Op het terras van Legershop ‘De Papegaai’, tegenover het Oorlogsmuseum
Bij dat terras stond ‘koffie uitschenk-punt’ – vandaar wellicht de voordelige tarieven: een Latte Macchiato, plus echte Limburgse kersenvlaai met slagroom … voor vier euro.
Mijn dag begon goed…
Toen ik daar in die ‘Legershop’ naar het toilet ging, zag ik binnen een keur van lege granaathulzen staan, met nog veel andere ‘souvenirs’. Dat was even slikken voor een kind dat van zijn vader geen plastic waterpistooltje mocht hebben (dat een collega toen in die vijftiger jaren mee uit Amerika bracht).
‘k Heb het museum maar links laten liggen.
Toen verder op de pas verworven fiets, op zoek naar de gezondheidswinkel in Venray, tien kilometer verderop. Als je maar in beweging bent, hoe dan ook, wat dan ook…
Maar in Venray aangekomen, bleef ik, ondanks de kaart op m’n iPhone, in kringetjes om die winkel draaien… Toen ik er uiteindelijk toch binnen was, was ik echt door m’n geloof gezakt…
Toch maar een tas volgeladen met waren – ook bederfelijke – en in de zomerse hitte op de terugweg.
Terug langs de straatweg, nu richting Overloon, zag ik weer dat zijpad met het bordje ‘Raaijweg’ – de straat van mijn vakantieverblijf.
Ik dacht: in plaats van eerst naar het centrum te rijden, sla ik hier gewoon af, ’t moet dezelfde weg zijn. Hij gaat straks wel over in een verharde weg…
Maar het was wel heel ver… Ik reed maar, en ik reed maar, allemaal landerijen, geen bebouwing te zien. Een paar maal ging ik bijna onderuit in het mulle zand.
Zou ik toch die twee wandelaarsters daar de weg maar vragen?
Maar ik pakte liever m’n iPhone en startte de ‘gesproken route’ – en stopte h’m weer in m’n tas toen ik in de verte plotseling een brandweerauto zag staan. Daar kon ik het vragen! Intussen passeerde ik die twee dames weer.
Toen hoorde ik diep uit m’n tas een stem zeggen, tot twee keer toe: ‘Keer om!’ Maar dat moest welhaast een vergissing zijn…
Helaas… Toen ik even later daar twee brandweermannen aansprak, kon ik er niet meer omheen: ‘Nee meneer, u moet de andere kant op, dit is richting Venray.’ De een matter of fact, de ander lichtelijk geamuseerd.
Dus ik weer dat hele stuk terug, weer door het mulle zand… Intussen bedacht ik: maar dan had ik vanaf de straatweg precies de andere kant van de Raaijweg op moeten gaan…
En ja, bij de straatweg aangekomen, bleek de Raaijweg aan de andere kant inderdaad een verharde weg te zijn. Bovendien stond daar ook een bordje met ‘Landal De Vers’…
Na een paar minuten was ik er al…
Als je een bestemming nadert, kom je altijd vanaf één kant, uiteraard. En je vraagt je af waar de weg verder heen zal gaan. Nu kwam ik dus zomaar vanaf die andere kant – de kant waarvan ik me gisteren toen ik aankwam had afgevraagd: waar zou die weg naartoe gaan?
De oude Grieken hadden het over ‘de grens van de bekende wereld’, daar waar de zuilen van Hercules staan. Ook in mijn kleine wereld huist het onbekende…
‘Verdwaal!’, zegt Krishnamurti; nou dat had ik in elk geval gedaan. En ik had ook volop vergissingen begaan. Allemaal zaken waarvan gezegd wordt dat het onlosmakelijk bij meditatie hoort – bij het leven toch…
Maar het zat me bepaald niet lekker, deze dag had alles volmaakt moeten zijn…
Hoe moeilijk is het om te accepteren…
Ik las in de NRC van vandaag de necrologie van Gloria Vanderbilt, die op haar tiende het fortuin van haar vader erfde en dat op haar goklustige moeder moest bevechten. En nog een heleboel schandalen meer. Ze werd vijfennegentig.
Vlak tegen het einde zei ze in een documentaire over haar leven: ‘Pas als je hebt geaccepteerd dat het leven een tragedie is, kun je beginnen te leven.’
En het was nacht geweest. Op de nieuwe dag ontwaakte ik in de Gemeentebossen Vierlingsbeek. Plechtstatig stonden daar zes lege stoelen rond een tafel, als ware ze voor koning Arthur en zijn Tafelronde zelf. Mij schoot de slogan te binnen: ‘als deelnemer aan de Huiskamergroep had dit ook jouw Zevendaagse sessie kunnen zijn…’
Mijn literatuur hier is ‘Een lekker stukje’ – begrijp Marten Toonder niet verkeerd, dit betreft natuurlijk een stukje van journalist Argus in de Rommeldambode. Waar het over gaat? Over het Vol-ledig maken…
‘Het betreft een duister geval,’ verklaarde commissaris Bas tegenover doctorandus Zielknijper, ‘ik zit achter een verdachte aan, die vernietigend optreedt. En dat komt omdat hij leeg is. Helemaal leeg, zodat hij wervelwinden maakt.’ ‘Kom, kom,’ sprak de geleerde. ‘U overdrijft, mijn waarde. “Leeg” is een woord dat wij in de zielkunde nauwelijks toepassen. De symptomen die u noemt, doen mij eerder denken aan de zogenaamde gespleten persoonlijkheden die ik tegenwoordig veel aantref. Gevallen van schizofrenie; vroeger dementia praecox genoemd. De oorzaak ligt meestal…’ ‘Een moeilijke jeugd, wil ik wedden,’ onderbrak de heer Bas. ‘Ja, ja; ik weet er alles van. De jeugd moest afgeschaft worden; dat zeg ik ervan.’
Ik had mijn verblijf hier gisteravond ingewijd met een eenzaam glas wijn:
Als je goed kijkt zie je de weerspiegeling van mijn disgenoten: een bordje voor de soep en een boordje voor het brood – en als je nog beter kijkt: van Hein.
Mijn verblijf hier begon ermee dat ik bij de afrekening de pincode van de ING rekening niet wist – als je er van te voren over na gaat denken, weet je dat je fout zit… Die van onze nieuwe bank wist ik gelukkig wel, die is nog niet geautomatiseerd… Dementia praecox?
Gelukkig wist ik vervolgens, na één blik op de kaart, de Plus in het dorp – Overloon, van dat Oorlogsmuseum – te vinden. Weliswaar moest ik daar vragen waar de mandjes stonden (vlak voor m’n neus) en waar de verse soep stond. Maar dat laatste moesten zij dan weer naarstig navragen – en bij de afrekening bleek er geen barcode op te staan…
“Water!”, juichte ik, toen ik in Hongkong dit blauwe vlakje zag, héél diep beneden.
Ik heb het eerder beschreven in mijn blog post ‘Waterdier’, hoe ik daar in Hong Kong met een juichend hart aan de oever van de Pacific stond, na mijn ‘Anabasis’ van vier weken door de binnenlanden van China – en hoe ik daar, toen ik de zee zag, “Thalassa, thalassa!” riep.
Bijzonder, dat uit die hele klassiek opleiding zo’n simpel verhaal is blijven hangen: Xenophon die in zijn boek ‘Anabasis’ (= ‘reis naar het binnenland’) vertelt van zijn ‘Tocht van de Tienduizend’, hoe zijn soldaten na alle beproevingen van die barre tocht dwars door het Perzische rijk, over een heuvelrug de zee weer zagen – en in gejuich uitbarstten: ‘De zee, de zee…!’ Pure vreugde, catharsis.
Waar het lied van de Shake van de Week over gaat, blijft – ondanks al mijn pogingen – raden. Misschien gaat het wel over water… Het is een ‘Ghazal’, een liefdeslied wat die ‘Hooglied-achtige’ vermenging kent van erotiek en liefde tot de Allerhoogste (Eros en Agapè, om met de Ouden te spreken). Zoals veel van de liederen van Abida Parveen, is het op een tekst van Faiz Ahmed Faiz (1911-1984):
… a great Poet, writer, journalist and politician who helped to forge a revolutionary consciousness in the South Asian sub-continent. Faiz was, behalve Soefi, ook communist – wat hem de Lenin-prijs (de Russische Nobelprijs voor Literatuur) opleverde. Het kan verkeren…
De taal is Urdu – de taal van Pakistan – maar als ik Google Translate zelf laat kiezen, komt die uit op ‘Hindi’ – ik had al begrepen dat de (historische) verwantschap tussen beide talen nauw is. Maar wat er dan vervolgens aan vertaling verschijnt, is gewoon pure onzin. De Engelse website: http://www.faizcentenary.org/index.htm is indrukwekkend, maar bood geen houvast voor Humne sub shair mein saNwaray thhay. Ik zag zelfs een Deense website, Lene: http://www.urduhamasr.dk/faiz/storylist.htm, maar ook daar geen vertaling van dit lied.
Als toegift een fascinerende historische opname van Parveen als beginnend Qawwali zanger:
Shake v/d Wake : ‘Jaw’, Ustad Shaukat Hussain, tabla, van het album ‘Madar’ van Jan Garbarek.
Madar
Jan Garbarek, tenor en sopraan saxofoons
Anouar Brahem, oud
Ustad Shaukat Hussain, tabla
Opname: Augustus 1992, Rainbow Studio, Oslo
Geluidstechnicus: Jan Erik Kongshaug
Geproduceerd door Manfred Eicher
“Tredend in de voetsporen van Ragas and Sagas, waar we Jan Garbarek in het schijnbaar onwaarschijnlijke gezelschap vonden van Ustad Fateh Ali Khan (neefje van Nusrat) om effect te sorteren, verbreedt de Noorse saxafonist op ‘Madar’ zijn horizon met de Tunesische oud virtuoos Anouar Brahem en Pakistaanse tabla speler Ustad Shaukat Hussain.
Ustad Shaukat Hussain (1930-1996)
De drie vinden een natuurlijke band in het lange ‘Sull lull’, een bijna zeventien minuten durend gebed van scherpe en gevoelige interactie, waarbij Hussain voor de constante luchtstroom zorgt en de kameleontische talenten van Garbarek voortreffelijk aanvult. Het is een van de twee tracks die gebaseerd zijn op volksmelodieën uit Garbarek’s geboorteland. De andere is het saxofoon/oud duet ‘Joron’. Madar dient in deze geest als een intern gesprek tussen de twee instrumenten, waarbij hun klanken met elkaar spreken als stenen bij de aanraking van een rivier. Samen vormen ze een paar handen die verhalen etsen tot een reeks verborgen, kronkelende bezweringen, totdat ze licht (‘Sebika’) en donker (‘Ramy’) bloeden. Terwijl ze in de hoogte blijven cirkelen en een landschap van verdorven zonde overzien, brengen ze bij elkaar iets onbekends naar voren.
Anouar Brahem (1957)
Ondanks de schoonheid van deze interacties, werkt het album het best in de solo’s. Brahem’s contemplatieve solo, ‘Bahia’, trekt met pijnlijke voetstappen over schemerige bergen en voert ons, als in een draagstoel, naar een dal vol verloren bedoelingen. De wind van zijn slagkracht schudt aan de takken van bladerloze bomen en doet hun dode zaden op de grond tikken als zand tegen een raam. En in de ritmische cast van ‘Jaw’ drukt Hussain een heel leven uit in een enkele tel van zijn tabla en biedt ons zo enkele intens lucide momenten. Hij keert terug naar de schaapskooi in ‘Qaws’, uiteindelijk met een stevige opwinding stem gevend aan die wachtende ogen. Een vreemde ‘Epilogue’ op de piano (die klinkt als een achtergelaten akkoordenschema voor een studiotrack) leidt ons naar buiten.
Jan Garbarek (1947)
Voor de verstandige lezer: Garbarek bereikt hier een van z’n meest pikante niveau’s ooit, zó intens dat je het nodig zou kunnen vinden de volumeknop op piekmomenten lager te zetten. Misschien stuit dat sommigen tegen de borst – maar kunnen we uiteindelijk allemaal niet een beetje ontwaken gebruiken?”
‘When you see beyond yourself you may find peace of mind is waiting there’
Het album ‘Night Song’ (1996) van Nusrat Fateh Ali Khan was (na Mustt Mustt) zijn tweede samenwerkingsproject met de Canadese rock gitarist Michael Brook. Het resultaat is “een exotisch popalbum, waarop twee werelden samenkomen. Behalve traditionele instrumenten zoals drums en tabla’s maakt Nusrat Fateh Ali Khan op dit album ook gebruik van Westerse instrumenten zoals cello, harmonium, keyboards en gitaren.” Aldus Muziekweb.
Veel Westerse musici hebben in onze tijd de gang naar India gemaakt, Yehudi Menuhin was een van de eersten – hoewel diens motivatie oorspronkelijk anders lag. Toen hij vanwege zijn vele optredens muzikale en lichamelijke klachten kreeg, hielpen yoga en meditatie hem over de meeste problemen heen. Zo raakte hij bevriend met de yoga-instructeur B.K.S. Iyengar – die hij vervolgens naar het Westen haalde om demonstraties te geven, en zo tevens hier yoga introduceerde (ik mocht Iyengar in de tachtiger jaren een keer zien optreden in Amsterdam, waarbij hij o.a. geassisteerd werd door mijn toenmalige yoga leraar). Maar natuurlijk was er die ontmoeting van Menuhin met Ravi Shankar, die hij naar het Westen haalde om samen met hem concerten te geven. Maar Shankar zag er als een berg tegenop en zegde op het laatste moment af. Waarop een ander muzikaal genie voor hem waarnam: Ali Akbar Khan – ik hoorde hem ooit optreden in de Mozes en Aäron Kerk, een bovenaardse beleving.
En zo waren er meer muzikale cross-overs met India, zoals dat van Ravi Shankar met George Harrison van de Beatles. Meer recent zagen we de samenwerking van de Israëli Shye Ben Zur met Rajasthan Express.
The goddess Sarasvati discovers a new medium of sound in the gramophone (EMI, 1906).
Jhoomta Aa raha hain kyun badal [Why is the sky appearing to be tottering]
Yeh bhi shayad koi sharabi hain [Maybe he is (another) drunkard as well (like me)]
Ja re mastaana nazar gulabi hain [(Hey Sky) Go away you intoxicated one, your eyes appear bloodshot]
Jaam jisne kha liya hain fanaa [He who has eaten the nectar (are) destroyed (by intoxication)]
Jaam jisne utha liya hain fanaa [He who has lifted (and drunk) the nectar (are) destroyed (by intoxication)]
Uski Kismat mein kamayabi hain [Its him that sucess will kiss]
Ja re mastaana nazar gulabi hain [(Hey Sky) Go away you intoxicated one, your eyes appear bloodshot]
Intoxicated, Nusrat Fateh Ali Khan
Onderstaand filmpje The Making of Night Song, geeft een leuk sfeerbeeld rond Night Song. Platenlabel Real World knoopt er de volgende beschouwing aan vast:
“The potent relationship between Qawwali legend Nusrat Fateh Ali Khan and Canadian rock musician Michael Brook reached compelling emotional heights on this Grammy nominated sequel to Mustt Mustt. Once again the partnership tests the emotional boundaries of the human voice. It wasn’t made in Detroit or Memphis, but this truly is soul music.”
De Shake v/d Week was het nummer Intoxicatedvan Night Song.
William Kentridge en Faustin Linyekula werken voor het Holland Festival samen als ‘associate artists’. Kolonialisme is voor beide kunstenaars een belangrijk thema.
Het is 25 februari van dit jaar, in Theater Frascati aan de Amsterdamse Nes. In een van de kleedkamers zitten twee theatermakers met Afrikaanse wortels: de Zuid-Afrikaanse regisseur en kunstenaar William Kentridge (64) en de Congolese danser en choreograaf Faustin Linyekula (45). Het licht van de schminklampen rondom de spiegels beschijnt hun gezichten, en zo komen we meteen in een theatrale atmosfeer.
Holland Festival
The Head & The Load van William Kentridge. 29/5 t/m 31/5 Theater Amsterdam, Dantzigerkade.
Not Another Diva van Faustin Linyekula. 7/6 in Cultureel Educatief Centrum, 9/6 in Muziekgebouw.
Congo: 14/6 en 15/6 in Frascati. Op 2/6 gaan William Kentridge en Faustin Linyekula met elkaar in gesprek over hun werk.
De filmische theaterproductie The Head & The Load van Kentridge is de openingsvoorstelling van het Holland Festival 2019. Hierin belicht hij het tragische lot van honderdduizenden Afrikaanse mannen die in de Eerste Wereldoorlog dienst deden als dragers voor de buitenlandse legers, en door ziekte en uithongering de dood vonden. Van Linyekula zijn de voorstellingen Not Another Diva… en Congo te zien. Op verzoek van het Holland Festival werken ze samen als associate artists, een door het festival bedacht nieuw model om twee verwante kunstenaars de programmering te laten verrichten. Het duo komt in plaats van artistiek directeur Ruth Mackenzie, die is vertrokken naar het Parijse Théâtre du Châtelet.
Enthousiasme en energie zijn tijdens het gesprek de sleutelwoorden, maar ook nieuwsgierigheid naar elkaars werk en dat van andere gezelschappen. Dankzij dit artistieke tweetal ligt het accent van het festival dit jaar op Afrikaanse dans en theater. Tijdens het Holland Festival is Theater Frascati het huis waarin de associate artists twee weken lang voorstellingen en lezingen geven en ontmoetingen met het publiek verzorgen. De blanke regisseur en de zwarte danser zijn wereldwijd geliefd op theaterfestivals. Maar, benadrukken ze, op de meeste festivals ben je te gast: je vliegt in, voert de voorstelling op, overnacht in een hotel en je gaat weer weg. Door hun samenwerking en langdurige verblijf in Amsterdam zien zij veel meer kansen om tot uitwisseling met het publiek en met andere kunstenaars te komen.
Linyekula: „We komen naar Amsterdam om te zien wat hier gaande is. Hoe Nederland omgaat met zijn koloniale verleden.” Kentridge: „Een kwart van de Congolezen weet niets van de koloniale overheersing of ze ontkennen het, omdat ze zich eeuwenlang hebben aangepast. Daarom maakte ik óók The Head & The Load, om een onbekende geschiedenis die honderdduizenden doden eiste bekend te maken.”
Kentridge ziet Frascati als het verlengde van zijn kunstcentrum Centre for the Less Good Idea, gevestigd in Johannesburg. Voor Linyekula is Frascati vergelijkbaar met zijn Studios Kabako, een theater- en repetitieruimte in Kisangani in het noordoosten van Congo, zijn geboorteland. „De Belgen hebben ons land op dramatische wijze gekoloniseerd”, zegt hij, „maar ze zijn één ding vergeten: schouwburgen te bouwen en theater te brengen. Daarom doe ik dat nu.”
Enthousiasme, ja, maar de ondertoon van het gesprek is ernstig: de eeuwenlange koloniale overheersing en exploratie door westerse mogendheden van Afrika spelen voortdurend een rol, evenals de slavenhandel. In de woorden van Linyekula is dit laatste „een eeuwen durende calamiteit die het gezicht van Afrika bepaalt”. Hij wil Afrika weer zijn „echte gezicht teruggeven, het gezicht van de mensen op straat, de stem van die mensen”.
Kentridge: „Ik ben een witte man in Zuid-Afrika, mijn ouders waren advocaten die mensen hielpen die slachtoffer waren van de apartheid. Ik heb gedurende mijn kunstenaarschap leren leven met de paradoxen en moeilijkheden van een blanke in een land dat nog steeds is doortrokken van het koloniale verleden. Mijn werk draagt daar de sporen van. Ik ben me overbewust van de dualiteit van een blanke in een zwarte samenleving. Daaruit komt in mijn geval geen politiek activisme voort, maar wel twijfel, verwarring, onzekerheid.”
Ook voor Faustin Linyekula bieden theater en dans een mogelijkheid te reflecteren op het koloniale perspectief: „In Congo maken we theater in een voormalig westers huis, met een tuin en zuilen ervoor. In de achtertuin oefenen we de dansen. Voor mij is theater poëzie in een politieke context. Wat Kentridge en ik gemeen hebben is een grote belangstelling voor de lotgevallen van Afrika, waar ik als zwarte kunstenaar anders tegenaan kijk. Kentridge benadrukt meer de historie, ik de positie van Afrika en de Afrikaan in de hedendaagse wereld. Maar juist die verschillende perspectieven maken het mogelijk de onbegrepen geschiedenis van ons land te vatten.”
Oorlogsschip
Wat Linyekula ‘onbegrepen’ noemt, heet bij Kentridge ‘welbewust onwetend’ ofwel ‘verzwegen’. The Head & The Loadis vormgegeven als een processie, waarin tientallen personages voorbij komen. In een van de mooiste scènes glijdt een reusachtig oorlogsschip over de golven van de oceaan. Het schip vaart niet, het wordt gedragen. Het volle gewicht rust als een last (the load) op het hoofd (the head) van Afrikaanse soldaten. Tijdens de strijd om de Duitse koloniën in de Eerste Wereldoorlog transporteerden deze zwarte dragers gewonde Europese militairen, ze sjouwden door de jungle met kanonnentuig, zelfs schepen van de ene rivier naar de andere. Sterft er een, geen nood, er staat alweer een volgende gereed.
De voorstelling The Head & The Load van William Kentridge Foto Stella Olivier
„Honderdduizenden anonieme Afrikaanse mannen vonden de dood in hun eigen oerwouden”, zegt Kentridge. „Deze genocide is onbekend, het is een zwarte schande. De mensen stierven aan tropische ziektes en uithongering. Het koloniale verleden van Afrika is niet gekend, en dat grijpt me telkens weer aan. Ik wil het met mijn voorstelling bekend maken.”
Al vanaf zijn studie aan de Johannesburg Art Foundation vond Kentridge zijn kenmerkende vorm: hij tekent met houtskool op grote witte vellen papier en filmt vervolgens de afbeeldingen. Hij zegt van zwart-wit te houden, niet alleen in zijn grafische werk maar ook van het dramatische contrast in zwart-witfilms. En zwart-wit sluit aan bij zijn thematiek: de blanke in de entourage van zwart Afrika.
Ook de optocht of processie is bij hem een telkens terugkerend motief. „Ik ben gefascineerd door processies”, aldus Kentridge. „Hier in Afrika is de optocht een zeer gangbare vorm van religieuze bijeenkomsten. Zo’n stoet mensen die dezelfde richting uitgaan, boeit me: het is alsof ze gedreven worden door één richting, één verlangen ergens te zijn. Maar de optocht kent ook een keerzijde, zoals de mannen die eindeloos oorlogsmateriaal over onverharde wegen slepen. Of de bewegingen van mensen die op drift zijn, zoals vluchtelingen. Ze graaien hun spullen bij elkaar en trekken weg. De aangrijpende beelden daarvan spoken door mijn hoofd.” Hij zegt zich te verzetten tegen de gedachte dat je het „koloniale verleden van Afrika kunt omslaan, zoals je een bladzijde in een boek omslaat. Dat is onmogelijk. Drie eeuwen koloniaal leed wis je niet uit door een bladzijde om te slaan.”
De onderstaande video heb ik laten beginnen op 13’30”, op het moment dat, na een fijnzinnig samenspel van Kayhan Kalhor (l) en Shujaat Husain Khan (r), tabla speler Swapan Chaudhuri invalt. Adembenemend… een fantastische Shake v/d Wake.
Ik schreef eerder over het ensemble ‘Ghazal’:
“… datzelfde gevoel van overgave geven mij de opnamen van de muzikale ontmoetingen van kamancheh speler Kayhan Kalhor met Shujaat Husain Khan, zevende in de lijn van grote Indiase sitar spelers. De vijf jaar dat ze, samen met tabla speler Swapan Chaudhuri, het ensemble Ghazalvormden, leverde een aantal fantastische opnamen op, waarin ze elkaar al improviserend tot grote hoogten opstuwen.Het is ontroerend te horen hoe de musici elkaar in de improvisaties telkens vinden, ondanks de verschillen in cultuur en muzikale traditie – maar bezingt de ‘ghazal’ in de soefi poëzie ook niet het verlangen naar de Geliefde?”
Ik kan niet nalaten even stil te staan bij het kappen van mijn lievelingsboom hier in het park, waar ik regelmatig samenspraak mee hield en een blog aan wijdde: ‘Go and make friends with the trees‘.
[klik om te vergroten]
Dankzij het actieve ‘beleid’ van de Gemeentelijke Plantsoenendienst (‘deze boom nam teveel ruimte in beslag…’) is er dit nog van haar over:
[klik om te vergroten]
Deze boom was absoluut niet ziek, zoals die andere reus die onlangs bij Hanna Mobach in Tiel voor de bijl ging. Zij ruste in vrede…
Sinds jaren ligt er een wonderbaarlijk kunstboek naast m’n bed, waar ik nu en dan een stukje in lees, als was het een beeldroman. Het heet ‘Goddelijke kunst’, en bevat veertig essays over hoogtepunten van de Christelijke kunst. Het is geschreven door Navid Kermani, moslim, oriëntalist en geboren in Duitsland – waar zijn boek verscheen onder de titel ‘Ungläbliches Staunen. Über das Christentum’. Je ziet onze eigenste Christelijke beschaving – die dezer dagen zo enorm opgehemeld wordt, juist in het debat over de Islam – door de ogen van een moslim. En dat is een enorme bevrijding, ook omdat zijn blik ruim, universeel en mededogend is.
Kermani onderneemt reizen naar ontoegankelijke plaatsen: Kosovo, Isfahan, de Syrische woestijn… Maar hij krijgt ook toegang tot afgesloten kerken in Rome. Verder passeren alle groten van de Westerse kunst de revue met hun Bijbelse taferelen: Dürer, Jeroen Bosch, Rembrandt, Caravaggio… – van de laatste ‘De dood van Maria’ uit 1605 (Museé du Louvre).
Maar Kermani leidt je ook de Dom van Keulen binnen, om het glas mozaïek uit 2007 van Gerhard Richter te aanschouwen in de Zuidelijke raampartij – waar sinds de oorlog nog slechts gewoon glas in zat. Richter (1932) experimenteerde met behulp van natuurkundigen uitvoerig met kleur, lichtinval en zonnestand. Van elke kleurtint maakte hij tweeënzeventig ruitjes van 9,6 bij 9,6 cm. Hij programmeerde het geheel in de computer en drukte op een knop: in een ‘Er Zij Licht’ werden 5184 vierkante ruitjes in een toevalsorde geplaatst… De reacties waren zeer lovend – behalve die van de aartsbisschop, die zei “dat de Dom nu net een moskee was.” Kermani gnuift, juist dat tegengeluid vindt hij geweldig… En hij knoopt er beschouwing aan vast over het illusieverbod in de islamitische kunst, “die door het beeldende uit te sluiten een leegte creëert die uitdrukking geeft aan het goddelijke zelf.”
Toen ik dit verleden week in onze huiskamergroep aanhaalde, vertelde Lene dat er in Eye een film over het leven van Gerhard Richter draaide: Werk ohne Autor, van Florian Henckel von Donnersmarck, bekend van het Oscar-winnende ‘Das Leben der Anderen’, met aansluitend de documentaire Painting over Richters werk. Ik toog zondag naar Eye en keek twee uur lang ademloos naar zijn biografie – waarin het nazidom en diens opvolger, de DDR, langskwamen als achtergrond van een liefdesverhaal, waarin het toeval de proporties krijgt van een ongelooflijk noodlotsdrama… Maar na twee uur moest ik plassen, het zou nog een uur duren. En toen ik buiten de zaal het zonlicht op het IJ zag spelen, door die ongelofelijke raampartij van Eye, vond ik mijn Waterloo… Ik fietste door een herboren stad naar huis – weliswaar blootshoofds, m’n petje was tussen zitting van de bioscoopstoel gegleden…
Hieronder de trailers van beide films.
Als shake v/d wake – hoe kan het ook anders – Allah, Mohammed, Char, Yaar van Ustad Ali Akbar Kahn:
In het najaar van 1988 nodigde Leendert Goudswaard – medebestuurder van de kersverse stichting ‘Zen als Leefwijze’ en leeftijdgenoot van Maarten Houtman – me uit om mee te gaan naar een bijeenkomst van ‘Dynamische Meditatie’ in Kijkduin. Leendert was altijd wel in voor een experiment, om zijn misschien wat saaie bestaan als Haags ambtenaar op te rekken. Op de Sterrelaan bijeenkomst van 26 november 1988 deden wij verslag van onze avonturen:
– Leendert: Ik heb met Hein een paar dagen geoefend in Kijkduin. Je wordt dan geconfronteerd met een heel ander soort mensen. We misten de rust van hier echt. Terwijl om ons heen vreemde, wilde dingen gebeurden, merk je hoe je daar in meegezogen kan worden… In dit geval waren het reacties van huilen, van spontane bewegingen… Eigenlijk was het verschrikkelijk, ’t was net of de hele ruimte verstoort raakte met die veertig mensen. Dan voel je hoe moeilijk het is om bij jezelf te blijven, dat lukt niet.
– Hein: Ja, er kwamen nogal wat dingen boven die normaal onder de drempel zitten. Bij mij lokte dat iets uit waar ik nogal van schrok.
– Leendert: Er is dat beschermde gevoel als je jaren lang mediteert in een groep. Nu kom je ineens in een andere wereld terecht en ziet heel interessante dingen…
– Maarten: […] Je ervaart – dat is nou juist het leuke – dat het aan die plek gebonden is: ‘daar waren een stel wilde mensen’. Ik maak het nu maar even heel zwart-wit om het aan te duiden, zo ervaar je het. Maar je vergeet dat je jezelf meegenomen hebt. En als wij hier rustig zitten met elkaar, dan is die wilde troep in jezelf gewoon niet aan bod. Die is er wel.
– Hein: Dat zou ook een nadeel kunnen zijn…
– Maarten: Ja, natuurlijk is het een nadeel om altijd maar rustig hier in de groep te zitten.
– Leendert: Omdat er misschien toch een beetje dwang in zit…
– Maarten: Nou, niet dwang, maar voor-de-gek-houderij. Je houdt jezelf voor de gek. En niet bewust. Mensen, misschien begrijpen jullie nou toch eindelijk eens waarom ik dikwijls zo wanhopig ben. Want jullie zijn allemaal zo lief! Dat meen ik.
Wij dansen onder de sterren een punt in de eeuwigheid een tel in de onmetelijke ruimte voor altijd
In een gefilmd portret van regisseur Sherman de Jesus kwam Maarten terug op dat ‘lief zijn’:
Maarten: Dus opnieuw sta je voor iets wat je nooit hebt kunnen bedenken, namelijk dat je van elke ervaring maar een heel klein puntje hebt. En als je dat puntje de kans geeft, breidt het zich uit. Het is heel gek als je beseft dat wij in zo’n kleine wereld leven.
Sherman: Hoe komt het dat mensen hier niet mee bezig zijn?
Maarten: Omdat ze nog niet door de vertaling heen gevallen zijn, het leven heeft ze niet in staat gesteld om te twijfelen. Dat vind ik het afschuwelijke van onze samenleving hier, dat het zó ‘lief’ is, dat we het niet tegenkomen. Dat is het grote voordeel dat ik in m’n leven gehad heb, dat ik veel beleefd heb wat afschuwelijk was, waardoor ik er gewoon doorheen zakte. Dat is echt een voorrecht geweest, dat geldt ook voor het kamp. En dat heb ik op het moment dat ik daar was beseft.
Dat speelde zich af in 1988. Twintig jaar later ben ik aan ’t ‘shaken’ geslagen (Osho zou het misschien ‘dynamische meditatie’ noemen). Wat verandert er eigenlijk…
In zijn observatie ‘Kwaliteiten van energie‘ maakt Maarten een fundamenteel onderscheid tussen twee soorten van energie:
Een zachte, helende energie die langzaam op gang komt en geen beweging kan velen dan in een veel later, meer gevestigd stadium. De eigenlijke meditatie-energie. Gevestigd in die zachte, helende en verbindende energie heb je er geen behoefte aan jezelf te stellen of te verdedigen. Waarom zou je, je bent toch verbonden? Vanzelf ervaar en reageer je –wat dan eigenlijk ‘ageren’ is – uitsluitend als de zaak zelf erom vraagt.
Een voor je gevoel spontane energie in de zelfhandhaving op alle niveaus: in beweging, in de spieren, in het rijden met de auto, trein en fiets, en niet aflatend in de gedachte- en gevoelsbeweging. Het geeft je een gevoel van leven, van ‘er-zijn’, en daarmee van zelfvertrouwen. Een gevoel je te kunnen handhaven tussen de andere ‘ikken’. Ongewild leidt dat tot geweld en agressie – ook als de ‘ikken’ zich verenigen, blijven ze afgescheiden. Uitbuiting, honger en oorlog vertellen ervan. Deze energie kan in zijn meest opgevoerde vorm andere ‘ikken’ wegblazen – we lezen erover bij zen- en tai-chi meesters. Het mist de verbindende openheid, waarin jij, de ander en de zaak evenwaardig zijn.
Dat ‘andere ikken wegblazen’ was me, in bijna letterlijke zin, toen in Kijkduin overkomen… Vanuit het niets leek iemand, die zich op het toilet aan me opdrong, tegen de wand gesmakt te worden. Het was alsof het zich in een andere werkelijkheid afspeelde, ik was me niet bewust iets gedaan te hebben, maar ik wist dat ik erbij betrokken was…
Had die ‘Dynamische Meditatie’ dan toch gewerkt? Maar het was bepaald niet die meditatie-energie waar Maarten hierboven op doelde…
Als Shake v/d Wake dynamische zang die je blij maakt, Ughniya, van het Ensemble El Kindi – het Soefi gezelschap uit Aleppo dat we al eens eerder tegenkwamen
Hanna Mobach, Elzenkatjes, 1982
Porselein, pigmenten en veldspaat glazuur; roestvrijstalen plaat; 40x42cm
Toen ik, na jaren in een steeds dikker wordende mist geleefd te hebben, zo rond m’n 65e voor het eerst een gehoorapparaat droeg, was het grootse wonder wat ik beleefde … het zingen van de vogels. Wat had ik hun boodschappen gemist – die kleine gevederde vrienden, die altijd m’n lust en m’n leven waren…
Ik heb het verhaal afgelopen maart nog verteld in Meester Okada, de ontmythologisering van de Lotus-zit, over dat eerste Tao-zen weekend dat ik meemaakte in Casa Carmeli in Vogelenzang (!):
Ik zat daar maar op m’n bankje op m’n adem te letten… Ik vond het maar niks en vroeg Maarten Houtman na afloop “of ik dan niet meer naar het zingen van de vogels mocht luisteren…”
En nu ik sinds een half jaar geavanceerde techniek in m’n oren heb, geniet ik des te meer…
Muziek hoeft voor mij ook niet méér te zijn dan het concert van de vogels.
De ‘zang der vogels’ is niet alleen hun muziek, het is ook hun taal…
Wat is er toch mis met de menselijke taal?
Ik denk: dat we focussen. Zoals de betovering van de maan aan de nachtelijke hemel verdwijnt als je focust. Taal benoemt – dat weten we natuurlijk al sinds Adam.
Ik moet denken aan het advies dat Maarten Houtman ons gaf, tijdens de allerlaatste sessie met hem in mei 2007, om “maar gewoon een beetje dromerig naar de wereld te kijken”. Alleen poëzie eerbiedigt de sluier van het mysterie – zijn laatste toespraken waren pure poëzie, zangen…
Het was niet voor niets dat de Joden werd verboden de naam van de Allerhoogste in de mond te nemen – en hoeveel wordt er juist in de kerk niet gevloekt…
Ook als het de liefde aangaat – dat andere mysterie – doet dat de mond overstromen … in plaats van te zwijgen om het te eerbiedigen.
“Liefde moet gedesinfecteerd worden in zijn betekenissen,” zoals Maarten zegt in Belangeloze aandacht. En juist hij kreeg het verwijt ‘dat hij zo weinig over liefde sprak…’
Je kunt alleen maar liefde zijn – en Gods lof verkondigen als de vogels.
De paasmaan op mijn balkonnetje toverde deze muziek van Anouar Brahem uit m’n iPhone: Lumière Du Silence– over poëzie gesproken…
Ik heb toen gelijk zijn concertagenda bekeken en zag als eerstvolgende gelegenheid 23 mei 2020 om 20.00u in Tivoli, Utrecht. Staat genoteerd!
Tijdens dit concert In Tivoli “blikt Brahem terug op het tien jaar oude meesterwerk ‘The Astounding Eyes of Rita’, samen met de originele line-up waarmee hij het album destijds opnam.”
Als shake v/d wake daarom For no apparent Reasonuit dit album.