‘Mensen die psychotherapie krijgen knappen er meestal niet van op’

INTERVIEW
Ellen de Bruin, NRC. 22 januari 2026



Flip Jan van Oenen | therapeut 

Psychotherapie werkt vaker niet dan wel. Beperk daarom maar het aantal sessies, zegt Flip Jan van Oenen. „Iemand kan even met je meelopen en daarna zul je het zelf moeten doen.”

In Nederland is 1 op de 20 volwassenen in behandeling bij de geestelijke gezondheidszorg en 1 op de 10 jongeren doet een beroep op jeugdhulp. Bijna de helft van de Nederlanders heeft ooit een psychische aandoening gehad, ruim een kwart van de Nederlanders het afgelopen jaar – meestal een angst- of stemmingsstoornis. En psychotherapie werkt veel vaker niet dan wel.

Je hoort dat niet vaak; het gangbare idee is dat psychotherapie werkt, en hard nodig is. Maar juist dat idee ondermijnt de eigen vaardigheden om met psychische problemen om te leren gaan. Dat schreef therapeut Flip Jan van Oenen (69), inmiddels drie jaar gepensioneerd, al in zijn boek Het misverstand psychotherapie (2019). In zijn nieuwe boek Verdragen (2025) pleit hij voor een radicale herziening van de geestelijke gezondheidszorg (ggz), waarbij iedereen zeven sessies psychotherapie vergoed krijgt per twee jaar, zonder de garantie dat die helpen. Hij baseert zich op wetenschappelijk onderzoek en op vijfendertig jaar ervaring in de ggz. Geef mensen geen valse hoop, schrijft hij, maar moedig ze aan hoop te houden, actief te blijven en hun smart te delen tot hun klachten minder worden of te verdragen zijn. Ze zullen wel moeten; therapie en pillen helpen meestal toch niet.

„Pakweg 60 procent van de mensen is na psychotherapie niet opgeknapt”, vertelt Van Oenen thuis op zijn woonark in het centrum van Amsterdam. „En van de 40 procent die wel is opgeknapt, was dat bij 15 procent in diezelfde periode zonder therapie ook gebeurd. Ongeveer 25 procent van de mensen ervaart dus maar meerwaarde van de therapie.” Die laten bij minimaal de helft van hun klachten een verbetering zien op vragenlijsten, dus ze zijn ook absoluut niet altijd helemaal genezen.

„Als je dat bedenkt”, gaat hij er nog maar eens voor zitten, „in combinatie met het feit dat er tussen de 200 en 1.000 onderzochte therapiesoorten bestaan, die het allemaal niet beter doen dan de andere, dan moeten we volgens mij concluderen dat we een plafond bereikt hebben.” Dat moeten mensen weten, vindt hij. „Mensen denken nu: als ik maar in therapie kom, gaat het daarna beter. Dat ondermijnt de eigen veerkracht, blijkt uit onderzoek: mensen op een wachtlijst gaan minder vooruit dan mensen die niet op een wachtlijst staan. Dus moeten we mensen vertellen dat het effect van therapie beperkt is en dat ze hun problemen zélf aankunnen.”

U bent zelf therapeut. Hoe heeft uw denken hierover zich ontwikkeld?

„Ik ben begonnen als basisarts, als dienstweigeraar, en later opgeleid tot gezins- en relatietherapeut. Van daaruit ben ik in 1985 bij de crisisdienst begonnen, eerst heel klein, met vier mensen in een keldertje. Dat heb ik tot 2015 gedaan. De laatste zeven jaar heb ik me met vechtscheidings­problematiek beziggehouden.

„In het begin had ik het idee: alles kan en moet beter. Veel dingen schieten niet op, met cliënten. In de crisisdienst kom je heel veel mensen tegen die bij therapeuten lopen en dan toch in crisis raken. Dus daar kreeg ik al de indruk dat therapieën niet allemaal zo vlekkeloos verlopen als vaak gezegd wordt.”

Wat houdt dat in, ‘in crisis raken’?

„Als huisartsen en collega-hulpverleners niet weten wat ze ermee aan moeten als iemand heftig ontremd is, manisch, psychotisch, of suïcidaal of ernstig depressief, dan mogen ze naar ons – voormalig ons – verwijzen voor acute hulp, om de situatie weer hanteerbaar te krijgen. Dat gaf me een interessant inkijkje in allerlei geledingen van de ggz. Zelfs gerenommeerde behandelaars konden behoorlijk met hun handen in het haar zitten. Ook onze eigen kortetermijn­behandeling lukte deels wel, deels niet. Dan ga je al denken: is dit het nou?

„En er kwamen steeds nieuwe soorten behandelingen langs, waarvan je dan denkt: dat moet ik ook kunnen, dan zou ik een betere therapeut zijn. Veel therapeuten hoppen: ze zijn een tijd enthousiast over een methode, merken dan dat veel mensen er toch niet echt mee geholpen zijn, en gaan dan weer nieuwe methoden volgen.”

Hopte u zelf ook?

„Ja, zeker. In 2008 werd ik nog één keer heel enthousiast over een methode uit Amerika, feedback informed treatment. Daarbij vraag je aan het begin van de sessie expliciet hoe het met de cliënt gaat, en aan het eind hoe het gesprek ging, en dat breng je samen in een grafiek in kaart. Vanuit het idee dat de samenwerkingsrelatie tussen therapeut en cliënt de belangrijkste voorspeller is voor succes. Ik deed een training in Chicago, ik mocht de hele crisisdienst erin gaan trainen, en ik dacht: dan wil ik ook onderzoeken of het wérkt. Uiteindelijk ben ik daarop gepromoveerd.

„Maar het onthutsende was dat mensen in de controlegroep, zonder feedbackvragen aan het begin en eind, het na zes weken beter bleken te doen dan de groep bij de interventie mét feedback. Na twaalf weken was er geen verschil meer. Ik dacht: deze methode had nog iets kunnen toevoegen. En dat gebeurde dus niet.

„Voor dat onderzoek begon ik ook alle wetenschappelijke literatuur te bestuderen. Dat deed ik daarvoor niet. Mijn ervaring is dat therapeuten hoogstens lezen: deze methode is evidence based, hij werkt, meer hoef je niet te weten. Maar zo kwam ik erachter dat psychotherapie weinig effect heeft, al vijftig jaar niet verbeterd is, en dat veel methoden hetzelfde beperkte effect hebben. Dus die twijfel die je als therapeut altijd voelt – ik ben niet goed genoeg, ik moet meer cursussen volgen, niet iedereen wordt beter en dat ligt aan mij… – dat klopt niet. Het is gewoon onvermijdelijk gezien de stand van zaken. Toen ben ik die boeken gaan schrijven.”

Er is weinig onderzoek naar het natuurlijk beloop van stoornissen. Zomaar iemand volgen die niet behandeld wordt, gebeurt niet

Hoe reageerden collega’s?

„Het is een lastige boodschap. Het vraagt veel van therapeuten om deze kennis een plek te geven en toch met hart en ziel te blijven werken. Deels waren mensen bozig: je haalt het vak onderuit. Maar ik heb echt naar eer en geweten geprobeerd recht te doen aan wat volgens mij de conclusies uit de literatuur zijn. Deels waren ze opgelucht. Zowel therapeuten als cliënten, die natuurlijk ook vaak merken dat therapie niet werkt, zeiden: hèhè, het ligt niet aan mij, therapie is beperkt.”

U schrijft dat psychische problemen vaak vanzelf overgaan.

„Ja. Er is weinig onderzoek naar het natuurlijk beloop van stoornissen. Zomaar iemand volgen die niet behandeld wordt, gebeurt niet. Ik heb geprobeerd op basis van controlegroepen en bevolkingsonderzoeken te kijken hoe het met mensen gaat die niet behandeld worden. Er zijn sterke aanwijzingen dat bij de meesten na een periode de problematiek verdwijnt, of overgaat in een fase waarin iemand er beter mee kan omgaan.

„Dat is zwaar. Psychisch leed is geen aanstellerij, het is heel akelig. Maar je kunt er in de meeste gevallen op eigen kracht doorheen komen.”

FOTO MERLIJN DOOMERNIK

Ook zonder medicijnen?

„Het effect van praten en pillen, antidepressiva, is grofweg hetzelfde. Als pillen een steuntje in de rug geven, doe dat vooral, maar je zult het uiteindelijk zelf moeten doen. Voor de ernstige psychiatrische aandoeningen, zoals bipolaire stoornis en psychose, geldt dat pillen op de korte termijn rust in de tent kunnen brengen. Tegelijkertijd wijst ervaring uit: bijna iedereen die psychotisch is, stopt ermee zodra het beter gaat. En door lithium kunnen mensen met bipolaire stoornis stabieler zijn. Maar ook daar geldt helaas: die pillen nemen de stoornis niet weg, ze maken hem hanteerbaarder. Ook deze mensen zullen toch moeten verdragen.”

Therapie verhelpt misschien niet alle klachten, maar mensen zijn meestal wel tevreden over hun therapeut en de behandeling.

„Ja, therapeuten zijn ook vaak heel kundige, aardige mensen. Ze kunnen goed luisteren. Wanneer luistert nou eens iemand een aantal keer een uur lang zonder oordeel naar je? Dat is een fantastische ervaring. Die geeft een goede therapeut jou. Los daarvan kan therapie ook een soort cursus geestelijke zelfverrijking zijn. Dat het dan na die therapie niet beter gaat… mensen koppelen dat los van elkaar, denk ik.”

Is dat alles wat een therapeut doet?

„Wat de werkzame bestanddelen van psychotherapie zijn, is eigenlijk niet bekend. Zelf denk ik dat een therapeut vooral helpt de copingmechanismen van de cliënt te stimuleren, en dat zijn in mijn visie klagen, veranderen en verdragen. Klagen is maar heel kort prettig, veranderen lukt haast nooit. Dus we zijn aangewezen op verdragen, en de therapeut helpt daarbij. Door zelf niet ontredderd te raken door wat iemand vertelt, en door diegene te stimuleren hoop te houden, smart te delen en in beweging te blijven, dus dingen te blijven doen. Die laatste zijn de drie ‘verdraagmechanismen’ die ons naar mijn idee ten dienste staan.

„Daarbij moet een therapeut duidelijk zijn dat hij maar een bescheiden bijdrage levert. Dat kan het beste door geen lange therapie aan te bieden, of steeds door te verwijzen, want dat suggereert dat meer therapie beter is, terwijl daar geen aanwijzing voor is. Iemand kan even met je meelopen en daarna zul je het zelf moeten doen.”

Ik denk dat diagnoses in de ggz vaak vrij waardeloos zijn

Mensen zijn tegenwoordig ook vaak blij als ze een diagnose krijgen en weten wat er precies aan de hand is.

„Ik denk dat diagnoses in de ggz vaak vrij waardeloos zijn, want iedere behandeling die een beetje effectief is, wordt op alle diagnoses losgelaten. En diagnoses overlappen elkaar enorm. Er staan er nu zo’n 560 in het psychiatrisch handboek DSM-5 en die classificatie geeft geen enkel houvast voor de behandeling. En ook geen verklaring voor wat iemand mankeert. Dat beschreef Trudy Dehue zo mooi in haar boek De depressie-epidemie: dat we diagnoses als verklaring zijn gaan zien, je bent somber omdát je een depressie hebt. Dat slaat nergens op.

„Tegelijkertijd denk ik dat het voor individuele personen wel waarde kan hebben om te bedenken: er zijn groepen mensen die ook ongeveer ditzelfde conglomeraat van verschijnselen hebben, en daar gaat het over het algemeen ongeveer zo mee. Als dat je houvast geeft, kan ik me voorstellen dat dat fijn is. Maar in wezen is het ernstig dat we niet accepteren dat het een tijdje niet zo goed met iemand gaat en dat dat een naam moet hebben.”

U stelt een grote verandering van de ggz voor, waarna iedereen elke twee jaar zeven sessies psychotherapie vergoed krijgt, en dat is dan alles. Hoe gaan we dat bereiken?

„Dat is de hamvraag. Het is heel moeilijk, want geen enkele groep heeft er op korte termijn belang bij. Cliënten willen geholpen worden. Voor therapeuten is deze boodschap heel ontwrichtend, én het is hun werk en inkomen. Hetzelfde voor grote ggz-instellingen: als Arkin zegt dat ze iets niet kunnen bieden, ziet Parnassia een gat in de markt. Politici hebben er ook geen belang bij: met ‘wen maar aan je problemen’ word je niet verkozen.

„Ik denk dat de grote ggz-instellingen de belangrijkste rol moeten hebben. Die zouden bij wijze van spreken op de gevel moeten zetten: hierbinnen gaat het meestal over, daarbuiten ook. Individuele therapeuten zijn redelijk realistisch, denk ik. Die zeggen wel: ik heb geen toverstaf, we gaan samen kijken wat er kan. Maar het gaat juist om de stap daarvóór: moet je er wel naartoe?

„Huisartsen zouden kunnen zeggen: misschien is hier geen oplossing voor. Wel vind ik de praktijk­ondersteuner-ggz bij de huisarts een geweldige functie. Zo zou de hele ggz eruit moeten zien: laagdrempelig, paar gesprekken, iemand die je weer op gang helpt. Zoals de fysiotherapeut. Die omslag is gelukt: ooit ging je naar de fysiotherapeut om beter te worden, en dat duurde soms heel lang. Nu ga je een paar keer en dan kun je weer even verder. Zo’n omslag moet ook bij psychotherapie gebeuren.”

Voor iedereen, met ongeacht welke psychische problemen?

„Ja. Er is natuurlijk een groep mensen die heel kwetsbaar is en het zelf niet goed redt. Die kun je ondersteuning en bescherming bieden. In de vorm van opnames bijvoorbeeld, en activiteiten, een sociale werkplaats, ze helpen uit bed te komen. Maar dat onderscheid ik van therapie, van zeggen: u gaat herstellen.”

Wie zijn dat dan, die het ‘niet redden’?

„Ik denk vooral aan mensen met een psychotische kwetsbaarheid, en ernstige chronisch depressieve mensen. Maar het is belangrijk te benadrukken dat het echt een kleine groep is. De meerderheid zal zelf uit bed moeten komen.”

Een kleine groep mensen heeft ontzettende pech en zal een heel moeilijk leven houden

Maar de grens tussen ernstig en minder ernstig psychisch leed is heel moeilijk te bepalen, schrijft u zelf.

„Dat klopt. Daar heb ik ook geen oplossing voor. Kijk, als de zorg eenmaal veel terughoudender is, als het gelukt is om die verwachtingsomslag te maken, dan zal er dus een groep overblijven die ondanks allerlei beschermingspogingen een marginaal bestaan blijft leiden, en mensen die buiten overlast veroorzaken. Het klinkt harteloos, maar ik denk dat je dat moet verdragen. Als je zegt: we kunnen niet accepteren dat die niet behandeld worden, dan doe je alsof je iets te bieden hebt wat je niet te bieden hebt. Een kleine groep mensen heeft ontzettende pech en zal een heel moeilijk leven houden. Zowel op individueel niveau als op maatschappelijk niveau zullen we dus dingen moeten verdragen die niet maakbaar zijn. Maar het overgrote deel van de mensen redt zich; daar moet je ook op kunnen vertrouwen.”

U schrijft ook dat we suïcide moeten accepteren.

„Dat is een beetje een stokpaardje van me. De gedachte dat therapeuten mensen van suïcide kunnen weerhouden is ongefundeerd. De halve ggz wordt gegijzeld door de angst dat iemand zich suïcideert en dat er dan een klacht komt en dat het jouw schuld is. Deels is dat gewoon menselijk schuldgevoel: had ik iets anders kunnen doen? Maar er wordt ook eindeloos gevraagd: heb je het protocol wel gevolgd, is alles wel volgens de regels gegaan? Terwijl ik niet zou weten hoe je moet onderbouwen dat er enige relatie is tussen wat de therapeut doet en of iemand wel of niet blijft leven. Daarom moet je dat loslaten. Die vreselijke last gaat er dan ook een beetje af. Naasten en therapeuten voelen zich dodelijk schuldig, over het algemeen. Maar je kunt niet iemand behouden voor het leven die dat niet wil.”

Bent u niet bang dat als die maatschappelijke omslag lukt, de mensen die het kunnen betalen naar alternatieve kwakzalvers rennen voor therapie?

Flip Jan van Oenen: Verdragen. Over de hulp helpt-mythe. Uitgeverij Boom, 292 blz. € 29,25

„Ja, dat zal wel. Of naar therapeuten die de wetenschappelijke literatuur terzijde schuiven. Maar dat vind ik geen reden om te blijven doen wat we doen. En het akelige is natuurlijk dat het deels om geld gaat. Zodra dingen niet meer vergoed worden, gaan mensen er veel minder gebruik van maken. Ik wil het economische aspect niet te veel vooropstellen, maar wat zijn de keuzes? Je kunt als samenleving zeggen: het is een schande dat een heleboel mensen nog niet behandeld worden, we gaan koste wat kost zorgen dat het enorme ggz-aanbod waar mensen om vragen er komt. Maar dat is gewoon niet haalbaar. We hebben nu al gigantische tekorten van middelen en mensen.

„En je kunt niet tegen mensen zeggen: als we het geld hadden voor meer therapie zou het beter met u gaan. Dat is een verschrikkelijke boodschap die bovendien niet klopt. Dan is het zuiverder om te zeggen: we hebben de middelen niet, maar het is niet zo dat we u iets onthouden; de kans is groot dat therapie u niet beter maakt en dat u slechter af bent wanneer u het vertrouwen verliest dat u het zélf kunt. Dat vind ik als maatschappij een veel logischer stellingname.”

MET DANK AAN NRC  

Schilderijen van een tentoonstelling

Persoonsvervoering bij Van Gogh

Van Gogh is voor mij altijd een magische naam geweest. Dat er bij ons in Krimpen een autobusdienst rondreed die ‘Autobusbedrijf Gebr. Van Gog’ heette – dat lijndiensten onderhield tussen Rotterdam en Gouda – vond ik maar een rare zaak: zo’n eerbiedwaardige naam voor een busbedrijf, dat kon er bij mij niet in, ik vond het gewoon ‘naamsmisbruik’ – maar wisten de broers Wim en Leen van Gog (zonder ‘h’!) veel, die heetten gewoon zo…

ALLE FOTO'S VERGROTEN DOOR TE KLIKKEN
(links)“Veel bussen van de Gebr. van Gog zijn bij het touringcar bedrijf Snel&co beland waar ze werden gebruikt voor groepsvervoer voor werknemers van Verolme.”

(rechts) 6 januari 2026. “Is dit geen pareltje van de familie van Gogh (tours)? Ik kwam deze foto tegen in mijn galerij. Ik plaats deze foto omdat ik in de 90'r jaren bij Hans & Piet van Gogh heel hun bussenpark bij hield met schoonmaken. Dit samen met nog een 6 tal collega's. Dit was een van hun bussen. Veel avond uurtjes daar doorgebracht om mijn bijverdienste er bij elkaar te sprokkelen. Het pand van 'Van Gogh Tours' staat er nog steeds maar zit nu V&V transport gevestigd. Wat gaat de tijd toch snel🫶🙏”


Van Gogh stond bij mij thuis huizenhoog in het vaandel geschreven. En na de recente tentoonstelling van Anselm Kiefer in het Van Gogh Museum, ben ik weer helemaal paraat.
Ik kon het dan ook niet nalaten onderstaande afbeeldingen van zijn werk te verzamelen, die recent op de website van het museum verschenen:

Van Gogh wrote to his brother Theo about the scene that inspired this work:
‘Yesterday, at sunset, I was on a stony heath where very small, twisted oaks grow, in the background a ruin on the hill, and wheatfields in the valley. It was romantic, it couldn’t be more so, à la Monticelli, the sun was pouring its very yellow rays over the bushes and the ground, absolutely a shower of gold. And all the lines were beautiful, the whole scene had a charming nobility. You wouldn’t have been at all surprised to see knights and ladies suddenly appear, returning from hunting with hawks, or to hear the voice of an old Provençal troubadour. The fields seemed purple, the distances blue.’

Hoe ‘gekke koningen’ als Trump al eeuwen voor problemen zorgen

Geschiedenis 
De laatste weken is diverse keren gesuggereerd dat Donald Trump geestelijk incapabel is. Onberekenbare leiders hebben in het verleden vaak voor geweld gezorgd – intern en extern.

Bart Funnekotter, NRC
Gepubliceerd op
21 januari 2026 om 13:12

De ontvoering van een staatshoofd, het goedpraten van de gewelddadige dood van een demonstrant, de juridische stalking van de baas van de Centrale Bank en het bedreigen van een bondgenoot omdat je een deel van zijn grondgebied begeert: Donald Trump is het jaar 2026 ontremd begonnen.

Nobelprijswinnend econoom Paul Krugman noemde in zijn nieuwsbrief de Amerikaanse president daarom vorige week een „Mad King”, en commentator Martin Wolf van de FT en New York Times-columnist Maureen Dowd vergeleken Trump al eerder met een gekke koning – en dat was nog vóór diens kattenbelletje aan de Noorse premier Jonas Gahr Støre, waarin de president zich op dreigende toon beklaagde over het feit dat hij de Nobelprijs voor de Vrede was misgelopen.

Voor Amerikaanse psychiaters geldt de zogenoemde Goldwater rule – je mag geen diagnose stellen zonder iemand persoonlijk te hebben onderzocht – maar Democratische politici zijn aan deze regel niet gebonden. De afgelopen dagen concludeerden meerdere afgevaardigden en senatoren dat Trump geestelijk niet in orde is en dat het kabinet een beroep moet doen op het 25ste amendement van de Grondwet. Deze bepaling voorziet in de mogelijkheid de president uit zijn ambt te zetten als hij niet langer in staat is het uit te voeren.

Dat Amerikanen grijpen naar een vergelijking met een gekke koning is niet vreemd. Theodore Roosevelt (regeerperiode 1901-1909) was zich goed bewust van de enorme macht die hij had. Hij schreef: „De president van de Verenigde Staten neemt een positie in van bijzonder belang. In de hele wereld is er geen heerser, zeker geen heerser die werkt onder vrije instituties, wiens macht te vergelijken is met die van hem. Alleen een despotische koning heeft meer macht.”

En het was nota bene uit een conflict met zo’n despotische koning dat in 1776 de Verenigde Staten werden geboren. George III van Groot-Brittannië was bovendien psychisch ziek. De oorzaak daarvan was niet de stofwisselingsziekte porifyrie, zoals bijvoorbeeld in de film The Madness of King George (1994) werd beweerd. Volgens biograaf Andrew Roberts leed George aan een bipolaire stoornis, waarbij periodes van depressie en manie elkaar afwisselden.

De koning wist van deze episodes dat hij op het punt stond af te dalen in een beangstigende wereld waarin hij geen controle meer had over zijn gedachten. Dat hij behandeld werd alsof hij gek was, noemt Roberts „monsterlijk”. Zijn zoon en belangrijke politici vochten tijdens George’ slechte periodes om de macht, wat zorgde voor instabiel beleid.

Nero vertoonde ernstig gestoord gedrag

Een blik op de geschiedenis leert dat dit vaker gebeurde wanneer er een mentaal wankel persoon aan het hoofd van een staat voor een machtsvacuüm zorgde. Het is daarbij wel van belang in de gaten te houden wie er opschreef dat een koning gek was. Zo’n auteur had vaak een appeltje te schillen met de vermeende patiënt. In het Oude Testament staat bijvoorbeeld dat de Babylonische koning Nebukadnezar II leed aan de verschijnselen van boantropie, een aandoening waarbij de patiënt denkt dat hij een rund is. Nebukadnezar stond er bij de Joden echter bijzonder slecht op omdat hij in 587 v.Chr. de tempel van Jeruzalem vernietigde en het Joodse volk in ballingschap voerde. Als straf voor zijn opschepperij hierover liet Jaweh hem zeven jaar lang leven als een dier – aldus het Boek Daniël

De Romeinse keizers van het Julio-Claudische huis zijn er in de geschiedschrijving ook niet goed van afgekomen. Tiberius (r. 14-37) en Caligula (r. 37-41) waren, aldus de bronnen, pervers en paranoïde, maar vooral Nero (r. 54-68) vertoonde volgens historici als Tacitus, Cassius Dio en Suetonius ernstig gestoord gedrag. Hij vermoordde onder meer kritische senatoren, zijn moeder en twee echtgenotes. In zijn biografie tracht John Drinkwater uit de antieke beschrijvingen te destilleren wat er nu écht mis was met Nero, met daarbij alle slagen om de arm dat zoiets 2.000 jaar later erg moeilijk is. Hij komt tot de conclusie dat de keizer niet ‘gekker’ was dan zijn tijdgenoten, maar wel persoonlijk zeer onzeker en als het moest politiek meedogenloos.

De koning dacht dat hij van glas was

Dichter bij het heden zijn de contemporaine beschrijvingen van ‘gekke koningen’ betrouwbaarder. Karel VI van Frankrijk (r. 1380-1422) beleefde in dertig jaar in totaal 44 psychotische episodes. Zijn wanen zorgden er onder meer voor dat hij zijn eigen mannen gewapend te lijf ging en zich maandenlang niet waste. Ook was er een periode waarin hij dacht dat hij van glas was. Volgens paus Pius II liet de koning toen ijzeren staven in zijn kleding bevestigen, zodat hij niet zou breken.

Karels ziekte maakte Frankrijk op een cruciaal moment in de Honderdjarige Oorlog tegen Engeland stuurloos. Verschillende facties aan het hof vochten om de macht, wat uitmondde in een burgeroorlog en een aantal desastreuze nederlagen tegen de Engelsen. Karel overleed in 1422, hetzelfde jaar dat in Engeland Hendrik VI aan de macht kwam. Toevallig (of juist niet, want ze waren aan elkaar verwant) was het nu de Engelse koning die mentale kwalen ontwikkelde. Hij vertoonde al een tijdje zorgwekkende symptomen toen hij op zijn 31ste in een ernstige crisis belandde. Volgens de kronieken zorgde „een plotselinge en onfortuinlijke schrik” ervoor dat hij anderhalf jaar lang „noch het gevoel noch het verstand had om de regering te leiden, en noch arts noch medicijn kon die zwakte genezen”.

Hendrik kwam uiteindelijk weer bij zinnen, maar kende hierna nog meerdere episodes waarin hij in totale lethargie verdween, stemmen hoorde en tijdens een veldslag lachend en zingend onder een boom ging zitten. Er is daarom wel geconcludeerd dat hij schizofreen was. Net zoals in Frankrijk leidde het onvermogen van de koning om te regeren tot een burgeroorlog, de zogenoemde Rozenoorlogen. Hendrik overleed uiteindelijk op 49-jarige leeftijd onder verdachte omstandigheden in de Tower van Londen.

Koning George III moest drie eeuwen later zijn periodes van waanzin niet met de dood bekopen en er brak in Groot-Brittannië geen burgeroorlog uit, maar er was dus wel sprake van ernstige interne politieke onrust en een revolutie in Amerika. Zijn tijdgenoot Christiaan VII van Denemarken (r. 1766-1808) zorgde in zijn koninkrijk ook voor problemen. Lijfarts Johann Friedrich Struensee – die vanwege zijn band met de vorst de facto optrad als regent – noteerde dat Christiaan in zichzelf mompelde, tics in zijn gezicht had en ongecontroleerde bewegingen maakte. Zijn kwaal is achteraf wel gediagnosticeerd als schizofrenie, terwijl andere wetenschappers een ernstig geval van het syndroom van Tourette vermoedden. In ieder geval zorgden ook in Denemarken de mentale problemen van de koning voor een richtingenstrijd aan het hof.

Koning Lodewijk II van Beieren – bouwer van het ‘sprookjeskasteel’ Neuschwanstein – was misschien wel de eerste vorst die een officiële diagnose kreeg. Hij werd in 1886 door de psychiater Bernhard von Gudden onderzocht omdat hij al jaren verontrustend gedrag vertoonde (dwangstoornissen, auditieve en visuele hallucinaties, urenlange scheldpartijen). Zijn arts concludeerde dat hij „in vergaande mate zielsgestoord” was en bovendien „paranoïde”. De koning werd uit zijn ambt gezet en opgevolgd door zijn broer Otto I, die zijn werk aan een regent moest overlaten omdat ook hij met ernstige mentale problemen te kampen had. Lodewijk zelf werd later in 1886 dood aangetroffen in een meer, samen met zijn psychiater. Of het een ongeval, moord of zelfmoord betrof is nooit met zekerheid vastgesteld.

Handboek van de psychiatrie

Van de mannen hierboven werd door hun tijdgenoten al geconstateerd dat er iets niet goed met ze was. Andere leiders – denk aan Dzjengis Khan en Vlad Dracula (en Stalin en Hitler) – werden door hun tegenstanders en slachtoffers gezien als kwaadaardig, maar niet per se als ‘gek’, terwijl ze anno 2026 hoog zouden scoren op een aantal categorieën in de DSM-5, het handboek van de psychiatrie.

In tijden van door God gegeven koningschap, zat het establishment met het probleem dat de heerser formeel niet uit zijn functie kon worden gezet. Een mad king zorgde daardoor voor instabiele en vaak gewelddadige situaties waarin hovelingen de macht naar zich toe probeerden te trekken. Dat probleem bestaat in een democratie niet, net zomin als het gevaar dat erfelijke heersers van generatie op generatie mentale kwetsbaarheden doorgeven.

En toch zitten de Verenigde Staten nu met een leider opgescheept die volgens zijn critici niet goed bij zijn hoofd is. In vroeger tijden leidde de heerschappij van zo’n gekke koning vaak tot geweld – intern en extern. Het is afwachten wat de (nabije) toekomst in petto heeft.

MET DANK AAN NRC  

De schittering van duizend zonnen

✏️ NOTITIE bij Om je straatje heen de onmetelijkheid op www.tao-zen.nl

If the splendour of a thousand suns were to ​blaze out together in the sky, that might resemble the glory of that Mahâtman.”
Bhagavad Gita: Hoofdstuk 11, Vers 12.

  

Het onmetelijke – uit ‘De breuk’ van Maarten Houtman.

Hieronder een fragment uit de autobiografische roman ‘De breuk’ van Maarten Houtman, hoofdstuk ‘Het onmetelijke’.
Het troepentransportschip waarmee Maarten terug naar Holland vaart, komt vlak na de schemer in een zandstorm terecht. Gewapend met een oliepak en een stofbril, neemt hij aan dek het schouwspel in ’t oog.

Een torenhoge rode stofstorm boven de oceaan, wanneer een cycloon Onslow in Australië nadert.

“Ik vergeet alles en kijk er zó intens naar, dat ik meegevoerd word door het geweld van de zandrivieren die zich in de einder verliezen. Alle ballast is van me afgenomen. Schoongeschuurd heb ik het kleine schip met zijn mierenbedrijvigheid verlaten en ben ik onderweg naar wat nog komen moet, maar dat ik al vermoed. Ongeremd door overwegingen en menselijke berekeningen zuigt de verte me op, steeds sneller, totdat ik door een open plek de sterren op me af zie komen, eerst wit en ver, dan steeds dichterbij in allerlei kleuren van zacht tot verblindend fel.
Ik moet nu terug zijn in de oorsprong en kan opnieuw gevormd worden, zonder al de aangroeisels die me tot nu toe verstikt hebben en waar de mensen zo trots op zijn. Daaraan te sterven lijkt weldadig.”
Maarten Houtman, De breuk | Het onmetelijk.

 Afbeelding bovenaan:
’Stervende reuzenster blijkt niet alleen en dat zegt iets over onze toekomst’
Wetenschappers aan de KU Leuven hebben voor het eerst hard bewijs gevonden voor het bestaan van 'begeleiders' rond een stervende superster. Rond zulke oude sterren draaien soms andere sterren of planeten, die elkaar onderling kunnen beïnvloeden. Door het gedrag van die begeleiders te begrijpen, kunnen we beter voorspellen hoe ook onze eigen zon zich verder zal ontwikkelen.
De onderzoekers gebruikten de ALMA-telescoop in Chili, een netwerk van 66 radiotelescopen dat bijzonder geschikt is om gas- en stofstructuren in detail in beeld te brengen. Scientias.nl

‘Turner & Constable’ laat zien dat de twee Engelse grootheden elkaar door hun rivaliteit tot grote hoogte stuwden

REPORTAGE BEELDENDE KUNST

In Tate Britain in Londen is onlangs de dubbeltentoonstelling over het werk van J.M.W. Turner en John Constable geopend, onmiskenbaar de twee belangrijkste Engelse landschapsschilders van de romantiek. Maar ook twee kemphanen die elkaar niet konden uitstaan. 

Dit artikel is geschreven door Rutger Pontzen
schrijft voor de Volkskrant over beeldende kunst. 
Gepubliceerd op 2 januari 2026, 05:01

Misschien had dit stuk achterstevoren geschreven moeten worden, conform het idee dat je de tentoonstelling Turner & Constable, nu in de Londense Tate Britain, het best van achteren naar voren kunt bekijken. Het is sowieso een tip. Stiefel aan het begin van de expositie langs de portretten van de twee belangrijkste Engelse landschapsschilders – o, wat lijken ze op elkaar! – naar de laatste zaal, en keer om.

Wandel dan terug en vraag u af: tot wanneer blijft Constable de lieflijke Constable zoals we die kennen, en tot welk schilderij is Turner de woeste Turner op wie iedereen zo tuk is? Wat blijkt: het onderscheidende imago dat beide kunstenaars altijd hadden, is maar de helft van het verhaal.

De nukkige en de brave

Wat dat imago inhield? Dat J.M.W. Turner (1775-1851), roepnaam William, de onaangepaste, experimentele en nukkige schilder van de twee was. Met zijn semi-abstracte zeegezichten waarop altijd wel een boot ontploft, een desastreus onweer uitbreekt, de zon achter mistflarden van roze en gele wolken schuilgaat en een Venetiaanse gondel dreigt te zinken.

En John Constable (1776-1837)? Ach, de brave hendrik. De wat suffe, saaie, maar kundige documentalist van het plattelandsleven. De Engelse equivalent van de Nederlander Jacob van Ruisdael. Met zijn oog voor hardwerkende boeren, trekpaarden, platbodems, met riet bedekte stallen, stille poelen en wuivende eiken.

Het is mooi dat in Londen deze clichématige vooroordelen niet uit de weg worden gegaan, vanaf de tweede helft van de expositie althans; om precies te zijn – spoiler alert! – zaal zes. Daar ontrolt zich het grote verschil tussen beiden en vinden ze hun karakteristieke stijl en onderscheidende thematiek. Daar wordt duidelijk dat de term uit de ondertitel van de expositie – ‘rivalen’ – inderdaad klopt.

Tot grote hoogte

Dat is de invalshoek die er in de Tate is gekozen: deze twee grootheden konden het niet met elkaar vinden, boksten tegen elkaar op en lieten elkaar in hun onderlinge vijandigheid tot grote hoogte stijgen. Precies zoals Picasso en Matisse dat hebben gedaan, Michelangelo en Da Vinci, Manet en Degas, zoals in de catalogus wordt gememoreerd.

Turner kwam voor velen altijd met 10-0 als winnaar uit de tweestrijd, omdat hij het experiment aandurfde, zijn tijd ver vooruit was en de latere abstracte kunst al in zijn werk had voorvoeld. Daarbij voldeed zijn karakter het meest aan het beeld van de egocentrische, weerbarstige avant-gardekunstenaar zoals wij dat in de 20ste eeuw zijn gaan omarmen.

https://www.cinenews.be/nl/films/mr-turner/videos/5079

Met dank aan Mr. Turner, de fantastische film van Mike Leigh, waarin de schilder wordt neergezet als de onaangepaste excentriekeling, revolutionair, einzelgänger en hork – hoewel uiteindelijk ook sympathiek. Niet voor niets draagt het 20-pondbiljet van de Bank of England het zelfportret van Turner en is de belangrijkste prijs voor hedendaagse kunst in het Britse koninkrijk naar hem vernoemd.

Trouw aan de Stour

Wellicht dat Turner boven Constable werd verkozen omdat ze, hoewel maar met één jaar verschil geboren, in een andere omgeving zijn opgegroeid. De jongste, Constable, op het platteland in een gezin van de gegoede, ietwat angstvallige burgerij. Met ouders die hem voorhielden dat hij met zijn artistieke talent weinig zou verdienen, in tegenstelling tot met het familiebedrijf: de niet onverdienstelijke graanhandel waarin zijn vader rijk was geworden.

Constable, de meer ingetogen schilder, zou pas op latere leeftijd naar Londen verhuizen om er lid te worden, net als Turner eerder deed, van de Royal Academy. Maar hij zou zijn geboortegrond aan de Stour, een rivier tussen Essex en Suffolk, door melancholie en heimwee altijd in zijn landschappen trouw blijven. Zijn oeuvre is toch een grote liefdesverklaring aan de Engelse bossen, riviertjes en korenvelden. Met als letterlijke hoogtepunten Hadleigh Castle en de kerktorens van Dedham en Salisbury.

Altijd is er wel ergens een hooiende agrariër te bekennen, een varende schipper, zogende moeder, rustende schaapsherder of bedrijvige sluiswachter met wie je je kunt identificeren. Vooral door de kalme ambachtelijkheid waarmee zij zich voegen naar het landschap alsof ze zelf boom, struik, boot of wolk zijn.

Het is een idyllische voorstelling van de relatie tussen mens en natuur die meer zegt over het redelijk rimpelloze bestaan van Constable, dan over het weerbarstige leven op het platteland. (Het daagde de Engelse kunstenaar Peter Kennard ertoe uit in 1980 om, als commentaar, in een kopie van een van Constables landschappen drie kruisraketten te plakken: Haywain with Cruise Missiles. Het kon in de tijd van herbewapening wel wat realistischer, vond hij.)

Stadsjongen met Cockney accent

Hoe anders was het jeugdige leven van Turner, de kapperszoon in het levendige en destijds volkse Covent Garden? Zijn vader leerde hem zijn eerste tekeningen, hangend in de etalage, te verkopen. De stadsjongen met zijn Cockney accent, streetwise en niet op zijn mondje gevallen, was een talent en werd al op jonge leeftijd toegelaten tot de prestigieuze Royal Academy.

In tegenstelling tot Constable reisde Turner veel naar en door het buitenland. In zijn talloze schetsboekjes wemelt het van vergezichten en luchten in Noord-Frankrijk, België, Duitsland en Italië. Met name het sprookjesachtige Venetië moet hem bekoord hebben, gezien de grote hoeveelheid schilderijen die de ochtendmist over de Canal Grande laten zien.

Of je het karakterologisch kunt verklaren, is moeilijk te zeggen, maar de woelige, stadse, concurrerende inborst van Turner komt wel overeen met het werk dat hij afleverde. In de latere schilderijen is alles in beweging. Kleuren knallen je tegemoet: een zonsondergang in vijftig tinten geel; een stoomboot in een tornado van sneeuw; een allesverzengende vuurzee die niet alleen de Houses of Parliament maar ook het schilderij in vlam lijkt te zetten.

Dat hij met spuug schilderde, zowel poetsdoeken en zijn vingers gebruikte als penselen en kwasten, en aquarelpapier onderdompelde in kleurbaden is meer dan een loze overdrijving. Over zijn aquarellen gesproken: de losse, soepele manier van schilderen zette hem, eerder dan in zijn olieverfdoeken, op het spoor dat kleur en verf kunnen verworden tot licht en atmosfeer. Onstoffelijk. Constable beschouwde de werkwijze van Turner als een aanslag op zijn werk: ‘[Turner] was here and fired a gun.’

Onderdompelen in een fantasielandschap

Tot zover de onderlinge, rivaliserende verschillen. De Tate-expositie wil benadrukken dat Turner de gepassioneerde sfeerschilder is en Constable de anekdotische dingenschilder. Dat Constable altijd de Engelsman is gebleven, terwijl Turner zich het warme, Zuid-Europese licht toe-eigende.

Van een afstandje gezien vertegenwoordigen de twee kemphanen beide zijden van dezelfde penny: het verlangen om ondergedompeld te worden in vervoering, in een fantasielandschap. Beiden verbeeldden een wereld die voornamelijk in hun geest bestond; de ‘bacchantische roes waarin geen lid niet dronken is’, zoals Hegel de vrije, artistieke geest van de romantiek beschreef.

De wedstrijd om de titel ‘grootste romanticus van het Engelse landschap’ mag in Londen de rode draad zijn, het verbloemt hoe algemeen dit romantische gevoel destijds was. En hoezeer de Engelsen een doorleefde liefde hadden (en nog immer hebben) voor weidse weidevelden, heuvels, kliffen, geschoren heggetjes en ‘gardening’ – heel anders dan de Fransen met hun langs de meetlat ontworpen tuinen (denk aan Versailles) en de Duitsers met hun mythische wouden.

De Engelse tuin

Niet alleen was er al een eeuw voor Turner en Constable een notoire traditie in het landschapsschilderen (met Richard Wilson, Thomas Gainsborough en William Hodges), denk ook aan de geënsceneerde tuinaanleg van Capability Brown, de Piet Oudolf van de 18de eeuw.

Brown was de uitvinder van de ‘Engelse tuin’: lieflijk en glooiend, maar ook grillig en beweeglijk; vol kronkelige riviertjes en onverwachte doorkijkjes waarin hier een tempeltje was te zien, daar een ruïne en verderop een waterval. Een schilderachtig decor dat artificieel was aangelegd, maar ruraal en verwilderd oogde.

Het verlangen ernaar werd overigens, zeker in de 19de eeuw, nog eens extra gevoed door de industrialisatie die in de Engelse steden ongekend smerige gevolgen had, met zijn smog, armoede, drukte en lawaai. Daar komt bij dat door de Franse oorlogsdreiging en blokkade in het Kanaal (met dank aan Napoleon) de Engelsen zich bewuster werden van de landschappelijke geneugten en landbouwproducten om te overleven.

TURNER EN DE SLAVERNIJ

Was Turner tegen slavernij of niet? In 1840 schilderde hij, als aanklacht tegen de slavenhandel, het doek Slavenhandelaren gooien de doden en stervenden overboord – Tyfoon in aantocht. Aanleiding was een soortgelijke gebeurtenis 1781 met het slavenschip Zong. Maar in zijn recent verschenen boek Turner and the Slave Trade betoogt Sam Smiles juist dat Turner eerder investeerde in een Jamaicaans landgoed waar slavenarbeiders werkten, en werk verkocht aan verzamelaars die bij de slavenhandel betrokken waren.

De patriottische, herderlijke romantiek is dus zeker de bakermat geweest voor zowel Constable als Turner, met de natuur als een overweldigende, sublieme kracht. De manier waarop Turner Hannibal over de Alpen schilderde, in een onbarmhartige storm, komt overeen met de heroïsche manier waarop Constable de kathedraal van Salisbury uitbeeldde onder een woeste wolkenlucht met regenboog.

Wat de tijdgenoten bindt

Voor wie in Londen op en neer door de zalen wandelt wordt het steeds duidelijker wat deze tijdgenoten bindt. Want vergis je niet: er zit iets vasthoudend traditioneels in beiden. Ook bij Turner. In al het coloristische geweld duikt er altijd wel ergens een romeinse zuil op, een tempelfront, een havengezicht met een scène uit de Ilias – alsof hij Capability Brown in olieverf heeft willen uitbeelden.

En laten we wel wezen: de wand vol gedetailleerde wolkenstudies die Constable schilderde, laat een kien oog zien voor de onstuimigheid van het weer, waar Gerrit Hiemstra zijn vingers bij zou aflikken. Beekjes verworden tot woelige rivieren, rustieke boomkruinen tot ruisende bimi’s. De toon is menigmaal apocalyptisch; het gebruik van paletmes ronduit zwierig.

Zeker op het einde van zijn leven ontwikkelde Constable een robuustere, klodderige manier van verven, waar tegenover het waterige veegwerk van Turner verbleekt. Dus die tweestrijd waarin Turner met 10-0 won van Constable? Maak daar maar een gelijkspel van.

Turner & Constable. Rivals and Originals. Tate Britain, Londen, t/m 12/4.