REPORTAGE BEELDENDE KUNST

In Tate Britain in Londen is onlangs de dubbeltentoonstelling over het werk van J.M.W. Turner en John Constable geopend, onmiskenbaar de twee belangrijkste Engelse landschapsschilders van de romantiek. Maar ook twee kemphanen die elkaar niet konden uitstaan.

Dit artikel is geschreven door Rutger Pontzen
schrijft voor de Volkskrant over beeldende kunst.
Gepubliceerd op 2 januari 2026, 05:01
Misschien had dit stuk achterstevoren geschreven moeten worden, conform het idee dat je de tentoonstelling Turner & Constable, nu in de Londense Tate Britain, het best van achteren naar voren kunt bekijken. Het is sowieso een tip. Stiefel aan het begin van de expositie langs de portretten van de twee belangrijkste Engelse landschapsschilders – o, wat lijken ze op elkaar! – naar de laatste zaal, en keer om.
Wandel dan terug en vraag u af: tot wanneer blijft Constable de lieflijke Constable zoals we die kennen, en tot welk schilderij is Turner de woeste Turner op wie iedereen zo tuk is? Wat blijkt: het onderscheidende imago dat beide kunstenaars altijd hadden, is maar de helft van het verhaal.
De nukkige en de brave
Wat dat imago inhield? Dat J.M.W. Turner (1775-1851), roepnaam William, de onaangepaste, experimentele en nukkige schilder van de twee was. Met zijn semi-abstracte zeegezichten waarop altijd wel een boot ontploft, een desastreus onweer uitbreekt, de zon achter mistflarden van roze en gele wolken schuilgaat en een Venetiaanse gondel dreigt te zinken.
En John Constable (1776-1837)? Ach, de brave hendrik. De wat suffe, saaie, maar kundige documentalist van het plattelandsleven. De Engelse equivalent van de Nederlander Jacob van Ruisdael. Met zijn oog voor hardwerkende boeren, trekpaarden, platbodems, met riet bedekte stallen, stille poelen en wuivende eiken.

Het is mooi dat in Londen deze clichématige vooroordelen niet uit de weg worden gegaan, vanaf de tweede helft van de expositie althans; om precies te zijn – spoiler alert! – zaal zes. Daar ontrolt zich het grote verschil tussen beiden en vinden ze hun karakteristieke stijl en onderscheidende thematiek. Daar wordt duidelijk dat de term uit de ondertitel van de expositie – ‘rivalen’ – inderdaad klopt.
Tot grote hoogte
Dat is de invalshoek die er in de Tate is gekozen: deze twee grootheden konden het niet met elkaar vinden, boksten tegen elkaar op en lieten elkaar in hun onderlinge vijandigheid tot grote hoogte stijgen. Precies zoals Picasso en Matisse dat hebben gedaan, Michelangelo en Da Vinci, Manet en Degas, zoals in de catalogus wordt gememoreerd.
Turner kwam voor velen altijd met 10-0 als winnaar uit de tweestrijd, omdat hij het experiment aandurfde, zijn tijd ver vooruit was en de latere abstracte kunst al in zijn werk had voorvoeld. Daarbij voldeed zijn karakter het meest aan het beeld van de egocentrische, weerbarstige avant-gardekunstenaar zoals wij dat in de 20ste eeuw zijn gaan omarmen.

https://www.cinenews.be/nl/films/mr-turner/videos/5079
Met dank aan Mr. Turner, de fantastische film van Mike Leigh, waarin de schilder wordt neergezet als de onaangepaste excentriekeling, revolutionair, einzelgänger en hork – hoewel uiteindelijk ook sympathiek. Niet voor niets draagt het 20-pondbiljet van de Bank of England het zelfportret van Turner en is de belangrijkste prijs voor hedendaagse kunst in het Britse koninkrijk naar hem vernoemd.
Trouw aan de Stour
Wellicht dat Turner boven Constable werd verkozen omdat ze, hoewel maar met één jaar verschil geboren, in een andere omgeving zijn opgegroeid. De jongste, Constable, op het platteland in een gezin van de gegoede, ietwat angstvallige burgerij. Met ouders die hem voorhielden dat hij met zijn artistieke talent weinig zou verdienen, in tegenstelling tot met het familiebedrijf: de niet onverdienstelijke graanhandel waarin zijn vader rijk was geworden.
Constable, de meer ingetogen schilder, zou pas op latere leeftijd naar Londen verhuizen om er lid te worden, net als Turner eerder deed, van de Royal Academy. Maar hij zou zijn geboortegrond aan de Stour, een rivier tussen Essex en Suffolk, door melancholie en heimwee altijd in zijn landschappen trouw blijven. Zijn oeuvre is toch een grote liefdesverklaring aan de Engelse bossen, riviertjes en korenvelden. Met als letterlijke hoogtepunten Hadleigh Castle en de kerktorens van Dedham en Salisbury.

Altijd is er wel ergens een hooiende agrariër te bekennen, een varende schipper, zogende moeder, rustende schaapsherder of bedrijvige sluiswachter met wie je je kunt identificeren. Vooral door de kalme ambachtelijkheid waarmee zij zich voegen naar het landschap alsof ze zelf boom, struik, boot of wolk zijn.
Het is een idyllische voorstelling van de relatie tussen mens en natuur die meer zegt over het redelijk rimpelloze bestaan van Constable, dan over het weerbarstige leven op het platteland. (Het daagde de Engelse kunstenaar Peter Kennard ertoe uit in 1980 om, als commentaar, in een kopie van een van Constables landschappen drie kruisraketten te plakken: Haywain with Cruise Missiles. Het kon in de tijd van herbewapening wel wat realistischer, vond hij.)
Stadsjongen met Cockney accent
Hoe anders was het jeugdige leven van Turner, de kapperszoon in het levendige en destijds volkse Covent Garden? Zijn vader leerde hem zijn eerste tekeningen, hangend in de etalage, te verkopen. De stadsjongen met zijn Cockney accent, streetwise en niet op zijn mondje gevallen, was een talent en werd al op jonge leeftijd toegelaten tot de prestigieuze Royal Academy.
In tegenstelling tot Constable reisde Turner veel naar en door het buitenland. In zijn talloze schetsboekjes wemelt het van vergezichten en luchten in Noord-Frankrijk, België, Duitsland en Italië. Met name het sprookjesachtige Venetië moet hem bekoord hebben, gezien de grote hoeveelheid schilderijen die de ochtendmist over de Canal Grande laten zien.
Of je het karakterologisch kunt verklaren, is moeilijk te zeggen, maar de woelige, stadse, concurrerende inborst van Turner komt wel overeen met het werk dat hij afleverde. In de latere schilderijen is alles in beweging. Kleuren knallen je tegemoet: een zonsondergang in vijftig tinten geel; een stoomboot in een tornado van sneeuw; een allesverzengende vuurzee die niet alleen de Houses of Parliament maar ook het schilderij in vlam lijkt te zetten.
Dat hij met spuug schilderde, zowel poetsdoeken en zijn vingers gebruikte als penselen en kwasten, en aquarelpapier onderdompelde in kleurbaden is meer dan een loze overdrijving. Over zijn aquarellen gesproken: de losse, soepele manier van schilderen zette hem, eerder dan in zijn olieverfdoeken, op het spoor dat kleur en verf kunnen verworden tot licht en atmosfeer. Onstoffelijk. Constable beschouwde de werkwijze van Turner als een aanslag op zijn werk: ‘[Turner] was here and fired a gun.’
Onderdompelen in een fantasielandschap
Tot zover de onderlinge, rivaliserende verschillen. De Tate-expositie wil benadrukken dat Turner de gepassioneerde sfeerschilder is en Constable de anekdotische dingenschilder. Dat Constable altijd de Engelsman is gebleven, terwijl Turner zich het warme, Zuid-Europese licht toe-eigende.
Van een afstandje gezien vertegenwoordigen de twee kemphanen beide zijden van dezelfde penny: het verlangen om ondergedompeld te worden in vervoering, in een fantasielandschap. Beiden verbeeldden een wereld die voornamelijk in hun geest bestond; de ‘bacchantische roes waarin geen lid niet dronken is’, zoals Hegel de vrije, artistieke geest van de romantiek beschreef.
De wedstrijd om de titel ‘grootste romanticus van het Engelse landschap’ mag in Londen de rode draad zijn, het verbloemt hoe algemeen dit romantische gevoel destijds was. En hoezeer de Engelsen een doorleefde liefde hadden (en nog immer hebben) voor weidse weidevelden, heuvels, kliffen, geschoren heggetjes en ‘gardening’ – heel anders dan de Fransen met hun langs de meetlat ontworpen tuinen (denk aan Versailles) en de Duitsers met hun mythische wouden.
De Engelse tuin
Niet alleen was er al een eeuw voor Turner en Constable een notoire traditie in het landschapsschilderen (met Richard Wilson, Thomas Gainsborough en William Hodges), denk ook aan de geënsceneerde tuinaanleg van Capability Brown, de Piet Oudolf van de 18de eeuw.
Brown was de uitvinder van de ‘Engelse tuin’: lieflijk en glooiend, maar ook grillig en beweeglijk; vol kronkelige riviertjes en onverwachte doorkijkjes waarin hier een tempeltje was te zien, daar een ruïne en verderop een waterval. Een schilderachtig decor dat artificieel was aangelegd, maar ruraal en verwilderd oogde.
Het verlangen ernaar werd overigens, zeker in de 19de eeuw, nog eens extra gevoed door de industrialisatie die in de Engelse steden ongekend smerige gevolgen had, met zijn smog, armoede, drukte en lawaai. Daar komt bij dat door de Franse oorlogsdreiging en blokkade in het Kanaal (met dank aan Napoleon) de Engelsen zich bewuster werden van de landschappelijke geneugten en landbouwproducten om te overleven.
TURNER EN DE SLAVERNIJ
Was Turner tegen slavernij of niet? In 1840 schilderde hij, als aanklacht tegen de slavenhandel, het doek Slavenhandelaren gooien de doden en stervenden overboord – Tyfoon in aantocht. Aanleiding was een soortgelijke gebeurtenis 1781 met het slavenschip Zong. Maar in zijn recent verschenen boek Turner and the Slave Trade betoogt Sam Smiles juist dat Turner eerder investeerde in een Jamaicaans landgoed waar slavenarbeiders werkten, en werk verkocht aan verzamelaars die bij de slavenhandel betrokken waren.
De patriottische, herderlijke romantiek is dus zeker de bakermat geweest voor zowel Constable als Turner, met de natuur als een overweldigende, sublieme kracht. De manier waarop Turner Hannibal over de Alpen schilderde, in een onbarmhartige storm, komt overeen met de heroïsche manier waarop Constable de kathedraal van Salisbury uitbeeldde onder een woeste wolkenlucht met regenboog.
Wat de tijdgenoten bindt
Voor wie in Londen op en neer door de zalen wandelt wordt het steeds duidelijker wat deze tijdgenoten bindt. Want vergis je niet: er zit iets vasthoudend traditioneels in beiden. Ook bij Turner. In al het coloristische geweld duikt er altijd wel ergens een romeinse zuil op, een tempelfront, een havengezicht met een scène uit de Ilias – alsof hij Capability Brown in olieverf heeft willen uitbeelden.

En laten we wel wezen: de wand vol gedetailleerde wolkenstudies die Constable schilderde, laat een kien oog zien voor de onstuimigheid van het weer, waar Gerrit Hiemstra zijn vingers bij zou aflikken. Beekjes verworden tot woelige rivieren, rustieke boomkruinen tot ruisende bimi’s. De toon is menigmaal apocalyptisch; het gebruik van paletmes ronduit zwierig.
Zeker op het einde van zijn leven ontwikkelde Constable een robuustere, klodderige manier van verven, waar tegenover het waterige veegwerk van Turner verbleekt. Dus die tweestrijd waarin Turner met 10-0 won van Constable? Maak daar maar een gelijkspel van.
Turner & Constable. Rivals and Originals. Tate Britain, Londen, t/m 12/4.
| EINDE |


































