Jarig

Als je tachtig wordt, ben je echt nog niet jarig (verjaardagstaart van Co, 25-03-2023).

Jarig begint bij toen je nog ‘niets’ was,
althans, zo wordt dat dan gezegd:
‘tabula rasa’, volgens de Klassieken.

Jarig zijn is niet mis,
alsof je de jaren af kunt tellen, pellen,
op de Schaal van Hein –
klein is die en o zo broos,
vergankelijk als een klaproos
en andere fragiele zaken onder zon –
(mijn regels grijpen nu verder dan het leven lang is,
al helemaal uit de toon)

Leven is verzamelen – plaatjes, boeken, ditjes en datjes…
totdat rekken vol staan, planken doorbuigen,
belletjes rinkelen ‘laatste waarschuwing!’
en wat dan nog aan tijd over is, is gering,
‘stilte in de zaal nadat het laatste woord geklonken heeft’,
(poëzie is het enige wat rest).

Nu verschijnt er een mededeling op mijn scherm,
samen met een doos met rood lintje:

Morgen zullen we wel zien…

Velázquez, Vrouwenfiguur.
‘Haar huid is weergegeven in parelwitte tinten, haar lippen zijn gescheiden alsof ze op het punt staat te spreken terwijl haar vinger op het schijnbaar lege tablet rust’ (tabula rasa)’.

Muziek!!

nog meer muziek…

De tuin van de koning David
גן דוד המלך

Voor mijn vriend Gerard Swüste, van wie ik graag een psalm citeer.
Ik ben langere tijd met deze post over de bijbelse koning David bezig geweest, ik heb me echt in hem verdiept. Ik moet al die tijd al het gevoel gehad hebben dat hij een sleutelfiguur was, historisch en wereldwijd. Ook in deze tijd, in het huidige Israël – waarvan hij immers de ‘Vader des vaderlands’ is.
Dat beeld werd onlangs nog  bevestigd door een bericht in de krant, dat er in Jeruzalem een zg. bijbels themapark komt, 'De tuin van koning' geheten, dat voor de toeristen met een kabelbaan met de Olijfberg en Gethsemane verbonden wordt.
De door David zo liefdevol bezongen God  was ten diepste een 'God der Wrake', die hem opdracht gaf de de lokale bevolking uit te moorden, zo lezen we.
Dat zou wel eens een opmerkelijke historische paralel kunnen zijn met de huidige strijd in en rond Israël ... ‘God wil het!’

Om de toon te zetten, begin ik met een psalm van David:
Psalm 103 Van David

Ziel in mij, zeg: de LEVENDE is een zegen.
Uit de grond van mijn hart: zijn naam is heilig!
Ziel in mij, zeg: de LEVENDE is een zegen,
vergeet nooit wat hij voor je deed:
die alles wat ziek in je is, heelt,
die je leven bevrijdt uit het graf,
die je omkranst met goedheid en mededogen,
die je volop laat groeien in geluk,
zodat je weer jong en sterk wordt als een adelaar!
De LEVENDE doet wat rechtvaardig is
doet recht aan alle onderdrukten;
Mozes leerde hij zijn weg,
de kinderen van Israël wat hij vermag:
de LEVENDE leeft met je mee, is zorgzaam,
geduldig en een en al goedheid;
hij blijft je niet achtervolgen met verwijten,
draagt je niet eeuwig van alles na.
Hij is met ons bezig en laat zich niet leiden
door onze zonden, niet door onze fouten.
Zo hoog als de hemel staat boven de aarde,
zo ver reikt zijn goedheid voor hen die ontzag hebben;
zo ver als het oosten van het westen verwijderd is,
zo ver neemt hij afstand van onze misstappen.
Zoals een vader begaan is met zijn kinderen,
zo is de LEVENDE begaan met wie ontzag heeft voor hem.
Want hij weet waarvan we gemaakt zijn,
is er zich van bewust dat we stof zijn.
Een mensje - zijn dagen zijn als gras,
als bloemen in het veld; nu staan ze in bloei,
waait de wind, weg zijn ze
en de plek waar ze stonden, is hen helemaal vergeten.
Maar de goedheid van de LEVENDE
is altijd geweest en zal altijd zijn voor wie ontzag hebben;
zijn gerechtigheid voor de kinderen van de kinderen;
voor hen, die het verbond bewaren,
die zijn aanwijzingen in gedachten houden
en ernaar handelen.
De LEVENDE heeft zijn zetel geplaatst in de hemel,
hij heerst als een koning over alles.
Zeg: de LEVENDE is een zegen,
jullie die over hem verhalen,
- sterke mensen, die doen wat hij zegt -
die luisteren naar de roep van zijn woord!
Zeg: de LEVENDE is een zegen, jullie allemaal,
die hem dienen, doen wat hij goed vindt!
Zeg: de LEVENDE is een zegen, al wat hij deed,
op alle plaatsen van zijn rijk.
Ziel in mij, zeg: de LEVENDE is een zegen.

Gerard Swüste, Altijd hetzelfde lied

Rembrandt van Rijn, Bathseba met de brief van koning David, 1654
Louvre, Parijs

“Koning David was niet zo’n vreselijk lieve jongen geweest. Dus de duivel meende dat hij aanspraak kon maken op koning David als hij stierf.
Met deze woorden begint Maarten Houtman zijn sessie-toespraak De legende van koning David, in april 1984 in Eefde.

Die ‘strijd om de ziel’ van koning David plaatst ons terug in een tijd, waarin de wereld nog in dit soort, althans voor ons, archaïsche beelden beleefd werd. Maar het zijn wel beelden die diep in ons collectieve bewustzijn verankerd zijn – ook al heeft de Westerse filosofie de ziel dan inmiddels gediskwalificeerd als ‘the ghost in the machine’.

Rembrandt van Rijn, Saul en David, 1655 | Mauritshuis
Saul was de eerste koning van Israël. David, ‘een roodharige herdersjongen,
die zijn schapen in de buurt van Bethlehem weidde’, zijn opvolger.

En ik vroeg me af: welk beeld heb ik zelf ooit van Koning David meegekregen?
Nou, als een icoon,een cultfiguur. Was hij niet de held van het bijbelse slagveld, die talloze Filistijnen de dood in joeg? De stichter van Jeruzalem, de man die Israël op de kaart zette, de wegbereider van de tempel, en dan ook nog de ‘Grote psalmist’…

In onze westerse cultuur werd hij talloze malen vereeuwigd, van Michelangelo tot Rembrandt. Een ijzersterk ‘merk’, dat als een Oscar ten voeten uit op z’n sokkel staat. Oppassen geblazen met die David dus!

Michelangelo’s David, de slinger waarmee hij Goliath doodde over de schouder, de kogel in de hand.

Ik kreeg grote behoefte aan een kleine geheugensteun: wat stond er ook weer over koning David in de bijbel, hoe is het allemaal begonnen.
Om dat te weten te komen, zocht ik mijn toevlucht tot Het boek van alle boeken, de hervertelling van de bijbel van Roberto Calasso – die als geen ander in staat is de mythologische verhalen van de mensheid opnieuw tot leven te brengen. Zoals hij dat ook deed met de mythen van het oude India in zijn magistrale boek Ka – dat een lievelingsboek van Maarten Houtman was.
Hoewel het Oude Testament mij als kind van gereformeerde huize wel enigszins vertrouwd is, leest Het boek van alle boeken’ alsof je een onbekende wereld betreedt. En wat voor wereld…
Calasso noemt het bijbelboek 1 Koningen “een van de indrukwekkendste boeken die ooit zijn geschreven zijn.”

“In Jeruzalem had David een huis van cederhout, zoals Jahweh hem had beloofd: ‘Ik zal voor u een huis bouwen.’
David begreep er niets van: de koning had een huis maar zijn god niet, want de Ark stond nog steeds in een tent. Maar daar moest hij zich geen zorgen over maken. Dat verklaarde Jahweh meteen toen hij 's nachts aan de profeet Nathan verscheen: ‘Ik heb immers niet in een huis gewoond van de dag af dat ik de Israëlieten uit Egypte deed optrekken tot deze dag toe; maar ik ben in een tent, een tabernakel rondgetrokken.’
En daar had Jahweh zich nooit over beklaagd. In een tent of een cederhouten huis maakte niet uit. De echte kwestie was het moment.
Tijdens Davids koningschap was het moment voor een Huis van Jahweh nog niet aangebroken, maar het kwam al dichterbij. Dat zou de taak van een van Davids zoons zijn. Jahweh noemde geen naam, maar het was de eerste keer dat hij naar Salomo verwees.”
‘Google maps 3D reconstruction of the Holy Temple onto Jerusalem’s Temple Mount.’
“David was degene die de Tempel van Jahweh moest voorbereiden, maar niet bouwen, zoals Mozes het Beloofde Land moest wijzen maar het niet mocht binnengaan. Jarenlang verzamelde David materiaal in grote stenen, ‘spijkers voor de poortdeuren en verbindingsstukken’, cederhout en metaal, vooral brons, ‘in een onnoembare hoeveelheid’. David zei tegen iedereen: ‘Mijn zoon Salomo is nog jong en onervaren en het Huis dat voor Jahweh gebouwd moet worden moet men buitengewoon groot maken... Ik zal daarom voor hem een voorraad gereedmaken.’
Maar David wist heel goed dat dat niet de reden was waarom hij zich niet aan de bouw waagde. En op zekere dag bekende hij dat aan Salomo: Mijn zoon, ikzelf had het voornemen om voor de Naam van Jahweh mijn God een huis te bouwen. Maar het woord van Jahweh kwam tot mij: u hebt een grote hoeveelheid bloed vergoten en grote oorlogen gevoerd: u mag voor Mijn Naam geen huis bouwen, omdat u een grote hoeveelheid bloed op de aarde voor Mijn aangezicht vergoten hebt.’
David benadrukte niet dat hij al dat bloed uit naam en op bevel van Jahweh had vergoten. Hij zei alleen nog dat Jahweh hem de geboorte had aangekondigd van degene tot wie hij sprak en ook had gezegd dat hij een man van rust zou zijn.”
Jan Victors (1619–1676), De stervende David geeft Salomo advies.
Statens Museum for Kunst, Kopenhage
“In zijn laatste jaren hield David meer van studeren dan van oorlog voeren. Jahweh had gezegd dat hij op een sabbat zou sterven. Elke sabbat was David volledig verdiept in de Thora, omdat hij wist dat de doodsengel iemand die de Thora bestudeert niet kan treffen. Zijn aandacht was geboeid, vloeiend, constant.

Uit de tuin klonk een geluid. David keek op en zijn ogen werden overstelpt door een bonte schittering. De tuin stond in volle bloei.
Wat was dat geluid? Een lokroep? David stond van tafel op, nog steeds in gedachten, bewoog zich langzaam naar het venster. Hij keek recht voor zich terwijl hij de paar treden afdaalde die hem van de tuin scheidden. Hij stapte mis en viel, sloeg met zijn nek op de stenen.
Zijn levenloze lichaam bleef in de zon liggen, omdat het sabbat was en niemand het zou mogen aanraken. Maar al snel cirkelden vier adelaars om hem heen en zorgden met hun vleugels voor schaduw, als onder een zwarte tent.”

Op dit punt gekomen, vertelde Klaaske me over het boek van Yuval Noah Harari, ‘Sapiens; een kleine geschiedenis van de mensheid’. Daarin stelt Harari dat de mensheid met behulp van symbolen en mythen in staat was in steeds grotere verbanden te leven – allemaal dankzij het voor ons specifieke vermogen tot verbeelding.

En ik vroeg me toen af hoe het dan zat met de wereld die mij als kind overgeleverd is en die ik nu als beeld bij me draag: de verhalen van het Christendom en de Messias, en alles wat de Concilies daar nog bij bedacht hebben: de Drieëenheid, de Onbevlekte Ontvangenis, enzovoorts.

Je kunt dit eenvoudigweg ‘cultuurrelativisme’ noemen, maar bij mij was het een bijna lijfelijke schok om te ontdekken dat ik, ondanks al die levende verhalen van Maarten die ik door me heen had laten gaan – met hun diepgang en wijdse horizonten – nog zó vast blijk te zitten aan het referentiekader dat ik als kind meegekregen heb. Terwijl Maarten me er bij diverse gelegenheden op gewezen had: ‘Joh, jij zit nog steeds zo vastgeketend aan je afkomst…’ En dan dacht ik: heeft hij het over mij? Maar ik ben toch geëmancipeerd…


In de middag na zijn inleiding over De legende van koning David, gaat Maarten Houtman dieper in op dat moment van ‘afgeleid zijn’ van koning David:
“Ik wil nog een kleine aanvulling te geven op de legende van David. Dat er het moment is dat hij overweegt: ‘zal ik nou gaan slapen’ en dan naar buiten kijkt. Voor ieder mens geldt dat hij een paar momenten op de dag heeft dat hij onbeschermd is, dat hij eigenlijk én er zelf niet is én nog niet in de bescherming van het wezenlijke is – als hij slaapt is hij in die grote bescherming.”

Zelf ken ik dat gevoel van onbeschermd zijn, als ik ’s ochtends wakker wordt en me verloren voel in de wereld. Dan is er iets in mij wat probeert ‘in contact te te treden’. Ik ben altijd zielsdankbaar als dat tot stand komt en ik me weer veilig voel. Soms kan een ander je daarbij helpen.

PS
In de NRC van 25 januari j.l. stond een artikel Palestijnen maken plaats voor ‘de tuin van de koning’. Daarin wordt verteld dat er in Oost-Jerusalem een bijbels themapark wordt gebouwd met de naam ‘De tuin van de koning’. Om met voor toeristen gemakkelijker te maken daar te komen, wordt er een kabelbaan gebouwd naar de Olijfberg en Gethsemane. Opgravingen moeten er de Joodse claim op het land ondersteunen.
Plattegrond van de geplande kabelbaan naar Gethsemane (bron NRC)

Een kabelbaan naar Gethsemane… Over ontmythologisering gesproken.

(foto bovenaan: De tuin van Gethsemane).

Ketens…

God schiep de mens … en de mens schiep de virtuele wereld.

THE COMPUTER IS artificial intelligence; it can learn, correct itself, write, compose music, and so on. So the computer, the machine invented by man, is changing society. It is changing the structure of outward human existence. Whether you know about it or not is perhaps of very little importance, but it is taking place; it is happening. If the machine can do everything thought can do – invent gurus, rituals, gods, write poems, beat a grand master in chess – what then is man? This is an important question you have to ask. I don’t think many of us realize what a dangerous state we are in.
Krishnamurti on Artificial Intelligence
Deze profetische woorden sprak Krishnamurti veertig jaar geleden in Bombay. Hij zei er ook bij dat meditatie – Zen – daarvoor geen oplossing biedt, omdat je een patroon herhaalt dat je ingeprent is. En dus blijf je binnen die mechanische wereld.
“Ja,” zei Maarten dan, “maar hij doet intussen zelf wel aan yoga...”
Maar wie moet je dan nog geloven... Maarten bleef gewoon tegen ons doorpraten, veertig jaar lang:
Maartens laatste toespraken omvatten eigenlijk alles wat wij al die jaren bij hem konden beluisteren. Zijn woorden hebben de zachtheid van een mens die geen enkele eis stelt aan het leven, ook niet aan jou – waardoor ze heel gemakkelijk bij je binnenkomen, als de fluistering van een geliefde. Hij spreekt vanuit zijn persoonlijke ervaring, vanuit zijn bewogenheid met ons en vanuit een leven lang mediteren – “een zeepbel,” zei hij, ons shockerend. Maar de volgende dag legt hij  het gelukkig uit.
Zie: Onvoorwaardelijke liefde, Mennorode augustus 2006, zaterdagmorgen.

Maarten Houtman
Jij bent het spel

Eefde april 1988 | Dinsdagmorgen
op www.maartenhoutman.nl

Ik hoor de tijd stromen…
en vraag me af: wat doe ik met die tijd
die ons voor dit leven toegemeten is?
Blijven we leven volgens plan –
zijn we ons bewust
dat we leven volgens plan?
Volgens plan leven…
dan vergaat de tijd. Letterlijk.
De dieren hebben geen plan,
die leven volgens een vast patroon.
De mens heeft de vrijheid
om zijn patroon te verlaten.

Inleiding
[download]

Ik weet niet of we dat beseffen:
ten eerste, dat je het patroon kunt verlaten,
en ten tweede, dat is het allerbelangrijkste,
dat je in een patroon leeft.
En dat je jezelf dat aandoet –
de maatschappij helpt je daar een beetje bij,
maar je doet het zelf.
Ik zat gisteren aan tafel tegenover iemand
die tijdens het eten wegdroomde…
Op een bepaald moment keerde hij terug
en verontschuldigde zich daar eigenlijk voor,
en zei toen ook nog:
‘Ja, in Zen is het toch zo
dat als je eet, moet je eten.’
Ik zeg: ‘Ja, dat kun je pas
als je lang genoeg weggedroomd hebt…’

Ik wou dat jullie eens begrepen
hoe ongelooflijk belangrijk het is
om toe te geven.
Jullie zijn allemaal, zonder uitzondering,
nog de overtuiging toegedaan
dat jij ’t op kunt nemen tegen het onbewuste.
Dat kun je niet, je bent een pluisje
in de orkaan van het onbewuste –
je bent niet eens een pluisje…
Het onbewuste is je vriend,
het is je oudste metgezel,
het is nog ouder dan je lichaam.
Je lichaam vernieuwt zich elke keer,
maar het onbewuste –
wat wij dan ‘het onbewuste’ noemen,
het is een heel ongelukkige term –
is veel en veel ouder,
het is zo oud als jij bent.

Er zijn allerlei namen voor gegeven:
Atman, Brahman, God…
Dat is het eigenlijke –
en dat ben jij,
van de aanvang af ben jij dat.
Het enige wat gebeuren moet is dat jij,
in het besef dat je dat bent,
in de schepping mééwerkt.
Daar kun je niet voor oefenen,
dat moet je zien, en ziende doen.
Als je het gezien hebt, kun je oefenen.
Als je het gezien hebt, kun je jezelf vergeven.
Als je gezien hebt, weet je
dat de vorm secundair is,
dat de vorm het resultaat is van jouw werken
en dat het erom gaat om erbij te zijn.

Kun je jezelf bewust zijn dat jouw plannetjes
uit een heel andere wereld komen…
dat jouw overtuigingen, jouw oordelen,
uit een heel andere wereld komen.
Die komen uit de wereld die jij opbouwt,
vanaf dat je geboren wordt tot op dit moment,
maar niet van daarvóór…
Waar het nou juist om gaat is
dat je je bewust wordt dat dat zo is,
dat jij de voorlopigheid leeft.
En dat je je in die voorlopigheid,
doordat je oplet
wat aan de voorlopigheid voorafgaat,
bewust kunt worden.

Dat betekent dat je die voorlopigheid –
dus alles wat je weet en alles wat je kent
en alles wat je denkt en alles wat je vindt –
vrijwillig tussen haakjes zet.
Dat je zegt: ja, dat is hetgene wat ik ken,
maar ik weet ook – zo dom zijn jullie niet –
dat ik een heleboel dingen doe
die helemaal niet kloppen met die voorlopigheid,
helemaal niet. Dus daar is iets anders…
En wat je nu doen moet is heel eenvoudig,
namelijk plaats inruimen voor dat andere.
En dat wil je niet,
want dat is akelig, dat is griezelig,
dat andere ken je niet…
Het is er wel, maar je kent het niet.
Je bent in het beste geval geneigd om te zeggen:
nou, als het er dan is,
dan moet ik het toch wel
onder kunnen brengen
bij wat ik al weet.
En dat gaat niet…
Zoals wanneer je erg veel van iemand houdt
en tegen jezelf zegt:
oh, zo zit het dus, dus voortaan is het zo!
Nou, dan is het weg,
dan heb je het wel ingelijfd,
maar dan is het weg…
Dan kun je beter tegelijk uit elkaar gaan,
dan heb je het,
als je er niet afblijft met je vingers,
heel voortreffelijk, vakkundig doodgemaakt.

Ons hele leven brengen we bijna door
om dat armzalige kleine stukje
wat we in kaart gebracht hebben
en wat we ons ‘ik’, ons ‘leven’ noemen,
te verdedigen
tegen de overmacht van de werkelijkheid.
Dat is het meest duidelijk zichtbaar bij de dood.
Daar kunnen we nog altijd niet omheen,
we kunnen niet aldoor blijven leven –
afschuwelijk is dat, hè,
dat we niet kunnen blijven leven…
Waarom is dat zo afschuwelijk?
Je vindt het toch ook niet erg
als een bloem langzamerhand verdort en doodgaat.
Dat vind je toch niet erg,
dat hoort toch in de schepping?
Je wilt vasthouden – en waarom toch?
Echt, dat meen ik, waarom toch?
Waarom kun je dat niet meemaken?
Waarom kun je een bloem niet echt zien verdorren
en zien dat dat ook heel mooi is,
zien dat de uiterlijke pracht naar binnen gaat,
zich weer vereenzelvigt met waar hij ooit geboren werd.

Ik heb twee keer in mijn leven mensen zien sterven,
dat was indrukwekkend, dat was zo mooi…
We hebben er allemaal denkbeelden over.
En in die denkbeelden leven we, leven we, leven we,
vechten we, bereiken we, verliezen we en sterven we.
En we snappen niet dat het meest wezenlijke er altijd is,
dat je dat niet hoeft te zoeken,
het is er nu en het volgende ogenblik.
Het gaat erom erbij te blijven
bij wat er aldoor gebeurt.
En niet van te voren te zeggen:
‘ja, als dát nu gaat gebeuren
dan is het goed,
en als dát nu gaat gebeuren
dan is het slecht…’
Dat is onze moeilijkheid…
om erbij te blijven.
Dat is het enige,
het enige waar het op aan komt
is het erbij blijven.
Dat is die aandacht.
Ja, ik weet, dat is heel moeilijk…
die aandacht waar niets aan ontgaat,
waar je geen enkel moment in je gedachten bent,
in je denken, je oordeel of je reactie bent,
waarbij je alleen maar dat wat gebeurt –
dat wat aldoor gebeurt – ervaart.

Dan is er geen dood –
niet in ónze betekenis.
Natuurlijk, je lichaam
is op een bepaald moment uitgewerkt.
Dat is net als met die bloem.
Maar waar het om gaat is dat jij erbij bent
als de uiterlijke pracht naar binnengaat
en daar doorgaat
en zich een nieuwe vorm kiest,
een nieuwe bloem kiest.
Daar hoef jij niets aan te doen,
je hoeft niet op zoek te gaan
naar een nieuwe bloem,
die is er al…
dat ben jij zelf, je bent die bloem.
En je maakt mee
dat die bloem langzaam vergaat –
dat is de buitenkant,
hij groeit naar binnen toe.
Maar omdat je je zó vereenzelvigd hebt
met de buitenkant
heb je daar verdriet van.
Maar je gaat over, je gaat door…
Ik weet wel,
daarvoor heb ik lang genoeg geleefd,
dat dat héél hecht is –
die verbinding met de buitenkant is ongelooflijk sterk.
Daarom heb je het gevoel
als je iemand ontmoet
en van alles van ‘m houdt,
dat die er voor het eerst is.
Dat is natuurlijk niet zo,
het is die innerlijke pracht
die een nieuwe vorm gevonden heeft
en die zich weer aan je openbaart.

Foto Emilie van de Raa.

Wat betekent dat nou in de praktijk,
zo concreet, elke dag?
Dat betekent dat je aandachtig moet zijn.
Dat je alles wat je geleerd hebt,
ook alles wat je medegedeeld is, door anderen,
door mij, door wie dan ook,
desnoods door Onze-Lieve-Heer zelf,
vergeet.
Dat je beseft dat je erbij moet zijn,
dat je er alleen maar bij moet zijn…
En dat je dan vanzelf zult weten
wat je doen moet.
Je moet de dingen die gebeuren
elkaar laten ontmoeten in jou.
Dat doen wij niet,
we houden ze angstvallig uit elkaar, zeggen:
eerst dit, en dan dat, en dan dat…
We scheppen ruimte daartussen,
we houden ze uit elkaar –
terwijl ze bij elkaar horen,
ze waren bij elkaar
en ze zijn nu in ons uit elkaar gedreven.
Laat het allemaal bij elkaar komen…
Maar wees erbij, merk het op.
Zodat de dingen in jezelf in dialoog kunnen zijn,
dat je ze niet allemaal in hokjes hebt –
en dan mag dát hokje praten
en dan mag dát hokje praten…
Dat is ook een hele organisatie,
dat kost je een heel veel tijd.
Dat hoeft niet.
Laat je meest extatische momenten
praten met je meest sombere momenten.
Laat je grootste vertrouwen
praten met je wantrouwen.
En je zult zien, je hoeft zo weinig te doen…
Je hoeft het alleen maar te laten gebeuren.

Je moet één ding helemaal vergeten,
dat is dat jij zoveel moet doen…
Dat hoeft niet,
wat jij moet doen wijst zich vanzelf.
Maar dat betekent natuurlijk, in onze toestand,
dat je nooit van te voren weet waar je terecht komt
en dat willen we niet. Dat willen we niet…
En omdat we dat niet willen,
doen we elk leven weer precies hetzelfde –
eeuwige herhaling.
En héél, héél, héél, héél langzaam
is er wel eens een momentje
dat je beseft wat je aan het doen bent.
Maar ja, het volgende moment
komt er iemand zomaar uit de wereld en zegt:
‘Hé, wat ben je aan het doen…’
Nou, dan ben je weer terug
en dan ben je het weer vergeten
waar je mee bezig was.
En dan bereik je niks,
je hebt geen zekerheid en je bereikt niks.
Moet je eens goed voorstellen:
je bereikt niks, je wordt niemand, je wordt niets,
je hebt geen enkele status, je hoort nergens,
je bent voor de mensen volmaakt onbetrouwbaar –
dat is je toekomst
als je probeert te volgen wat er gebeurt.

Je moet jezelf daar dus
vriendelijk mee uiteen zetten.
Je hebt gevoeld,
er zijn zo van die momenten
dat het hele leven wat je leeft
er eigenlijk geen bal toe doet.
Maar dat vergeet je heel gauw.
Dan ben je niet respectabel meer,
dan ben je letterlijk een outcast.
Maar ik denk
dat we dat allemaal moeten worden –
je moet zelf maar beslissen
hoeveel levens je daar nog over wilt doen…
Ik heb in mijn eigen leven gemerkt,
als je je hiermee bezig houdt,
hoef je echt niet meer bang te zijn
dat je het vergeten zult.
Het komt altijd terug –
op de meest wonderlijke momenten
komt het terug.
En dan denk je:
oh ja, daar was ik mee bezig…
en dan ga je door.
Al die methodes –
de boeken staan er vol van:
hoe houd je je concentratie,
hoe houd je…
het hoeft niet!
Als je één keer gezien hebt hoe je leeft,
maak je dan geen zorgen,
het komt wel.
Je zult ongetwijfeld
nog miljoenen uitvluchten vinden
om het niet te doen.
Het hoort erbij, vergeef jezelf.
Ook als je het al een miljoen keer gedaan hebt –
het komt wel, het komt echt,
het is voorbestemd…
Het is voorbestemd dat je volledig zult zijn,
zonder onderscheid, zonder schotjes,
zonder iets ook maar.

Alle dingen die je in het leven moet,
heb je zelf veroorzaakt
en je zult ze zelf moeten afwerken, natuurlijk.
Maar het gaat erom:
hoe werk je het af.
Je kunt het zo afwerken
dat het zich wéér zal herhalen
en wéér zal herhalen
en wéér zal herhalen…
Of je kunt het zo afwerken dat het áfgelopen is,
dat je het hele spel kent
en dat je daarin gelukkig bent.

Want jij bent het spel,
jij bent de wereld,
jij bent de schepping.
En je houdt op met jezelf af te scheiden
en te zeggen: ‘Ik moet er nog bijhoren…’
Je bent er al!
Dan heb je mij niet meer nodig,
niemand meer nodig,
dan ga je je weg.

naar boven

Bewerking: Hein Zeillemaker

 

Ch’an Temple ‘Baoguang Si’, Chengdu, China (eigen opname, 2011)
Foto bovenaan: Spelend voor ons ‘witte huis’ in Krimpen in de IJssel, ± 1950.

為什麼
Waarom

Vraag: Ik heb een vraag naar aanleiding van wat je gisteren zei over het stellen van de juiste vraag. Een paar weken geleden zei mijn zoontje van twee voor het eerst: ‘waaróm dan?’ En toen ik hem een antwoord gaf, was zijn wedervraag: ‘waaróm dan…’ Na vier keer wist ik het niet meer.
‘Waaróm dan?’ – Gesprek maandagmiddag

– Maarten: Ik hoop dat we nog tijd hebben want het is drie minuten voor een, maar ik zal een begin maken.
De toestand van de vragensteller, die is belangrijk. Een kind leeft, als hij niet heel snel verpest wordt, nog vanuit dat onbewuste totaal. En probeert thuis te raken in de wereld. Hij ziet een heleboel om zich heen. Hij ziet jou, als moeder, dingen doen. En hij moet nog thuisraken in jou, in jouw manier van doen. Daarom vraagt hij heel vaak ‘waarom dan’. En jij antwoordt vanuit jouw toestand, van zogenaamd wetende. Daarom heeft hij heel weinig aan jouw antwoord. Dat is de toestand.

Zie voor de volledige tekst: Waaróm dan?
“Why?,” from Matmos’s album ‘Return to Archive,’ features sounds of humans trying to communicate with animals (dolphins, frogs) and other humans (children, people without larynxes) over a hasty four-on-the-floor beat. Matmos and guest artist Evicshen cut, loop, and layer 92 frog-patterns, compress the splashes of dolphins in water, and lock slices of enigmatic vocal experiments into pulsing, mutating loops.

Ondergesneeuwd door het leven

Het fantastische van het leven is dat er een heleboel dingen gebeuren waar je verder niets aan hoeft te doen – het gebeurt gewoon, of je wilt of niet.
En het is duidelijk, dan kun je beter mee zijn dan tegen, beter meegaan met de stroom van het leven, dan dat je je er tegen verzet – verzetten heeft geen zin, je kunt je beter overgeven.

Je zult zeggen: is dat nu iets wat altijd geldt? Neem nu Oekraïne, waar ze in verzet gekomen zijn. Of de ‘verzetsstrijders’ in de Tweede Wereldoorlog. Hadden die zich dan bij die brute onderdrukking neer moeten leggen? En dan heb je natuurlijk nog het lijdzaam verzet à la Gandhi.
Of is het soms zo, dat meegaan – of meelopen, zoals dat in de oorlog minachtend werd genoemd – op bepaalde gebieden van het leven gewenst is, en op andere juist niet. En wat is daarbij dan het richtsnoer?

Nou, ik dacht: ik ga even filosoferen… En voordat je het weet zit je in de problemen. Moet dan echt alles ingewikkeld zijn, worden we écht ondergesneeuwd door het leven…

“Als je de verslagen nagaat van de mensen die ‘het grote gemis’ zijn tegengekomen in hun leven, dan komt het erop neer dat een mens op een bepaald ogenblik niets meer wil – niet uit apathie, niet omdat hij verslagen is, niet omdat hij een groot verdriet heeft, niet omdat hij in een crisis is, niet omdat hij bedreigd is, maar heel simpel: hij wil niets meer. En hij verkiest die toestand boven alle andere. Terwijl hij tevens heel gewoon in het leven staat, de dingen doet die nodig zijn, met de mensen is zoals van hem veronderstelt wordt. Hij voelt ook heel duidelijk dat de mensen iets van hem verwachten. En naar gelang van zijn aard en zijn temperament is hij best bereid om daaraan toe te komen en in te willigen, want het heeft eigenlijk niets te maken met wie hij is. En wie hij is ervaart hij in die momenten dat hij van zichzelf niets meer hoeft. Dat hij ook geen behoefte heeft om ergens over na te denken, zich iets af te vragen, maar dat hij volstaat met te leven. Dat alles wat er gebeurt, in hemzelf en buiten hem, van belang is. Van belang om zichzelfs wil, niet van belang in verband met hemzelf. En dat verlangen niets te doen neemt in de loop van de tijd toe.”
Maarten Houtman,
Het verlangen niets te zijn, Vijfdaagse april 1993 in Huissen.

Multivlaai heeft onlangs een schuifpui gekregen, voor Rien in zijn rolstoel is dat een zegen.


Gelukkig heb ik zo een afspraak met Rien bij onze ‘vlaaienboer’, dus het komt allemaal goed.
Ik ben een half uur te vroeg en sla aan het bloggen. Met de telefoon in de hand is dat wel lastig, het moet in the blind, het scherm is te klein om te zien wat je doet. Het is niet anders.
Ha, daar is ie!

De grote uitstalkast met vlaaien staat zachtjes te brommen. Straks mag ik er een uitzoeken, als Rien klaar is – ons ‘vlaaienberaad’ noemen we dat, een soort meditatie die door de maag gaat.

We hadden het daar over koetjes en kalfjes – het bekende binnenlandse repertoire – en over het slangenaquarium dat Rien bij zijn GPD-houder zag, toen hij een nieuw zitkussen voor zijn rolstoel kwam afhalen. Ik vertelde over het krantenbericht dat papyrus die verkoolde door een vulkaanuitbarsting weer te lezen is dankzij röntgen en AI. En het ging natuurlijk over onze oude vriendin Hanna, die onlangs negentig werd. Rien vertelde dat hij augustus 2005 een rake foto van haar had gemaakt, aan de Schellingwouderdijk in Amsterdam.
Na afloop van ons vlaaienberaad krijg ik de foto toegestuurd:

Ο δαίμονας του Σωκράτη
De demon van Socrates

Alsof de duvel ermee speelt…
Zo zeggen we dat, als we ons weer eens omringd weten door ‘toevalligheden’ – waarbij het complotdenken soms om de hoek ligt…
Net toen ik mijn vriend Jaap gevraagd had of we nog een keer samen naar Hanna Mobach konden rijden, kreeg ik ’s nachts last van duizelingen – op weg naar de wc moest ik me aan de wanden vastklampen. O jee, dacht ik, daar ga je weer … het was me al eens eerder overkomen.
’s Ochtends op mijn bankje, merkte ik dat ik voor het eerst sinds lange tijd weer helemaal zat, mijn hoofd was schoongeveegd. Het duizelde me nog wat, zoals dat heet, maar zelfs dat voelde organisch aan, als een zindering.
Er was nog iets wat me die nacht ‘toeviel’. Toen ik aan onze hernieuwde poging tot Tai Chi moest denken – waar ik zelfs moeite heb om op één been te staan – kwam bij me boven: ‘Ik ga niet.’ Laat er nu de volgende ochtend een briefje van Klaaske op tafel liggen, met: ‘Morgen geen Tai Chi, Steffan is ziek’…

Die diabolische ‘duvel’ duikt op de meest onverwachte momenten op: hij komt uit een doosje, zit in het detail, schijt op de grote hoop, zit ons op de hielen…
Maar de demonische ‘demon’ mag er ook wezen… Dat begrip is afgeleid van het Griekse daemon (δαίμονας), dat ik van school ken van de filosoof Socrates. Deze ‘meester van de dialoog’ beweerde een daemon te hebben, een ‘goede genius’, wiens waarschuwingen hem er nooit toe aanzetten iets te ondernemen, maar in plaats daarvan hem ervan weerhielden te handelen wanneer een handeling schadelijk voor hem zou zijn geweest.
Dat komt in de buurt van wat wij een ‘beschermengel’ noemen – wat het eerder aan de kant van het ‘goede’ plaatst dan van het ‘kwaad’ – in het christendom werd demon tot ‘kwade geest’.
Zelf associeer ik daemon meer met de ‘Goddelijke inspiratie’, die wij grote kunstenaars toekennen – of die ook ‘ten kwade kan keren’, is een ander verhaal.
Toch kom je die twijfel ook tegen m.b.t. de daemon van Socrates, zoals uit het volgende itaat blijkt:
“Schrijvers, zowel oude als moderne, hebben lang geprobeerd te begrijpen wat deze daemon had kunnen zijn, en sommigen gingen zelfs zo ver dat ze zich afvroegen of het een goede of een kwade engel was. De meest redelijke van hen zeiden uiteindelijk dat het niets anders was dan de rechtvaardigheid en kracht van het oordeel van Socrates, die deze filosoof, door de regels van voorzichtigheid en de hulp van een langdurige en aanhoudende praktijk van serieuze reflecties, deed anticiperen op wat de toekomst zou zijn – uitkomst van zaken waarover hij was geraadpleegd of waarover hij zelf had beraadslaagd.”

‘Schaduwfiguur. Wajangfiguur voorstellende een demon’. Collectie Tropenmuseum.

Demonisering

Convocatie Vijfdaagse van 10 t/m 15 december 2004 te Maarssen.

De demonen zijn los. Aanval, verdediging, haat, woede, moord en doodslag, marteling en verkrachting golven voort.
Wat heb ik ermee te maken? Ik, de enkele mens?
Maar ik behoor toch tot deze wereld.
Hoe?
Meegenomen op de golven?
Besef ik dat? Besef ik wat plaats heeft, in me en buiten me?
Ik schrik ...zoveel?

Terug naar je laten voortdrijven?
Dat kan ik niet meer.
Ik kan het niet vergeten.
Dus verdergaan.
Ik weet niet waar ik uitkom. Doet dat ertoe?

Voordat ik aan mijn onderzoek begon wel.
Ik wilde zekerheid in de baaierd van moord en doodslag.
Ik weet nu dat dat niet kan.
Klein en onmachtig moet ik verder.
Maar ik weet dat ik nu in de werkelijkheid sta, hoe die er ook uitziet.
Maarten Houtman

Verdwaald in het bekende #3
Een helende droom

Zondag 4 februari 2024

Het begon ermee dat ik die dag met een boos hoofd in m’n huis zat, alles wekte m’n wrevel op, niemand werd gespaard in mijn ‘particuliere’ wereld – tot ik tot m’n schrik besefte dat die ‘binnenwereld’ van mij natúúrlijk niet particulier kon zijn…
Klaaske was gaan slapen, maar toen ze na haar middagdutje binnenkwam, zat ze helemaal te trillen… 
En plotseling zag ik het verband.

De droom

Die nacht droomde ik dat ik voor een groep mensen mijn inzichten uiteenzette. Het moest wel iets met meditatie te maken hebben. En ik bedacht dat Klaaske – die er ook bij was – een opmerking had gemaakt, die het verhaal op diepte bracht.
Toen vroeg ik haar om dat nog eens te herhalen. Maar het nam de onrust in de groep niet weg – tot het een chaos werd, er kwamen nieuwe mensen binnen, er werd door elkaar gepraat… Ik voelde dat ik, ondanks een gevoel van relevantie, er geen vat meer op had.

We braken op. Maar er was één man, die naar me toe kwam en meer wilde horen, ook over mijzelf. We liepen de stad in voor een rondje langs mij bekende gelegenheden, die althans voor mij iets spannends hadden. Intussen had ik eigenlijk weinig te melden, wel dronk ik menig latte machiato.
En toen brak er in de ruimte waar we zaten plotseling een hondengevecht los, met een onbeschrijflijk kabaal en gekrijs. Mensen kwamen gillend overeind en probeerden buiten te komen. Mijn kompaan – die allang de trein had moeten halen – en ik renden de straat op, maar ook daar gingen de gevechten door.
Terwijl me dit allemaal overkwam, merkte ik allengs dat ik niet bang was – dat het als het ware buiten me gebeurde en ikzelf beschermd was.

Op zeker moment kwam ik aan de rand van de stad, buitenom en onderlangs, en begreep dan ik langs die weg naar huis moest proberen te komen.

Dat was de droom.

Dat is de eigenlijke tijdeloosheid, dat je komt bij die onbekende mens die al eeuwen peinst en af en toe van zich doet weten. Hoe kom je in de sfeer waar die mens in leeft – die over de wateren van de tijd heenkijkt en ziet waar je naartoe gaat. Die geen haast heeft, die beseft dat het maar om één ding gaat, en dat is volledigheid van beleving.
Maarten Houtman, Een gevoel waar het eigenlijk om gaat, Huissen december 1993
Hanna Mobach, De kom, 1978
Steengoed met veldspaat glazuur, 19x25cm
Alim Qasimov & Michel Godard – A Trace of Grace
Foto bovenaan: De Waalkade in Nijmegen bij zonsondergang (foto van het web).

Tai Chi in het buurthuis

Vanaf dit podium wordt ons de Tai Chi Chuan vorm geleerd. Beethoven let op de noten…

Het eerste wat me opviel in ons Tai Chi zaaltje in het Huis van de Buurt ‘Het Schouw’, aan het Dollardplein in Amsterdam Noord, was de wandplaat met het de kaart van Indonesië, met het eiland Java waarop Puwokerto ligt, de geboorteplaats van onze Zen-leraar Maarten Houtman – alsof hij er in de geest bij zou zijn…

Maarten Houtman bij de viering van zijn 80e verjaardag.

Maarten Houtman ruimde tijdens zijn vijfdaagse sessies altijd ruime plek in voor het lichaamswerk. Klaaske en ik kregen daar tussen 1983 en 1992 Tai Chi van Epi van de Pol, die ons met veel inzet lesgaf. Daarnaast hebben we ook een aantal jaren zijn wekelijkse lessen gevolgd in Utrecht.
Epi’s enthousiasme werkte aanstekelijk, bij elke gelegenheid leerde hij ons stukje bij beetje opnieuw ‘de vorm’ – totdat die als één vloeiende beweging werd.
We hebben Epi vanaf in Eefde vanaf het begin mogen meemaken, Maarten – die hem kennelijk aan voelde komen, vroeg mij hem bij de voordeur op te halen. Zijn lessen bleken een plezier te zijn, de deelnemers volgden ze met graagte.
Maarten heeft Epi altijd de hemel in geprezen, hij voelde hoe intens de sfeer was als hij na afloop binnenkwam voor zijn toespraak en het gesprek. Tai Chi stond als aandachtsoefening voor hem bovenin de rij zoals blijkt uit zijn toespraak Tai Chi van de geest, Eefde maart 1983

Epi van de Pol geeft een demonstratie Tai Chi tijdens de viering van Maarten’s 80e verjaardag in het Damstede Lyceum in Amsterdam in 1998.
Onze huidige Tai Chi leraar Steffan, met Klaaske op de achtergrond.

Steffan noemt zichzelf een ‘circusartiest’. Dat prikt wel een beetje, als je zelf jarenlang Tai Chi hebt gedaan, maar nauwelijks meer op één been kan staan… Toen ik pas last van duizelingen had, bad ik een schietgebedje: ‘morgen geen Tai Chi alstublieft…’ Laat er die nacht nu een mailtje van hem binnenkomen, dat hij ziek was, geen Tai Chi…
Bij Steffan gaat de aandacht meer uit naar de vloeiende beweging dan naar de ‘vorm’.
Maar hoe dat afloopt zullen we niet weten, nu het Leger des Heils als werkgever op zijn levenspad is gekomen. Zijn collega Isabelle volgt hem op, bij haar ligt het accent op Qigong.

Isabelle doet de vorm
Als je je de vraag stelt – en ik denk dat iedereen zich die moet stellen – van ‘hoe kun je opmerken’, dan moet je beginnen met die gebieden die niet bedreigend zijn. Zo zou je dus Tai Chi bijvoorbeeld kunnen doen. Maar zodra je met Tai Chi iets probeert te bereiken, dan is het al weer mis. Als je dat van jezelf merkt, zou je dus terug moeten gaan naar eenvoudiger bewegingen, waar niks mee bereikt kan worden, wat je alleen maar kunt ervaren.
Maarten Houtman, Opmerken is een kunst, Eefde december 1989.

Verdwaald in het bekende #2

Over twee dromen, die me beide bij deze sessie-toespraak van Maarten Houtman deden uitkomen:

“Kun je bij de speler komen, die speler die je al zó ondenkbaar lang vergezelt. Die gedurig wacht op het moment dat jij je bewust gaat worden dat de touwtjes volgens welke je je beweegt, een centrum hebben van waaruit ze bediend worden. En dat je daarnaartoe afdaalt.”
Maarten Houtman, Een gevoel waar het eigenlijk om gaat

donderdag 7 oktober 2023

In de dagen ervoor waren herinneringen boven gekomen aan een reis die ik als scholier naar Zwitserland gemaakt had. Het was een echte een jongensdroom geweest, zeg maar een cadeautje van het leven. Hoewel er ook scherpe kantjes aan gezeten hadden.
Als je ontwaakt uit zo’n gelukzalige vakantieherinnering – kan die zomaar in een boze droom eindigen. En je vraagt je af: wat is nu mijn werkelijke leven…
Want aan het eind van die nacht begon alle materie, waar je normaal je huis op bouwt als op vaste grond, te vervluchtigen in een nachtmerrie – waar, in een geweldsspiraal die op angst gebaseerd is, alles in alles overging; waarbij elk vertrouwen ontbreekt. Alles veranderde voortdurend in z’n tegendeel, je raakt alles kwijt. Met als toppunt dat je je telefoon, je life line, kwijt bent – en aan een ander vragen om te kunnen bellen, heeft geen zin, niemand lijkt betrouwbaar, de wereld ontglipt je – tot ze zich tegen jou begint te keren. Mensen ruiken je angst en verwarring, je totale afhankelijkheid. Voordat je het weet storten ze zich op jou als een verward, kwetsbaar wezen. En dan gaat het grote gericht beginnen, de executie door de massa, die je vertrapt als een insect…

Dit alles overkwam me in de nacht vóór de 7e oktober – toen de berichten van de bloedige aanslag op Israël binnendruppelden. Mijn nachtmerrie bleek werkelijkheid geworden te zijn…

maandag 8 januari 204

De avond ervoor was spontaan deze vraag in me opgekomen: Hoe kun je bij de kraamkamer komen van het geweld dat in je huist? Dat is de vraag. Die broedplaats waar de woorden gemunt worden waarmee je de wereld te lijf gaat. Hoe kun je de duistere kant van jezelf verkennen?

En die nacht werd ik door een droom overvallen, die me rechtstreeks die ‘kraamkamer’ leek binnen te voeren...

Ik droomde dat ik weg was gelopen bij een sessie van Maarten Houtman – ik liet alles in de steek, alles wat op me lag te wachten en wat voor mij klaar lag liet ik achter me. Ik zweeg. En het was alsof er iets in me dichttrok. En tegelijk wist ik dat het een verraad aan mijn diepste wezen was…
En toen bevond ik me plotseling te midden van een spotzieke menigte, die me aan alle kanten tartte en uitdaagde. Maar ik was m’n hele rol kwijt, ik kon niet meer uitstijgen boven het speelbal zijn en kende geen geloof, geen richting – ik liep over van onwaarachtigheid. En de menigte voelde dat feilloos aan, ze daagde me uit en bedreigde me nu en dan. Ook ik neigde tot geweld – maar begreep tegelijkertijd dat ik totaal machteloos was. En hoewel de menigte zich aan alle kanten opdrong, kwam het niet echt tot geweld.
Maar ik was onbeschermd.
Toen ik wakker werd, tolden de beelden nog door me heen, het gevoel dat het ‘maar een droom’ was geweest bracht geen redding. Toch voelde ik diepweg, vanuit een verre herinnering, dat die bescherming er wel was, dat ik me er alleen maar aan hoefde hoefde toe te vertrouwen.

“Want leed hoort natuurlijk bij de opgave van je leven. Het hoort erbij. En je wordt in je leven gekarnd, totdat je beseft dat je niet alleen die materie bent die gekarnd wordt, maar dat er iets is wat jou karnt. En dat je je daarin begeeft. Zodat de eigenlijke beweging tot je doordringt, en je niet alleen maar die zich traag verzettende materie blijft, die gekarnd wórdt.”
Maarten Houtman, Een gevoel waar het eigenlijk om gaat
WAT VOORAF GING:
Verdwaald in het bekende #1