De val van het Westen is onvermijdelijk

Profiel: Ibn Khaldun

Aan de cycli van macht valt niet te ontsnappen, toonde de Arabische geleerde Ibn Khaldun (1332-1406) in zijn Muqaddima. Zijn indrukwekkende intellectuele nalatenschap is in deze tijd van grote transformatie weer hoogst actueel.   

Lotfi El Hamidi, beeld Joost Krijnen

“De fundamenten van de westerse hegemonie staan op instorten. De breuk met de naoorlogse liberale orde is aanstaande en onomkeerbaar. Hoe de wereld zonder gezamenlijke regels eruit zal zien moet nog blijken, maar de rivaliteit tussen meerdere grootmachten tekent zich af. De Verenigde Staten hebben niet meer de economische en morele basis en aantrekkingskracht om het idee van een universele orde te vertegenwoordigen. Het onvoorspelbare en destructieve gedrag van de machthebbers in Washington maakt dat steeds minder landen nog geloven in een duurzame relatie met de Amerikanen. De meeste landen moeten nu nadenken hoe zij zich gaan verhouden tot de sterksten der aarde. De uitdaging is hoe een nieuwe internationale orde te creëren mét de idealen en principes die na de oorlog in ieder geval de westerse wereld stabiliteit, voorspoed en vrijheid hebben gebracht.”   

Wie deze woorden leest zou misschien denken dat die rechtstreeks komen uit de memorabele en veelbesproken toespraak van de Canadese premier Mark Carney tijdens het World Economic Forum in Davos. Doe er een vleugje Thucydides bij, de Griekse historicus die Carney aanhaalde om de huidige machtsstrijd te typeren (‘de sterken kunnen doen wat ze willen en de zwakken moeten lijden wat ze kunnen’), en bovenstaande tekst had een bondige samenvatting van zijn rede kunnen zijn.

Het is toeval (althans, laten we daarvan uitgaan), maar de woorden zijn van de Portugese ex-politicus en schrijver Bruno Maçães. In zijn essaybundel Exit from Our Age of Disorder, gepubliceerd in november 2025, nam Maçães al afscheid van de liberale orde voordat de premier van Canada zijn conclusies trok. Dat deed de Portugees niet aan de hand van Thucydides maar via de inzichten van een andere illustere historicus: Ibn Khaldun (1332-1406). Maçães schreef in opdracht van het in 2025 opgerichte Ibn Khaldun Institute in Washington, dat zich buigt over hedendaagse vraagstukken aan de hand van de intellectuele nalatenschap van de Arabische historicus.

Sommige historici beschouwen zijn werk als tijdloos, andere geschiedkundigen zijn juist beducht om daar eeuwigheidswaarde aan toe te kennen. Anachronismen liggen vaak op de loer, maar dat zegt wellicht meer over degenen die hem aanhalen dan over Ibn Khaldun zelf. Maar dat zijn denken nog altijd van meerwaarde blijkt in het begrijpen van het verleden én de wereld van vandaag staat buiten kijf.

Ibn Khaldun was in ieder geval geen kroniekschrijver met toevallig goede pr. In wetenschappelijke kring behoort hij tot een van de belangrijkste Arabische denkers uit de (late) Middeleeuwen. Zijn bekendste werk, de Muqaddima, de inleiding van zijn historiografische overzichtswerk Kitab al-’ibar (‘Het boek der voorbeelden’), wordt op westerse universiteiten kritisch gelezen en behandeld. Vooral zijn theorieën over de opkomst en ondergang van beschavingen spreken tot de verbeelding. Wanneer staten of dynastieën verrijzen of vallen is zijn naam dan ook nooit ver weg. In de Arabische wereld wordt hij al op de lagere school onderwezen; in de Maghreb is zijn status onder het ‘gewone volk’ vergelijkbaar met die van Hugo de Groot in Nederland, zoals Midden-Oosten-kenner Abdou Bouzerda opmerkte. Tijdens de Arabische Lente, toen meerdere regimes na decennia alleenheerschappij omver werden geworpen of op omvallen stonden, werd het werk van Ibn Khaldun door Arabische analisten veelvuldig besproken.

Niet voor niets begon historicus Albert Hourani zijn magnum opus A History of the Arab Peoples (1991) met een uitgebreide proloog gewijd aan het leven van Ibn Khaldun. Hourani zag in hem de belichaming van het culturele continuüm van de Arabische wereld. Ibn Khalduns verre voorouders zouden hun oorsprong hebben in de Hadramaut, een gebied in het huidige Jemen. Met de veroveringstocht van de Arabieren na de dood van de profeet Mohammed in de zevende eeuw belandde Ibn Khalduns stam uiteindelijk in het zuiden van Spanje. In Sevilla vormden leden van de stam eeuwenlang een soort aristocratische klasse. Na de christelijke herovering van de stad halverwege de dertiende eeuw zochten zij hun toevlucht in Noord-Afrika. Ibn Khalduns overgrootvader en grootvader leverden in Tunis als hoge ambtenaren hun diensten aan de regerende dynastie van de Hafsiden, zoals andere leden van de voormalige Andalusische elite hoge posities bekleedden bij rivaliserende hoven in Marokko en Algerije.

Hij werd in 1332 in Tunis geboren, Abu Zayd Abd ar-Rahman ibn Muhammad ibn Khaldun, en leek enigszins voorbestemd om een geleerde te worden, na intensief onderricht in religie, jurisprudentie, de Arabische taal en geschiedenis. Tegelijkertijd lonkte een politieke carrière in de voetsporen van zijn voorouders, al was dat een onzekere, om niet te zeggen riskante loopbaan. Hoge functionarissen konden in de snel veranderende machtsverhoudingen van de ene op de andere dag in ongenade raken.

Ibn Khaldun leefde in een tijd van grote omwenteling. De oude wereld zoals hij die van zijn leermeesters onderwezen kreeg desintegreerde waar hij bij stond. Het roemruchte Arabisch-islamitische rijk was allang een schim van zichzelf geworden, niet meer dan een oude en vermoeide beschaving in verval. Wie de kaart van de Arabische wereld in de veertiende eeuw erbij pakt kijkt naar een soort Game of Thrones, zoals historicus Robert Irwin het noemde. In Noord-Afrika streden rivaliserende rijken tegen elkaar, terwijl in Andalusië de kruisridders in hun Reconquista alleen nog de enclave Granada niet in handen hadden. De christelijke mogendheden begonnen zich zelfs te mengen in de machtsstrijd tussen Noord-Afrikaanse vorsten. In het Midden-Oosten ging het er nog slechter aan toe, nadat het Abbasidische Kalifaat ter ziele was gegaan en de Mongolen de Levant waren binnengevallen. En alsof het allemaal niet erger kon werd de regio halverwege de veertiende eeuw geteisterd door de Zwarte Dood. Ibn Khaldun verloor onder anderen zijn ouders en leermeesters.

De geschiedenis was hiermee voor Ibn Khaldun niet alleen een ver verleden of vergane glorie, maar een levendige ontwikkeling waar hij getuige van was. Om grip te krijgen op die veranderende wereld voldeed de islamitische geschiedschrijving niet. In zijn Muqaddima (letterlijk ‘Inleiding’) ontleedt hij de tekortkomingen van zijn voorgangers, veelal inwisselbare kroniekschrijvers. Zo was het traditionele gebruik van de isnad, een overleveringsketen waar ook de hadith (de overleveringen van de uitspraken van de profeet Mohammed) op gebaseerd is, volgens Ibn Khaldun niet voldoende om het verleden waarachtig te reconstrueren. Historici leunden te veel op de autoriteit en betrouwbaarheid van een enkele bron, schreven niet zelden ten faveure van de heersende macht en maakten geen onderscheid tussen feit en fictie. Geschiedenisverhalen die deels afgeleid waren van 1001 nacht of die aantoonbare feitelijke onjuistheden bevatten verwees Ibn Khaldun dan ook naar het rijk der fabelen. Wat overigens niet betekende dat hij een agnost was – Ibn Khaldun was naast wetenschapper ook een strenggelovige mysticus. Het één hoefde het ander niet uit te sluiten.

Zijn baanbrekendste inzicht was het uitgangspunt dat het menselijk samenleven onderworpen is aan algemene principes die de mens zelf tot stand heeft gebracht. Mensen zijn volgens Ibn Khaldun in essentie sociale en politieke wezens die hun relaties vormgeven via onderlinge afspraken, verdragen en instituties. De ontwikkeling van een maatschappij volgt de ‘logica’ binnen dat sociale kader. Het is dit theoretische raamwerk waar Ibn Khaldun eeuwen later het predicaat ‘de eerste socioloog’ aan te danken heeft, als voorloper van Europese filosofen als Giambattista Vico en Auguste Comte die op soortgelijke wijze de cultuurgeschiedenis begonnen te analyseren.

‘Het verleden lijkt meer op de toekomst dan een waterdruppel op een andere lijkt’, luidde zijn lijfspreuk. Ibn Khaldun meende in de geschiedenis patronen te ontwaren. Een dynastie had niet het eeuwige leven – dat op zichzelf was geen originele vaststelling, al in de Klassieke Oudheid dacht men in opkomst en ondergang van heersers en rijken. Maar Ibn Khaldun wilde weten hoe zo’n werdegang van dynastieën zich voordoet. Met zijn studie naar de Arabische en Berberse vorstendommen probeerde hij het cyclische proces in kaart te brengen.

Centraal in Ibn Khalduns theorie staat de zogeheten ‘asabiyya, vrij vertaald groepssolidariteit of sociale cohesie. Om de meedogenloze omstandigheden van het woestijnleven te trotseren was die solidariteit in stamverband een noodzakelijke voorwaarde. Maar Ibn Khaldun zag in ‘asabiyya ook een potentiële drijfkracht voor de opkomst van een nieuwe dynastie. Zodra een stam uit het achterland zich weet te verenigen en overtuigd raakt van een heilige missie, vormt het een macht die zich niet laat stoppen. De steden zijn vervolgens overgeleverd aan deze horde, die uiteindelijk de heerschappij overneemt van de zittende macht. Totdat ook deze plaatsvervangende dynastie ‘gecorrumpeerd’ raakt door het sedentaire leven. Van de groepscohesie blijft na verloop van tijd (volgens Ibn Khaldun na drie, hooguit vier generaties) weinig over. Dan is het een kwestie van tijd voordat een nieuwe dynastie zich aandient om de macht te grijpen.

Opvallend (en in zekere zin actueel) in zijn theorie is de tegenstelling tussen stad en platteland. Voor een stedeling pur sang was Ibn Khaldun opvallend streng over het stadse leven. De cultuur in de stad is verfijnd, er is welvaart en luxe. Maar dat maakt de stedeling in zijn ogen juist zo decadent, spiritueel zwak en fysiek weerloos. De stad was volgens Ibn Khaldun ook een ongezonde omgeving, een brandhaard van besmettelijke ziektes, een aanname die ongetwijfeld werd ingegeven door zijn traumatische ervaring met de pest. De stad, met al zijn bibliotheken, gebedshuizen, scholen en infrastructuur, is weliswaar het hoogtepunt van de beschaving, maar paradoxaal genoeg ook het begin van het verval.

Voor het leven in het achterland reserveerde Ibn Khaldun andere kwalificaties. Volgens hem stond de nomade (en in mindere mate de boer) dichter bij de wereld zoals die ooit door God geschapen was. De nomade leidde een hard maar deugdzaam leven, had genoeg aan weinig en was alleen afhankelijk van zijn clan of stam. In zijn natuurlijke habitat was hij heer en meester, buitenstaanders konden zich niet handhaven in het onherbergzame gebied. Buiten de stad kon de nomadische stam zich vrijspelen van de cyclus waar elke beschaving uiteindelijk aan ten onderging. De nobele wilde avant la lettre.

De laatste generatie is losgeweekt van het oorspronkelijke nomadenbestaan en kan in haar teloorgang alleen nog maar de schijn ophouden. Zoals Ibn Khaldun schreef in zijn Muqaddima: ‘Ze proberen anderen te imponeren met hun emblemen, hun kleding, hun paardrijkunst en hun talent om met wapens om te gaan, maar de meesten van hen zijn nog weerlozer dan vrouwen die op hun rug liggen.’ (Dat een samenleving in verval ‘verwijfd’ zou zijn keert wel vaker terug in Arabische teksten. Toen de Nasridische koning Mohammed XII, ook wel ‘Boabdil de Ongelukkige’, na de val van Granada in 1492 een laatste keer omkeek naar zijn verloren rijk en snikte, zou zijn moeder hem hebben toegebeten: ‘Huil als een vrouw voor wat je niet kon verdedigen als een man.’)

Ibn Khalduns inzichten waren overigens niet louter gestoeld op theoretische kennis en denkwerk. Gedurende zijn leven werkte hij voor verschillende Maghrebijnse machthebbers als politiek adviseur, diplomaat of vizier. Loyaliteit was ondergeschikt aan zijn zucht naar ambitie en succes. Hij verruilde de ene heerser met gemak voor de rivaal als het hem uitkwam. Zijn machiavelliaanse wijze van politiek bedrijven maakte hem allerminst populair, wel berucht. Ibn Khaldun was betrokken bij vele politieke intriges en coups, waardoor hij constant op de vlucht sloeg en moest vrezen voor zijn leven.

In 1374 verliet Ibn Khaldun de slangenkuil en verbleef vier jaar in Qal’at ibn Salaama, een burcht in het onherbergzame achterland van het huidige Algerije. Daar, tussen de ruïnes, begon hij in betrekkelijke isolatie aan zijn omvangrijke Kitab al-’ibar.Vervolgens trok hij met zijn familie alsnog naar Tunis, waar hij in een meer wetenschappelijke omgeving zijn werk wilde voortzetten. In 1382 begon hij een nieuw avontuur door naar Egypte te verhuizen, waar hij tot aan zijn dood in 1406 zou werken als opperrechter.

Een opmerkelijk intermezzo in zijn laatste levensjaren vond in 1401 plaats, toen Ibn Khaldun als delegatielid namens de Mamlukse sultan van Egypte naar Syrië afreisde om de beruchte Turks-Mongoolse krijgsheer Timoer Lenk (1336-1405) te ontmoeten. Ibn Khaldun verbleef een aantal weken in het legerkamp dat de despoot opsloeg net buiten de stadsmuren van Damascus. De Mamlukse machthebbers hoopten via ‘hun’ intellectueel op diplomatieke wijze de Mongoolse leider te overreden af te zien van de plundercampagne in de Levant. Ibn Khaldun had ongetwijfeld andere motieven en verhield zich tot Timoer Lenk als Goethe tot Napoleon eeuwen later. Deze ‘gesel Gods’ was namelijk in zijn ogen wellicht ook de redding van het tanende islamitische rijk, vanwege de sterke ‘asabiyya die hij met zijn nomadische horde tentoonspreidde in zijn allesverwoestende veroveringstocht. In de dialectiek van Ibn Khaldun kon destructie immers ook het begin zijn van een nieuwe fase. (Ondanks de wekenlange logeerpartij en loftuitingen over en weer, kon Ibn Khaldun de Mongoolse plundering van Damascus niet voorkomen.)

Na de dood van Ibn Khaldun leek de interesse in zijn nalatenschap ook verdwenen, althans in de Arabische wereld. In Spanje werd zijn werk in de zestiende eeuw samen met duizenden Arabische manuscripten verbrand tijdens de Spaanse inquisitie, een poging om alle islamitische sporen op het Iberische schiereiland te wissen. In het oostelijk deel van de islamitische wereld was er nog wel enige belangstelling. De Turkse vertaling van de Muqaddima werd in het Ottomaanse Rijk vanaf de zeventiende eeuw gretig gelezen door geleerden en ambtenaren. Deels vanuit noodzaak; de Ottomanen gebruikten Ibn Khalduns werk als een soort handleiding om de cyclus als het ware te ‘kraken’, of in ieder geval de fase van verval te ‘vertragen’.

De herwaardering (of ‘herontdekking’) van Ibn Khaldun vond ironisch genoeg niet plaats in de islamitische wereld maar in het Westen. In Europa werd zijn naam vanaf de achttiende eeuw door oriëntalisten steeds vaker genoemd, met fragmenten uit zijn bekendste werk, de Muqaddima. Het duurde tot de negentiende eeuw voordat hij serieus werd vertaald, niet geheel toevallig op het moment dat de Fransen bezig waren met het koloniseren van Algerije. De Ierse oriëntalist en filoloog William McGuckin de Slane (1801-1878), die voor het Franse leger in Noord-Afrika als vertaler werkte, had als taak om kennis over het gebied te ontsluiten. Met zijn vertaling van Ibn Khalduns werk halverwege de negentiende eeuw, dat in het Frans de titel Histoire des Berbères kreeg, werd het de belangrijkste bron voor de Fransen over de Arabische en Berberse geschiedenis van Noord-Afrika.

Hiermee begon ‘the strange afterlife’ van Ibn Khalduns erfenis, zoals een van de hoofdstukken van Robert Irwins biografie over de Maghrebijnse historicus luidt. Voor de Fransen werd de Muqaddima een soort antropologische handleiding in dienst van de koloniale onderneming in de Maghreb. De Franse verovering van Marokko aan het begin van de twintigste eeuw verliep dan ook voortvarend door de kennis van de stammenstructuur en de verhouding tussen de sultan en het achterland. (Marokko, overigens, dat sinds de zeventiende eeuw geregeerd wordt door de Alawitische dynastie ‒ niet te verwarren met de Levantijnse alawieten – en daarmee de khalduniaanse cyclus lijkt te hebben gebroken. Volgens historicus Stephen Cory, gespecialiseerd in de vroegmoderne periode van het Midden-Oosten en Noord-Afrika, wisten de Alawieten hun macht een religieuze legitimiteit te geven die eeuwenlang voor een fragiele maar duurzame ‘asabiyya zorgde. De Marokkaanse monarch leunt nog op altijd op de claim een rechtstreekse afstammeling te zijn van de profeet Mohammed.)

De Britse historicus Arnold Toynbee (1889-1975), die Ibn Khaldun in de Engelstalige wereld populariseerde, kwam superlatieven tekort toen hij de Muqaddima omschreef als ‘the greatest work of its kind that has ever yet been created by any mind in any time or place’. De historicus van de grote greep toonde zich schatplichtig aan Ibn Khaldun, niet in de laatste plaats om zijn eigen status te vergroten. Zijn meerdelige A Study of History, over de opkomst en ondergang van beschavingen, borduurde deels voort op het khalduniaanse model van machtscycli. Met het grootste verschil dat Toynbees studie vrijwel nergens meer serieus wordt genomen, terwijl Ibn Khalduns werk nog fier overeind staat.

Dat is op zichzelf een indrukwekkende prestatie, daar waar Ibn Khaldun een man van zijn tijd en omgeving was en zijn Muqadimma geen comparatieve studie is. Wat hem nog altijd zo bruikbaar maakt is misschien wel zijn vindingrijkheid, heldere taal en multidisciplinaire aanpak. Voor de één een antropoloog, voor de ander een socioloog, voor weer een ander een geschiedfilosoof en soms zelfs een proto-marxistische econoom: allemaal anachronistische labels, maar het toont wel het ontzag dat Ibn Khaldun nog altijd geniet onder hedendaagse wetenschappers. Zijn denken geeft nog altijd aanknopingspunten voor het begrijpen van ontwikkelingen van vandaag.

‘We leven in de echte wereld, die wordt geregeerd door kracht, die wordt geregeerd door macht. Dat zijn de ijzeren wetten van de wereld sinds het begin der tijden’, aldus plaatsvervangend stafchef van het Witte Huis Stephen Miller. Dat de VS met alle machtsvertoon zich misschien juist in het herfsttij bevinden is net zo’n ‘ijzeren wet’ van de wereldgeschiedenis, aldus Bruno Maçães in Exit from Our Age of Disorder. Nu de liberale waarden, hoe hypocriet die ook decennialang door westerse landen werden nageleefd, geen rol van betekenis meer spelen in de wereld van de Pax Americana, blijft inderdaad kracht over. Destructieve kracht welteverstaan.

Het is volgens Maçães hopeloos om te proberen de oude orde te redden. Die heeft zijn beste tijd gehad. De val van het Westen is onvermijdelijk, gelooft Maçães in navolging van Ibn Khaldun. Aan de geschiedenis valt niet te ontsnappen. Maar dat hoeft volgens hem ook niet. Vanuit de huidige ruïnes kan een nieuwe orde geschapen worden zonder te vervallen in chaos. Het Westen zal in deze overgangsfase pragmatisch moeten zijn en de resterende invloed dat het nog heeft moeten inzetten om een gelijkwaardige relatie op te bouwen met wat de Canadese premier Carney in Davos ‘middelgrote landen’ noemde. De liberale waarden zijn nog altijd te verkiezen boven de illiberale orde zoals de Russen of Chinezen die graag in de wereld willen zien, aldus Maçães.

Ibn Khaldun geloofde dat zijn wereld tot een einde liep. Maar hij geloofde ook in een wereld die opnieuw kon beginnen.

‘Gruwelijke ketterij en monsterlijke daden’

 
Petrus Johannes Arendzen, Portret van Spinoza, 1856 – 1885 (bewerking door De Groene Amsterdammer)
© Rijksmuseum Amsterdam
Uit‘De Groene Amsterdammer’, met eigen foto’s.

De religiekritiek van Spinoza

Baruch de Spinoza had zo zijn kritiek op het jodendom. Vanwege zijn ‘gruwelijke ketterijen’ werd hij verbannen uit de Portugees-joodse gemeenschap in Amsterdam. Maar maakte de Verlichtingsfilosoof zich ook schuldig aan antisemitisme?

Steven Nadler

De Groene Amsterdammer, 19 december 2025

Door de eeuwen heen is Bento (Baruch) de Spinoza voor veel mensen van alles geweest: rationalist, mysticus, romanticus, atheïst, pantheïst, liberaal, socialist, totalitair denker, libertariër en zelfs zionist. Spinoza fungeert daarmee als een soort rorschachtest: mensen herkennen in hem vooral wat zij zelf willen of nodig hebben om te zien.

Waar Spinoza echter nooit van is beschuldigd, is dat hij mild of vriendelijk was tegenover het jodendom – en daar is een reden voor. In zijn Theologisch-politiek traktaat, dat bij verschijnen in 1670 veel opschudding veroorzaakte, komt het jodendom er bepaald niet gunstig vanaf. Sommigen hebben gesuggereerd dat Spinoza’s vijandigheid tegenover het jodendom is te verklaren uit zijn aanhoudende wrok jegens de Amsterdamse Portugees-joodse gemeenschap. Daaruit werd hij in 1656, op 23-jarige leeftijd, verbannen. Vanwege zijn ‘gruwelijke ketterijen’ en ‘monsterlijke daden’ kreeg Spinoza een ‘herem’ opgelegd – een uitzonderlijk zware vorm van banvloek voor die tijd.

Spinoza’s negatieve kijk op het jodendom was waarschijnlijk eerder een oorzaak dan een gevolg van zijn verbanning. Er zijn sterke aanwijzingen dat hij halverwege de jaren 1650 zijn geloof en zijn betrokkenheid bij het jodendom grotendeels had verloren. Maar was hij daarmee een antisemiet? Of, misschien belangrijker: is zijn filosofie in wezen antisemitisch?

Antisemitisme, dat wijdverbreid is en opnieuw toeneemt, blijkt steeds lastiger scherp te definiëren. Het duikt op aan zowel de rechter- als de linkerzijde van het politieke spectrum. Vaak wordt het verward met antizionisme, of zelfs met kritiek op het beleid en optreden van Israël. Tegelijkertijd is het ook waar dat veel antisemieten zich verschuilen achter het etiket van antizionisme. 

In plaats van mee te doen aan de discussie over de precieze betekenis van antisemitisme of antijudaïsme, hanteer ik een eenvoudige definitie. Die is afkomstig van de speciale gezant van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken voor het monitoren en bestrijden van antisemitisme en van het Holocaust Memorial Museum in de Verenigde Staten: ‘discriminatie, vooroordelen of haat jegens joden’. Wat antijudaïsme betreft maken wetenschappers terecht onderscheid met antisemitisme. Antijudaïsme kan worden omschreven als vooroordelen tegen of haat jegens de joodse religie. De filosoof Leo Strauss suggereerde bijvoorbeeld dat Spinoza mogelijk het jodendom verwierp, maar niet het joodse volk.

Hein ziet een duif op het hoofd van Spinoza…
Foto Emilie van de Raa.

De vraag is hier niet of Spinoza’s uitspraken over joden en het jodendom antisemitisme kunnen aanwakkeren of gebruikt kunnen worden om een campagne tegen het jodendom te legitimeren. Dat kunnen ze natuurlijk, al hebben antisemieten daarvoor zeker geen zeventiende-eeuwse filosoof nodig. De kernvraag is eerder of Spinoza’s filosofie zelf voortkomt uit een specifieke vijandigheid tegenover joden en hun religie, die als antisemitisme kan worden bestempeld.

Veel mensen zijn van mening dat Spinoza inderdaad als een antisemitische denker kan worden beschouwd, sommigen gaan zelfs zo ver hem een ‘zelfhatende jood’ te noemen. Zo schreef de filosoof Hermann Cohen in een essay uit 1915 over Spinoza’s ‘openlijke haat tegen zijn eigen volk’ en zijn ‘wraakzuchtige haat jegens de joden’.

Het valt niet te ontkennen dat Spinoza in zijn Traktaat harde en soms minachtende uitspraken doet over het joodse volk en het jodendom. Zo geeft hij een sterk reductionistische beschrijving van de Hebreeuwse bijbel en van de waarde die daaraan wordt toegekend. Volgens hem is de Schrift niets meer dan een alledaags, historisch vastgelegd document: een literair werk zoals vele andere. Hij noemt het bovendien ‘gebrekkig, verminkt en inconsistent’. Spinoza stelt dat de bijbel een samenstelling is van uiteenlopende bronnen en door de geschiedenis heen is aangetast door haar overlevering en bewaring. Het is, in zijn ogen, een wirwar van teksten van verschillende auteurs, uit verschillende perioden en geschreven voor verschillende doelgroepen.

Deze afwaardering van de joodse Schrift gaat gepaard met een afwijzing van de joodse wet en van de hedendaagse relevantie daarvan. Volgens Spinoza kan het enige werkelijk goddelijke gebod worden samengevat in één zin: ‘Heb uw naaste lief als uzelf.’ Dit puur morele voorschrift van gerechtigheid en naastenliefde is universeel geldig, ongeacht tijd, plaats of omstandigheden. Alle andere geboden in de Thora beschouwt hij als restanten van ceremoniële gebruiken en sektarische rituelen. Deze bijgelovige regels en praktijken hebben volgens hem hun raison d’être verloren en dragen niets bij aan ware gelukzaligheid.

Spinoza geeft ook een nuchtere, naturalistische verklaring voor Gods vermeende ‘uitverkiezing’ van het joodse volk. Hij benadrukt dat het ‘kinderachtig’ is om je geluk te baseren op het idee dat je unieke of bijzondere eigenschappen hebt. In het geval van de joden zou dat neerkomen op het geloof dat zij door God boven alle andere volkeren zijn uitverkoren. Volgens Spinoza waren de oude Hebreeën echter op geen enkele manier superieur aan andere volken, niet in wijsheid, niet in karakter en niet in hun nabijheid tot God. In theologisch, moreel of metafysisch opzicht bestaat er voor hem dan ook geen betekenisvolle zin waarin de joden een uitverkoren volk zouden zijn.

Tot slot wijzen sommige wetenschappers op wat zij zien als Spinoza’s supersessionisme. Volgens dit theologische idee heeft het christendom het jodendom vervangen als de ware religie van God: de christelijke profeten en het Nieuwe Testament zouden de Hebreeuwse profeten en hun geschriften hebben vervangen. Spinoza stelt daarbij dat Jezus, anders dan de andere profeten, een filosoof was, en beschikte over werkelijk inzicht. Mozes zou, door rekening te houden met de zinnelijke neigingen van zijn volk, vooral aardse en materiële beloningen hebben beloofd in ruil voor gehoorzaamheid aan de wet. Jezus daarentegen bood een hoger soort beloning: gemoedsrust en ware gelukzaligheid. Zoals Spinoza het formuleert: ‘Christus belooft een geestelijke beloning, niet – zoals Mozes – een lichamelijke.’

…hij draait zich om en ziet Emilie, tegen de achtergrond van de Zwanenburgwal.
Foto Hein Zeillemaker.

Wie het Theologisch-politiek traktaat leest, zal zonder moeite nog veel meer denigrerende opmerkingen over joden en het jodendom vinden. De indruk kan ontstaan dat Spinoza een vijandige houding had tegenover het jodendom en het joodse volk als collectief. Toch is het verstandig om terughoudend te zijn met het label ‘antisemitisme.’ Allereerst is er geen duidelijke reden om aan te nemen dat Spinoza’s afwijzing van het jodendom als religie zich ook richtte op de joden als volk. Net zomin impliceert zijn kritiek op het katholicisme of het calvinisme automatisch vijandigheid jegens katholieken of calvinisten. Wat Spinoza in zijn Traktaat naar voren brengt, is geen haat tegen een volk, maar een fundamentele kritiek op het geheel van gezaghebbende leerstellingen en voorschriften dat het jodendom vormt.

Een echte antisemiet haat niet alleen het jodendom of ‘het joodse volk’ als abstracte categorie, maar ook joden als individuen – en wel om wie ze zijn: omdat ze joden zijn. Zo’n houding veronderstelt dat er iets essentieels en onveranderlijks in joden zou zitten dat deze vijandigheid zou rechtvaardigen. Maar binnen Spinoza’s filosofisch systeem is voor dit soort essentialisme geen plaats. Alle mensen staan op hetzelfde metafysische en morele niveau. Geen enkele groep is – louter omdat zij die groep is – van nature beter of slechter dan een andere. Zoals Spinoza benadrukt: ‘Iedereen, joden zowel als niet-joden, is altijd hetzelfde geweest.’

Spinoza’s opvattingen over de joodse religie moeten daarom eerder worden begrepen als ingegeven door politieke overwegingen dan door haat, vooroordelen of persoonlijke wrok. Volgens Spinoza vormt de grootste bedreiging voor de burgerlijke vrede en het welzijn van een staat de verdeeldheid die wordt veroorzaakt door sektarische religies. Het bestaan van machtige religieuze instituties achtte hij gevaarlijk voor elke samenleving. Georganiseerde religies verdelen burgers en zetten hen tegen elkaar op – christenen tegen joden, protestanten tegen katholieken, protestanten tegen andere protestanten, en zelfs joden tegen joden – en, nog belangrijker, ook tegen de staat zelf. Zodra er naast de wereldlijke soeverein andere bronnen van gezag bestaan, raakt de loyaliteit van burgers verdeeld. Een samenleving waarin vroomheid wordt afgezet tegen burgerschap of patriottisme loopt dan ook een groot risico op interne conflicten. Zoals de Engelse filosoof Thomas Hobbes het kernachtig verwoordde: ‘Niemand kan twee heren dienen.’ Of, in de elegantere woorden van Abraham Lincoln: ‘Een huis dat tegen zichzelf verdeeld is, kan niet standhouden.’

In de politieke sfeer moeten volgens Spinoza vooral bijgelovige overtuigingen worden bestreden: ideeën over de goddelijke oorsprong van de bijbel, over wonderen, en dergelijke. In dat opzicht doet het christendom het in zijn ogen echter niet beter dan het jodendom, en misschien zelfs slechter. Zo merkt Spinoza ergens op dat wat christenen onderscheidt van andere mensen niet hun geloof of hun naastenliefde is, maar het feit dat ‘zij hun overtuigingen simpelweg baseren op wonderen, oftewel op onwetendheid’. Daarmee, zo stelt hij, ‘veranderen zij hun geloof in bijgeloof.’ Over de christelijke leer van de incarnatie schrijft hij aan een vriend: ‘Ik begrijp niet wat ze bedoelen (…) Ze klinken voor mij niet minder absurd dan iemand die zou zeggen dat een cirkel de aard van een vierkant heeft aangenomen.’

Hoewel in het Traktaat het grootste deel van de kritiek op het jodendom is gericht, komt dat deels doordat dit de traditie was waarin Spinoza was opgegroeid. Juist daar kon hij het makkelijkst de problematische kanten van sektarische religie blootleggen. Daarnaast moest Spinoza voorzichtig te werk gaan. In een boek dat was bedoeld voor een christelijk publiek, dat hij wilde overtuigen van het belang van vrijheid en tolerantie, kon hij de christelijke leer niet aan dezelfde scherpe en openlijke kritiek onderwerpen als het jodendom.

Het is onterecht om Spinoza, zoals sommigen doen, van een dubbele moraal te beschuldigen. Hij keert zich net zo sterk tegen het bijgeloof en de politieke dreiging van het katholicisme en de dominante stroming binnen de Nederlands Hervormde Kerk als tegen het jodendom. Spinoza verzet zich tegen sektarisme in het algemeen en tegen alle grote, georganiseerde religies van zijn tijd, die hij beschouwt als vormen van georganiseerd bijgeloof. Het klopt dat zijn kritiek op het jodendom deels andere accenten heeft dan zijn kritiek op andere religies. Zijn uitspraak dat het jodendom ‘verwijfd’ zou zijn, is daarbij bijzonder scherp – en bovendien expliciet vrouwonvriendelijk. Maar daaruit volgt niet dat Spinoza het jodendom afwijst omdat het jodendom is, in tegenstelling tot het christendom of een ander geloof.

Vertaling: Menno Grootveld

Steven Nadler is een Amerikaanse filosoof en Spinoza kenner. In 2009 publiceerde hij de biografie Spinoza: a life

Met dank aan ‘De Groene Amsterdammer’>, met eigen foto’/sub>  

Spinozamonument, bronzen beeld van de 17e-eeuwse filosoof Baruch Spinoza, gemaakt door Nicolas Dings. Het monument bevindt zich aan de Zwanenburgwal, nabij de geboorteplaats van Spinoza.
Op de sokkel staat de inscriptie: HET DOEL VAN DE STAAT IS DE VRIJHEID