Automania #2 Werkers van het eerste uur. Een familiesaga

Olaf Mooij, ‘Punk trabbie’, 2008
‘Autopia’, Museum De Domijnen, Sittard
 ‘Voor sommigen is het een utopie, voor anderen een nachtmerrie: een wereld vol auto’s.’

Overal op aarde, op alle continenten, in alle landen, schieten auto’s in lange stromen voorbij…
De nieuwe energiebanen van deze planeet – ons Autopia van eeuwig ruisende snelwegen…

Wie ontkomt er aan zo’n magie…

Toen ik op m’n 18e mijn rijbewijs haalde – ik kende Klaaske toen net – leek er een wereld van onbegrensde vrijheid en snelheid open te gaan….
Maar mijn vader zette al direct een domper op de feestvreugde: ik mocht alleen in zijn auto rijden onder zijn toezicht … en niet harder dan 80!

Nu ik zestig jaar later mijn rijbewijs – en dus mijn automobiliteit – kwijt ben, komen al die herinneringen weer boven…  


Waar waren we ook weer gebleven … het ging over auto’s… O ja, die tocht door de Krimpenerwaard.
Zeven jaar later, vertrok mijn vader – en wij erbij – weer bij die fabriek in Krimpen a/d IJssel.
In afwachting van onze verhuizing naar Nijmegen, woonde hij een jaar lang in een pension in de buurt van zijn nieuwe werk. Alleen in de weekenden was hij thuis.
Dat ‘thuis’ was voor ons drieën – mijn moeder, Meino en mij – een rijtjeshuis in het centrum van Krimpen. Alles stond dat jaar op losse schroeven, ook in ons huishouden, dat het vaderlijk toezicht miste –  ik had in de loop van de jaren aan den lijve ondervonden, dat zijn harde hand daar de ordenende factor was. Weliswaar tot op zekere hoogte gestuurd door mijn moeder: hij trad op als zij het niet meer aankon. Maar in die tijd had hij überhaupt geen aandacht voor de familiebesognes…

Moeder zat met deze onbekende situatie duidelijk in haar maag, met haar man ver weg en een opgroeiende zoon die ze eigenlijk niet aan kon. 
En dan waren er in de weekenden nog de dominees. Precies op de dagen dat mijn vader ook thuis was… Er was daar in Krimpen namelijk geen vaste predikant, er was dus een vacature. En de predikheren die van elders uitgenodigd werden, kwamen (om een of andere reden) bij ons dineren en logeren – ‘alsof het de Soete Suikerbol was’, zou mijn moeder zeggen.[1]

Voor mij kwam daar nog bij, dat in dat jaar een hond een hap uit mijn arm nam – achteraf heel begrijpelijk: die hond lag, bij bekenden van ons, in de tuin op wacht bij een wiegje – waar ik, sufferd, zo nodig mijn snufferd in moest steken. Ik hem had horen grommen… En ja, toen waren de poppen aan het dansen…

Met die hond is het slecht afgelopen. Er bestond kennelijk een regel, dat een hond die een mens aanvalt – een ‘valse hond’, zoals het dan heet – afgemaakt moest worden… Terwijl ik, na de eerste schrik, bij de dokter gehecht werd en een prik kreeg, moest het arme dier het later met z’n leven bekopen…
De familie van die hond was er kapot van, met name de kinderen – ik heb er nooit meer een poot aan de grond durven zetten…

Het interieur van ons huis aan de Driehuizerweg in Nijmegen.
[klik voor vergroting]

Na dat onfortuinlijke jaar verhuisden we dan eindelijk naar Nijmegen. Daar stond een comfortabele woning op ons te wachten aan de Driehuizerweg.
Dat waren voor mij de lange, lange jaren van mijn middelbare school… Totdat, na dat lange wachten, Klaaske daar als zonnetje aan het firmament verscheen…
Mijn moeder voelde zich in het Roomse zuiden niet thuis als rechtgeaard Calvinist – ze zag spoken in al die katholieke buren om ons heen… Maar ze sloot vriendschap met mevrouw Wilbers – het oude dametje naast ons – en haar kinderen. En ik, als twaalfjarige, weer met kleindochter Marie-Louise… 

Onder de groene hemel in de blauwe zon

Speelt het blikken harmonieorkest in een grote regenton

Daar trekt over de heuvels en door het grote bos

De lange stoet de bergen in van het circus Jeroen Bosch

En we praten en we zingen en we lachen allemaal

Want daar achter de hoge bergen ligt het land

Van Maas en Waal

In de begintijd reed mijn vader dagelijks met zijn Solex op en neer naar de fabriek, die langs het Maas-Waalkanaal lag – een afstand van  zo’n 10km. ’s Winters had hij een nauwsluitende leren kap om zijn hoofd, zodat het wel een voetbal leek. Ik proefde aan hem de moeite, de spanning, het afzien…

De eigenaar van de firma moest vroeg of laat – gezien de man, eerder laat dan vroeg – ontdekken dat een mededirecteur, die voor het werk door weer en wind op een Solex reed, geen reclame was voor de zaak. Dus kwam er een auto, een Opel Kadet. Meer kon er niet af.
Ik weet nog, ’s zondags naar de kerk  – het bekende ritueel  – stapten we er een keer in, hoewel die kerk op loopafstand lag. Ik vond het spannend, vooral de geur: een mengsel van leer, olie en metalen delen.

Toen ik In juni 2019 terugkwam van vakantie aan de Vierlingsbeek, stond ik onderweg in een file naast deze vrachtwagen met betonbuizen. ‘De Hamer’, hart voor beton, stond erop – de fabriek waar mijn vader jaren gewerkt had.
[klik voor vergroting]

Inmiddels had mijn vader aandelen in de zaak gekregen, alles leek daar dus goed te gaan  – maar toen kwam er een spaak in het wiel…
Door zijn voortvarende optreden als technisch-commercieel directeur, waren die paar aandelen van hem inmiddels zoveel in waarde gestegen, dat de eigenaar  – in naam ‘administratief directeur’  – probeerde terug te krabbelen. Maar dat pikte mijn vader niet…
Er kwam een arbitragezaak van  – volgens het boekje is dat dit:

‘Arbitrage is een alternatief voor een procedure bij de rechtspraak. Hierbij doen deskundigen uit een bepaalde branche (bijvoorbeeld bouwkundigen) een uitspraak over het conflict. Zij vormen de arbitragecommissie. De partijen die een conflict hebben, kunnen zelf deskundigen benoemen.’

En zo geschiedde.
Mijn vader wist de prominente AR-politicus en veelvuldig minister van financiën Prof. De Gaay Fortman voor zijn zaak te winnen – ‘Papa Gaay’, grapte Wim Kan, toen diens zoon Bas ook de politiek in ging. De Gaay moet voor vader  een enorme steun geweest zijn in dit hachelijke uur. Voorzitter van de commissie-van-drie werd Prof. W.C.L.van der Grinten  – ook niet de minste: rechtsgeleerde, KVP-politicus en staatssecretaris van E.Z..

Dat is wat je noemt een zware commissie… Én één ‘langs confessionele lijnen’ – het poldermodel ten voeten uit. 

Mijn vader won het.
Al met al een enorme prestatie voor deze afstammeling van kleyne luyden, zoon uit een kappersfamilie, die puur op persoonlijke titel – hij was een innemend man en harde werker, opgeleid als architect – deze overwinning mocht vieren. Wel heeft hij daarna nog jaren aan moeten kijken tegen de sacherijnige carnavalstronie van zijn mededirecteur – die lid was van de Nijmeegse ‘Raad van Elf’.
‘Winnen’ is hier dus een betrekkelijk begrip…

Maar die Opel Kadet werd opgevolgd door een Peugeot 404, dus de kou was uit de lucht:

Met de Peugeot 404 op vakantie in Frankrijk

Met deze auto gingen we met z’n vijven (er was ook een vriend van school bij) in Bretagne kamperen – met z’n drieën op die harde achterbank, dat was niet  bepaald comfortabel…
De opvolger daarvan – een Peugeot 504 – was pas een echt chique auto…
Toen mijn vader in 1977 overleed, vijf jaar na z’n pensionering, heeft die auto nog geruime tijd als ‘familie-auto’ dienst gedaan. Meino en ik vervoerden afwisselend mijn moeder – om daarna er zelf mee vandoor te gaan…


Bij zijn afscheid van de fabriek in 1972, kreeg mijn vader deze door de productiemedewerkers zelf vervaardigde zonnewijzer ten geschenke. Hier siert hij nog de tuin in Mook op, later deed mijn moeder hem cadeau aan verpleeghuis ‘De Veste’ in Naarden, nadat zij daar enige tijd verpleegd was.

____________________ 
[1] Naar het boek van de in die tijd populaire kinderboekenschrijver W.G. van der Hulst sr.


Dolend door de Elysese velden, van Mokum tot Mook

Tochter aus Elysium
Wir betreten feuertrunken,
Himmlische, dein Heiligtum!

(openingsregels van het Europese volkslied, gecomponeerd door Beethoven in zijn 9e symfonie (1824) op een gedicht van Friedrich Schiller)

Zo kan het ook… Nieuwe Kerk Delft, met de nieuwe koninklijke grafkelder
NRC 12 december 2022. Foto Robin van Lonkhuijsen/ANP. [klik voor vergroting]
Na deze pan-Europese ouverture, een persoonlijk bericht over mijn zoektocht naar het graf van mijn vader. Zoveel is zeker, op onderstaand veld met witte kruisjes hadden we hem in 1977 achtergelaten:
Algemene begraafplaats Malden [klik voor vergroting]
Zo’n eenvoudig, uniform wit kruisje was zijn wens – we zijn er sindsdien nooit meer terug geweest.
Na zijn overlijden ging alle aandacht naar moeder, in haar queeste in deze wereld een plekje voor zichzelf te creëren.

J.Zeillemaker, ‘Het houten hondje’, 20-7-’37. Aquarel.
(op de voorgrond de lievelingshondjes van mijn moeder).
[klik voor vergroting]
Moeder moest hun geliefde huis op de Mookerheide achter zich laten – dat veel te afgelegen was, zeker als je geen auto reed – en vertrok naar Bussum. Daar voelde ze zich veiliger, in de buurt van haar kinderen in Amsterdam (en Klaaske’s grootmoeder in Naarden, het middelpunt van die familie).
Na een ambitieus avontuur met de verbouwing van haar nieuwe huis daar, belandde ze uiteindelijk in ‘De Gooise Warande’, een verzorgingshuis aan de Mezenlaan, waar ze een goed verzorgde oude dag had – waarbij de bezoekjes van haar schaarse familie de rode draad waren in haar vrij geïsoleerde bestaan.
Ze overleefde mijn vader zestien jaar…
Toen ze in 1993 overleed, kreeg ze – anders dan hij – een monumentaal graf, ontworpen en uitgevoerd door bevriend keramisch beeldhouwer Hanna Mobach.

Hanna Mobach, Grafmonument G.C.Zeillemaker-Müller, 1993
(mijn vaders data: 23 maart 1907 – 2 januari 1977 zijn digitaal toegevoegd). 
[klik voor vergroting]
De jaren daarna bezocht ik het graf bij tijd en wijle en kreeg het een plaatsje in ons leven.
Met de jaren nam ook de onzekerheid toe hoe het met het vergeten graf van mijn vader was gesteld. 

Onlangs nam ik contact op met de Algemene begraafplaats Malden, waar ze me vreemd genoeg niet verder konden helpen… Ze verwezen me naar de plaatselijke kerk, die een deel van de begraafplaats beheert.
Via de website van PKN in Heumen, kwam ik in contact met hun voorzitter – van wie ik toen een heel verrassend antwoord kreeg:

Dag mijnheer Zeillemaker,
Wat bijzonder dat u naspeuringen doet naar het graf van uw vader. Ik herinner mij hem nog vrij goed, mijn man en ik woonden toen (en ik nu nog steeds, mijn man is 3 jaar geleden overleden) op de Papenbergseweg , dat is vlak bij de Mendozaweg. Het huis van uw ouders is een paar jaar geleden weer verkocht en als ik er langs loop herinner ik mij uw vader opnieuw. Ik heb hem een paar maal bezocht in die tijd. 
Ik vraag me af of hij niet begraven kan zijn op het protestantse gedeelte van de Rk-begraafplaats in Heumen? Ik zal in ieder geval uw vraag doorsturen naar onze koster die tevens de beheerder van de begraafplaats is. Ik vermoed dat hij u verder kan helpen.
U hoort in ieder geval van ons. 

Maar helaas … een schoon voornemen dat, na nog een tweede poging van mijn kant, in rook opging…
Ik heb toen zelf maar de genoemde koster proberen te bereiken, maar kreeg de pin op mijn neus:

In onze administratie komt de naam van uw vader niet voor. Aangezien u vermeldt dat uw vader begraven is op een begraafplaats met allemaal witte kruisjes, is dat ook niet mogelijk. Ik ken wel een begraafplaats met witte kruisjes, namelijk de gemeentelijke begraafplaats in Malden. 

Dus de cirkel was rond, geen vader meer op Limburgse grond, er kwam een abrupt einde aan de idylle…

Het ‘huisje op de Mookerhei’ werd in 1961 gebouwd als vakantieverblijf, op ½ hectare grond (die toen nog vrijwel kaal was) aan de Mendozaweg in Mook. Toen mijn ouders er definitief gingen wonen, kwam er een aanbouw aan (rechts-achter).
Toen mijn vader in 1977 overleed, ging mijn moeder daar weg. Sindsdien is het tweemaal van eigenaar verwisseld.

NB. Het is jammer dat struiken inmiddels het gezicht op het karakteristieke balkon ontnemen, waarvandaan je ooit de Maasvlakte zag en de torens van Cuijk [klik voor vergroting]

Ik liep daar altijd nog langs met de air van de bezitter, keek uit over de Mookerheide en zag de torens van Cuyk – maar mijn ‘stukske Nederland dat ’t schoanste is’, is daar nu gevoelsmatig niet meer:

Limburg, mien land…

In Mook toverde us vader ’t hus op de heide
om tot een architectonisch verantwoorde villa –
niet ver daarvandaan is hij in Heumen begraven.

In Oirschot wiegden onze Limburgse Jagers
Klaaske’s portret heen en weer aan de wand,
zingend ‘Loeende klokken van Limburg mien landj’.

De vier Odiliënbergers terug in de trein van Athene,
sleepten in Amsterdam kratjes pils naar ons bootje 

Job Creyghton zong er ‘The times they are changing’.

Onze Tao-zen fiscus Aloys Baets is een Weerter,
hij rijdt met zijn bike van de Noordkaap tot Rome,
zingt ‘Show me the way to the next Wieckse Bar’.


Automania #1 – Ontwaakt in de Krimpenerwaard

Jaarsveld a/d Lek
foto Ingrid Bakker
In september 1946 reed een verhuiswagen van Utrecht naar Krimpen a/d IJssel, mijn moeder, Meino en ik zaten voor in de cabine. Het monster op wielen zocht zich een weg tussen de grote rivieren van IJssel en Lek, grotendeels rijdend van dorp tot dorp langs lokale wegen. De N210, die dwars door de polder loopt en op betonnen palen staat, moest toen nog aangelegd worden. Alleen de provinciale weg N228 bestond toen al – een weg met een grillig verloop en een bewogen geschiedenis…
De eerste 3,5 km van de N228, van De Meern tot aan de Hollandse IJssel, gaat over de Meerndijk. Daarna loopt hij aan de zuidzijde van de Hollandse IJssel verder, tot aan de Stolwijkersluis, enkele honderden meters voor Gouda.
Deze N228 werd aangelegd tussen 1928 en 1934 in het kader van het Provinciaal Wegenplan 1927. Dit werd uitgevoerd door de Provinciale Waterstaat in Utrecht, dat destijds onder leiding stond van Anton Mussert. Langs de weg zijn nog steeds grenspaaltjes te vinden die naar hem vernoemd zijn, de zogenaamde Mussertpalen[bron: Wikipedia].


De tocht door Krimpenerwaard langs wegen van rond 1946 – de rode lijn kan de route geweest zijn.
[klik om te vergroten]

Ik had mijn eerste 3½ jaar aan de Goethelaan in Oog en Al gewoond, met opa en oma, ooms en tantes om de hoek – een vredig bestaan, lijkt het, maar het was toen wel oorlog…
Die tocht daarna, met de verhuiswagen de stad uit, moet ook mijn eerste autorit ooit geweest zijn. Ik was helemaal gebiologeerd. Ik zat daar voorin op mijn hoge troon als een koning van de weg, het grommend monster onder me … maar dat is alles reconstructie.
Maar het moment dat de verhuiswagen aan het eind van de rit, in Krimpen vanaf de IJsseldijk de fabriek op draaide, staat in mijn geheugen gegrift… Alsof ik ontwaakte in een nieuwe wereld – een wereld waarin mijn bewuste aanwezigheid voortaan mijn ‘standaardmodus’ zou worden.
Van het daarvóór kon ik me nauwelijks meer wat herinneren, alleen het afscheid van mijn grootmoeder in Utrecht die me een koekje presenteert uit de trommel bovenin de kast.
Voor de rest is het weg,
alsof wat daarna kwam het in de vergetelheid heeft gebracht.

De wereld waarin ik terecht kwam, was ook van een totaal andere orde als het slaperige bestaan aan de Goethelaan… Hier waren niet de vertrouwde familieleden, maar arbeiders die zwaar werk deden… Staande op de mal van een grote rioolbuis in aanbouw, stampten ze met een pneumatische stamper met lange steel de daarin aangebrachte betonspecie aan, zodat het een hecht geheel werd. En als het beton na een dag of wat gehard was, mocht de mal eraf en werden de buizen opgestapeld. Daarna stond er ’s zomers een sproei-installatie om ze nat te houden – waaronder ik dan ’s avonds weer stond af te koelen in de snikhete zomer van 1947 – zie: Coronadagboek #6 het witte huis.

Vader, Meino, Hein en moeder op het fabrieksterrein, niet lang na aankomst.
Op een werkdag – en dat waren er nog 5½ in de week – wemelde het daar van de ronkende machines en reden aller handen voertuigen af en aan: trucks met aanhangwagen om de buizen af te voeren, vorkheftrucks – ik keek met open mond naar hun wendbaarheid, en de trucjes die ze ermee konden uithalen – er waren kiepwagentjes, ga zo maar door.
Het duurde dan ook niet lang of ik begon dat ‘speelgoed’ zelf te sparen, ik bouwde mijn eigen wagenpark op in de vorm van Dinky Toys. Dat werd al gauw mijn grote manie terwijl ik, kruipend over de vloer van de huiskamer, ze voortbewoog: een vuilniswagen met schuifluikjes, een truck met oplegger, natuurlijk een verhuiswagen, een racewagen, en nog vele anderen. En allemaal in bonte kleuren. Ik was automaniak geworden!
Road show van mijn Dinky Toys, rijdend over de balustrada van mijn studio.
Vergeleken met de fabriek en het dorp langs de IJsseldijk, had de polder aan de andere kant van de dijk iets heel geheimzinnigs, je kon daar de kracht van de natuur voelen.
Toen ik rond 1953 een jaar in het centrum van Krimpen woonde – mijn vader was bij Waco-beton weg en vooruit gereisd naar zijn nieuwe baan in Nijmegen – stond ik een keer aan de rand van de bebouwing over de polder uit te kijken, over het prikkeldraad heen. Het had een magische uitwerking op me, de ruimte, de leegte een andere wereld, los van het bekende…
Luchtfoto Krimpenerwaard
© Foto Siebe Swart

Maarten praat met een leerling (1)Het sterft al op het moment dat je ‘t uitspreekt

Mijn geliefde houding op het balkon van mijn studio,
lui uitgezakt met mijn voeten tegen het plexiglas scherm,
uitkijkend over de ingevakte orde op op het parkeerterrein:
‘kijk, deze is van die, die is weg, moet op vakantie zijn…’
Ziet u ook de symmetrie met ‘Shaking zen’ boven?
[klik om te vergroten]
– Hein: Ik ben in m’n leven weinig geconfronteerd geweest met dood en doodgaan. Bij tijd en wijle loop je tegen iets aan – op m’n twaalfde maakte ik een ernstig treinongeluk mee – en krijg je even die schok. Maar eigenlijk voel ik me op dit punt nog bijna een kind, zo van ‘help, er is een vogel dood’.
Dan vraag ik me af, hoe kun je een volwassen leven leiden als je je niet met de dood uiteen gezet hebt, hoe kun je begrijpen wat leven is als je niet begrijpt wat dood is.
Jij bent in je leven, in het kamp en elders, veelvuldig met de dood geconfronteerd geweest. Hoe zie jij mensen die daar nauwelijks mee in aanraking geweest zijn?
– Maarten: Voor mij komt de vitale ervaring van het leven voor een deel voort uit het blijvende besef dat het zintuiglijke leven beëindigd wordt. Dat maakt juist dat de voeling met wat er steeds gebeurt in het leven groter wordt. Mensen die, om wat voor reden ook, doodgaan en sterven in hun leven nog niet tegengekomen zijn, zullen de hulp van het besef dat alles vergankelijk is missen en gemakkelijker opgaan in het leven zoals het zich aan de oppervlakte voordoet. Daarbij missen ze het haast natuurlijke gevoel dat wat ze waarnemen, en alles wat daaraan vast zit, maar een deel is van een volledige waarneming.

– Hein: Je zegt eigenlijk dat, zonder dat besef van de dood, het niet mogelijk is voor de totaliteit open te staan.
– Maarten: Ja.
– Hein: Het is dus een basisvraag, zeker voor mensen die met zen bezig zijn. Waar ben je dan eigenlijk mee bezig, als je daarnaar op zoek bent?
– Maarten: Het is niet een zoeken. Het is meer een blijvend besef, omdat je heel vaak de dood in z’n onmiddellijke vorm hebt meegemaakt – het voortdurende, levende besef dat, wat je ook doet, het eindig is. Maar dat het tevens iets bevat dat niet eindig is, dat hoort er onlosmakelijk bij. Dat besef van het niet-eindige wordt opgeroepen door het gevoel van eindigheid, het is niet los van elkaar.
Het is niet zo dat je het sterven direct meegemaakt behoeft te hebben, want als heel klein jongetje had ik al het gevoel dat alles wat ik ervoer – en dat waren nog heel kleine dingen – maar één kant van de zaak was. Ik had altijd het gevoel: achter alles wat ik zie, wat ik hoor, wat ik voel, is iets anders. En juist dat andere geeft de diepte, geeft de betekenis, geeft ook de vreugde aan dat wat ik heel direct kan waarnemen.
– Hein: Is dat de Indische ambiance?
– Maarten: Ja, omdat de mensen daar in mijn tijd nog een ongearticuleerd gevoel hadden dat hun hele bestaan opgenomen was in iets wat ze niet konden kennen – ze hadden ook geen behoefte om het te kennen, moet ik erbij zeggen –, het durende besef dat ze opgenomen waren in iets wat ze niet direct konden duiden, maar dat veel bepalender was dan alles waar ze iets aan konden doen.
– Hein: Als ik dan aan onze Westerse cultuur denk, krijg ik een beeld van kinderen die speelgoed uitgevonden hebben, daar in de wereld hun weg mee gevonden hebben, en helemaal zijn gaan geloven dat het zielloze, dingmatige waarmee ze bezig zijn, de werkelijkheid is.
– Maarten: Misschien wel ja. Hoewel ik toch geloof dat iedereen, zeker op momenten van crisis – wanneer het speelgoed uit handen genomen wordt – beseft dat er iets anders is.
– Hein: Als jij zo vertelt van Indië, van dat gevoel van verbondenheid, vraag ik me af waar ik dat zelf ooit aangetroffen heb. Onwillekeurig denk ik dan toch aan de kerk. Maar daar wordt het toch apart gezet en krijgt een sombere kleuring je tegenstaat.
– Maarten: Ja, en vooral, als ik het iets minder emotioneel zeg, van afgescheidenheid, dat je het gevoel hebt: dat is dáár, en het gewone leven is hier. Voor mij is het gewone leven pas de moeite waard op het moment dat het verbonden is met dat besef er iets anders is, wat ik niet kan vatten, maar wat m’n leven omvat.
– Hein: Wat jij het ‘geheim’, het ‘mysterie’ noemt. Dan heeft het inderdaad een totáál andere klank, dan is het iets wat het leven de moeite waard en spannend maakt.
– Maarten: Ja, en wat nooit verbonden is met een zondebegrip. Je ervaart het, of je ervaart het niet. Maar heel diep van binnen weet je dat het er altijd is, dat je er binnen mag komen, maar dat je het jezelf gewoon belet. Dus het is een heel ander gevoel, het is niet een gevoel dat er ergens een instantie is die wetten uitvaardigt, die iets van jou verwacht, die oordelend is. Het is zoals een bloem is, en het staat je vrij erop in te gaan. Maar het is nooit bestraffend of beschuldigend.
– Hein: Ja, ik weet dat ik nog steeds de neiging heb er een oordeel, goed of fout en nog veel meer, aan te verbinden.
– Maarten: Ja. Daar volgt ook uit dat, zodra dit besef in je woont, je de behoefte hebt om de ander in z’n zó-heid te leren kennen. Dat zit eraan vast, dat je de ander voelt als een uiting van dat onbekende. Je kunt aan die uiting iets te weten komen, iets meer voelen over dat onbekende. Wat absoluter gezegd: het vergankelijke leven is zo adembenemend, omdat het voortdurend uiting geeft aan dat andere, wat een geheim blijft. Je belangstelling wordt gevoed vanuit die andere kant, doordat je kennis wilt nemen op hoe ongelofelijk veel manieren dat zich aan je kan openbaren.
– Hein: Soms breekt dat besef bij me door en dan ben ik ook vanzelf gemotiveerd. Maar ik weet ook hoe ontzettend gemakkelijk je je weer verliest in dingen of mensen. En dan vraag ik me nu weer af: kan ik deze ernst wel waarmaken…
– Maarten: Ik denk dat dat een kant ervan is, waar de Westerse mens moeite mee heeft, omdat je dan weer vervalt in de idee dat je op een bepaalde manier moet zijn. Terwijl dat besef – dat is er of het is er niet. Op het moment dat het er is, maakt het jou leven zó en niet anders. En je hebt ook al een heleboel keren ervaren dat, als het er niet is, het er niet is. Je kunt het niet oproepen of iets gaan doen waardoor het komt. Je kunt alleen beseffen dat het er niet is. Dat is alles.
– Hein: Vaak als het er een beetje op aan komt – je gaat naar een meditatieweekend of hebt een gesprek met Maarten – lijkt het alsof het uitgevlakt wordt. Je moet een prestatie leveren en wilt iets pakken waar je niet bij kunt en er gebeurt precies het omgekeerde, het wordt je gewoon uit handen geslagen.
– Maarten: Ja, dat begrijp ik heel goed, dat heb ik in het begin van meditatie ook heel goed kunnen constateren. Ook als je ervaren hebt dat dat andere er is, dat je voor jezelf daar toch blijkbaar naam aan geeft, ideeën aan geeft. En als je je naar een plek begeeft waar je je daarmee bezig wilt houden, dan – en dat gebeurt denk ik niet bewust – houd je jezelf voor: ja, nu moet ik daaraan voldoen. En dat betekent dat je probeert te voldoen aan iets wat er niet is, maar waar je zelf een bepaalde plek aan hebt gegeven, een bepaalde naam, een bepaalde vorm, en dat je dat probeert op te roepen. Je kunt dat wel doen, maar je voelt tevens dat het leeg is, dat het er niet is. Je kunt het nu eenmaal niet pakken, en dat is heel frustrerend.
– Hein: Jij zegt in wezen altijd: het is één geheel, het zit in alle dingen. Het vreemde vind ik dat die splitsing er toch altijd weer is. We doen hier de deur naar het balkon dicht omdat we last hebben van de buurvrouw. Net als je zei dat we ons door de manier waarop we oefenen ‘in quarantaine zetten’.
– Maarten: Onze grootste moeilijkheid is om te gaan beseffen dat je tegelijkertijd bepaald bent, geconditioneerd bent, in deze wereld leeft, alle dingen doet die je doet, met meer of minder plezier en verdriet – én tegelijkertijd ben je dat totaal andere, dat daar eigenlijk geen boodschap aan heeft, hoewel het zich in jou bevindt en deel is van dat hele bedrijf wat je bent.
In de meditatie gaat het erom geen scheiding aan te brengen, niet te zeggen: ja, ik ben zo bepaald en ik moet zorgen dat ik vrijkom en niet meer bepaald ben. Het gaat dan om het kunnen ervaren dat je én het onbepaalde bent, wat niet geboren wordt en niet sterft, én dat je die bepaalde mens bent met al z’n mogelijkheden. Daar zit aan vast een gevoel dat de eigenlijke bevrijding zit in de mate waarin die gelijktijdige beleving zich kan verwerkelijken. Omdat je dan niet meer weg hoeft ergens vandaan, maar dat dat waarin je je bevindt en waardoor je bepaald bent, door dat gevoel van oneindigheid getransformeerd wordt.
– Hein: Een gevoel van ruimte dat je beperktheid overstijgt, zodat je je bijvoorbeeld fysiek gesproken niet opgesloten voelt in je lichaam.
– Maarten: Ja. En dat geeft ook een nieuwe betekenis aan je inspanning. Je gaat beseffen dat je niet los hoeft te komen, dat je er niet uit hoeft te lopen, maar dat je in de gevangenis vrij kunt zijn. Je beseft dat je met je lichaam in de cel zit, maar in wezen vrij. Die cel houdt ooit op, je lichaam houdt ooit op, maar datgene wat aanleiding is tot jouw zijn hier, verandert niet, het is er altijd.
– Hein: Dat betekent dat de dood tot het leven behoort.
– Maarten: Ja. Dat wil zeggen, dat de dood een noodzakelijke fase is in de voortgang van het leven. In heel beperkt zin kun je dat zien in de natuur, en zeker in het oerwoud, dat het gewoon noodzakelijk is dat dingen doodgaan opdat er nieuw leven kan ontstaan. En in een verder verband, dat wij ons alleen maar verder kunnen ontwikkelen, als we de ballast van alles wat we al weten, op een bepaald moment ook weer eens kwijt zijn.
– Hein: In definitieve zin, bedoel je.
– Maarten: Ja.
– Hein: Terwijl dat waarschijnlijk voor elk moment geldt.
– Maarten: Ja. Maar die intensiteit van leven brengen we meestal niet op. We nemen een heleboel mee van alle gisteren’s die we al doorlopen hebben. En dat is ballast in de zin dat het maar heel weinig tijdloze kennis bevat – laten we zeggen: 2 x 2 = 4, dat is tijdloos, maar alle gevoelsladingen die aan onze ervaringen vastzitten, zijn in de tijd en vergankelijk.
– Hein: Dat beeld van het bos dat je net schilderde, geeft me rustig gevoel. In een herfstbos bijvoorbeeld is het acceptabel en vanzelfsprekend dat de bladeren de humus vormen en dat daar weer het nieuwe leven uit voortkomt. Soms voel je je als klein wezen daarin opgenomen, maar…
– Maarten: … je zegt dan: ‘het is heel mooi’, maar je ervaart het eigenlijk niet. Dat is de grote uitdaging, om te gaan beseffen hoe je jezelf ingekapseld hebt. Dat je constaterenderwijs merkt hoe je, door allerlei handelingen en door met een bepaalde visie op anderen in te gaan, hetgeen wat stroomt en in voortdurende overgang is, zó fixeert dat het z’n eigenlijke karakter verliest. Het is de momentopname – zoals wanneer je met een snel fototoestel elke seconde een afzonderlijke momentopname maakt van een mens die loopt, en dan al die beeldjes achter elkaar plakt en net doet alsof je een lopende mens hebt. Dat is niet waar.
[stilte]
– Hein: Dat is wat jij wel als ‘contrabande’ aanduidt, dat je niet met z’n tweeën in de stroom blijft, maar ouwe koek uitwisselt.
– Maarten: Dat wil zeggen, het begint bij jezelf, je ervaart jezelf eigenlijk als reeds aangekomen, als klaar en je probeert die eindige mens te continueren. En je merkt niet dat je toch voortdurend verandert. Doordat je dat niet beseft, blijf je binnen je eigen fixatie en wisselt van daaruit met een ander uit – die er waarschijnlijk ook vanuit zijn of haar fixatie is. Dat is de moeilijkheid.
Dan is er in bijna alle meditaties, van bijna alle mensen, die neiging om te zeggen: ‘ja, dat besef ik nu wel dat ik gefixeerd ben, dus ik wil me de-fixeren.’ En dan wil je eruit loskomen en je gaat je daarvoor inspannen. En merkt dan niet dat je je inspant met de middelen van de fixatie.
– Hein: Dus creëer je een nieuwe fixatie.
– Maarten: Ja. Je zou ook kunnen zeggen: loskomen van die fixatie is een kwestie van vriendelijke, geweldloze aandacht. Een aandacht waarin alles mag – waarin je dus ook gefixeerd mag zijn. Ik denk dat dat het belangrijkste is, dat je jezelf toestaat om gefixeerd te zijn. Want het toestaan van je gefixeerd zijn maakt je al een beetje losser.
– Hein: Toch vraag ik me af, als je in zo’n dwangstructuur zit, is het dan mogelijk om dat te zien, om niet-gedwongen te handelen of te beleven?
– Maarten: Dat is leuk… dat kan niet. Maar je kunt wel jezelf accepteren in je gefixeerdheid. Dat veroorzaakt een ontspanning. En daaruit kan iets voortkomen.
– Hein: Dat jezelf accepteren, is dat het zien ervan?
– Maarten: Ja, het is het zien hoe gefixeerd je bent, hoe je alles ervaart vanuit die fixatie – die ook een verdediging is. Want, dat zei ik daarnet al, je probeert het beeld wat je denkt te zijn, te continueren. Daarin kan niets gebeuren. Maar op het moment dat je jezelf als een fixatie ervaart, en áánvaardt vooral, dat je zegt: ‘nou goed, dat is dus zo’, op dat moment kan er een ontspanning intreden. Je ziet ook heel helder voor je dat je, vanuit die fixatie, er niet uit kunt komen. Want de energie die je aanwendt, de manier waarop je het doet, is vanuit de fixatie, en is dus al bij voorbaat van hetzelfde.
– Hein: Je doet een vluchtpoging, maar bij je fixatie hoort al de grenswacht die je weer terughaalt.
– Maarten: Ja, precies, en dat ben je allemaal zélf. Daar komt het hele panorama in zicht van ‘dit is goed, dat niet; dit moet ik wel en dat niet doen’. En je laat het niet over aan het moment dat het in jou zou verwerkelijken. Je bent ook niet bereid iets wat je heel duidelijk als fout ziet, als fout te aanvaarden. Dat zit er gewoon bij, van ‘ja goed, dat is fout, maar ik heb het zo gedaan…’ Dus het gevoel van ‘dat is gebeurd’ – en je weet ook wel dat je het niet opzettelijk en boosaardig fout hebt gedaan, dat kun je gewoon constateren. Dus is het niet erg om dat te accepteren.
Het gaat steeds om de ontspanning die optreedt op het moment dat je de situatie in jezelf en daardoor de manier waarop je de wereld ervaart, accepteert, en niks doet. Er niet uit wil komen.
– Hein: Terwijl er anders dag en nacht een correctiecommissie in jezelf aan het werk is. Dat vind ik ook altijd weer wonderbaarlijk dat ik, terwijl we zo aan het praten zijn, ontdek dat alles al in het moment zelf zit, in het moment zelf gebeurt, relevant is. Ik heb ook vaak het gevoel dat als dat tot je doordringt, het ook ruimte, een soort transformatie geeft waarmee je verder kunt gaan.
– Maarten: Ja, dat is heel mooi zoals je het zegt, dat je merkt dat alles wat je je voorgenomen hebt en alles wat er gebeuren kan, eigenlijk in het moment dat je leeft al besloten ligt. Terwijl wij altijd doen alsof we iets meenemen, en het dan hier uitstallen en dan gebeurt er iets mee… Dan is het dus uitgestald. Maar het sterft eigenlijk al op het moment dat je het uitspreekt. En maakt daardoor plaats voor het nieuwe, wat zich voor wil doen.
Eerder verschenen in nieuwsbrief ‘Zen als leefwijze’ nr. 2, voorjaar 1992
 

<< Intro | Einde

Maarten praat met een leerlingOp het kloosterbankje

Intro
Het kloosterbankje in huize Houtman-Mobach
Foto Hapé Smeele
Toen ik begin jaren tachtig mijn toevlucht zocht bij Maarten Houtman, kwam ik uit een onherbergzame wereld, waarin zich de nodige ongelukken hadden voorgedaan. Wel had ik het geluk een partner te hebben, met wie ik in het meditatie-avontuur samen optrok.
Eerdere pogingen het meditatielandschap te verkennen, hadden bij mij een zeker gevoel van thuiskomen gewekt, al snel gevolgd door de nodige verwachtingen.
Maarten legde  in de persoonlijke gesprekken die ik met hem had, telkens weer de nadruk op het genieten van het leven, in plaats van het aangaan van nieuwe verplichtingen en het najagen van ambities – hij had zijn benadering van meditatie niet ‘de weg van niet-dwang’ genoemd?

Maar de oude structuur bleek taai... Toen ik, ondanks mijn intensieve deelname, maar geen ‘vorderingen’ leek de maken, werd ik steeds ongeduldiger. Ik kreeg behoefte daar eens met hem over te praten, ik vroeg me af: wat zie ik over het hoofd?
Ik had Maarten toen zo'n tien jaar meegemaakt, maar nog steeds leek bij hem alles zo anders, alsof hij ‘van een andere orde’ was. Dat bleef voor mij een raadsel. Maar het maakte me des te nieuwsgieriger om te horen van zijn achtergrond, zijn beleving van de wereld en zijn rol als leraar.
En toen nodigde hij me uit er eens samen over te praten.

Zo kwam het dat ik zomer 1991 daar op dat kloosterbankje zat voor ons eerste vraaggesprek. Het zouden er uiteindelijk zeven worden, verspreid over drie jaar.
Voor ons stond de recorder, om het gesprek later terug te kunnen luisteren, en misschien ooit uit te werken. Drie ervan zijn hier opgenomen.
Met dank aan Klaaske Fokkens, die de bandopnames uitwerkte.
OP HET KLOOSTERBANKJE

Het sterft al op het moment dat je ‘t uitspreekt
Eerste gesprek, zomer 1991

De overige zes gesprekken zijn terug te vinden op www.maartenhoutman.nl

 

Waarom ik zo van Limburgse vlaai houd…Afzwaaier tussen de Limburgse Jagers

Hub Bleezer (links) en Harry Gubbels, oud-medewerkers van Brand.
Foto Chris Keulen | NRC, 30 september 2022
In juli 1963, direct na mijn eindexamen gymnasium, werd ik opgeroepen voor militaire dienst. Ik was toen twintig.
Na een korte militaire basisopleiding en een gemankeerde officiersopleiding, belandde ik pardoes bij de Limburgse Jagers, als gewoon soldaat – een ‘filler’, zoals een beginnend rekruut toen neerbuigend werd genoemd. Ik kreeg ook nog te horen dat het onderdeel de volgende dag overgeplaatst zou worden naar Seedorf, vlak bij de Oost-Duitse grens… Was dat de straf dat ik zojuist voor die officiersopleiding had bedankt? Ik was diep geschokt…
We reden er in open vrachtwagens heen – de vermaarde winter van ’62-’63 was op komst, die ons nog lang zou heugen – zeker toen we, daar aangekomen, een maand op oefening gingen, waarbij we in tentjes op de Lüneburger Heide bivakkeerden.
Hoewel ik te midden van die Limburgers een fremder was  – ik sprak hun taal niet en had ook nog een afwijkend voortraject – voelde ik me op den duur in dat peloton wel geaccepteerd. We sliepen met die dertig  man ook heel comfortabel, gezien wat ik later heb meegemaakt.
We zaten daar natuurlijk wel om ons te oefenen de ingebeelde vijand te bestrijden: de Rus, ook toen al – die plotseling wel akelig concreet werd toen de Cubacrisis uitbrak en we in staat van paraatheid werden gebracht. Maar gelukkig woei het over…
Intussen probeerde de leiding er alles aan te doen om ‘de jongens’ – nu zwevend op de rand van de bekende wereld – een gevoel van thuis te geven, Hun oplossing was om ons onderin het compagniesgebouw een eigen bar te geven, met toog, barkrukken en al. En wie was de gedroomde barman … dat was ik!
Want ja, ik leek degelijk en werd geacht goed te kunnen rekenen – die flesjes moesten wel worden afgerekend. Maar het allerbelangrijkste was … dat ik niet dronk. Want geloof maar dat het er daar stevig aan toe ging… Om de volgende dag een kater te vermijden, had de sergeant-majoor bedacht dat ik … eitjes voor ze moest bakken, geserveerd op een boterham!
Zo werd het toch nog een vrolijke bende, terwijl ik daar zorgde voor hun glaaske bier. Waarbij ik met hen aan de praat raakte en hoorde over hun wel en wee.
Maar na afloop moest ik natuurlijk wel schoonmaken…
Een van mijn maten heette Gubbels – hij werd ook zo met zijn achternaam aangesproken: ‘Goebels’ klonk het uit hun mond. Voor mij was die naam wel een beetje beladen, zo vlak na de oorlog. Maar zij leken daar geen moeite mee te hebben, zo zouden er daar wel meer heten… Bovendien was deze Gubbels – Harry geheten – een gelijkmatige man, die rust uitstraalde. Al gauw wisten we allemaal dat hij uit Gulpen kwam en bij Brand’s Bier werkte, daar maakte hij absoluut geen geheim van…
Wie schetst mijn verbazing dat deze Harry Gubbels plots met naam en toenaam op een foto in de NRC stond… Het bericht erbij was dat de brouwerij – de oudste van Nederland – uit Limburg vertrekt en naar een andere locatie van moederbedrijf Heineken verhuist… Toen ik de kop zag, moest ik gelijk aan hem denken. En ja hoor, daar stond ie, mét biertje, als oud-medewerker van Brand’s Bier. Niet te geloven…
Intussen was Klaaske in Amsterdam psychologie gaan studeren. Ze zat op kamers op de Hobbemakade, waar die winter de waterleiding bevroor en haar kamer in een ijskast veranderde – ze moest het daar met een petroleumkacheltje warm houden.
Eens in de zes weken kwam ik er op bezoek – gezien de afstand van Seedorf kregen we telkens een hele week verlof, in plaats van het gebruikelijke weekend. Zo konden wij elkaars leven – dat nu hemelsbreed verschilde – toch nog een beetje bijbenen…
Ons onderdeel vertrok later weer naar Oirschot, waar we nu met z’n dertigen in één barak moesten slapen. Ik hing daar naast mijn bed een portret van Klaaske (die toen nog Cobi heette) aan een touw vanaf het plafond.  En als ik daar dan binnenkwam, gaf iemand er een zwaai aan, en zongen ze met z’n allen uit volle borst, in majeur:
Loeënde klokke van Limburg mie landj
Loeënde klokke versjterke de bandj
laot ös éns heure
Waat sjteit te gebeure.
Loeënde klokke van Limburg mie landj
Bim Bam, Bim Bam,
klokke van Limburg mie landj.

De bewuste foto van Klaaske, najaar 1963

Vier maanden duurde mijn Duitse avontuur. Daarna werd onze afdeling Limburgse Jagers dus ‘gerepatrieerd’ en kwamen we in Oirschot te liggen, zoals dat heet.
We waren daar nog nauwelijks aangekomen, of er diende zich een klein, dik mannetje aan, met biezen en koorden aan zijn eerstelijns uniform, die zich als sergeant Van der Biezen voorstelde. Hij kwam muzikanten ronselen voor het klaroenkorps van de kazerne – een klaroen is een trompet zonder pistons. Nu speelden diversen van mijn maten in een fanfare, dus hij had gelijk beet. En omdat ik opgaf klarinet te spelen, werd ik ook toegelaten … als tamboer…

Aldus begon daar in Oirschot mijn tweede militaire carrière – tot ik uiteindelijk vervroegd mocht afzwaaien met studieverlof, zes maanden vóór de anderen…
Nu denk ik: wat moesten ze ook met zo’n weigerachtige soldaat…

Zo droeg ik precies één jaar ’s konings rok.

Terug in Amsterdam, probeerde ik er uit alle macht onderuit te komen dat ik weer op herhaling moest: wij weer uit elkaar, dat zag ik absoluut niet zitten…
En zo deed ik waar mijn hart al lange tijd naar uitging: ik deed een beroep op de dienstweigeringswet –ik had nu wel genoeg gekkigheid meegemaakt…

Zo werd ik van militair dienstweigeraar.
Nou, dat heb ik geweten … dat gaat niet zomaar, daar ben ik 1½ jaar mee bezig geweest – maar dat is een ander verhaal.

Gelukkige dag

Hanna Mobach, Bladversiering uit ‘Tao-zen, de weg van niet-dwang

Vanochtend vroeg, toen ik voor de open deur van het balkon op m’n bankje zat, hoorde ik daar nu eens niet het eeuwige ruisen van de snelwegen, maar het zachte, monotone geluid van regen – en al spoedig zat ik midden in de koele lucht en de geuren.
Twee uur later daalde de regen in constante stromen neer, als in een gordijn. Er was ook het geluid van werkzaamheden in de buurt, van uitgelaten honden en bovenburen. De gewijde stilte was voorbij…

Toen ik diezelfde avond, op de gaanderij aan de andere kant van het huis, naar het ondergaan van de zon zat te kijken, was de hemel zwanger van vliegtuigen… Sommigen kwamen laag over, met veel geraas. Hogerop zag ik er een paar, die zich als donkere schimmen tegen de heldere hemel aftekenden. En nog verder weg kon ik ze alleen nog aan hun condensstreep herkennen, of aan een verre flikkering in de stralen van de ondergaande zon.

Ik maakte een praatje met een buurvrouw die daar langskwam, en sprak er mijn verbazing over uit. Zij vertelde dat ze op school gezeten had in Zwanenburg – waar haar ouders een boerderij hadden – en dat daar de ramen van het klaslokaal altijd gesloten bleven, om zo nog enige ‘geluidsdichtheid’ te creëren.

En je vraagt je af: hoe is het in godsnaam mogelijk, dat we als mensheid de aarde zó verpest hebben…
Het begint er natuurlijk al mee, dat we haar als soort overspoeld hebben, met die onstuitbare voortplantings- en zelfhandhavingsdrift van ons…

Toch is het moeilijk werkelijk te zien dat dat de naakte waarheid is, om dat helemaal tot je door te laten dringen – we zijn nu eenmaal onderdeel van dat hele systeem…
Daarvoor blijken we de blik van ‘buitenaardse wezens’ nodig te hebben: de ogen van de astronauten, die vanaf de maan een blik op de aarde konden slaan … wat ze zagen was een nietige blauwe bol, die daar kwetsbaar hing, verloren in een oneindige ruimte…

Het waakzame oog van de aarde, gezien vanaf de maan [klik om te vergroten]

Wij probeerden ons in de zeventiger jaren, op ons bootje aan de voet van machtige grachtenpanden, zoveel mogelijk afzijdig te houden van die wereld, die naar de verdommenis leek te gaan. We leidden een rustig leven, met part-time banen, zonder auto. En niet te vergeten: we hadden geen kinderen, maar een zwarte poes – wel eentje die onze hele aandacht opeiste…
Was het allemaal toeval, een kwestie van persoonlijke factoren en familiegeschiedenis. Of werd het mede gevoed door een vleugje ‘Weltgeist’ die ons die keuzes liet maken?

Midden in die periode – in de tijd van de oliecrisis – hoorden we van een boekje, waarvan alleen al de titel een magische uitwerking op ons had: Wie wenn wir ärmer würden oder Die Heimkehr des verlorenen Sohnes (Percha, 1974), geschreven door Luise Rinser. Alsof iemand verwoordde wat we al die tijd al vermoed hadden: dat onze welvaart maar een bubbel was, een schone schijn, een huis op zand gebouwd… Het kon allemaal zomaar voorbij zijn – een gedachte die ook gevoed werd door het nucleaire tijdperk waar we ons in bevonden.
Luise Rinser is het ook, die die fascinerende uitspraken aanhaalt van ruimtevaarders, die de aarde ver vanuit het heelal mochten ervaren. Zoals deze van Rusty Schweikart: “Ik verloor in de kosmische ruimte mijn identiteit als astronaut, ik werd één met alles, met het universum.”
Soms klonk er in die uitspraken een vleugje mystiek door, zoals deze van 
James Irvin“Op de maan voelde ik God als nooit tevoren. Er gebeurde daar iets met me, dat ik met alle mensen wil delen. Ik ging naar de maan als technicus en geestelijk onwetend, ik kwam terug als iemand die zich een broeder van alle mensen voelt.” Van Mike Collins is de uitspraak “Toen ik zo ver van de mensen op aarde verwijderd was als nooit te voren, stonden ze me meer na dan ooit.” Colins heeft het er ook over dat voor hem “het symboolgehalte van de vlucht evident was” – niet het technisch succes was indrukwekkend, maar “de transcendente ervaring van de eenheid van alle mensen ‘onder God’.”
 
Bij mijzelf riep alleen al het zien van de foto’s die ze namen, vergelijkbare gevoelens op – zie Silence out loud.
 
Nu we het toch over de maan hebben…
 

Mijn nichtje Ayn appte me bovenstaande illustratie door van een evenement, dat morgenavond bij volle maan gepland is op de Mookerheide. En toen de organisator net langs ons oude familiehuis liep, stuurde hij haar er deze foto achteraan:

Mendozaweg 6 in Mook, 6 september 2022 20:35 [klik voor vergroting]
Het herinnert me er aan dat mijn vader, in de tijd dat hij daar woonde, donateur was van een stichting uit Boxtel, die een milieuvriendelijke leefwijze propageerde, ‘De kleine aarde’ geheten…
Ik zag dat ‘Andere tijden’ er een uitzending aan wijdde: ‘De kleine aarde: pioniers in duurzaamheid’.
 
NB
Toen ik deze week bij Kwekkeboom afrekende voor twee koffie met croissant, werd mij ‘een  gelukkige dag’ toegewenst – wel wat anders dan het verplichte ‘nog een fijne dag’…
Mijn dag was gelijk goed.
Dus wie weet komt het allemaal nog goed, als er met de voor 2024 geplande NASA missie naar de maan, een astronaut meegaat wier ogen werkelijk opengaan…

Verteller van het Verhaal

Hanna Mobach, Het oerlandschap, 1997[1]
Houtskool op papier, 21x16cm

“Ton Boon vroeg mij gister toen ik aankwam en toen hij matjes aan het neerleggen was, of ik een plannetje had voor zo’n vijfdaagse, wat ik zou willen aansnijden. En ik zei: ‘Nee, dat heb ik niet.’ Wat ik ga zeggen is voor mij een even groot avontuur als voor jullie. Ik was wel van plan – dat hebben jullie gisteravond gemerkt – om het meer in de richting van het oefenen te doen.”
Hoe kun je ontdekken, Eefde, Vijfdaagse december 1985, woensdag.

Maarten Houtman had ‘de gave van het woord’, zoals dat in het gereformeerde milieu waarin ik opgroeide heette. Door omstandigheden kwamen bij ons thuis regelmatig dominee’s over vloer – wier kwaliteiten breed werden uitgemeten, al of niet in hun aanwezigheid.
Het werd me duidelijk dat ze allen hun preek goed voorbereidden, de meeste maakten aantekeningen, een enkeling leerde hem uit z’n hoofd – ‘die heeft een geheugen als een ijzeren pot,’ zeiden mijn ouders dan.

Ook leerlingen van Maarten met een eigen groep, probeerden soms hun inleidende praatje voor de vuist weg te houden, net als hij. Dat vond hij niet zo verstandig, zei hij een keer: ‘Dat kun je niet zomaar, het is beter om je voor te bereiden.’

Bij zijn eigen toespraken voelde dat heel anders. Aan de ene kant was er de verbazing dat hij al die diepgaande toespraken ‘uit zijn mouw schudde’, zoals dat heet. Anderzijds vond je het vanzelfsprekend zoals hij het deed – diep vanbinnen wist je gewoon: hij is een groot verteller, hij laat zijn verhalen uit de stilte ontstaan – dezelfde stilte en leegte die de hele schepping voortbracht. En hij gaf ons daarmee de inspiratie die leegte en stilte in onszelf terug te vinden.

Die vanzelfsprekendheid – het woord zegt het al – zien we ook bij de oude vertelster Imah. Zij vertelde hem als kind aan zijn bedje vier jaar lang uit het grote heldenepos van de Mahabharata – die ze helemaal uit het hoofd kende. Zoals dit verhaal over de schepping:

“Vóór de grote Verteller aan het Verhaal begon, was er een nacht die maar niet eindigde en waarin niets gebeurde. Toen was iemand, al wist niemand wie dat was en wanneer het gebeurde, een lied gaan zingen, waarin alles dat er nu is werd opgeroepen om tevoorschijn te komen en zich niet meer in de nacht te verbergen.” (De breuk,Werelden 1 – Karti’)

Toen Maarten van de plantage vertrok, zocht hij Imah op in haar kleine huisje, waar hij nog nooit geweest was, om afscheid van te nemen – ze voelde hem al van verre aankomen. En toen gaf ze hem dit advies mee:

“Luister goed. Alle verhalen bestaan zolang je ze vertelt. Als je klaar bent zijn ze er niet meer, behalve in het hart van degene die ze echt gehoord heeft en die ze ook weer vertelt. Je moet zó leren luisteren dat je de verhalen weet vóór een ander ze vertelt, want ze zijn er altijd en ze willen altijd weer verteld worden. Ze gaan uit je weg als je ophoudt te luisteren, maar ze blijven op je wachten. Als je niet naar binnen kunt luisteren is er alleen maar wat je om je heen ziet, zoals het is bij je geleerde moeder. Maar voor jou, die al zoveel verhalen van mij gehoord hebt, is het anders. Daarom moet je zorgen dat alle verhalen in je blijven leven, wat er ook gebeurt. Anders raak je klem en dan heb je verdriet. Zoals je weet hebben de meeste mensen verdriet. Dat komt daardoor. En nu moet je terug naar huis, want anders vraag je me iets dat vanzelf bij je komt wanneer je een verteller bent geworden.” (De breuk, De twee manieren’)

En dat is hij ook geworden … een Verteller, staande in een lange traditie.

Bijna alle toespraken die in www.maartenhoutman.nl opgenomen zijn, heb ik life meegemaakt. Het zullen er wel honderd zijn. Klaaske en ik hadden ons voorgenomen alle lange sessies te volgen – daar kwamen voor mij dan nog de weekenden bij, toen ik het opnemen van het geluid van Ton Boon had overgenomen.

En elk van die keren overkwam het me weer, dat er tegen het einde van een toespraak een unheimisch gevoel bij me bovenkwam, van … heb ik het gezegde wel begrepen, er zijn nog zoveel vragen…
Precies aan dat gevoel appelleerde Maarten, als hij zei: “… je zult het nog heel vaak moeten horen…”

Toch zei hij ook vaak tegen het einde van zijn toespraak, in allerlei varianten: “Dan heb je niemand meer nodig, je hebt ook mij niet niet meer nodig, dan ga je je eigen weg…”
Terwijl het mij overkwam dat ik dacht: laat dit alsjeblieft doorgaan, vertel verder, Maarten … straks sta ik er alleen voor…

De oude vertelster Imah vond voor Maarten altijd een verhaal dat bij zijn stemming paste, bij de zorgen van de dag. Dat is ook precies zoals hij het óns vertelde, een verhaal waarvan je dacht: hoe verzint hij het … dat is precies waar ik mee zit … hij heeft het tegen mij!

En natuurlijk wilde je liefst weten hoe het verder zou gaan, hoe het verhaal af zou lopen. Maar dan zei hij: … dat weet je niet, dat is nog in het verhaal verborgen…
En ja, daar had ik telkens grote moeite mee, ik wilde zo graag weten
Maar, zoals de oude vertelster tegen Maarten zei, dan begeef je je op dwaalwegen van de demonen…

Ik denk dat Maarten dat bedoelde, toen hij die keer tegen ons zei dat we het grote Verhaal zelf moesten vertellen en de regie over ons leven moesten nemen – dat we ons leven moesten toevoegen aan het grote Verhaal van de mensheid, “dat Verhaal dat door ieder die het vertelt, vergroot en vernieuwd wordt, omdat je je eigen verhaal aan dat hele grote Verhaal toevoegt.”

In die toespraak:Zoals jij het verteld gaat het de eeuwigheid in’, zei Maarten tegen de aanwezigen:

“Ik heb ook deze sessie van velen van jullie een verhaal gehoord. En dat is in de veertig jaren dat ik nu bezig ben natuurlijk altijd zo geweest. Soms komt de vraag in me op wat het signaal is dat uit al die verhalen opklinkt. Variaties zijn er net zoveel als er mensen zijn die verhalen vertellen. En je bént natuurlijk zelf ook een verhaal. Ik geloof dat het typisch menselijke er niet in ligt dat je het verhaal vertelt, maar dat je je bewust bent dát je het verhaal vertelt, dat je je bewust bent dat je een verhaal bént. De meeste mensen vertellen alleen maar een verhaal, en laten het dan aan mij over om te beseffen wat dat verhaal betekent. En misschien is die tussenfase nodig, dat je alleen maar een verhaal vertelt en je niet bewust bent dát je een verhaal vertelt, en nog minder dat het er eigenlijk om gaat hoe je dat verhaal vertelt. Want in dat ‘hoe’ zit het signaal.”


[1] Illustratie uit: Maarten Houtman: ‘De kom van herinnering en andere verhalen’ – zie www.maartenhoutman.nl/etalage

Dromen van een andere wereld #1

Vannacht op mijn meditatiebankje, zat ik
zure appels van mijn gedachten te plukken,
dat onze wereld wel ten onder zou gaan,
met ‘oorlogen en geruchten van oorlogen’,
zoals de goddelijke Openbaringen zeggen –
toen ik buiten plots een luide knal hoorde.[1]

Ik stond op en trok mijn pantoffels aan,
ging het balkon op en keek om me heen,
maar ik zag nergens verzengende vuren –
tot ik boven, vlakbij de rand van de flat
de maan daar als een vuurbal zag staan…

Zal de maan van deze planeet eraan gaan,
was de angstige gedachte die bovenkwam
de profetie zegt: ‘de maan werd als bloed’ –
in termen van ons platvloerse denken:
gaan wij nu met z’n allen naar de maan…

En vroeg me af: is onze wereld inmiddels
zó’n onvolmaakt maaksel, dat de mensheid
de ballen niet meer in de lucht kan houden
en ons hele aardse huis op instorten staat –
zelfs ‘rekenkracht’ schiet tekort als panacee.

Toen ik tenslotte weer op m’n bankje zat,
kwam dat bijbelse adagium in me boven:
‘Stof zijt gij, en tot stof zult ge terugkeren’ –
maar eigenlijk dacht ik meer in Zen-termen:

“Zoals de maan niet beïnvloed wordt
door de wolken die er voorlangs gaan …
zo wordt de stilte en de leegte niet aangetast
door alle dwaasheid die we uithalen.

En ook als deze planeet misschien,
omdat we onwijs zijn, beschadigd wordt –
daarmee beschadigen we onszelf evenzeer –
is daar de leegte, waarin het ontstaan is,
en waarin het weer terug zal keren.”[2]

————-
[1] Het Parool van woensdag 10 augustus is mijn getuige: “Explosief ontploft voor deur van The Harbour Club in Oost. De explosie gebeurde rond 02.45 uur.”
[2] Maarten Houtman, ‘Ons kosmisch erfdeel’, Sterrelaan 24 juni ’89. Toespraak voor augustus 2022

De lange tocht naar het binnenste van Hein #1

To dissolve the past is the far away beginning of meditation.
If you begin to dissolve the past there is no ending to the past.
The fire that burns away the past, the structure of time, is the act of seeing.
Seeing is complete attention.

Delhi January 27th, 1962
Uit: Krisnamurti’s notebook, 2003

Samen met Aloys en Klaaske, heb ik een paar maanden gewerkt aan een (online-)heruitgave van de autobiografische roman van Maarten Houtman, eerder verschenen onder de naam ‘De andere oever’ – nu ‘De breuk‘ geheten. Al lezend word je daar een magische wereld binnengetrokken, in een tijd dat ‘spiritualiteit’ haast nog een natuurgegeven was.
Net toen we ermee klaar waren, kwam ik een sessie-toespraak van Maarten tegen, waarin hij, tegen de achtergrond van dat vooroorlogse Nederlands-Indië, een kortsluiting maakt met onze wereld van nu, die mij de schellen van de ogen deed vallen … in wat voor een ongelofelijk geprefabriceerde, bedachte, onnatuurlijke wereld wij hier leven…
Maarten beschrijft heel raak hoe kinderen opgroeien in de Amsterdamse Molenwijk, waar hij woonde:

“De wereld waarin een baby nu opgroeit – ik denk aan de kinderen die bij mij in het flatcomplex aan de rand van Amsterdam opgroeien – wat zien zij om zich heen? Ten eerste worden ze geboren in een kamer, en dat blijft de hele tijd een kamer. En als ze opgroeien, zien ze om zich heen dat bijna alles beheersbaar is, dat het in de fabriek gemaakt is of in de werkplaats, dat je het kopen kunt.”

En dan gaat hij verder:

“Ik probeer jullie duidelijk te maken dat dat een wezenlijk verschil is, of je dáár opgroeit, of ergens opgegroeid bent waar alles er gewoon ís, je mag ervan nemen. Dat geeft een heel ander gevoel. Het maakt de stap naar iets wat onzichtbaar is, maar wat alles eigenlijk laat voortkomen, héél klein, dat kost je geen moeite.
Voor ons is dat een enorme afstand. Eigenlijk moeten we dan – door de opvoeding die we gehad hebben en de maatschappij en het tijdsgewricht waarin we leven – een enorme stap maken, van alles wat normaal voor ons is, naar iets wat eigenlijk niet bestáát…
We moeten ons dus helemaal terugtrekken achter gesloten oogleden, weg van die hele gedeelde, verdeelde, fragmentarische wereld waarin we leven, waarin elk onderdeel gemaakt is. Daarin is de natuur eigenlijk een vreemd verschijnsel…”

Het tijdloos beginsel Zevendaagse juli 1994, woensdagmorgen

Maarten vond zelf die liefde voor de natuur hier terug bij Krishnamurti, die het met zijn ‘go and make friends with the trees’ en zijn lofzang op de Hollandse luchten, enigszins vertaalde naar onze wereld. Ik kon, vanachter het raam van onze woonboot, urenlang kijken naar het spel van het licht op het water.
Maar de vraag blijft: is dat genoeg om te ‘ontsnappen’…

Dat ‘terugtrekken achter gesloten oogleden’ sprak me wel aan, dat is wat ik eigenlijk al jaren probeer met mijn ‘meditatie’: weg van die opdringerige, alomtegenwoordige, je geheel in beslag nemende ‘realiteit’ – die je inmiddels zelf geworden bent. En terug naar je lichaam.

Het riep bij mij de vraag op, of ik al eerder in mijn leven pogingen had gedaan om me een beetje los te weken van die maakbare wereld – waar je met handen en voeten aan vastzit, en al helemaal met je denken en voelen.
En toen kreeg ik prompt een droom over mijn verhaal met muziek…

In mijn ouderlijk huis in Nijmegen had ik, hangend over de radio-met-platenspeler. genoten van de symfonieën van Beethoven – waar ik helemaal in op kon gaan, me door kon laten meevoeren…
Dat kreeg een vervolg toen ik me op de middelbare school opgaf voor het schoolkoor, waar ik met m’n elf jaar de jongenssopraan vertolkte. We studeerden daar, onder leiding van de dirigent van het Gelders Orkest, aan het ‘Ave Maria’ van Mozart. Ik zong daar vol overgave…

Toen ik dat verlangen in perspectief probeerde te plaatsen, kwam de term ‘das ozeanische Gefühl’ bij me boven – waarover ik in het online magazine Das Orchester het volgende tegenkwam:

“We komen in muziek een dimensie tegen die onze gehechtheid aan de realiteit van tijd en ruimte overstijgt en die emotioneel wordt ervaren als een oneindige uitgestrektheid, als een oceanisch gevoel. Sigmund Freud onderkende dit gevoel, zoals we weten uit een briefwisseling met Romain Rolland (NB Frans Nobelprijswinnaar en Beethoven-biograaf), maar begreep het als een regressie naar een vroege ontwikkelingsfase, waarin zelf en omgeving nog niet gescheiden zijn. Rolland daarentegen beschouwde het als een fundamenteel religieus gevoel, als een mystieke ervaring van universele eenheid.”

Intussen ging daar op het gymnasium de ontwikkeling van het gewei van het intellect gewoon door…
Ik probeerde me er op allerlei manieren tussenuit te wringen en bleef verschillende malen zitten – maar daardoor ontstond er juist een tomeloze ambitie in de randgebieden: ik werd voorzitter van de oratorische vereniging, hoofdredacteur van de schoolkrant, ik wist niet van ophouden…
Maar mijn weerstand tegen de intellectuele indoctrinatie, die hersenspoeling met wekelijks drie uur Grieks en drie uur Latijn, bleef groot…

En weer gaf ik me toen over aan het dionysische – het ‘duistere’, mythische, orgastische… Ik dacht dat te vinden in de ‘parallelwereld’ van de muziek. Ik kreeg een dringende behoefte een muziekinstrument te gaan bespelen: de klarinet. Niet in het minst omdat dat instrument een opening bood naar de wereld van de jazz, waar ik evenzeer van genoot – zoals van Sidney Bechet, die mijn hart stal met ‘Petite fleur’ en ‘Summertime’. Maar onbewust speelde misschien ook de lichamelijkheid van het instrument een rol, het voortdurende spel met de adem – je was daarin adem. En dat verbond je terug met je lichaam en bood zo enigszins tegenspel aan het allesoverheersende intellect.

Toen ik les nam, kwam ik terecht op de Nijmeegse muziekschool, waar ik bij Hans Kropp terecht kwam, eerste klarinettist van het Gelders Orkest. Maar ik ontdekte al gauw dat ik al die lesboeken met loopjes en arabesken, überhaupt dat hele oefenen, eigenlijk maar niks vond… Ik wilde vrij zijn in mijn spel. Ik sloot me thuis op in de kelder, waar ik uren improviseerde…

Toch had ik ook het verlangen ooit het beroemde Klarinetconcert van Mozart te kunnen spelen, waar ik wég van was, vooral van het Adagio – notabene dezelfde Mozart bij het zingen van wiens Ave Maria in het schoolkoor, ik de baard in m’n keel gekregen had. Daar was ik woedend over geweest…
Zou dat Klarinetconcert voor mij een soort herkansing zijn geweest, met de stem van mijn klarinet, in plaats van mijn jongenssopraan…

Helaas bleek mijn muziekleraar niet de inspiratiebron te zijn waarnaar ik zocht, hij was me veel te gewoontjes, een echte beroeps – niet de ‘poort naar een andere wereld’ waar ik naar zocht.

Toen ik daarna in Amsterdam ging studeren, nam ik weer les. Deze keer trof ik een leraar waar ik wél voeling mee had, hij heette … Jan de Pijper. Ook hij participeerde in de traditionele muziekwereld en was klarinettist in het Orkest van het Oosten (maar woonde op de Zaanse Schans).
Bij Jan speelde ik zelfs in een kwartet – een samenspel waarin menselijke relaties in een net iets ander daglicht komen te staan: je was met elkaar onderweg, had plezier en er kwam iets moois uit, hoe aarzelend het soms ook ging. Terwijl het in het gewone leven, op school en op de universiteit, allemaal draaide om wie de beste was. En het was nog oersaai ook…

Na enige tijd drong het tot me door dat Jan de Pijper astmatisch was … heel bijzonder dat hij in zijn spel zich daaruit leek te kunnen bevrijden. Hij speelde prachtig…
Hem was geen lang leven beschoren, hoorde ik later – hij was nog zo jong, zo begaafd…

Als ik er nu op terugkijk, waren die beide gidsen in de ‘alternatieve wereld’ van de muziek, twee uitersten geweest. Was de één een echte overlever, die daardoor de opening naar de innerlijke dimensie miste. De ander leek in zijn kwetsbaarheid die opening wel te hebben, maar overleefde het niet…
Daarmee bleef voor mij, bij mijn verkenning van muziek als opening naar een leven buiten de verstikkende orde van de normaliteit, de fundamentele vraag onbeantwoord: hoe kun je overleven, zonder jezelf te verraden – hoe kun je de wereld op je nemen, zonder er aan ten gronde te gaan…

PS In Das Narrenschiff heb ik beschreven hoe het met mijn klarinet afgelopen is.
Aan de kwaliteit van het onderwijs dat ik kreeg, kan het niet gelegen hebben…

En dan hier weer de shake v/d week…