RECENSIE
Beeldende kunst Het museum voor modern realisme in Gorssel toont Italiaanse schilderkunst uit het midden van de vorige eeuw: lichter en kleurrijker dan het Nederlandse realisme, maar ook met een ongemakkelijke zweem van fascisme.

Gijsbert van der Wal
4 maart 2026
vanuit Gorssel
Afbeeldingen vergroten door te klikken

Giorgio de Chirico: Italian Square with Pool, (1938).
BEELD PALAZZO MAFFEI FONDAZIONE CARLON, VERONA
Het is lekker druk in Museum MORE, en je begrijpt wel waarom. Het particuliere museum, gevestigd in een groot en licht nieuw gebouw in Gorssel bij Zutphen, begon ruim tien jaar geleden als een officieuze opvolger van het in de kredietcrisis gesneuvelde Scheringa Museum voor Realisme. In die tien jaar is het uitgegroeid tot een museum voor moderne figuratieve kunst in brede zin, van het interbellumrealisme van Jan Mankes, Pyke Koch en Carel Willink tot de recente tekeningen op groot formaat van Marijn Akkermans, Jans Muskee en Raquel Maulwurf, de wiebelige keramiekstillevens van Koos Buster en een flinke verzameling zelfportretten, met uiteenlopende hedendaagse kunstenaars als Levi van Veluw, Matthijs Röling, Rineke Dijkstra en Anton Valens. Op de begane grond is een leuke keuze uit die vaste collectie gepresenteerd – thematisch, niet chronologisch, zodat duidelijk blijkt dat de figuratieve kunst van de afgelopen eeuw één samenhangend verhaal van leesbare beelden is, één grote weergave van de zichtbare wereld. Zo liefdevol en zorgvuldig als hier wordt het eigen bezit van een museum niet vaak geëxposeerd.
De zalen op de eerste verdieping zijn bestemd voor tijdelijke tentoonstellingen en om de zoveel jaar biedt MORE daar een internationale context bij de Nederlandse kunst beneden. Eerder waren er tentoonstellingen te zien over Brits en Europees realisme uit de jaren twintig en dertig, naïef realisme wereldwijd en figuratieve kunst uit het vroegere Tsjecho-Slowakije. Nu wordt er in Magico! een overzicht geboden van de Italiaanse realistische schilderkunst uit de eerste helft van de twintigste eeuw, met een beetje uitloop naar de jaren vijftig en zestig.
De aankleding is ijssalon-achtig, met wanden en banieren in zachte kleuren en kleurbanen. Op de bordjes staat af en toe een bekende naam: Gino Severini’s gitaarspelende Pulcinella uit Museum Boijmans Van Beuningen is present en van Giorgio de Chirico hangt er een landschap met de voor hem typerende combinatie van naïef perspectief en verfijnde schaduwen. Maar verder is Magico! een tentoonstelling als een eerste ontmoeting, want de meeste getoonde Italianen zijn in ons land onbekend. Toch doet hun stijl van schilderen regelmatig vertrouwd aan. De eenvoudige stillevens in verstofte kleuren van Edita Broglio doen aan die van onze Wim Schuhmacher denken, Gregorio Sciltians portretten zijn verwant aan die van Carel Willink en Antonio Donghi had met zijn illustratief geschilderde ouderwetse speelgoedwereld een Italiaanse achterneef van Hermanus Berserik kunnen zijn.
Ongemakkelijke, kille verhevenheid

BEELD FONDAZIONE CARIVERONA
Waardoor onderscheiden de Italiaanse realisten zich van hun Nederlandse tijd- en soortgenoten? Soms natuurlijk door het zuidelijke licht: zie de harde schaduwen bij De Chirico, en zie ook Ada in de tuin (1927) van Stanis Dessy. Het model staat in de schaduw, maar in die schaduw worden nog weer diepere schaduwen getekend door het felle zonlicht daarbuiten, en datzelfde zonlicht reflecteert in haar ogen. Verder lijkt het Italiaanse interbellumrealisme wat uitgesprokener van kleur dan het Nederlandse. Een stilleventje als dat in Vrouw voor de spiegel (1927) van Cagnaccio di San Pietro, met vuurrode make-upspullen op een knalblauw tafeltje, zul je bij Mankes, Schuhmacher of Hynckes niet tegenkomen.
Op een ander verschil is moeilijker de vinger te leggen: de zweem van fascisme, waar een aantal van de Italiaanse realisten niet onwelwillend tegenover stond. Misschien zie je het alleen omdat je het weet. Er wordt niet met vlaggen gezwaaid en er zijn geen uniformen of portretten van Mussolini te zien, maar er spreekt een ongemakkelijke, kille verhevenheid uit de neo-classicistische decors, de verbeten, strak belijnde koppen, de visionaire blikken, de smetteloze schildertrant.

BEELD FONDAZIONE CARLO LEVI / PICTORIGHT
Francesca (1927) van Carlo Levi zit in rustig strijklicht te poseren op een stoeltje op een tapijt met veel blauwen en roden; haar rode vest oogt lekker warm tegen een wat gedempter rode achterwand die ook al warm is – maar met haar valse poppenblik en haar helmachtige kapsel (met strakke middenscheiding) wint ze geheid iedere auditie voor een hoofdrol in een horrorfilm. Een door Mario Reviglione geportretteerde theoloog, helemaal in het zwart en met een strenge blik onder de zwarte hoed, is ook op een filmische manier griezelig.

Hoogst curieus is Sciltians Bacchus in de herberg (1936) uit het museum voor moderne kunst in Rome. Vier jonge mannen aan een gedekte tafel worden verrast door de halfnaakte Bacchus, god van wijn en dronkenschap. De compositie met evenwichtig verdeeld geel, rood, groen en blauw, het theatrale licht, de blikken en houdingen en de stillevens op en om de tafel doen allemaal aan Caravaggio denken – en toch blijkt uit bijvoorbeeld de kleding en de kapsels meteen dat we in de jaren dertig van de twintigste eeuw zijn. Het desolate stadsgezicht achter Bacchus heeft Sciltian van De Chirico geleend. Uiteindelijk is het een tamelijk lelijk, geforceerd schilderij. Make Italy great again. Maar je blijft toch een tijd staan kijken, want boeiend is het wel. En daarin is het representatief voor Magico! Er zullen weinig bezoekers wildenthousiast over het Italiaanse realisme naar buiten lopen, maar het is een welkome, leerzame tentoonstelling die je in geen enkel ander Nederlands museum te zien krijgt.


Ubaldo Oppi: The Artist’s Wife with Venice in the Background, (1921)
Felice Casorati: Beethoven, (1928)
