Icarus (Ἴκαρος)
Icarus is in de Griekse mythologie de zoon van de beroemde architect en beeldhouwer Daedalus. De jongen werd beroemd vanwege zijn tragische poging om te vliegen.
Toen ik onlangs op het Muziekweb ‘Icarus’ opzocht, bleek zijn naam bij klassieke muziek tweeënzeventig maal voor te komen, bij de populaire muziek driehonderdvijfenzestig maal – zie ook de video onderaan.
Ook in de beeldende kunst vormt Icarus een machtig thema, zoals hieronder te zien valt.

”Het schilderij toont de tragische dood van de held, waarbij zijn door de zon vernielde vleugels en lichaam op het zand liggen. Het schilderij is een voorbeeld van de academische kunststijl uit de 19e eeuw en benadrukt de tragiek van de mythische held.”
Icarus als thema bij Hanna Mobach
Icarus [1]
De regen had een dunne sliblaag achtergelaten in een holte van het rotspad. Toen werd er een vorm zichtbaar die je bij droogte nooit zag, een heel ijle gestalte, met takjes op de plek van zijn voeten. Ik maakte er een serie potloodtekeningen van, totdat de wind de gestalte uitwiste.
Later, in een kleigroeve in Limburg, zag ik plotseling vlak voor mijn voeten een spleet in de grond, het evenbeeld van de holte die ik getekend had.
Die spleet goot ik af, het gips maakte de ijle gestalte uitvoerbaar op groter formaat, zoals ‘Max und Moritz’.
Icarus [2]
Voorheen had ik al kleine, kwetsbare figuurtjes geboetseerd, alleen of getweeën, die aansluiten op de potloodtekeningen van Icarus.
In vervolg daarop ontstond een kleine reeks van minnaars die ik omgaf met transparante bouwsels van latoenkoper en kopergaas.
Sinds de eerste tekeningen uit 1991 is Icarus een thema dat telkens opduikt, zwevend, zwemmend, soms paarsgewijs; en tenslotte getekend, maar dan met klei:













‘De val van Icarus‘ van Bruegel

de blote benen en hand van Icarus, de visser en de toekijkende patrijs

In dit schilderij verwijst Brueghel heel duidelijk naar Ovidius. Dit schilderij en een latere versie, verschillen op een aantal, zeer belangrijke, punten van elkaar. Op het oudste schilderij komt Daedalus niet voor. Op dat schilderij is ook een ondergaande zon te zien, terwijl in de versie op hout de zon in het zenith staat. De vraag is of het schilderij op doek niet is overgeschilderd. Volgens Gibson is het schilderij misschien wel meermalen overschilderd. Onlogisch zou dat niet zijn, want, zoals iemand opmerkte, Icarus heeft er anders wel erg lang over gedaan om uit de lucht te vallen als de zon nu bezig is onder te gaan. Het lijkt immers voor de hand te liggen dat de was in de vleugels van Icarus begon te smelten toen de zon op z'n hoogste punt stond. | Iemand die met een bevende hengel vissen probeerde te vangen (een visser), een herder die leunde op zijn stok en een boer die steunde op een ploeg zagen hen, ze waren stomverbaasd en ze dachten dat het goden waren omdat ze konden vliegen. | Van op een eikentak zag Perdix hem toen hij het betreurde lichaam van zijn zoon in een graf legde. Perdix was een snatervogel die in het moeras leefde en hij getuigde van zijn vreugde in een lied: Hij was toen een unieke vogel, in vroegere jaren niet gezien, nog maar onlangs een vogel geworden en voor jou, Daedalus, een langdurig schuldbewijs.
Bron: Ovidius Metamorphosen 8.183-235 © 2008 Albert van der Kaap

Het schilderij beeldt de Griekse mythe uit waarin Icarus in zee stort nadat zijn vleugels van was smolten omdat hij te dicht bij de zon vloog. Een belangrijk thema is de onverschilligheid van de wereld: terwijl Icarus verdrinkt, gaat het dagelijks leven op de voorgrond gewoon door, uitgebeeld door de ploegende boer die geen aandacht schenkt aan de ramp.
Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België in Brussel.
De val van Icarus of Landschap met de val van Icarus is een schilderij van Pieter Bruegel de Oude dat is overgeleverd in twee laat-16e-eeuwse kopieën van anonieme meesters, bewaard te Brussel. Het origineel moet gemaakt zijn rond 1565, toen Bruegel als eerste monumentale werken over het dagelijks leven ging vervaardigen. De boodschap van het moraliserende werk is niet meer eenduidig te achterhalen. Vaakgehoorde thema's zijn overmoed en zelfbedrog, menselijke onverschilligheid, en nuchterheid boven fantasievol streven.
Het verhaal samengevat


Icarus en Daedalus worden gevangen gehouden op Kreta door koning Minos. Die heeft eerder dankbaar gebruik gemaakt van de diensten van Daedalus. De architect heeft een labyrint voor hem ontworpen waar niemand ooit uit kan ontsnappen en waar de monsterlijke Minotaurus wordt opgesloten. De koning wil echter niet dat de twee ooit aan iemand verklappen hoe de uitgang van het labyrint eventueel toch gevonden kan worden, en besluit ze daarom maar gevangen te houden.
Symbool

Ovidius: Icarus
Metamorphosen 8.183-235
Ondertussen was Daedalus ingesloten door de zee, vol haat voor zijn lange ballingschap op Kreta en geraakt door heimwee naar zijn geboorteplaats, zei hij:
"Hoewel Minos de landen en de zeeën verspert, de hemel blijft toch zeker open. We zullen langs daar gaan; hoewel hij alles bezit, de lucht heeft hij niet."
Zo sprak hij en richtte zijn geest op de nog onbekende kunst en hij bracht een omwenteling teweeg in de natuurwetten. Want hij plaatste veren op een rij, beginnend met de kortere en daarna steeds een langere, zodat je kon denken dat ze op een helling gegroeid waren. Zo ontstond eertijds geleidelijk de landelijke herdersfluit uit ongelijke riethalmen. Toen maakte hij de veren in het midden vast met een draad en vanonder met was en zo samengevoegd boog hij ze in een kleine kromming, zodat hij echte vogelveren nabootste.
De jongen Icarus stond erbij en niet wetend dat hij met zijn leven aan het spelen was, probeerde hij nu eens met een stralend gezichtje de veren te pakken, die bewogen werden door een licht briesje, dan weer kneedde hij met zijn duim de goudgele was. En door zijn spel hinderde hij het wonderbaarlijke werk van zijn vader.
Nadat hij de laatste hand gelegd had op zijn werk, bracht de kunstenaar zelf zijn lichaam in evenwicht tussen de twee vleugels en hij bleef hangen in de lucht die bewogen werd (door de wind).
Hij onderrichtte ook zijn zoon "Icarus," zei hij "ik raad je aan in het midden van de weg te vliegen opdat de zee je veren niet zou verzwaren door te laag te vliegen en opdat het vuur ze niet zou verschroeien door te hoog te vliegen: vlieg tussen elk van beiden (neem de gulden middenweg). Ik vraag je met aandrang niet te kijken naar de Ossendrijver, de Grote Beer en het sterrenbeeld van de jager. Volg mij als gids!" Tegelijkertijd leerde hij hem de regels van het vliegen en hij maakte de tot dan toe onbekende vleugels aan zijn schouders vast.
Tijdens het werk en de waarschuwingen waren de wangen van de oude man vochtig van tranen en zijn vaderlijke handen beefden. Hij gaf zijn zoon kusjes, die niet meer herhaald konden worden. En licht gemaakt door de veren vloog hij voorop en hij vreesde voor zijn kameraadje, zoals een vogel die zijn tengere kroost vanuit het hoge nest de lucht inleidt. Hij spoorde hem aan te volgen en bracht hem de onheilbrengende kunst bij. Zelf bewoog hij zijn eigen vleugels en keek om naar die van zijn zoon.
Iemand die met een bevende hengel vissen probeerde te vangen (een visser), een herder die leunde op zijn stok en een boer die steunde op een ploeg zagen hen, ze waren stomverbaasd en ze dachten dat het goden waren omdat ze konden vliegen. En reeds lag links Samos, gewijd aan Juno (ze waren al voorbij Delos en Paros gevlogen). Rechts lag Lebinthos en Calumne, rijk aan honing, toen de jongen genoegen begon te scheppen in zijn roekeloze vlucht, zijn gids verliet en aangetrokken door de drang naar de hemel, een al te hoge vlucht nam.
De nabijheid van de verschroeiende zon maakte de geurige was, het bindmiddel van de veren, mals: de was smolt. Icarus zwaaide met zijn vleugelloze armen en omdat hij zijn vleugels miste, kon hij absoluut geen lucht meer opvangen. En zijn mond, die de naam van zijn vader nog riep, werd gevuld met het azuurblauwe water dat zijn naam aan hem ontleent.
Maar de ongelukkig vader, die geen vader meer was, riep:" Icarus, waar ben je? Waar moet ik je toch gaan zoeken? Icarus," zei hij herhaaldelijk: maar hij zag de veren op de golven drijven en hij vervloekte zijn uitvinding; hij begroef het lichaampje in een graf; en het eilandje werd genoemd naar de naam van degene die daar begraven lag.
Van op een eikentak zag Perdix hem toen hij het betreurende lichaam van zijn zoon in een graf legde. Perdix was een snatervogel die in het moeras leefde en hij getuigde van zijn vreugde in een lied: Hij was toen een unieke vogel, in vroegere jaren niet gezien, nog maar onlangs een vogel geworden en voor jou, Daedalus, een langdurig schuldbewijs.
Bron: Ovidius Metamorphosen 8.183-235
Ovidius: Perdix
Metamorphosen 8. 236-259
PERDIX 236-259
Terwijl hij het lichaam van zijn miserabele zoon begroef, zag een kwetterende patrijs hem, vanuit een modderige greppel, en klapte in zijn vleugels, nadat hij zijn vreugde had betuigd met een lied.
Toen was hij de enige vogel, voor meerdere jaren niet opgemerkt, en onlangs vogel geworden, was voor jouw, Daedalus, een langdurig schuldbewijs.
Want zijn zus, onbekend met het lot, vertrouwde hem haar kind toe als leerling, een jongen, die zijn twaalfde verjaardag vierde, ontvankelijk voor het onderrichten van de geest.
Want hij nam het ruggenmerg, nadat hij het in het midden in een vis had waargenomen, als voorbeeld en hij sneed blijvende tanden in ijzer en vond de toepassing van een zaag uit.
Als eerste verbond hij ijzeren armen, twee vanuit een knooppunt, zodat ze, mits ze met gelijke tussenruimte uit elkaar stonden, het ene deel stond, het andere deel een cirkel beschreef.
Daedalus was jaloers en duwde hem hals over kop van de heilige burcht van Minerva, terwijl hij het als een val voorwendde: maar hem, maakte Pallas, die genieën gunstig gezind was, tot een vogel en overdekte hem, midden in de lucht, met veren.
De kracht echter van het genie ging weg naar zijn vleugels, en voeten: de naam bleef hem bij. Toch heft die vogel haar lichaam niet omhoog en maakt zij het nest niet in takken in een hoge top;
Zij vliegt dicht bij de grond en legt haar eieren in heggen, hij is bang voor hoogtes, zich de oude val herinnerend.

Icarus! Icarus!het elegische verhaal
Ovidius, Ars Amandi ii, 21-96
NB Volgens onze moderne Van Dale is elegie: ‘een lyrisch dichtstuk waarin de aangename herinnering aan hetgeen men vroeger bezat, afwisselt met treurigheid om het verlies ervan’.




