een handvat, een invalshoek, het is ‘eerste hulp’ bij het nieuws van de dag.
Met drie tamelijk technische kabinetsmaatregelen heeft Israël de afgelopen weken grote stappen gezet op weg naar annexatie van de bezette Westelijke Jordaanoever. Eerst was daar het besluit dat Israël in Palestijnse dorpen en steden voortaan het beheer verzorgt van gemeentelijke diensten en taken. Daarbij kwam de aankondiging dat het kadaster voortaan openbaar is, waardoor Israëlische kolonisten rechtstreeks Palestijnse landeigenaren kunnen benaderen om hun grond over te kopen.
Afgelopen zondag besloot het Israëlische kabinet tot een derde administratieve maatregel. Palestijnen in Gebied C, het door Israël beheerde gebied van de Westelijke Jordaanoever, moeten eigendomspapieren van hun land kunnen overleggen. Kunnen ze dat niet, dan verklaart Israël hun grond tot staatseigendom – ook als hun familie er al generaties woont.
Vergeleken met de openlijke geweldpleging door kolonisten, de verjaging van herdersgemeenschappen en de massale kap van Palestijnse olijfbomen stelt het drietal besluiten op het oog niet veel voor. Dat is schijn: met deze maatregelen sluit Israël langzaamaan het net rond de Palestijnen in bezet gebied. Ze passen bij de agenda van het extreemrechtse Israëlische kabinet om de Westelijke Jordaanoever helemaal Israëlisch te maken, liefst zonder al te veel Palestijnen erop. Wie er ondanks alle intimidatie toch blijft wonen, dient het hoofd te buigen voor Israël.
De administratieve maatregelen stuitten op terechte weerstand van Europese en Arabische landen. Samen luiden de besluiten het einde in van de in de jaren negentig nog zo hoopvol onthaalde Oslo-akkoorden. Die waren bedoeld om de Palestijnen geleidelijk aan meer zelfbestuur te geven, waarna ze uiteindelijk een eigen staat zouden krijgen.
Het omgekeerde is gebeurd: de Palestijnen kregen minder en minder zeggenschap, mochten zich op steeds kleinere stukjes land bewegen, en een eigen staat is volledig uit beeld geraakt. Op dat laatste feit is de Israëlische regering buitengewoon trots. Voor premier Benjamin Netanyahu en zijn collega’s is het verhinderen van een Palestijnse staat het hoogste doel.
In VN-resolutie 2803, gebaseerd op het twintigpuntenplan voor Gaza van de Amerikaanse president Donald Trump, is sprake van een „geloofwaardig pad” naar een Palestijnse staat. Even was er de verwachting dat Trump zou ingrijpen toen Netanyahu vorige week in Washington op bezoek was.g
Nu van Trump weinig te verwachten valt, is het aan de Europese Unie om meer te doen dan slechts haar veroordeling uit te spreken
Maar de Amerikaanse president speelt een semantisch spel: hij zegt geregeld dat Netanyahu heus niets met de Westelijke Jordaanoever van plan is, en dat het daarom niet nodig is om hem tot de orde te roepen. Intussen zijn er in een jaar tijd 86 nieuwe buitenposten bij illegale Israëlische nederzettingen gesticht en zetten hordes losgeslagen kolonisten Palestijnse dorpen in brand. „Een handjevol kinderen”, noemdeNetanyahu hen bagatelliserend.
Nu er van Trump op dit vlak weinig te verwachten valt, is het aan de Europese Unie om meer te doen dan slechts haar veroordeling uit te spreken. Israël kan steviger tot de orde geroepen worden, bijvoorbeeld met sancties, of het intrekken van handelsvoordeeltjes. Terwijl Europa toekeek, heeft Israël een levensvatbare Palestijnse staat allang onmogelijk gemaakt. Nog langer aan de zijlijn staan betekent dat het Palestijnse volk, na de vernietiging van Gaza, straks ook niet meer op de Westelijke Jordaanoever terecht kan.
Bovenaan: De grensovergang Rafah tussen de Gazastrook en Egypte. De grensovergang is cruciaal voor zowel burgers als humanitaire hulp. Sinds mei 2024 is de overgang grotendeels gesloten geweest, met slechts beperkte heropeningen voor specifiek vervoer. In januari en februari 2026 is de grensovergang gedeeltelijk heropend voor voetgangers onder toezicht van een inspectiemechanisme.
Palestijnse mannen op het puin van een door Israël gesloopte Palestijnse woning in Shuqba, ten westen van Ramallah (9 februari 2026).) FOTO ZAIN JAAFAR/AFP
NRC-redacteur Guus Valk keerde terug naar het Israëlische ‘vredesdorp’ Wahat as-Salam/Neve Shalom waar hij als correspondent een jaar had gewoond. Een inwoner: „Voor 7 oktober wist ik: er kunnen oorlogen of aanslagen komen, maar wij zijn verenigd. Nu weet ik niets meer zeker.” >
13 februari 2026 om 16:09
FOTO MICHAL FATTAL
De bewoners van het Israëlische dorp Wahat as-Salam/Neve Shalom hebben een appgroep. Er wordt vaak over geklaagd. Sommige bewoners delen er te veel in, vinden anderen. Ping! Een hond loopt los rond. Ping! Een haan kraait te hard. Ping! De elektriciteit is uitgevallen.
De appgroep van het dorp (ruim driehonderd inwoners) zwijgt soms ook. Neriya Mark (37) kwam daar eind 2023 achter. Een Palestijnse buurvrouw had bij een Israëlisch bombardement op Gaza in één klap meer dan veertig familieleden verloren. Neriya wist het niet, ze hoorde het pas veel later van iemand anders.
Wat betekent het, vraagt Neriya Mark zich af, dat zelfs hier, in deze oase van vrede, iemand zich niet veilig voelt om zoiets groots te delen? En wat zegt het dat Joodse dorpsbewoners zich na 7 oktober 2023 meldden als reservist in het Israëlische leger, en dat óók niet vertelden aan hun Palestijnse buren? De appgroep bleef stil als het écht belangrijk werd. De oorlog heeft een diep onderling wantrouwen aan het licht gebracht, zegt Neriya Mark, een Joodse Israëliër, in haar woonkamer. ,,Voor 7 oktober wist ik: er kunnen oorlogen of aanslagen komen, maar wij, inwoners, zijn verenigd. We zijn voor dezelfde vrede, tegen hetzelfde geweld.”
En nu? ,,Nu weet ik niets meer zeker.”
‘Vredesdorp’ Wahat as-Salam/Neve Shalom is gebouwd tegen een heuveltop tussen Jeruzalem en Tel Aviv.FOTO MICHAL FATTAL
Wereldberoemd dorpje
Wahat as-Salam/Neve Shalom is gebouwd tegen een heuveltop tussen Jeruzalem en Tel Aviv. Het dorp bestaat uit ruim honderd vrijstaande huizen, een school, een hotel en een klein winkeltje. De huizen geven iets prijs over de bewoners: sommige zijn gebouwd in minimalistische kibboets-stijl, met een rood schuin dak en gepleisterde muren. Andere zijn gebouwd volgens Arabische architectuur, met sierlijke bogen en wit marmer. De huizen zijn soms moeilijk te zien door de cipressen, cactussen en pijnbomen.
Dit is de enige plek in Israël waar Joodse Israëliërs en Palestijnen uit vrije wil samenleven. Het gaat om Palestijnse Israëliërs die in 1948 niet zijn verdreven buiten Israëls grenzen, deze groep maakt ongeveer 20 procent van de bevolking uit. Er wonen iets meer dan driehonderd mensen. De helft van de bevolking is Joods, de andere helft Palestijns, zowel islamitisch als christelijk.
Bijna een jaar lang woonde ik hier met mijn gezin, tussen 2010 en 2011, twee huizen bij Neriya Mark vandaan. Ik was correspondent in Israël en Palestina, kende het wereldberoemde dorpje al van een eerder bezoek, en kreeg de kans een huis onder te huren van een Palestijnse familie. Na mijn vertrek naar de Verenigde Staten in 2011 kwam ik met enige regelmaat terug in het dorp. Nu, in januari, ben ik er een week.
Als journalist ben ik altijd gefascineerd door de spanning tussen politieke idealen en dagelijkse praktijk. Ik kon geen betere plek verzinnen om dat te zien gebeuren. Bijvoorbeeld op de School voor Vrede in het hart van het dorp, waar kinderen in het Hebreeuws én het Arabisch les krijgen. Voor de klas staan daarom twee onderwijzers, een Joodse en een Palestijnse. De kinderen lopen door een poort in regenboogkleuren naar binnen.
De bewoners kiezen heel bewust voor deze plek, merkte ik toen. Ze geloven dat samen leven leidt tot beter wederzijds begrip. Met hun dorp willen ze ook een voorbeeld zijn. Het levert ze vaak onbegrip en soms haat op in eigen Joodse of Palestijnse kring. En ook in het dorp zelf is het samenleven ingewikkeld, ook dat merkte ik toen al. Politiek, maar ook cultureel. Joodse Israëliërs houden vaak van honden. Palestijnen zijn vaak juist bang voor honden. Joodse Israëliërs gaan op hun achttiende het leger in, Palestijnen niet. Dat de ruim driehonderd dorpsbewoners het toch blijven proberen, tegen alle druk in, fascineerde me.
Palestijns-Joods dorp aan de rand van de groene lijn
Aanvallen
Een paar keer had Eldad Joffe (70) het dorp bezocht. Als student in de jaren tachtig, op een retraite van zijn werk, twee decennia later. En hij wist: hier wil ik wonen. In de euforie van de Oslo-akkoorden van 1993 was hij met zijn vrouw Imi en drie kinderen vanuit de Verenigde Staten teruggekeerd in Israël. Vrede tussen Israël en de Palestijnen leek eindelijk mogelijk. Het lukte pas in 2017. Joffe werd gekozen tot burgemeester en had grote plannen: hij wilde het dorp zichtbaarder in eigen land maken, een toonbeeld van co-existentie tussen Joden en Palestijnen in een steeds rechtser land.
Zijn eerste werkdag was op vrijdag 6 oktober 2023.
Een dag later, op de vroege zaterdagochtend, viel Hamas vanuit Gaza Israël binnen. Bij deze terroristische aanvallen vielen ruim 1.200 Israëlische doden, duizenden gewonden. Hamas nam 251 gijzelaars mee naar Gaza.
Joffe wist meteen dat zijn baan een heel andere zou worden. Hij maakte zich zorgen over de veiligheid van de circa driehonderd dorpsbewoners. De laatste jaren was het dorp drie keer door radicale kolonisten uit de bezette Westelijke Jordaanoever aangevallen. Er was brand gesticht, auto’s waren beschadigd en er waren racistische leuzen op huizen gespoten, zoals ‘dood aan de Arabieren.’ Zoiets zou weer kunnen gebeuren, of erger.
De eerste werkdag van ldad Joffe als burgemeester was op vrijdag 6 oktober 2023. Een dag later viel Hamas vanuit Gaza Israël binnen. FOTO MICHAL FATTAL
Ik bezocht het dorp opnieuw in oktober 2023, twee weken later. Het toegangshek was overdag gesloten, dat was nooit eerder gebeurd. Inwoners hadden op initiatief van Joffe een burgerwacht gevormd, en reden in groepjes rond. Mensen bleven thuis, wachtend op het ergste.
Er liepen soms ongure, gewapende types langs het dorp, zegt Eldad Joffe. Verder bleef het rustig. De toegangspoort ging na een paar maanden weer open. Wat hij en zijn dorpsgenoten niet wisten, was dat de ingrijpendste gevolgen van ‘7 oktober’ niet van buitenaf kwamen, maar van binnenuit. Joffe: ,,Onze missie, het bevorderen van wederzijds begrip, was opeens ver weg. Maar de moeilijkheid was vooral: hoe gaan we hier verder met samenleven?”
De moeilijkheid was vooral: hoe gaan we hier verder met samenleven?Eldad Joffe inwoner Wahat as-Salam/Neve Shalom
Het idee van een gezamenlijk dorp voor Joden en Palestijnen kwam van Bruno Hassar (1911-1996), een Joodse immigrant die in Egypte was geboren. Het was een paar jaar na de Zesdaagse Oorlog van 1967, Israël had onder meer de Westelijke Jordaanoever, Oost-Jeruzalem en Gaza bezet. Hassar zag het naoorlogse Israël als ,,een mozaïek van religieuze, nationale en culturele gemeenschappen, totaal onverschillig jegens elkaar, als ze al geen oorlog voeren”, schreef hij.
Hassar, tot het christendom bekeerd en monnik geworden, besloot in Israël zijn leven te wijden aan het overbruggen van haat. mocht een heuveltop, in bezit van een kloosterorde, in gebruik nemen. De heuvel ligt exact op de Groene Lijn, de bestandsgrens uit de oorlog van 1948, tussen Israël en de inmiddels bezette Westelijke Jordaanoever. Op deze heuveltop stichtte hij een Oase van Vrede, met Hebreeuwse én Arabische naam.
Hij geloofde in radicale gelijkheid. De Joodse en Palestijnse groepen moesten precies even groot zijn, zodat geen groep zou domineren. Conflicten moesten worden uitgepraat in de dorpsraad of in kringgesprekken. Geen taal of cultuur mocht sterker worden dan de andere.
A story of Guus Valk: A inscription of peace in Neve Shalom (Oasis of Peace’), a cooperative village in Israel, founded by Israeli Jews and Arabs as a place of coexistence. Photo by Michal FattalFOTO MICHAL FATTAL
Belangrijke dagen, ook de pijnlijke, herdenkt het dorp gezamenlijk, zoals de Israëlische Onafhankelijkheidsdag of de Palestijnse Nakba (‘catastrofe’, de vlucht en verdrijving van 700.000 Palestijnen rond 1948). Veel inwoners van Wahat as-Salam/Neve Shalom hadden de stille hoop dat het dorp niet de enige plek van vreedzaam samenleven zou blijven.
In staat van shock
De buitenwereld ziet Wahat as-Salam/Neve Shalom vaak als een idylle, zegt Samah Salaime (50). Daarom laten politici en artiesten uit het buitenland zich er graag fotograferen. De Palestijnse schrijfster en activiste woont in een kleine caravan in het midden van het dorp. Ze voedde met haar man drie kinderen op in het dorp, ze leven sinds kort gescheiden. Hij bleef in het huis, zij in de caravan in de tuin. Ze zegt: ,,Het dorp is nooit idyllisch of harmonieus geweest. Maar dat is goed. Het gaat erom dat iedereen gelijkwaardig is, niet dat er geen ruzie mag zijn.”
De eerste dagen na 7 oktober 2023 verkeerde het dorp in een staat van shock. Veel Joodse bewoners hadden familieleden, vrienden of collega’s verloren. Links Israël was extra zwaar getroffen door de terreur, omdat de linksige kibboetsen rondom Gaza zwaar getroffen waren. Salaime: ,,Iedereen in de gemeenschap had behoefte aan menselijk contact. Er was verdriet, we hadden gespreksbijeenkomsten voor Joodse en Palestijnse inwoners. Iedereen had trauma ervaren.”
Joodse inwoners van Wahat as-Salam/Neve Shalom voelden zich eenzaam, merkte ze, ze hadden steun nodig. ,,Ze kregen in eigen kring te horen: waarom verraad jij je volk door met Palestijnen te wonen?” Salaime zat 39 dagen in onzekerheid over het lot van haar vriendin Vivian Silver, een 74-jarige vredesactivist uit kibboets Be’eri. Na ruim een maand bleek dat ze die zaterdagochtend al was vermoord. Salaime schreef op +972 Magazine, een progressief Joods-Palestijns blog, een herinnering aan haar vriendin: ,,Zelfs zij onder ons die deze oorlog overleven, Palestijnen en Israëliërs, zullen er verpletterd van verdriet uitkomen.”
De weken erna zag ze Israël geel kleuren: gele lintjes, gele spandoeken en geel beschilderde muren, uit solidariteit met de Israëlische gijzelaars. Ook in het dorp hingen sommige inwoners een geel lintje aan hun auto.
Zelfs zij onder ons die deze oorlog overleven, Palestijnen en Israëliërs, zullen er verpletterd van verdriet uitkomenSamah Salaime inwoner Wahat as-Salam/Neve Shalom
Vanaf de heuveltop van Wahat as-Salam/Neve Shalom kon ze de verwoesting van Gaza meemaken: de flitsen en doffe dreunen waren zichtbaar en hoorbaar. Straaljagers vlogen laag over voor nieuwe luchtaanvallen op Gaza. Israël veranderde. ,,Links Israël ging ten onder in de oorlog. Demonstreren voor een staakt-het-vuren werd al gezien als verraad.” ‘Shalom’, vrede, werd een verdacht woord onder Joodse Israëliërs, een woord dat ook progressief-Joodse Israëliërs niet graag in de mond namen, behalve als begroeting.
Palestijnen werden bang. Samah Salaime kreeg het verzoek van haar moeder om de Palestijnse vlag van haar sociale media te verwijderen. Dat weigerde ze. ,,Iedereen weet toch al hoe ik erover denk.” Naar demonstraties gaan vond ze te gevaarlijk. Salaime merkte dat ze niet meer werd uitgenodigd op de Israëlische televisie, wat ze daarvoor vaak deed, om het Palestijnse perspectief uit te leggen. Ze wist: ,,De meeste Joodse Israëliërs geven niets om wat er gebeurt in Gaza. Ze horen er vrijwel niets over. Het verhaal is uitgewist.”
In Wahat as-Salam/Neve Shalom is dat anders. De meeste bewoners lezen de kritische krant Ha’aretz of alternatieve Israëlische media. En voor blinde vlekken is er de Palestijnse kinderarts Raed Haj Yehia (59). Hij werkt voor Artsen voor Mensenrechten Israël en kwam jarenlang in Gaza. Zijn laatste bezoek was in september 2023. Gaza is sindsdien voor hem gesloten.
Arts Raed Haj Yehia verloor veel collega’s en vrienden in Gaza. FOTO MICHAL FATTAL
Lijden in stilte
Raed Haj Yehia verloor tientallen collega’s en vrienden in Gaza, of hun naasten. Daar praat hij niet gemakkelijk over, en al helemaal niet in de appgroep van het dorp. Wat hij daar wel begon te delen, waren filmpjes en berichten van vrienden uit Gaza. Als hij iets hoort van artsen ter plekke, geeft hij het door in de appgroep. Vandaag nog , vertelt hij. Hij laat niet alles zien. ,,Ik kan je een video laten zien waarin een bevriende arts het been van zijn gewonde dochter amputeert. Zonder verdoving, zonder medicijnen, op de keukentafel. Hij handelde als dokter, maar deed het ergste dat een vader kan doen.”
Hay Yehia, gehard en ervaren als arts, heeft na het zien van alle beelden een psychologische crisis doorgemaakt. ,,Ik werd angstig en kreeg paniek. Ik ben bij een psycholoog geweest. Inmiddels kan ik de beelden weer bekijken.” Hij weet dat hij ze niet met dorpsbewoners kan delen. Hij ziet ze wel, en lijdt in stilte.
Samah Salaime kreeg , naarmate de eerste schok van 7 oktober verdween, steeds vaker vragen van Joodse Israëliërs. Ook in het dorp. Veroordeelde ze Hamas wel? Wilde ze óók dat de Israëlische gijzelaars terugkomen? Dat maakte haar woedend. Ze had decennialang duidelijk gemaakt waar ze stond, maar sommige Joodse Israëliërs zagen haar als verdacht. ,,Zij kunnen óók immoreel zijn, wreed en onmenselijk. Het Israëlische leger heeft een genocide in Gaza gepleegd, er is seksueel geweld in Israëlische gevangenissen. Ik wil niet als dader gezien worden, maar als slachtoffer.”
Neriya Mark en Ido Even Pas. ”Ik merk dat activisme ook in kleine dingen kan zitten.”MICHAL FATTAL
Sommige Joodse dorpsbewoners zijn zich na 7 oktober openlijker zionist gaan noemen. Zionisme, de politieke overtuiging dat er een Joods thuisland in het Bijbelse Israël moet zijn, was vóór 7 oktober in het dorp een beladen term, vertelt Ido Even Paz (42), de man van Neriya Mark. ,,Er werd hier raar opgekeken als iemand openlijk zei: ik ben zionist. En dat terwijl 99 procent van de Joodse Israëliërs zich zo noemt.”
Zionisme
Ido Even Paz heeft een groot deel van zijn leven besteed aan activisme. Als twintiger ging hij werken bij Breaking the Silence, een organisatie van oud-militairen die de gevolgen van bezetting en oorlogsgeweld wil laten zien. Nu leidt hij een kleine organisatie die jongvolwassen Israëliërs laat kennismaken met Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever.
Over zionisme of Joods-zijn werd in zijn links-activistische kringen nauwelijks gepraat, zegt hij. Het was ook niet nodig. ,,Ik word in Israël omringd door Joden. Pas als ik in het buitenland ben, ga ik nadenken over mijn Joods-zijn. Veel Joodse Israëliërs, zeker ook de linkse, kwamen er de laatste twee jaar achter dat ze veel Joodser en zionistischer zijn dan ze altijd hadden willen toegeven.”
Ook Samah Salaime, Palestijn, hoort Joodse dorpsgenoten openlijker over hun zionistische overtuigingen praten. ,,Ik zie het als mijn taak ze daarvan te genezen”, zegt ze. ,,Ik hoor bij de derde generatie Palestijnen na de Nakba, de verdrijving uit wat nu Israël is. Het gaat in Israël steeds over Gaza. Nooit gaat het over de vraag: hoe komt het eigenlijk dat die plek zo overbevolkt is? Hebben wij daar misschien iets mee te maken? Alsof het Palestijnse volk pas begon te bestaan op 7 oktober.”
Het gaat in Israël steeds over Gaza. Nooit gaat het over de vraag: hoe komt het eigenlijk dat die plek zo overbevolkt is?Samah Salaime inwoner Wahat as-Salam/Neve Shalom
Een gezamenlijke begraafplaats in Wahat as-Salam/Neve Shalom. FOTO MICHAL FATTA
Vorig jaar verloor opnieuw een Palestijns gezin in het dorp tientallen familieleden in Gaza bij een Israëlisch bombardement. Neriya Mark en Ido Even Paz gingen voor condoleances naar hun familiehuis in Rahat, een Israëlische stad waar veel Palestijnen wonen. Daar zou, gebruikelijk voor Palestijnen, een rouwtent zijn, dachten ze.
Eenmaal aangekomen raakten ze in verwarring: er was helemaal geen tent. Ze werden snel naar binnen getrokken om daar, ongezien, te kunnen condoleren. ,,Ze wisten dat de Israëlische politie families van omgekomen mensen in Gaza in de gaten houdt. Openlijk rouw tonen zou betekenen dat mensen in gevaar zouden worden gebracht.”
De gebeurtenis maakte diepe indruk. Terug in Wahat as-Salam/Neve Shalom begon Neriyah Mark twee keer een gesprekskring met dorpsbewoners over het verlies van vrienden en familieleden, Joods en Palestijns. Ze nodigde arts Raed Haj Yehia uit om te vertellen over Gaza. Dorpsbewoners vertelden, schoorvoetend, het werd emotioneel. De Palestijnse buurvrouw was er ook bij, en was na afloop opgelucht.
De pijn is er nog, zegt Neriya Mark. ,,De buurvrouw had er met geen woord over gepraat. Niet op haar werk, niet in het dorp. Zelfs haar familiehuis was niet veilig. Ik zag de pijn van iemand die nergens zichzelf mag zijn.”
Op politiek én op persoonlijk niveau moest Wahat as-Salam/Neve Shalom met zichzelf in gesprek. Dorpsbewoners vertellen hoe moeilijk dat is, al kunnen ze goed praten. Nieuwe bewoners werden lange tijd psychologisch gekeurd op hun vredelievende karakter. Ze moesten tests invullen en met een psycholoog praten. Dorpsbewoners kwamen vanaf 7 oktober veel samen. Er werden professionele begeleiders ingehuurd om het gesprek op gang te houden.
In één van die groepen was het idee ontstaan om met een soort manifest te komen, waarin het dorp het geweld van Israël in Gaza zou veroordelen. Dat hadden ze eerder gedaan. Er werd lang gepraat. Hoe moest het geweld genoemd worden? Hoeveel aandacht kregen de Israëlische gijzelaars? De dorpelingen kwamen er niet uit. Er kwam geen tekst. Burgemeester Eldad Joffe: ,,Het ging gewoon niet. Ik denk dat het ook niet helpt voor de verhoudingen in het dorp als we ons te veel in het nationale debat mengen. We moeten er in de eerste plaats voor elkaar zijn.”
Er zou een soort manifest te komen, waarin het dorp het geweld van Israël in Gaza zou veroordelen. De dorpelingen kwamen er niet uit. Er kwam geen tekst
Per definitie slachtoffer
Eldad Joffe ziet dat het gesprek over Gaza soms stroef loopt. Niet alleen tussen Joodse en Palestijnse dorpsbewoners, want de meningen zijn soms binnen de groepen ook verdeeld. ,,Het gesprek gaat sterk langs post-koloniale lijnen. Voor een deel van het dorp is Israël een koloniaal project. En wij, de Joden, worden daarom per definitie gezien als kolonisten. De Palestijnen zijn per definitie het slachtoffer. De Joden doen het per definitie verkeerd.”
Joffe is het daar ,,niet per see mee oneens”. Maar de gevolgen ervan zijn merkbaar. ,,Het gaat hier vaak over ongelijkheid tussen Joden en Palestijnen. De ene groep is altijd machtig, en de andere altijd machteloos. De ene groep altijd schuldig, de andere onschuldig. Ik heb daar moeite mee. Mensen worden zo niet meer als individu gezien, maar als deel van een groep.”
Joden en Palestijnen zijn zich meer met hun eigen groep verbonden gaan voelen na 7 oktober, ook in Wahat as-Salam/Neve Shalom. Maar de bedoeling van het project was ooit anders, zegt Rayek Rizek (70), een christelijke Palestijn die in 1984 met zijn vrouw Dyana in Wahat as-Aalam/Neve Shalom ging wonen. Twee periodes was hij burgemeester, nu heeft hij een koffie- en cadeauwinkeltje. Rizeks belangrijkste bezigheid: hij verzorgt meer dan twintig zwerfkatten in het dorp. Ze achtervolgen hem overal, van de winkel tot aan zijn huis.
Oud-burgemeester Rayek Rizek in zijn winkel. Hij verzorgt ruim twintig zwerfkatten in het dorp. FOTO MICHAL FATTAL
Rayek Rizek zit, omringd door katten, op zijn terras. Wahat as-Salam/Neve Shalom is een politiek, maar ook een sociaal experiment, zegt hij. Joden en Palestijnen moeten met elkaar in gesprek om dagelijkse problemen op te lossen. Dat weet hij uit de tijd dat hij burgemeester was. ,,Als twee buren met een conflict bij mij kwamen, ging het om een dak dat te hoog was of een blaffende hond. Dat is geen gesprek tussen een Jood tegen een Palestijn. Dat is een gesprek tussen mensen.”
Identiteit, zegt Rayek, verliest in het dagelijks leven van een dorp haar waarde. Hij is een overtuigd socialist, hij gelooft dat er een beter mens kan worden gebouwd. In zijn winkeltje hangen portretten van Che Guevara, Nelson Mandela en Martin Luther King.
Interreligieus
Het dorp is geprivatiseerd in de jaren tachtig. Toch is de hang naar gelijkheid nog overal zichtbaar, ook in de manier waarop het dorp is gebouwd. Er is geen synagoge, moskee of kerk. Op een afgelegen plek staat een interreligieus stiltehuis. Het is een koepelvormig gebouw, waar alle inwoners hun geloof kunnen belijden.
FOTO MICHAL FATTAL
Maar politiek laat zich niet buiten de slagboom houden. Toen het openluchtzwembad vorig jaar mei heropend werd en burgemeester Eldad Joffe een feestelijke opening aankondigde, waren Palestijnse inwoners boos: hoe kun je nou feestvieren in tijden van genocide?
In 2007 kwam een jonge inwoner van Wahat as-Salam/Neve Shalom, Tom, Kitain, om het leven bij een helikopterongeluk. Hij diende in het Israëlische leger. Zijn ouders wilden een monument in het dorp voor hem oprichten, de Palestijnse inwoners protesteerden. Waarom een Israëlische militair eren op ons grondgebied? Na jaren discussie is er een compromis uitgekomen. Naast het basketbalveld waar hij graag speelde, is een zo neutraal mogelijke tekst opgehangen: ‘Ter herinnering aan onze Tom Kitain, een kind van vrede dat werd gedood in oorlog.’
Hoe diep de vriendschappen ook zijn: zodra ze achttien worden, gaan de levens van Joodse en Palestijnse kinderen uit elkaar lopen. Dienst weigeren betekent voor Joodse dienstplichtigen vrijwel altijd een gevangenisstraf. Sommigen zullen op militaire controleposten in bezet gebied terechtkomen. Er is nog niet één blijvende relatie ontstaan tussen een Joodse en Palestijnse inwoner, er zijn evenmin gemengde huwelijken.
Een muur bij de school van Wahat as-Salam/Neve Shalom. MICHAL FATTAL
Buiten het dorp zijn Joodse en Palestijnse levens nog veel verder uit elkaar gaan lopen. Nog maar een paar decennia geleden konden Joodse Israëliërs naar het strand van Gaza-Stad, en konden Palestijnen uit Gaza en de Westelijke Jordaanoever werken in Israël. Er was nog geen afscheidingsmuur, die werd vanaf 2003 gebouwd. En er was iets meer belangstelling voor elkaars leven, elkaars cultuur.
Wat er in de buitenwereld gebeurde – oorlog, kbezetting, aanslagen – heeft altijd zijn weerslag gehad op de verhoudingen ín het dorp. Daarom hebben dorpelingen het vaak moeilijk met de verheven status die de buitenwereld hun toedicht, de bezoekjes en photo ops van celebrities, de dure woorden. Alsof zij buiten de werkelijkheid staan, terwijl ze er juist deel van uitmaken.
Op de School voor Vrede, de enige in het dorp, krijgen kinderen les in het Hebreeuws én het Arabisch. FOT’s MICHAL FATTAL
Luider verzetten
Neriya Mark en Ido Even Paz hebben de laatste jaren ,,een tegengestelde route afgelegd”, zegt Ido Even Paz. Hij is zich steeds intensiever met activisme tegen de bezetting en ongelijkheid gaan bezighouden. Zij is juist minder activistisch geworden. Neriya Mark groeide op in het dorp en koos voor radicaal activisme. Ze zegt: ,,Ik was cynisch geworden over dit dorp. Mensen wonen in hun mooie huizen en vinden dat ze iets belangrijks voor de wereld doen. Nu heb ik twee kleine kinderen, en merk ik dat activisme ook in kleine dingen kan zitten: een gesprek op gang brengen, het dorp bij elkaar houden, hier wonen, ook dat is opstaan tegen deze extreem-rechtse regering.”
Samah Salaime zegt dat ze bij ,,de gekken” hoort die geloven dat Joden en Palestijnen wel degelijk met elkaar kunnen leven. Daar is ze trots op, ondanks dat de laatste jaren moeilijk waren. ,,Ik heb wijsheid verworven. We hebben alles overleefd. Oorlogen, twee Palestijnse opstanden, eindeloos geweld. We zijn er nog, de vredesmensen. We moeten alleen leren minder schattig te doen. We moeten ons veel luider verzetten. We blijven, we gaan niet weg.”
ESSAY Van Auschwitz naar Gaza Op zoek naar de lijn tussen de Holocaust en de genocide in Gaza, is Arnon Grunberg in Israël en de VS. „Het Joodse slachtofferschap van na de Holocaust heeft geleidelijk aan, met name vanaf de jaren negentig ziekelijke vormen aangenomen.”
Arnon Grunberg Gepubliceerd op 6 februari 2026
Over dit artikel Dit is het vierde en laatste deel van een maandelijkse serie waarin schrijver Arnon Grunberg plaatsen bezoekt die een historische betekenis hebben voor de aanloop naar de genocide in Gaza.
Zie ook onderaan.
Café Yafa in Jaffa, iets ten zuiden van Tel Aviv, is deze zonnige maandagochtend in januari vrijwel leeg. Ooit was Jaffa een voornamelijk Arabische stad. Volgens een Palestijnse socioloog is op het puin van Jaffa de nieuwe staat Israël gebouwd.
Ik wacht hier op Israel Frey, hij is een chassied, dat wil zeggen een ultraorthodoxe Jood, en tot voort kort was hij ook een journalist. Frey is verscheidene keren met de Israëlische politie in aanraking gekomen na beschuldigingen van opruiing. Zo had hij op X laten weten dat een Palestijn die Israëlische soldaten doodt geen terrorist is. In 2025 schreef hij op X, nadat een aantal Israëlische soldaten door een bermbom in Gaza om het leven was gekomen, dat de wereld een betere plaats is zonder hen. Vanwege dit bericht bracht hij een tijdje door in de gevangenis.
Frey is eind dertig, hij draagt een wit overhemd, eronder bungelen de tsietsiet, de draden die aan vier punten van het gebedskleed hangen dat vrome Joden van het mannelijk geslacht onder hun kleding dragen. Zijn blik zou je spottend kunnen noemen, of misschien ook licht extatisch. Omdat Frey geen Engels spreekt en mijn Hebreeuws rudimentair is, maken we gebruik van een tolk. We gaan op het terras zitten, het weer staat dat net toe
Ik zeg: „Ik wilde met je praten omdat de combinatie van orthodox jodendom en links activisme uitzonderlijk is.”
Frey antwoordt: „Ik beschouw mezelf niet als links, ik geloof dat ik me in het centrum bevind. Gelijkheid en rechtvaardigheid voor iedereen die in dit land leeft, is niet een radicaal idee, maar hier vindt men dat heel merkwaardig.” Dan kijkt hij op en vraagt: „Gaat jouw artikel over mij of ben ik gewoon een instrument om dingen beter te begrijpen?”
„Je zit hier tegenover me als persoon”, zeg ik.
„Ik ben liever een instrument”, antwoordt Frey, en hij kijkt me ironisch aan. „Jullie in het westen hebben geleerd het individu op een troon te zetten. Maar waar ik vandaan kom, is het individu niet belangrijk. Wij werken naar ideeën toe.”
„Goed dan,” zeg ik, „ik ben de westerling, jij bent de ander. Je hebt vanwege je berichten op sociale media in de gevangenis gezeten, je hebt je baan verloren, je hebt misschien nog meer dan dat verloren, was het het waard?”
Weer die blik.
„Een goede interviewer,” antwoordt Frey, „begint niet met het stellen van moeilijke vragen, hij begint met het stellen van hele simpele vragen en dan plotseling, zonder dat de geïnterviewde het merkt, komen de moeilijke vragen, maar om je vraag te beantwoorden: ik heb geen spijt. En verder: ideeën over rechtvaardigheid kunnen overwinnen onder moeilijke omstandigheden, ook in tijden van het huidige fascistische regime.”
„Je neemt het woord fascisme in de mond”, zeg ik. „Deze Israëlische regering wordt gesteund door religieus-Joodse partijen en religieuze kiezers. Hoe kon in de buik van de Joodse religie het fascisme groeien?”
„Vriend Arnon”, antwoordt Frey en hij leunt achterover. Even moet ik denken aan mijn jeugd toen ik elke woensdag- en zondagavond naar de synagoge in de Amsterdamse Lekstraat werd gestuurd, naar een zogenoemde misjnaschool, waar ik en mijn klasgenoten onder leiding van een rabbijn discussieerden over Joodse wetten. „Vanuit het niet-individuele perspectief bestaan er geen vergissingen”, gaat Frey verder. „Deze plek is gefundeerd op Joodse raciale superioriteit en aanvankelijk ging het om betrekkelijk vriendelijke superioriteit in een poging de onderdrukking subtiel te laten verlopen. De nieuwe Jood, de Israëli, was een geseculariseerde, nationalistische Jood. Maar om de Joodse superioriteit demografisch te ondersteunen waren meer mensen nodig, Joden die niet uit Europa kwamen, maar uit Irak, Jemen, Marokko, de zogenoemde Mizrachim. Zij moesten ook nieuwe Joden worden. En toen ging er iets mis. Te veel groepen in de Joodse, Israëlische samenleving kregen niet wat hun beloofd was. Ze zouden deel uitmaken van de meerderheid, ze zouden genieten van welvaart, maar ze bleken toch weer de minderheid te zijn en de welvaart viel tegen. Dat gold niet alleen voor de Mizrachim, maar ook voor de inmiddels behoorlijk talrijke chassidim. Zij sloegen hun handen ineen om de macht over te nemen van de oude elites die het land hebben opgebouwd. En zij jagen de oorspronkelijke elites angst aan, want hun superioriteitsgevoel is religieuze, recht-voor-je-raap superioriteit. Niet meer de liberale, Europese superioriteit die voor subtiel kan doorgaan.”
Uitverkoren
Frey stelt voor elders op het terras te gaan zitten, omdat hij meent dat we worden afgeluisterd.
Aan de andere kant het terras vraag ik: „Denk je dat de Joodse superioriteit begon met het zionisme?”
„Luister,” zegt Frey, „dat je in een sjtetl [dorp of stadje waar veel orthodoxe Joden wonen] in de negentiende eeuw in Oost-Europa zegt: ‘wij zijn speciaal, wij zijn uitverkoren’, dat is begrijpelijk. Je moet de onderdrukking voor jezelf en voor je kinderen verklaren. Maar als je vervolgens een natiestaat wordt met echte macht en je doet alsof je nog in de negentiende eeuw zit in een sjtetl – dan wordt het een probleem. Dat is het verschil tussen de folklore van het overleven en flirten met het nazisme.”
„Heeft het zionisme dan gefaald?”
„Wij zijn mensen die met ideeën spelen. Wij willen geloven dat we in de goedheid geloven. Of in iets anders. Maar in de kapitalistische werkelijkheid van macht en geld zijn wij niets dan stof langs de kant van de weg. Gefaald? Het zionisme heeft de meest natuurlijke vooruitgang geboekt die maar mogelijk is. Het heeft zich breed gemaakt, het is groot geworden, heeft zwakkeren overwoekerd. De vroege zionisten leefden in een tijd dat je nog nationale ideeën kon verkopen en tegelijkertijd kon geloven dat je progressief was. De vroege zionisten hoopten op beschaafde, geseculariseerde, Europese superioriteit. En ze kregen Ben-Gvir [minister van Nationale Veiligheid van de extremistische religieus-zionistische partij Otsma Jehudit]. They fucked up.”
Ik heb het gevoel een ochtend met een mysticus te hebben doorgebracht, eentje van het provocerende, ironische soort, maar toch
Daarna vertelt Frey nog dat hij inderdaad nog meer kwijt is dan zijn baan. Zijn vrouw is hij kwijt en eigenlijk ook zijn kinderen. Uit angst voor geweld van extremistische, nationalistische Israëliërs heeft hij geen vaste verblijfplaats. Hij vertelt dit zonder zelfmedelijden of zelfverheerlijking. Er zijn immers geen vergissingen.
Als ik mijn opschrijfboekje opberg en weer opkijk is Frey al verdwenen. Ik heb het gevoel een ochtend met een mysticus te hebben doorgebracht, eentje van het provocerende, ironische soort, maar toch. Op mijn appjes met vervolgvragen komt geen antwoord meer.
Monsters
De volgende dag regent het in Tel Aviv zo hard dat de straten blank staan. Ik reis naar Jeruzalem waar het nog harder regent en waar in de oude stad de straten rivieren zijn geworden. Ik tolereer de regen om Amos Goldberg te ontmoeten, historicus, hoogleraar Holocaust-geschiedenis aan de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem. Van hem wil ik weten hoe we kunnen ontsnappen aan de mythes en de ketenen van de negentiende eeuw.
Hij nodigt me uit voor een late lunch in het betrekkelijk troosteloze café van de universiteit. Goldberg is een frêle man van begin zestig met zachte stem die zich kleedt alsof het zijn grootste wens is om niet op te vallen.
„Zijn wij, zijn de Joden slaven van het verleden?”, vraag ik als ik mijn salade op heb.
Goldberg antwoordt: „Als je het hebt over slaven van het verleden, heb je het over slachtofferschap. Het Joodse slachtofferschap van na de Holocaust heeft geleidelijk aan, met name vanaf de jaren negentig ziekelijke vormen aangenomen. Maar wij zijn niet alleen slachtoffers. Wij Israëliërs begrepen hoe het slachtofferschap getransformeerd kan worden tot moreel en politiek gereedschap dat ons in staat stelde bijna alle politieke doelen te bereiken. Zelfs als die erg gewelddadig zijn, zelfs als die genocidaal zijn.
„Dat de zionistische kolonisten hier aanvankelijk vluchtelingen waren die antisemitisme en de Holocaust ontvluchtten, maakt de onderneming niet per se goedaardig”, zegt Goldberg. „In de Palestijns-Israëlische context kunt je niet over het ene, de Holocaust, spreken zonder over het andere, de Nakba, te spreken. Anders loop je het risico een monster te worden.”
„Dan zijn er veel monsters onder ons”, zeg ik. „Er zijn mensen die vinden dat de Holocaust en de Nakba niet met elkaar in verband mogen worden gebracht. Dat zijn vaak ook mensen die vragen: waarom krijgt Gaza zoveel meer aandacht dan Soedan?”
„De Holocaust voorzag niet alleen de Joden en de Duitsers van identiteit, maar eigenlijk het hele Westen en tot op zekere hoogte de wereld. Mijn goede vriend en collega Alon Confino, die helaas niet meer leeft, betoogde dat de Holocaust de Franse Revolutie als de centrale gebeurtenis van deze tijd verving. ‘Vrijheid, gelijkheid, broederschap’ werd ‘Nooit meer Auschwitz’.”
„Ik begrijp het”, zeg ik. „De belofte van broederschap werd de gecultiveerde herinnering aan een trauma.”
Goldberg knikt en hij gaat met zachte stem verder: „De internationale rechtsorde is niet stukgelopen op Soedan maar op Gaza. De kinderen van de Verlichting werden de kinderen van Auschwitz. Maar als Auschwitz ook niet meer betekent wat het betekende kun je je afvragen, wie zijn de kinderen van het Westen dan nog?”
Het eigen gevoelde slachtofferschap moet altijd begrensd worden door het slachtofferschap van de anderAmos Goldberg historicus
„Mag ik een banale vraag stellen?”, vraag ik, om dan te vragen: „Zijn er oplossingen?”
„Ik zit niet in de business van concrete oplossingen”, antwoordt Goldberg. „Ik doe aan ideeën, analyses, begrip. Maar ik kan je dit zeggen, ik heb geen hoop maar ik voel de verplichting te spreken en te handelen. En dit: het eigen gevoelde slachtofferschap moet altijd begrensd worden door het slachtofferschap van de ander, zeker als de ander het slachtoffer is van jouw misdaden.”
Ik lach. „De grens van mijn vrijheid is niet langer de vrijheid van de ander, maar mijn slachtofferschap grenst aan dat van de ander. In die tijd leven we.”
„Ik moet college geven”, zegt Goldberg en hij begeleidt me naar de uitgang. De regen is overgegaan in hagel, uitzonderlijk in Jeruzalem. Ik heb het nooit zo koud gehad als deze dinsdag.
De ‘vredesbusiness’
De kinderen van de Verlichting werden de kinderen van Auschwitz, de hoop van vrijheid, gelijkheid en broederschap werd de belofte dat iedereen zich kon vastgrijpen aan zijn eigen trauma.
Het lijkt me goed te spreken met iemand voor wie hoop lange tijd iets uiterst concreets was, iemand die naar eigen zeggen in de „vredesbusiness” zat. Eind jaren negentig en begin jaren nul adviseerde Robert Malley, een Amerikaanse diplomaat, president Bill Clinton tijdens de vredesonderhandelingen tussen de Israëlische premier Ehud Barak en de Palestijnse leider Yasser Arafat. Barack Obama huurde hem later weer in alsadviseur over IS, en Joe Biden als Iran-adviseur. In 2023 startte de FBI een onderzoek naar Malley, omdat hij slordig zou zijn omgegaan met vertrouwelijke informatie en zich omringd zou hebben met Iraniërs die de Amerikaanse buitenlandse politiek wilden beïnvloeden. Hij verloor zijn toegang tot vertrouwelijke en staatsgeheime informatie. Tegenwoordig doceert hij aan Yale.
Malley zit in een chic café van de universiteit – we zijn inmiddels in Amerika, ooit een stralende stad op de heuvel in de woorden van Ronald Reagan. Het land waarvan ik, misschien tegen beter weten in, burger wil worden. Malley draagt een coltrui en praat met een gemak dat de diplomaat verraadt die hij ooit is geweest.
„Waren de Oslo-akkoorden [in 1993 en 1995 sloten Israël en de Palestijnen overeenkomsten die tot vrede hadden moeten leiden] echt een moment van hoop?”, vraag ik.
„Over Oslo is al genoeg gezegd”, zegt Malley. „Het was een pleister, en een halve pleister. Wij, het Amerikaanse team, beschouwden het Israëlisch-Palestijnse conflict als een conflict over gebied, over onroerend goed zou je kunnen zeggen. Wij onderschatten de emoties. Het waren de laatste zes maanden van het presidentschap van Clinton toen hij Barak en Arafat naar Camp David liet komen. Ik had misschien tegen Clinton moeten zeggen: ‘Dit gaat niet in twee weken lukken’. Of hij naar me had geluisterd, waag ik te betwijfelen. Hij wilde erg graag.”
De volgende anekdote staat niet in het boek van Malley, hij zegt volgens mij veel over Clinton. Toen de vredesbesprekingen mislukten, belde Clinton Arafat en zei: „Ik ben een mislukking en jij hebt van mij een mislukking gemaakt.”
Trumps plan is feitelijk een variant op de economische vredeRobert Malley Amerikaanse diplomaat
„Toch nog even naar Trump en zijn vredesplan voor Gaza”, zeg ik. „Misschien ondanks alles iets van hoop?”
„Tijdens het eerste presidentschap van Trump werd ik benaderd door [diens schoonzoon] Jared Kushner, ik was natuurlijk gevleid. Hij begreep niet dat de Palestijnen niet akkoord wilden gaan met meer welvaart als ze daarvoor alleen maar hun droom van een eigen staat moesten opgeven. Trumps plan is feitelijk een variant op de economische vrede. De Gazanen worden vazallen van Israël in ruil voor welvaart, ze worden volledig gedepolitiseerd – en dat gaat niet gebeuren. Maar misschien heb ik ongelijk en is dit de toekomst, misschien zegt Trump tegen de inwoners van Groenland, zoveel zijn het er niet: ‘Jullie krijgen straks allemaal een half miljoen dollar per persoon en dan kiezen jullie voor Amerika’.”
„Goed,” zeg ik, „geen hoop. Daar kun jij niets aan doen.”
„Israël heeft de oorlog gewonnen”, antwoordt Malley. Ja, Israël is nog nooit zo’n paria geweest en nog nooit was er zoveel sympathie voor de Palestijnse zaak, maar er is geen bank waar de Palestijnen die sympathie kunnen verzilveren. En Israël vindt vrede een groter risico dan oorlog, omdat Israël denkt toch nooit geaccepteerd te zullen worden. Als je denkt dat de tegenpartij elk moment een aanval kan uitvoeren, lijkt het voeren van oorlog minder bedreigend omdat je dan tenminste zelf het initiatief hebt. Daarnaast is de twee-statenoplossing gebaseerd op de grenzen van 1967 ook een Westerse uitvinding.
„En wat vindt Amerika van Israëls never ending war? Amerika, het enige land waarvan wordt gezegd dat het echt invloed kan uitoefenen op Israël.”
Malley glimlacht. „Vrede tussen Israël en Palestina was nooit een wezenlijk Amerikaans belang, het was nooit een wezenlijk belang van welk land dan ook. Het was een hobby van sommige Amerikaanse presidenten en politici. In mijn boek zegt iemand over de voormalige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken John Kerry: ‘Geef die man een Nobelprijs voor de Vrede voor zijn inspanningen, dan hoeft hij wat minder heen en weer te vliegen’.”
„Als vrede een hobby is, dan wordt het nooit wat met die vrede. Wimbledon kan je ook niet winnen als je tennissen als hobby beschouwt”, zeg ik.
„Waar gaat je artikel eigenlijk over?”, vraagt Malley plotseling.
Ik aarzel. „Over Auschwitz en Gaza”, zeg ik. Terwijl ik die woorden uitspreek denk ik aan de titel van het boek dat Malley met de adviseur van Arafat, Hussein Agha, scheef over het mislukte vredesproces: Tomorrow is Yesterday. Precies dat is wat weemoed is, dat morgen gisteren is.
Swingers party
In de trein naar New York kijk ik in mijn agenda wat ik de komende dagen zal gaan doen. Naar een groep chassidim gaan die het chassidisme willen vernieuwen door middel van drugsgebruik en swingers parties? De geschiedenis komt me voor als een grote swingers party.
Ik denk aan Israel Frey die zei dat we met al onze ideeën stof langs de kant van de weg zijn. En aan Amos Goldberg die sprak over het risico een monster te worden.
Voor de swingers party begint, zal een chassied van het vooruitstrevende soort in een koosjer restaurant in Brooklyn tegen me zeggen: „Waarvoor hebben we Israël nodig? Waarvoor hebben we Europa nodig? Waarvoor hebben we Amerika nodig? We hebben New York.”
En in de krant zal ik lezen dat de nogal conservatieve New York Times-columnist Tom Friedman ICE-agenten met Hamas-strijders vergelijkt. De wreedheid van de staat, zelfs de Amerikaanse, en de wreedheid van de terroristische bewegingen, die altijd ook weer door sommigen als bevrijdingsbewegingen worden gezien, ontlopen elkaar niet veel. Dat zelfs een behoudende columnist als Friedman agenten van de Amerikaanse federale overheid met Hamas-strijders vergelijkt, geeft de omvang van de wanhoop aan, niet alleen geografisch.
De noodtoestand is de normale toestand. En morgen is gisteren. Vooruitgang? Hoe word je geen monster?
Het stof langs de kant van de weg waait op en dwarrelt weer neer.
Derk Walters vanuit Maastricht Gepubliceerd op 6 februari 2026
INTERVIEW Mirjana Spoljaric Egger | voorzitter Rode Kruis Nu zelfs hulpverleners in conflictgebieden soms doelgericht worden gedood, heeft de uitholling van het internationaal humanitair recht alle grenzen overschreden, zegt Mirjana Spoljaric Egger, voorzitter van het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC). „Als je de basisregels wegneemt, is het nergens meer veilig.”
Halverwege het gesprek is Mirjana Spoljaric Egger zichtbaar geëmotioneerd. De voorzitter van het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC) heeft zojuist in meer abstracte termen over het internationaal humanitair recht verteld, maar nu gaat het over haar vijftien collega’s in Gaza die Israël met ambulance en al onder het zand begroef. En dan is de schending van dat recht ineens heel concreet.
„Het was moeilijk om naar de foto’s van die gebeurtenis te kijken. Meer dan moeilijk, ik kon er niet naar kijken, ik ben er kapot van. Misschien ook omdat ik mijn collega’s daar tijdens de vijandelijkheden aan het werk heb gezien. Dit is iets wat nooit had mogen gebeuren.”
Het is, kortom, „niet de beste tijd” om voorzitter van het Rode Kruis te zijn, verzucht Spoljaric Egger. In Maastricht, waar ze eind januari een eredoctoraat in ontvangst nam, zet de Kroatisch-Zwitserse voormalige diplomaat uiteen wat er vanuit het perspectief van een humanitaire instelling allemaal de verkeerde kant op gaat in de wereld.
„Er zijn twee keer zo veel conflicten als vijftien jaar geleden, en ze zijn vaker grensoverschrijdend, tussen landen met zeer krachtige legers. Nieuwe technologieën, met name AI, versterken de vernietigende kracht van wapens, vooral voor burgers. Er zijn enorm veel meer onredelijke, agressievere aanvallen op de bevolking. Opzettelijke aanvallen op hele gezondheidszorgstelsels om de bevolking te verdrijven. En totale vernietiging van hele gebieden, zoals Gaza.”
Naleving internationaal recht is in verval Het internationaal humanitair recht „staat op knappen”, concludeerde de Academie voor internationaal humanitair recht en mensenrechten in Genève deze week. Het onderzoekscentrum wijst onder meer op zeker honderdduizend gedode burgers in zowel 2024 als 2025, plus het straffeloos plegen van verkrachtingen en martelingen.
CVMirjana Spoljaric Egger
1972 Geboren in Kroatië. Verhuisde op jonge leeftijd naar Zwitserland 2000 Ging werken voor het Zwitserse ministerie van Buitenlandse Zaken, onder meer in Bern, New York en Caïro
2010 Adviseur bij UNRWA, de VN-organisatie voor Palestijnse vluchtelingen, in Amman
2012 VN-ambassadeur namens Zwitserland
2018 Hoge ambtenaar bij de VN
2022 Voorzitter van het Internationaal Comité van het Rode Kruis
Gaza, zegt Spoljaric Egger, leverde misschien wel het meest tastbare bewijs voor de afkalving van het internationaal recht. „Ik heb Gaza twee keer bezocht in twaalf maanden tijd. De vijandelijkheden hielden nooit op. Er was geen minuut dat je geen schoten hoorde. Dat je lichaam de beschietingen niet voelde.”
De tweede keer dat ze er was, herkende ze de plek waar ze een jaar eerder was niet meer. „Ik kon me niet meer oriënteren. De eerste keer werden individuele gebouwen aangevallen. Elke wijk werd getroffen, maar niet volledig verwoest. Toen ik terugkwam, was er niets meer over.”
Zelfs als hulpverleners van het Rode Kruis groen licht krijgen, lopen ze nog het risico onder vuur te komen te liggen
Hoe oordeelt u daarover, vanuit het perspectief van het internationaal humanitair recht? „Wat we in Gaza hebben gezien, overschrijdt alle wettelijke, ethische, morele en humane normen. We kunnen geen oorlogvoering accepteren die tot deze situatie leidt.”
Wat vindt u van de argumenten die Israël aandraagt, bijvoorbeeld het recht op zelfverdediging? „Dat is geen excuus om de wet te overtreden. Je hebt dezelfde situatie in je nationale rechtsstelsel. Wanneer iemand een familielid van je vermoordt, geeft dat jou niet het recht om zijn familieleden te doden. Zo werkt het gewoon niet. Het is precies hetzelfde principe.”
Hulpverleners van het Rode Kruis evacueren een gewonde na een Russische luchtaanval in Kyiv.Een Palestijns kind met brandwonden in het ziekenhuis in Gaza, na een Israëlische raketaanval. FOTO ABED RAHIM KHATIB/GETTY IMAGES
Kunt u een voorbeeld noemen van een principe dat niet langer nageleefd wordt? „Neem het recht op veilige doorgang. Wanneer mensen onder vuur komen te liggen, bemiddelen wij om hun een veilige aftocht te bieden. Maar in het huidige conflict is het niet langer mogelijk om te vertrouwen op een veilige doorgang. Zelfs als hulpverleners van het Rode Kruis groen licht krijgen, lopen ze nog het risico onder vuur te komen te liggen. Dit is een nieuwe situatie, die helaas niet beperkt is tot Gaza. Het gebeurt ook in Soedan, in Myanmar.”
Conferentie over menselijkheid in de oorlog
In september 2024 lanceerde het Internationaal Comité van het Rode Kruis een initiatief met Brazilië, China, Frankrijk, Jordanië, Kazachstan en Zuid-Afrika om politieke betrokkenheid bij het internationaal humanitair recht te stimuleren. Eind dit jaar is Jordanië gastheer van een conferentie over menselijkheid in de oorlog. Inmiddels hebben 99 landen zich bij het initiatief aangesloten.
Spoljaric Egger: „We proberen politiek momentum te genereren rond het idee dat als we de uitholling van het internationaal humanitair recht niet stoppen, we onze eigen bevolking onveilig maken. Je kunt zeggen dat Soedan ver weg is en dat dit nooit invloed op je zal hebben. Maar drones worden tegenwoordig bestuurd door mensen die zich duizenden kilometers verderop bevinden. Dus als we met iemand onderhandelen over bijvoorbeeld veilige doorgang, kunnen we er niet zeker van zijn dat die doorgang veilig is. Want degene die de trekker overhaalt, zit honderden kilometers verderop. En degene die ons groen licht geeft, heeft geen controle over die andere persoon.”
Het ICRC – een losstaande zusterorganisatie van het Nederlandse Rode Kruis – afficheert zichzelf als neutraal. Vanwege die neutraliteit kan bijvoorbeeld ook China voor zo’n conferentie benaderd worden; zolang dat land zich opstelt vóór het internationaal humanitair recht, is het welkom. Over het beleid van de Chinese regering heeft het Rode Kruis verder geen mening.
Die opstelling komt de organisatie ook op kritiek te staan. Als je in een conflict geen kant kiest, faciliteer je dan niet de agressor? Zo kreeg de organisatie bijvoorbeeld kritiek dat ze Rusland hielp door steun te verlenen tijdens het deporteren van Oekraïners.
Neutrale statements van het Rode Kruis vallen niet altijd goed. Onlangs uitte de organisatie kritiek op Russische én Oekraïense aanvallen op de energie-infrastructuur, omdat die miljoenen mensen in de kou laten zitten. Hierop beschuldigde de Oekraïense minister Andri Sybiha (Buitenlandse Zaken) de organisatie van „foute morele gelijkwaardigheid”: het Rode Kruis zou een agressor en een land dat zichzelf verdedigt op één lijn stellen.
Andere hulporganisaties kijken anders naar dit soort kwesties. Zo scheidden enkele Franse artsen zich, uit onvrede met die verregaande neutraliteit, in 1971 van het Rode Kruis af en richtten Artsen zonder Grenzen op. In tegenstelling tot het Rode Kruis schroomt die organisatie niet om kant te kiezen tegen agressors.
‘Het Rode Kruis is een gemakkelijk doelwit’ Spoljaric Egger is kritiek wel gewend: „Israël gaf ons de schuld omdat we de gijzelaars niet bezochten. Hamas gaf ons de schuld omdat we geen humanitaire hulp brachten. De Oekraïners geven ons de schuld omdat we geen oorlogsgevangenen bezoeken. Het Rode Kruis is al honderdzestig jaar altijd op het slagveld aanwezig. Het is een gemakkelijk doelwit.”
Wat zegt u tegen de critici? „Wij zijn een onafhankelijke, neutrale en onpartijdige internationale organisatie. We zouden ons werk nooit kunnen doen als we partij zouden kiezen.”
Het Rode Kruis is afhankelijk van toegang tot slachtoffers. U moet dus met overheden praten. Stelt u in die gesprekken ook het humanitaire recht aan de orde? „Ja, maar in stilte. Niet omdat we lafaards zijn, maar omdat we geloven dat dat de beste manier is om zo veel mogelijk mensen te helpen. Mijn collega’s over de hele wereld stellen elke dag uitgebreid allerlei kwesties aan de orde en werken soms in uiterst ingewikkelde omstandigheden, met als doel om mensen te beschermen. Kijk maar eens naar de foto’s van de vrijlating van Israëlische gijzelaars door Hamas. Je ziet onze ongewapende collega’s, omringd door duizenden gewapende strijders. En toch vertellen ze iedereen hoe ze zich moeten gedragen om ervoor te zorgen dat degenen die bescherming nodig hebben, met respect worden behandeld.”
The Gaza Ministry of Health receives from the Red Cross the remains and bodies of 15 unidentified Palestinians returned by Israel, to be buried in a mass funeral in Gaza City, 29 January 2026. FOTO MOHAMMED SABER/EPA
Ik bespeur een groeiende trend om de vijand te ontmenselijken
Kunt u verklaren waarom hulpverleners kennelijk niet langer onschendbaar zijn? „Ik bespeur een groeiende trend om de vijand te ontmenselijken. Dit is naar mijn mening een van de gevaarlijkste ontwikkelingen in de recente oorlogsvoering. Wat we vandaag horen, ook in debatten in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, heb ik nooit gehoord toen ik twintig jaar geleden mijn diplomatieke carrière begon, en ik ben verbaasd dat delegaties in de zaal blijven, niet reageren, geen verontwaardiging tonen. Wanneer een officiële vertegenwoordiger van een land de bevolking van een ander land openlijk ontmenselijkt, moet de internationale gemeenschap reageren. Als je mensen er vrijuit over laat praten, is het een kwestie van tijd voordat mijn collega’s die ontmenselijking in de praktijk gebracht zien worden op de slagvelden.”