De nacht volgend op de inauguratie van Donald Trump als president van de Verenigde Staten, had ik een droom waarin ik verwikkeld raakte in een wereld van aanslagplegers. Het eerste wat ik zag, was iemand die een holle buis vulde met explosief materiaal. Omdat ik daar een buitenstaander was, zag ik een kans om me nuttig te maken, door aan te bieden om een grote hoeveelheid materiaal voor ze te vervoeren. Daarbij maakte ik handig gebruik van de aanwezigheid van een truck van van een van de betrokkenen, om daarmee mijn aanwezigheid te rechtvaardigen
Er is in de twintigste eeuw één enkele stem die, glashelder en standvastig, het proces herkende waardoor de samenleving de voornaamste en machtigste afgod van onze tijd kon worden: die van Simone Weil. Zich baserend op de passage over ‘het grote beest’ in De staat van Plato, omschreef Weil in verhelderende bewoordingen het fenomeen waarom ‘het sociale het religieuze zodanig nabootst dat het zich ermee vereenzelvigt, afgezien van een bovennatuurlijk onderscheid’. Een onderscheid dat het denken zwaar op de proef stelt, zoals Weil zelf in een bijzin opmerkte: ‘Dat mysterie creëert een schijn van verwantschap tussen het sociale en het bovennatuurlijke en pleit Durkheim[1] tot op zekere hoogte vrij.’ Die ‘verwantschap’ is een begrijpelijke en noodlottige vergissing als het waar is dat – zoals Weil elders schreef –‘het sociale in verschillende verschijningsvormen de enige afgod is’. Dan dringt zich een vraag op: hoe kan iemand tegenwoordig ontsnappen aan deze variant van de zwarte magie? Hoe kan een lid van de seculiere samenleving, erop getraind het onzichtbare te negeren, het weer leren herkennen? In welke vorm? Wat zal hem overkomen als hij zich niet wil schikken in een credo, zoals dat gebeurt in de deerniswekkende westerse sekten die zichzelf hindoes of boeddhisten of sjiieten of, nogal ongenuanceerd, sjamanen noemen? Een lachwekkende vertoning, een van de verschillende mogelijkheden die door de seculiere samenleving worden geboden en goedgekeurd. De beschikbaarheid en toegankelijkheid van alle geloofsopvattingen uit het verleden is dan ook een van de kenmerken van het tijdperk dat ik ooit posthistorisch noemde. Maar als we deze onvermijdelijk parodistische weg uitsluiten, welke andere mogelijkheid blijft er dan over? Zal het seculiere subject genoegen moeten nemen met het uitvlakken van het onzichtbare, wat inmiddels als aanname voor het gemeenschappelijke leven wordt beschouwd? Dat is de waterscheiding. Als niet geloven maar weten essentieel is, zoals elke gnosis veronderstelt, zullen we onze weg moeten vinden in het duister, elk middel moeten gebruiken, in een soort onophoudelijke bricolage van de kennis, zonder enige zekerheid over een beginpunt en zelfs zonder enig idee van een eindpunt. Dat is de zowel beklagenswaardige als opwindende toestand waarin iemand verkeert die tot geen enkele geloofsrichting behoort maar tegelijkertijd weigert de religie – of, preciezer gezegd, de verafgoding – van de samenleving te accepteren. Een moeizame weg, zonder naam, zonder referentiepunten die niet versleuteld en strikt persoonlijk zijn. Maar ook een weg waar je onverwacht steun krijgt van verwante stemmen, als in een onbekend sterrenstelsel. Ik geloof niet dat we op dit moment meer mogen verwachten. Maar toch, als we goed kijken is het heel wat. Hoog spel dat in de loop der eeuwen door aardig wat mensen is gespeeld zonder het te verklaren, en nu wel vrijmoedig genoeg moet zijn om zich in het volle licht te vertonen. Zoals we lezen in Wittgensteins Bemerkungen über Frazer's 'The Golden Bough':‘Je zou haast zeggen dat de mens een ceremonieel dier is.’
Toen de Italiaanse schrijver en uitgever Roberto Calasso vorig jaar overleed, werd hij meer bewonderd dan begrepen. Als hij in de Engelstalige wereld wordt geprezen, is dat meestal omdat hij erudiet is. Ondertussen is Calasso in zijn geboorteland Italië beter bekend als uitgeverij-impresario, vanwege zijn leiderschap van de onafhankelijke uitgeverij Adelphi. Calasso's magnum opus, een omvangrijke serie van 11 delen die hij in 1983 begon met The Ruin of Kasch en in 2021 eindigde met The Tablet of Destinies, wordt vaak onbeschrijfelijk genoemd. Eigenlijk is het vrij eenvoudig als je de sleutel eenmaal te pakken hebt. Calasso schrijft gnoseologie (een woord dat hij vaak gebruikt) – dat wil zeggen, een onderzoek naar en geschiedenis van esoterische kennis.
Dit helpt om te verklaren wat een van de meest verwarrende elementen van zijn werk kan zijn. Critici verzuimen nooit de verbijsterende mix van genres te noemen die je bij Calasso aantreft. Op één pagina kun je mythe, fictie, geschiedenis en essay naast elkaar vinden. Voor Calasso bevindt al dit materiaal zich op hetzelfde vlak. Vanuit het esoterische perspectief is de mythe van de zondvloed van hetzelfde type als een fragment van een essay van Novalis, dat van hetzelfde type is als een bijtende opmerking van Talleyrand. Wat ertoe doet, is niet uiterlijk, maar innerlijk.
I. Toeristen en terroristen (Intro + twee fragmenten)
De duidelijkste en sterkste gewaarwording van wie op dit moment leeft, is dat hij elke dag opnieuw niet weet waar hij aan toe is. Het terrein is onbetrouwbaar, lijnen splitsen zich, weefsels rafelen, perspectieven verschuiven. Dan beseft hij nog onherroepelijker dat hij zich in het ‘onbenoembare heden’ bevindt.
Het ritueel vormt een onverbiddelijke scheidslijn tussen secularisme en religies. De secularisten staan niet toe dat er regelmatig en soms op vaste tijden handelingen worden verricht die zijn gericht op een externe entiteit. Handelingen die een onzichtbare aanwezigheid vereisen. Voor de secularisten is die onzichtbare aanwezigheid er simpelweg niet. En wordt het woord ‘ritueel’ zelf geassocieerd met iets overbodigs, iets hinderlijks, ondoelmatigs. Dus precies het tegendeel van wat het in andere beschavingen betekende.
Deze uitholling van het ritueel – of minstens verbanning naar de periferie van het bestaan – had een euforisch stemmende ontheffing van verplichte handelingen tot gevolg kunnen hebben. Maar dat gebeurde niet. Zwijgend maar koppig berustte het seculiere brein in de gedachte dat het niet buiten steeds herhaalde en strikt geformaliseerde handelingen kon, niet alleen waar het er nog een zekere doelmatigheid aan toekent, bijvoorbeeld in de juridische sfeer, maar op elk terrein van het bestaan, tot in de onbeduidendste en intiemste uithoeken ervan. De uitgebannen rituelen zijn uiteindelijk weer teruggekeerd in de samenleving, er tot haar verste haarvaten in doorgedrongen. Het seculiere leven wordt steeds vaker gekenmerkt door situaties waarin we ons op een bepaalde manier moeten gedragen, alsof we van het ene televisieformat overstappen naar het andere. Overal gelden vaste regels en manieren – die ertoe neigen steeds subtieler en gedifferentieerder te worden. Maar geen ervan is gericht op wat dan ook buiten de samenleving zelf. Het zijn telkens weer tautologische bevestigingen die het bestaande onderstrepen, zoals bepaalde archaïsche riten eerbied voor de godheid benadrukten.
Voor een paar van de grootste bedrijven, zoals Google is de substantie die in geld wordt omgezet en die ze voedt niet langer aardolie maar reclame. De aanzienlijke economische relevantie daarvan, ofwel het exoterische aspect van de reclame, moet onze aandacht echter niet afleiden van haar esoterische aspect, ofwel de herhaling. Voor reclame is het essentieel dat ze wordt herhaald, net als rituele handelingen. De herhaling garandeert de bestendigheid van de betekenis. En juist die taak is door de samenleving gedelegeerd aan de reclame. Dat is niet gering, integendeel, het is een functie die de zin van elke afzonderlijke handeling onderbouwt. Daarom is het esoterische doel van de reclame een onophoudelijke verspreiding en herhaling van beelden en merken die zich in elke spleet van de psychische ruimte wurmen. En als zij daar niet voor zorgden, zou alles misschien kleur- en vormloos lijken. Het is echter een doorlopend ceremonieel waaraan niet te ontkomen valt. Een proces met als hoogtepunt en bezegeling de sociale media, waar de spontane ontboezemingen van de enkeling gepaard gaan met verplichte bijpassende reclame. Alsof wat er wordt gedeeld onmogelijk los kan worden gezien van de reclame. […]
Er is in de twintigste eeuw één enkele stem die, glashelder en standvastig, het proces herkende waardoor de samenleving de voornaamste en machtigste afgod van onze tijd kon worden: die van Simone Weil. Zich baserend op de passage over ‘het grote beest’ in De staat van Plato, omschreef Weil in verhelderende bewoordingen het fenomeen waarom ‘het sociale het religieuze zodanig nabootst dat het zich ermee vereenzelvigt, afgezien van een bovennatuurlijk onderscheid’. Een onderscheid dat het denken zwaar op de proef stelt, zoals Weil zelf in een bijzin opmerkte: ‘Dat mysterie creëert een schijn van verwantschap tussen het sociale en het bovennatuurlijke en pleit Durkheim tot op zekere hoogte vrij.’ Die ‘verwantschap’ is een begrijpelijke en noodlottige vergissing als het waar is dat – zoals Weil elders schreef – ‘het sociale in verschillende verschijningsvormen de enige afgod is’. Dan dringt zich een vraag op: hoe kan iemand tegenwoordig ontsnappen aan deze variant van de zwarte magie? Hoe kan een lid van de seculiere samenleving, erop getraind het onzichtbare te negeren, het weer leren herkennen? In welke vorm? Wat zal hem overkomen als hij zich niet wil schikken in een credo, zoals dat gebeurt in de deerniswekkende westerse sekten die zichzelf hindoes of boeddhisten of sjiieten of, nogal ongenuanceerd, sjamanen noemen? Een lachwekkende vertoning, een van de verschillende mogelijkheden die door de seculiere samenleving worden geboden en goedgekeurd. De beschikbaarheid en toegankelijkheid van alle geloofsopvattingen uit het verleden is dan ook een van de kenmerken van het tijdperk dat ik ooit posthistorisch noemde. Maar als we deze onvermijdelijk parodistische weg uitsluiten, welke andere mogelijkheid blijft er dan over? Zal het seculiere subject genoegen moeten nemen met het uitvlakken van het onzichtbare, wat inmiddels als aanname voor het gemeenschappelijke leven wordt beschouwd? Dat is de waterscheiding. Als niet geloven maar weten essentieel is, zoals elke gnosis veronderstelt, zullen we onze weg moeten vinden in het duister, elk middel moeten gebruiken, in een soort onophoudelijke bricolage van de kennis, zonder enige zekerheid over een beginpunt en zelfs zonder enig idee van een eindpunt. Dat is de zowel beldagenswaardige als opwindende toestand waarin iemand verkeert die tot geen enkele geloofsrichting behoort maar tegelijkertijd weigert de religie – of, preciezer gezegd, de verafgoding – van de samenleving te accepteren. Een moeizame weg, zonder naam, zonder referentiepunten die niet versleuteld en strikt persoonlijk zijn. Maar ook een weg waar je onverwacht steun krijgt van verwante stemmen, als in een onbekend sterrenstelsel. Ik geloof niet dat we op dit moment meer mogen verwachten. Maar toch, als we goed kijken is het heel wat. Hoog spel dat in de loop der eeuwen door aardig wat mensen is gespeeld zonder het te verklaren, en nu wel vrijmoedig genoeg moet zijn om zich in het volle licht te vertonen. Zoals we lezen in Wittgensteins Bemerkungen über Frazer’s ‘The Golden Bough’: ‘Je zou haast zeggen dat de mens een ceremonieel dier is.’
II. Het Weens gasbedrijf (Intro; 1e notitie op tijdlijn; notitie over Simone Weil)
Dit gaat niet over herinneringen. Maar over woorden die zijn geschreven, gepubliceerd, uitgesproken, geciteerd en geregistreerd tussen begin januari 1933 en mei 1945. Ongewild doen ze allemaal vertrouwd aan. Alle beelden uit die jaren, van welke herkomst ook, ademen iets hypnotisch. Het was het hoogtepunt van het zwart-wit, in de bioscoop en in het leven. Toen technicolor zijn intrede deed, leek dat een zinsbegoocheling. Alsof de tijd een steeds nauwere spiraal had gevormd die eindigde in een wurggreep.
30 januari 1933. Klaus Mann vertrekt ’s morgens vroeg uit Berlijn, ‘als door een akelig voorgevoel opgejaagd.’ Lege straten. Een slapende stad. ‘Het zou mijn laatste blik op Berlijn zijn, het afscheid.’ Tussenstop in Leipzig. Op het station verschijnt zijn vriend Erich Ebermayer. Bleek, ongerust. “‘Wat is er aan de hand?” vroeg ik hem. Hij leek verbaasd: “Weet je dat niet? De oude heer heeft hem een uur geleden benoemd.” “De oude heer? .. Wie?” “Hitler. Hij is kanselier.'”
[…]
1941. Simone Weil is getroffen door een zojuist verschenen bundel geschriften van Planck. Veel meer dan in Einstein, ziet ze in Planck degene die ‘een radicale breuk in de ontwikkeling van de wetenschap’ heeft teweeggebracht. Het begrip kwantum is ‘op zichzelf buitengewoon en subversief ” al kloppen bepaalde toepassingen ervan misschien niet. Maar het zal de nieuwe grondslag van de wereld worden. Echter, er is iets vreemds: zodra Planck het niet langer over kwantums heeft, zegt hij louter banaliteiten. Hij spreekt als een oprecht mens, ‘in de gebruikelijke zin van het woord’, begiftigd met gezond verstand, ‘wat al heel wat is’. Maar meer niet. Dus zal de wereld zijn gegrondvest op een wetenschap die ze niet kan begrijpen, ontdekt door een man die buiten die wetenschap niets belangwekkends te melden heeft. Toch is het ‘in naam van de wetenschap dat wij, blanke mensen … als heer en meester over de aardbol rondlopen en bij elke stap een of andere schat vertrappen’. De wetenschap is voor westerlingen zoiets als de Katholieke Kerk voor Cortés en Pizarro. Maar zij hadden nog wel enig idee wat de sacramenten waren. Twee jaar later schreef Simone Weil in Londen haar Prelude à une déclaration des devoirs envers l’être humain. Ze wilde een paar onaantastbare principes onder de loep nemen. En vroeg zich af waarop die moesten berusten. De religie werkte niet meer, want dat was inmiddels iets ‘voor de zondagochtend’. En de wetenschap? Alleen de niet-gelovigen, die echter wel elke dag in de wetenschap geloven, ‘hebben een triomfantelijk gevoel van innerlijke eenheid’, wat echter een illusie is. Hun moraal is ‘niet minder in tegenspraak met de wetenschap dan de religie van de anderen’. Wetenschap is namelijk niet moreel. Kwantums geven geen gedragsregels. Weil trekt haar conclusie: ‘Hitler heeft dat scherp gezien. Hij laat dat trouwens aan heel veel mensen zien, overal waar de dreiging van de ss voelbaar is, en zelfs nog verder weg. Vandaag de dag kan, bij wijze van spreken, alleen onvoorwaardelijke adhesie aan een totalitair systeem, bruin, rood of wat dan ook, voor een solide illusie van innerlijke eenheid zorgen. Daarom vormt dat zo’n onweerstaanbare verleiding voor heel wat ontredderde zielen.’
[…]
III. Een voorproefje van de torens (Integrale tekst)
Op een los, niet dateerbaar blaadje, tegenwoordig in de Jacques Doucet-bibliotheek, vertelde Baudelaire over het instorten van een reusachtige toren die ooit wolkenkrabber zou heten. Hij voelde zich machteloos omdat hij er niet in slaagde dat door te geven aan ‘de mensen’, ‘de naties’. Dus moest hij er genoegen mee nemen het ‘de meest intelligente’ toe te fluisteren. Maar zelfs die fluistering moest meer dan een eeuw wachten voordat ze werd gedrukt. En niemand besteedde er aandacht aan. Pas toen het te laat was drong tot de naties door wat hun te wachten stond. Het was allemaal gebeurd in een droom, zo’n droom waar Baudelaire wel vaker last van had, zo een waardoor de wil om ooit nog te slapen hem verging: Tekenen van verval. Reusachtige gebouwen. Talloze appartementen, het ene boven op het andere, kamers, tempels, galerijen, trappen, doodlopende gangen, belvedères, lantaarns, fonteinen, beelden. – Spleten, barsten. Nattigheid ajkomstig uit een waterreservoir hoog in de lucht. – Hoe moeten de mensen, de naties worden gewaarschuwd? We moeten het de intelligentsten in het oor fluisteren. Bovenin knapt een pilaar en verschuiven de uiteinden ervan. Er is nog niets ingestort. Ik kan de uitgang niet meer vinden. Ik ga naar beneden, dan weer naar boven. Een labyrinttoren. Ik kon er niet uit. Ik woon voorgoed in een gebouw dat op instorten staat, een gebouw dat is aangestoken door een geheime ziekte. – In gedachten bereken ik, als afleiding, of zo’n ongelooflijke massa stenen, marmer, beelden, muren die binnenkort op elkaar klappen straks doordrenkt zal zijn van de hoeveelheid hersenen, mensenvlees en versplinterd bot. ‘Toen de ‘waarschuwing’ van deze droom de ‘naties’ bereikte klopte alles, op één ding na: het waren twee torens – tweelingen.
Nu mijn ziel ingelogd is op de Elpermeer (naar mijn wachtwoord blijft het gissen) is het tijd om stil te staan bij het efemeer van ons vluchtig en kortstondig leven – want zielsverhuizen doe je maar één keer.
Voor mijn gevoel nog vrij recent – ook al is het inmiddels vijftien jaar geleden: op 18 april 2009 – had ik een gesprek met Maarten Houtman, naar aanleiding van het feit dat ‘Lekepraat’ toen werd uitgegeven. Ik had dat laatste interview met Maarten op een Cd gebrand, die ik bij mijn recente verhuizing tegenkwam. Ik was hem glad vergeten…
Over ‘Lekepraat’ In de nadagen van Meditatiecentrum ‘De Kosmos’ in Amsterdam nodigde Maarten Houtman, zenleraar en nestor van de Nederlandse zen beweging, zijn collega Nico Tydeman uit om gesprekken te voeren over hun beider passie: de zenmeditatie. Ondanks de verschillen, werkten ze vanuit dezelfde inspiratie. En bovendien waren ze oude vrienden. Uiteindelijk werden in totaal twintig gesprekken gevoerd, die zich uitstrekten over de periode maart 1989 tot mei 1995. Na elk gesprek kwam Maarten bij Klaaske langs om het bandje te laten uittypen. Vervolgens ging de tekst naar Nico, die z'n commentaar gaf. Maarten is daarna lan bezig geweest om de gesprekken vorm te geven, hij heeft er veel energie in gestoken. Maar uiteindelijk bleef het concept op de plank liggen.
Toen ik tien jaar later de beschikking kreeg over Maarten's computer archief, werd ik ongeduldig. Ik besloot het daar opgeslagen ‘Lekepraat’ nog eenmaal te redigeren en uitgave klaar te maken. November 2009 was het zover, Lekepraat werd onder de titel ‘Geen meester, geen leerling’ bij Asoka uitgegeven.
Gesprek tussen Maarten en Hein (fragment)
In dat laatste interview met Maarten, vroeg ik hem op zeker moment waar zijn aandacht naar uitging, nu Lekepraat naar de achtergrond was verdwenen.
– Maarten: Wat voor mij op het ogenblik steeds opnieuw de vraag is, als je nou dat hele leven samenvat, met het jappenkamp en alles wat er bij is, wat is dan het gevolg eigenlijk in jouw leven – mijn leven dus – van die bezigheden die je allemaal gepleegd hebt. Ik kan alleen maar vaststellen dat ze mij gemaakt hebben eigenlijk, of veranderd hebben, tot wat ik nu ben. En al zodanig onuitwisbaar zijn. Ja, ik ga natuurlijk op een bepaald moment dood en dan is dit leven afgelopen. Maar tot op heden is er eigenlijk niets van wat ik beleefd heb, ook niets van mijn jeugd, onbelangrijk.
– Hein: Nee, want jij bent er ook nog steeds bezig met je jeugd.
– Maarten: Ja, en ik merk dat heel veel van mijn jeugd langzamerhand een beetje schimmig geworden is, door alles wat er daarna gebeurd is. Maar het is tenslotte het begin van een leven wat heel volledig was, heel bevredigend was, heel vanzelf was – vooral dat vanzelf wat ik toen beleefd heb tot mijn achtste jaar, toen ik voor het eerst in een kosthuis kwam, waar het niet goed afliep. Maar tot aan dat moment was het eigenlijk zó vanzelfsprekend, ik dacht er niet over na. Je had het gegeven, je leefde, elke dag waren er nieuwe dingen om te beleven en dat was heerlijk. En ik had ook een taak, dat was ook heel anders dan in de meeste jeugdervaringen, ik had een hele duidelijke taak, ik moest varkens eten geven, ik had met allerlei dieren een hele duidelijke taak. En dat heeft ook gemaakt dat ik eigenlijk altijd een groot verantwoordelijkheidsgevoel heb gehad voor de dieren, omdat ik die taak had. En daar ben ik ook heel blij om, want het was dus niet alleen maar het gadeslaan, het was niet alleen maar het bekend raken met het leven van de dieren, maar ik had daar een functie in. En dat is eigenlijk gebleven. En zo heb ik dus in mijn leven heel vaak het gevoel gehad, dat alles wat ik beleefde, dat ik daar deelnam aan iets. En dus, omdat ik deelnam, er ook een verantwoordelijkheid voor had. Ja en dat is natuurlijk bij Nico, die hier is opgegroeid, op een seminar groot geworden, is dat totaal anders geweest. Hij kon kiezen, ik kon niet kiezen, het kwám zo. En ik voelde me daarin zo opgenomen, dat het nooit bij me opgekomen is dat het ook wel eens anders had gekund – ja, dat kan ik theoretisch nu wel zeggen, maar dat is wat anders.
– Hein: Wat mij wel duidelijk geworden is, omdat ik zowel jouw bewerking heb gezien als de oorspronkelijke tekst van ‘Lekepraat’, is dat je er veel energie in gestopt hebt, heel veel. Want ik had het met Erna over bewerken van interviews – wat voor haar natuurlijk haar professie is – dat jij dat naar mijn idee heel professioneel hebt gedaan. Dus eruit halen wat belangrijk was, héél veel weglaten, dingen omgooien, om wat jij belangrijk vond in een nog helderder licht te zetten. En ook zelfs dingen invoegen, waarbij je je nogal wat dichterlijke vrijheden veroorloofd hebt.
– Maarten: Ja, voor een groot deel is het mijn werk geweest. Maar de oorsprong, het eerste begin, dat is heel enthousiast van twee mensen geweest. Maar op een bepaald moment verloor Nico zijn belangstelling daarvoor, omdat hij weer nieuwe dingen zag. Dat is heel simpel wat er gebeurd is.
– Hein: En jij hebt ook de volgorde, de chronologische volgorde, heb je omgegooid. Dat was ook vanuit een gevoel van opbouw, zeg maar.
– Maarten: Ja, het was vanuit een gevoel dat, als ik het omgooide, het duidelijker werd, zal ik maar zeggen. Dat het project op zichzelf eraan zou verbeteren.
Het J.H. van Heekpad, dat Elpermeer en Jisperveld verbindt. “Ben je langs de laatste wachtpost gekomen dan is daar, haast ongemerkt, een niemandsland – niemand bezit het, niemand claimt het, het is er vreedzaam, een ruimte zonder eind.” Uit: De overtocht naar Fudaraku
Foto boven: Mijn nieuwe onderkomen op de Elpermeer, met de ‘Twaalf kussentjes’ van Hanna Mobach – die daar na de verhuizing met de klopboor aan de wand bevestigd is. Onder de bezielende leiding van Emilie, die altijd klaarstaat voor oude mensen, de dingen die voorbijgaan.
Maarten vertelde ooit dat hij graag nog een keer het Alhambra had willen zien…
William Kentridge en Faustin Linyekula werken voor het Holland Festival samen als ‘associate artists’. Kolonialisme is voor beide kunstenaars een belangrijk thema.
Het is 25 februari van dit jaar, in Theater Frascati aan de Amsterdamse Nes. In een van de kleedkamers zitten twee theatermakers met Afrikaanse wortels: de Zuid-Afrikaanse regisseur en kunstenaar William Kentridge (64) en de Congolese danser en choreograaf Faustin Linyekula (45). Het licht van de schminklampen rondom de spiegels beschijnt hun gezichten, en zo komen we meteen in een theatrale atmosfeer.
Holland Festival
The Head & The Load van William Kentridge. 29/5 t/m 31/5 Theater Amsterdam, Dantzigerkade.
Not Another Diva van Faustin Linyekula. 7/6 in Cultureel Educatief Centrum, 9/6 in Muziekgebouw.
Congo: 14/6 en 15/6 in Frascati. Op 2/6 gaan William Kentridge en Faustin Linyekula met elkaar in gesprek over hun werk.
De filmische theaterproductie The Head & The Load van Kentridge is de openingsvoorstelling van het Holland Festival 2019. Hierin belicht hij het tragische lot van honderdduizenden Afrikaanse mannen die in de Eerste Wereldoorlog dienst deden als dragers voor de buitenlandse legers, en door ziekte en uithongering de dood vonden. Van Linyekula zijn de voorstellingen Not Another Diva… en Congo te zien. Op verzoek van het Holland Festival werken ze samen als associate artists, een door het festival bedacht nieuw model om twee verwante kunstenaars de programmering te laten verrichten. Het duo komt in plaats van artistiek directeur Ruth Mackenzie, die is vertrokken naar het Parijse Théâtre du Châtelet.
Enthousiasme en energie zijn tijdens het gesprek de sleutelwoorden, maar ook nieuwsgierigheid naar elkaars werk en dat van andere gezelschappen. Dankzij dit artistieke tweetal ligt het accent van het festival dit jaar op Afrikaanse dans en theater. Tijdens het Holland Festival is Theater Frascati het huis waarin de associate artists twee weken lang voorstellingen en lezingen geven en ontmoetingen met het publiek verzorgen. De blanke regisseur en de zwarte danser zijn wereldwijd geliefd op theaterfestivals. Maar, benadrukken ze, op de meeste festivals ben je te gast: je vliegt in, voert de voorstelling op, overnacht in een hotel en je gaat weer weg. Door hun samenwerking en langdurige verblijf in Amsterdam zien zij veel meer kansen om tot uitwisseling met het publiek en met andere kunstenaars te komen.
Linyekula: „We komen naar Amsterdam om te zien wat hier gaande is. Hoe Nederland omgaat met zijn koloniale verleden.” Kentridge: „Een kwart van de Congolezen weet niets van de koloniale overheersing of ze ontkennen het, omdat ze zich eeuwenlang hebben aangepast. Daarom maakte ik óók The Head & The Load, om een onbekende geschiedenis die honderdduizenden doden eiste bekend te maken.”
Kentridge ziet Frascati als het verlengde van zijn kunstcentrum Centre for the Less Good Idea, gevestigd in Johannesburg. Voor Linyekula is Frascati vergelijkbaar met zijn Studios Kabako, een theater- en repetitieruimte in Kisangani in het noordoosten van Congo, zijn geboorteland. „De Belgen hebben ons land op dramatische wijze gekoloniseerd”, zegt hij, „maar ze zijn één ding vergeten: schouwburgen te bouwen en theater te brengen. Daarom doe ik dat nu.”
Enthousiasme, ja, maar de ondertoon van het gesprek is ernstig: de eeuwenlange koloniale overheersing en exploratie door westerse mogendheden van Afrika spelen voortdurend een rol, evenals de slavenhandel. In de woorden van Linyekula is dit laatste „een eeuwen durende calamiteit die het gezicht van Afrika bepaalt”. Hij wil Afrika weer zijn „echte gezicht teruggeven, het gezicht van de mensen op straat, de stem van die mensen”.
Kentridge: „Ik ben een witte man in Zuid-Afrika, mijn ouders waren advocaten die mensen hielpen die slachtoffer waren van de apartheid. Ik heb gedurende mijn kunstenaarschap leren leven met de paradoxen en moeilijkheden van een blanke in een land dat nog steeds is doortrokken van het koloniale verleden. Mijn werk draagt daar de sporen van. Ik ben me overbewust van de dualiteit van een blanke in een zwarte samenleving. Daaruit komt in mijn geval geen politiek activisme voort, maar wel twijfel, verwarring, onzekerheid.”
Ook voor Faustin Linyekula bieden theater en dans een mogelijkheid te reflecteren op het koloniale perspectief: „In Congo maken we theater in een voormalig westers huis, met een tuin en zuilen ervoor. In de achtertuin oefenen we de dansen. Voor mij is theater poëzie in een politieke context. Wat Kentridge en ik gemeen hebben is een grote belangstelling voor de lotgevallen van Afrika, waar ik als zwarte kunstenaar anders tegenaan kijk. Kentridge benadrukt meer de historie, ik de positie van Afrika en de Afrikaan in de hedendaagse wereld. Maar juist die verschillende perspectieven maken het mogelijk de onbegrepen geschiedenis van ons land te vatten.”
Oorlogsschip
Wat Linyekula ‘onbegrepen’ noemt, heet bij Kentridge ‘welbewust onwetend’ ofwel ‘verzwegen’. The Head & The Loadis vormgegeven als een processie, waarin tientallen personages voorbij komen. In een van de mooiste scènes glijdt een reusachtig oorlogsschip over de golven van de oceaan. Het schip vaart niet, het wordt gedragen. Het volle gewicht rust als een last (the load) op het hoofd (the head) van Afrikaanse soldaten. Tijdens de strijd om de Duitse koloniën in de Eerste Wereldoorlog transporteerden deze zwarte dragers gewonde Europese militairen, ze sjouwden door de jungle met kanonnentuig, zelfs schepen van de ene rivier naar de andere. Sterft er een, geen nood, er staat alweer een volgende gereed.
De voorstelling The Head & The Load van William Kentridge Foto Stella Olivier
„Honderdduizenden anonieme Afrikaanse mannen vonden de dood in hun eigen oerwouden”, zegt Kentridge. „Deze genocide is onbekend, het is een zwarte schande. De mensen stierven aan tropische ziektes en uithongering. Het koloniale verleden van Afrika is niet gekend, en dat grijpt me telkens weer aan. Ik wil het met mijn voorstelling bekend maken.”
Al vanaf zijn studie aan de Johannesburg Art Foundation vond Kentridge zijn kenmerkende vorm: hij tekent met houtskool op grote witte vellen papier en filmt vervolgens de afbeeldingen. Hij zegt van zwart-wit te houden, niet alleen in zijn grafische werk maar ook van het dramatische contrast in zwart-witfilms. En zwart-wit sluit aan bij zijn thematiek: de blanke in de entourage van zwart Afrika.
Ook de optocht of processie is bij hem een telkens terugkerend motief. „Ik ben gefascineerd door processies”, aldus Kentridge. „Hier in Afrika is de optocht een zeer gangbare vorm van religieuze bijeenkomsten. Zo’n stoet mensen die dezelfde richting uitgaan, boeit me: het is alsof ze gedreven worden door één richting, één verlangen ergens te zijn. Maar de optocht kent ook een keerzijde, zoals de mannen die eindeloos oorlogsmateriaal over onverharde wegen slepen. Of de bewegingen van mensen die op drift zijn, zoals vluchtelingen. Ze graaien hun spullen bij elkaar en trekken weg. De aangrijpende beelden daarvan spoken door mijn hoofd.” Hij zegt zich te verzetten tegen de gedachte dat je het „koloniale verleden van Afrika kunt omslaan, zoals je een bladzijde in een boek omslaat. Dat is onmogelijk. Drie eeuwen koloniaal leed wis je niet uit door een bladzijde om te slaan.”