‘Mensen die psychotherapie krijgen knappen er meestal niet van op’

INTERVIEW
Ellen de Bruin, NRC. 22 januari 2026



Flip Jan van Oenen | therapeut 

Psychotherapie werkt vaker niet dan wel. Beperk daarom maar het aantal sessies, zegt Flip Jan van Oenen. „Iemand kan even met je meelopen en daarna zul je het zelf moeten doen.”

In Nederland is 1 op de 20 volwassenen in behandeling bij de geestelijke gezondheidszorg en 1 op de 10 jongeren doet een beroep op jeugdhulp. Bijna de helft van de Nederlanders heeft ooit een psychische aandoening gehad, ruim een kwart van de Nederlanders het afgelopen jaar – meestal een angst- of stemmingsstoornis. En psychotherapie werkt veel vaker niet dan wel.

Je hoort dat niet vaak; het gangbare idee is dat psychotherapie werkt, en hard nodig is. Maar juist dat idee ondermijnt de eigen vaardigheden om met psychische problemen om te leren gaan. Dat schreef therapeut Flip Jan van Oenen (69), inmiddels drie jaar gepensioneerd, al in zijn boek Het misverstand psychotherapie (2019). In zijn nieuwe boek Verdragen (2025) pleit hij voor een radicale herziening van de geestelijke gezondheidszorg (ggz), waarbij iedereen zeven sessies psychotherapie vergoed krijgt per twee jaar, zonder de garantie dat die helpen. Hij baseert zich op wetenschappelijk onderzoek en op vijfendertig jaar ervaring in de ggz. Geef mensen geen valse hoop, schrijft hij, maar moedig ze aan hoop te houden, actief te blijven en hun smart te delen tot hun klachten minder worden of te verdragen zijn. Ze zullen wel moeten; therapie en pillen helpen meestal toch niet.

„Pakweg 60 procent van de mensen is na psychotherapie niet opgeknapt”, vertelt Van Oenen thuis op zijn woonark in het centrum van Amsterdam. „En van de 40 procent die wel is opgeknapt, was dat bij 15 procent in diezelfde periode zonder therapie ook gebeurd. Ongeveer 25 procent van de mensen ervaart dus maar meerwaarde van de therapie.” Die laten bij minimaal de helft van hun klachten een verbetering zien op vragenlijsten, dus ze zijn ook absoluut niet altijd helemaal genezen.

„Als je dat bedenkt”, gaat hij er nog maar eens voor zitten, „in combinatie met het feit dat er tussen de 200 en 1.000 onderzochte therapiesoorten bestaan, die het allemaal niet beter doen dan de andere, dan moeten we volgens mij concluderen dat we een plafond bereikt hebben.” Dat moeten mensen weten, vindt hij. „Mensen denken nu: als ik maar in therapie kom, gaat het daarna beter. Dat ondermijnt de eigen veerkracht, blijkt uit onderzoek: mensen op een wachtlijst gaan minder vooruit dan mensen die niet op een wachtlijst staan. Dus moeten we mensen vertellen dat het effect van therapie beperkt is en dat ze hun problemen zélf aankunnen.”

U bent zelf therapeut. Hoe heeft uw denken hierover zich ontwikkeld?

„Ik ben begonnen als basisarts, als dienstweigeraar, en later opgeleid tot gezins- en relatietherapeut. Van daaruit ben ik in 1985 bij de crisisdienst begonnen, eerst heel klein, met vier mensen in een keldertje. Dat heb ik tot 2015 gedaan. De laatste zeven jaar heb ik me met vechtscheidings­problematiek beziggehouden.

„In het begin had ik het idee: alles kan en moet beter. Veel dingen schieten niet op, met cliënten. In de crisisdienst kom je heel veel mensen tegen die bij therapeuten lopen en dan toch in crisis raken. Dus daar kreeg ik al de indruk dat therapieën niet allemaal zo vlekkeloos verlopen als vaak gezegd wordt.”

Wat houdt dat in, ‘in crisis raken’?

„Als huisartsen en collega-hulpverleners niet weten wat ze ermee aan moeten als iemand heftig ontremd is, manisch, psychotisch, of suïcidaal of ernstig depressief, dan mogen ze naar ons – voormalig ons – verwijzen voor acute hulp, om de situatie weer hanteerbaar te krijgen. Dat gaf me een interessant inkijkje in allerlei geledingen van de ggz. Zelfs gerenommeerde behandelaars konden behoorlijk met hun handen in het haar zitten. Ook onze eigen kortetermijn­behandeling lukte deels wel, deels niet. Dan ga je al denken: is dit het nou?

„En er kwamen steeds nieuwe soorten behandelingen langs, waarvan je dan denkt: dat moet ik ook kunnen, dan zou ik een betere therapeut zijn. Veel therapeuten hoppen: ze zijn een tijd enthousiast over een methode, merken dan dat veel mensen er toch niet echt mee geholpen zijn, en gaan dan weer nieuwe methoden volgen.”

Hopte u zelf ook?

„Ja, zeker. In 2008 werd ik nog één keer heel enthousiast over een methode uit Amerika, feedback informed treatment. Daarbij vraag je aan het begin van de sessie expliciet hoe het met de cliënt gaat, en aan het eind hoe het gesprek ging, en dat breng je samen in een grafiek in kaart. Vanuit het idee dat de samenwerkingsrelatie tussen therapeut en cliënt de belangrijkste voorspeller is voor succes. Ik deed een training in Chicago, ik mocht de hele crisisdienst erin gaan trainen, en ik dacht: dan wil ik ook onderzoeken of het wérkt. Uiteindelijk ben ik daarop gepromoveerd.

„Maar het onthutsende was dat mensen in de controlegroep, zonder feedbackvragen aan het begin en eind, het na zes weken beter bleken te doen dan de groep bij de interventie mét feedback. Na twaalf weken was er geen verschil meer. Ik dacht: deze methode had nog iets kunnen toevoegen. En dat gebeurde dus niet.

„Voor dat onderzoek begon ik ook alle wetenschappelijke literatuur te bestuderen. Dat deed ik daarvoor niet. Mijn ervaring is dat therapeuten hoogstens lezen: deze methode is evidence based, hij werkt, meer hoef je niet te weten. Maar zo kwam ik erachter dat psychotherapie weinig effect heeft, al vijftig jaar niet verbeterd is, en dat veel methoden hetzelfde beperkte effect hebben. Dus die twijfel die je als therapeut altijd voelt – ik ben niet goed genoeg, ik moet meer cursussen volgen, niet iedereen wordt beter en dat ligt aan mij… – dat klopt niet. Het is gewoon onvermijdelijk gezien de stand van zaken. Toen ben ik die boeken gaan schrijven.”

Er is weinig onderzoek naar het natuurlijk beloop van stoornissen. Zomaar iemand volgen die niet behandeld wordt, gebeurt niet

Hoe reageerden collega’s?

„Het is een lastige boodschap. Het vraagt veel van therapeuten om deze kennis een plek te geven en toch met hart en ziel te blijven werken. Deels waren mensen bozig: je haalt het vak onderuit. Maar ik heb echt naar eer en geweten geprobeerd recht te doen aan wat volgens mij de conclusies uit de literatuur zijn. Deels waren ze opgelucht. Zowel therapeuten als cliënten, die natuurlijk ook vaak merken dat therapie niet werkt, zeiden: hèhè, het ligt niet aan mij, therapie is beperkt.”

U schrijft dat psychische problemen vaak vanzelf overgaan.

„Ja. Er is weinig onderzoek naar het natuurlijk beloop van stoornissen. Zomaar iemand volgen die niet behandeld wordt, gebeurt niet. Ik heb geprobeerd op basis van controlegroepen en bevolkingsonderzoeken te kijken hoe het met mensen gaat die niet behandeld worden. Er zijn sterke aanwijzingen dat bij de meesten na een periode de problematiek verdwijnt, of overgaat in een fase waarin iemand er beter mee kan omgaan.

„Dat is zwaar. Psychisch leed is geen aanstellerij, het is heel akelig. Maar je kunt er in de meeste gevallen op eigen kracht doorheen komen.”

FOTO MERLIJN DOOMERNIK

Ook zonder medicijnen?

„Het effect van praten en pillen, antidepressiva, is grofweg hetzelfde. Als pillen een steuntje in de rug geven, doe dat vooral, maar je zult het uiteindelijk zelf moeten doen. Voor de ernstige psychiatrische aandoeningen, zoals bipolaire stoornis en psychose, geldt dat pillen op de korte termijn rust in de tent kunnen brengen. Tegelijkertijd wijst ervaring uit: bijna iedereen die psychotisch is, stopt ermee zodra het beter gaat. En door lithium kunnen mensen met bipolaire stoornis stabieler zijn. Maar ook daar geldt helaas: die pillen nemen de stoornis niet weg, ze maken hem hanteerbaarder. Ook deze mensen zullen toch moeten verdragen.”

Therapie verhelpt misschien niet alle klachten, maar mensen zijn meestal wel tevreden over hun therapeut en de behandeling.

„Ja, therapeuten zijn ook vaak heel kundige, aardige mensen. Ze kunnen goed luisteren. Wanneer luistert nou eens iemand een aantal keer een uur lang zonder oordeel naar je? Dat is een fantastische ervaring. Die geeft een goede therapeut jou. Los daarvan kan therapie ook een soort cursus geestelijke zelfverrijking zijn. Dat het dan na die therapie niet beter gaat… mensen koppelen dat los van elkaar, denk ik.”

Is dat alles wat een therapeut doet?

„Wat de werkzame bestanddelen van psychotherapie zijn, is eigenlijk niet bekend. Zelf denk ik dat een therapeut vooral helpt de copingmechanismen van de cliënt te stimuleren, en dat zijn in mijn visie klagen, veranderen en verdragen. Klagen is maar heel kort prettig, veranderen lukt haast nooit. Dus we zijn aangewezen op verdragen, en de therapeut helpt daarbij. Door zelf niet ontredderd te raken door wat iemand vertelt, en door diegene te stimuleren hoop te houden, smart te delen en in beweging te blijven, dus dingen te blijven doen. Die laatste zijn de drie ‘verdraagmechanismen’ die ons naar mijn idee ten dienste staan.

„Daarbij moet een therapeut duidelijk zijn dat hij maar een bescheiden bijdrage levert. Dat kan het beste door geen lange therapie aan te bieden, of steeds door te verwijzen, want dat suggereert dat meer therapie beter is, terwijl daar geen aanwijzing voor is. Iemand kan even met je meelopen en daarna zul je het zelf moeten doen.”

Ik denk dat diagnoses in de ggz vaak vrij waardeloos zijn

Mensen zijn tegenwoordig ook vaak blij als ze een diagnose krijgen en weten wat er precies aan de hand is.

„Ik denk dat diagnoses in de ggz vaak vrij waardeloos zijn, want iedere behandeling die een beetje effectief is, wordt op alle diagnoses losgelaten. En diagnoses overlappen elkaar enorm. Er staan er nu zo’n 560 in het psychiatrisch handboek DSM-5 en die classificatie geeft geen enkel houvast voor de behandeling. En ook geen verklaring voor wat iemand mankeert. Dat beschreef Trudy Dehue zo mooi in haar boek De depressie-epidemie: dat we diagnoses als verklaring zijn gaan zien, je bent somber omdát je een depressie hebt. Dat slaat nergens op.

„Tegelijkertijd denk ik dat het voor individuele personen wel waarde kan hebben om te bedenken: er zijn groepen mensen die ook ongeveer ditzelfde conglomeraat van verschijnselen hebben, en daar gaat het over het algemeen ongeveer zo mee. Als dat je houvast geeft, kan ik me voorstellen dat dat fijn is. Maar in wezen is het ernstig dat we niet accepteren dat het een tijdje niet zo goed met iemand gaat en dat dat een naam moet hebben.”

U stelt een grote verandering van de ggz voor, waarna iedereen elke twee jaar zeven sessies psychotherapie vergoed krijgt, en dat is dan alles. Hoe gaan we dat bereiken?

„Dat is de hamvraag. Het is heel moeilijk, want geen enkele groep heeft er op korte termijn belang bij. Cliënten willen geholpen worden. Voor therapeuten is deze boodschap heel ontwrichtend, én het is hun werk en inkomen. Hetzelfde voor grote ggz-instellingen: als Arkin zegt dat ze iets niet kunnen bieden, ziet Parnassia een gat in de markt. Politici hebben er ook geen belang bij: met ‘wen maar aan je problemen’ word je niet verkozen.

„Ik denk dat de grote ggz-instellingen de belangrijkste rol moeten hebben. Die zouden bij wijze van spreken op de gevel moeten zetten: hierbinnen gaat het meestal over, daarbuiten ook. Individuele therapeuten zijn redelijk realistisch, denk ik. Die zeggen wel: ik heb geen toverstaf, we gaan samen kijken wat er kan. Maar het gaat juist om de stap daarvóór: moet je er wel naartoe?

„Huisartsen zouden kunnen zeggen: misschien is hier geen oplossing voor. Wel vind ik de praktijk­ondersteuner-ggz bij de huisarts een geweldige functie. Zo zou de hele ggz eruit moeten zien: laagdrempelig, paar gesprekken, iemand die je weer op gang helpt. Zoals de fysiotherapeut. Die omslag is gelukt: ooit ging je naar de fysiotherapeut om beter te worden, en dat duurde soms heel lang. Nu ga je een paar keer en dan kun je weer even verder. Zo’n omslag moet ook bij psychotherapie gebeuren.”

Voor iedereen, met ongeacht welke psychische problemen?

„Ja. Er is natuurlijk een groep mensen die heel kwetsbaar is en het zelf niet goed redt. Die kun je ondersteuning en bescherming bieden. In de vorm van opnames bijvoorbeeld, en activiteiten, een sociale werkplaats, ze helpen uit bed te komen. Maar dat onderscheid ik van therapie, van zeggen: u gaat herstellen.”

Wie zijn dat dan, die het ‘niet redden’?

„Ik denk vooral aan mensen met een psychotische kwetsbaarheid, en ernstige chronisch depressieve mensen. Maar het is belangrijk te benadrukken dat het echt een kleine groep is. De meerderheid zal zelf uit bed moeten komen.”

Een kleine groep mensen heeft ontzettende pech en zal een heel moeilijk leven houden

Maar de grens tussen ernstig en minder ernstig psychisch leed is heel moeilijk te bepalen, schrijft u zelf.

„Dat klopt. Daar heb ik ook geen oplossing voor. Kijk, als de zorg eenmaal veel terughoudender is, als het gelukt is om die verwachtingsomslag te maken, dan zal er dus een groep overblijven die ondanks allerlei beschermingspogingen een marginaal bestaan blijft leiden, en mensen die buiten overlast veroorzaken. Het klinkt harteloos, maar ik denk dat je dat moet verdragen. Als je zegt: we kunnen niet accepteren dat die niet behandeld worden, dan doe je alsof je iets te bieden hebt wat je niet te bieden hebt. Een kleine groep mensen heeft ontzettende pech en zal een heel moeilijk leven houden. Zowel op individueel niveau als op maatschappelijk niveau zullen we dus dingen moeten verdragen die niet maakbaar zijn. Maar het overgrote deel van de mensen redt zich; daar moet je ook op kunnen vertrouwen.”

U schrijft ook dat we suïcide moeten accepteren.

„Dat is een beetje een stokpaardje van me. De gedachte dat therapeuten mensen van suïcide kunnen weerhouden is ongefundeerd. De halve ggz wordt gegijzeld door de angst dat iemand zich suïcideert en dat er dan een klacht komt en dat het jouw schuld is. Deels is dat gewoon menselijk schuldgevoel: had ik iets anders kunnen doen? Maar er wordt ook eindeloos gevraagd: heb je het protocol wel gevolgd, is alles wel volgens de regels gegaan? Terwijl ik niet zou weten hoe je moet onderbouwen dat er enige relatie is tussen wat de therapeut doet en of iemand wel of niet blijft leven. Daarom moet je dat loslaten. Die vreselijke last gaat er dan ook een beetje af. Naasten en therapeuten voelen zich dodelijk schuldig, over het algemeen. Maar je kunt niet iemand behouden voor het leven die dat niet wil.”

Bent u niet bang dat als die maatschappelijke omslag lukt, de mensen die het kunnen betalen naar alternatieve kwakzalvers rennen voor therapie?

Flip Jan van Oenen: Verdragen. Over de hulp helpt-mythe. Uitgeverij Boom, 292 blz. € 29,25

„Ja, dat zal wel. Of naar therapeuten die de wetenschappelijke literatuur terzijde schuiven. Maar dat vind ik geen reden om te blijven doen wat we doen. En het akelige is natuurlijk dat het deels om geld gaat. Zodra dingen niet meer vergoed worden, gaan mensen er veel minder gebruik van maken. Ik wil het economische aspect niet te veel vooropstellen, maar wat zijn de keuzes? Je kunt als samenleving zeggen: het is een schande dat een heleboel mensen nog niet behandeld worden, we gaan koste wat kost zorgen dat het enorme ggz-aanbod waar mensen om vragen er komt. Maar dat is gewoon niet haalbaar. We hebben nu al gigantische tekorten van middelen en mensen.

„En je kunt niet tegen mensen zeggen: als we het geld hadden voor meer therapie zou het beter met u gaan. Dat is een verschrikkelijke boodschap die bovendien niet klopt. Dan is het zuiverder om te zeggen: we hebben de middelen niet, maar het is niet zo dat we u iets onthouden; de kans is groot dat therapie u niet beter maakt en dat u slechter af bent wanneer u het vertrouwen verliest dat u het zélf kunt. Dat vind ik als maatschappij een veel logischer stellingname.”

MET DANK AAN NRC